Part 14
„Op den dag, dat Mariane mijn vrouw werd, M'sieur, had ik de Heilige Moeder Gods beloofd, dat ik te eeniger tijd mijn schuld aan Meleese zou afdoen en nu had ik daartoe gelegenheid. Ook Jackpine was haar slaaf en wij beiden sloegen de handen ineen. Twee uren nadat Meleese en haar broeders de reis naar het Zuiden hadden ondernomen, volgde ik hen met afgeschoren baard en uiterlijk zóó veranderd, dat niemand mij herkende bij het gevecht op het Groote Pad naar het Noorden. Meleese dacht, dat haar broers u dien nacht gevangen wilden nemen, zonder u verder letsel te doen toekomen. Men had haar gezegd, op welke wijze zij u gemakkelijk naar het kamp kon brengen. Zij wist niets van de hinderlaag totdat de mannen uit hun schuilhoek op u lossprongen. Eerst na het gevecht, toen de Thoreau's—in hun woede over uw ontsnapping—haar vertelden, dat het hun plan was geweest om u te dooden, besefte zij ten volle wat zij had gedaan. Dat is alles, M'sieur. Ge weet wat er verder gebeurde. Zij durfde u aan de Wekusko niet zeggen, wie uw vijanden waren, want die vijanden waren haar eigen vleesch en bloed en haar dierbaarder dan het leven. Zij hing tusschen twee groote liefdes, M'sieur—de liefde voor haar broeders en—”
Weer aarzelde Jean.
„Haar liefde voor mij,” voleindigde Howland.
„Ja, haar liefde voor u, M'sieur.”
De twee mannen verhieven zich gelijktijdig van hun zitplaatsen en een oogenblik bleven zij hand in hand staan in het rookerige licht van de lamp en van den dageraad. Geen van beiden hoorde hoe er op de deur geklopt werd, die naar de naaste kamer leidde; zij zagen niet hoe die deur zich zacht naar binnen opende en dat Meleese, als weifelend, op den drempel bleef staan.
Het was Howland, die het eerst sprak.
„Ik dank God, dat dit alles gebeurd is, Jean,” zei hij plechtig. „Ik ben blij, dat gij mij tijdelijk voor dien anderen John Howland hebt gehouden en dat Pierre Thoreau en zijn broers het plan smeedden om mij te Prince Albert of aan de Wekusko te dooden, want als dit alles niet was gebeurd, dan zou ik Meleese nooit ontmoet hebben. En nu, Jean—”
Zijn ooren vernamen een zacht geritsel en zich omwendend, zag hij nog juist hoe Meleese behoedzaam trachtte weg te sluipen.
In een ommezien volgde hij haar, terwijl Jean bij de tafel bleef staan. Door de deur viel alleen de schemering van den grijzen morgen, maar dat was hem voldoende om de gestalte te onderscheiden van haar, die hij liefhad en die—zich half omwendend—op hem scheen te wachten. Met een kreet van vreugde sprong hij vooruit en sloot hij haar vast in zijn armen.
„Meleese—mijn Meleese!—” fluisterde hij.
En daarna kwam er geen geluid meer uit die tweede kamer, die door den dageraad werd verlicht, maar Jean Croisset, die nog steeds bij de tafel stond, mompelde zacht: „Onze Lieve Vrouwe zij geprezen, want het komt uit, zooals Jean Croisset het gewenscht had—en nu kan ik weer teruggaan naar mijn Mariane!”
INHOUD.
Bladz.
HOOFDSTUK I. De Sneeuwjonkvrouw 5
„ II. Lippen, die niet spreken 12
„ III. De Geheimzinnige Overval 20
„ IV. De Waarschuwing 26
„ V. Een Middernachtelijk Bezoek 37
„ VI. De Liefde van een Man 53
„ VII. Het opblazen van de coyote 62
„ VIII. De Ure des Doods 73
„ IX. De Samenkomst 81
„ X. Een sledevaart het Noorden in 87
„ XI. Het Huis van den Rooden Dood 98
„ XII. Het Gevecht 110
„ XIII. De Vervolging 118
„ XIV. Een Lichtstraal 126
„ XV. In het Slaapvertrek 139
„ XVI. Jean's Verhaal 150
„ XVII. Meleese 163
+--------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) - Correctie (C:) | | | | B: het schijnt dat Gregton en Thorne | | C: het schijnt dat Gregson en Thorne | | B: Die manoeuvre redden hem en toen | | C: Die manoeuvre redde hem en toen | | B: de hinderlaag op, het Groote | | C: de hinderlaag op het Groote | | B: zij de hakken kraken onder de | | C: zij de takken kraken onder de | | B: terug te keeren. Er werd nu geklopt | | C: terug te keeren.” Er werd nu geklopt | | B: hadden gestuwd. | | C: hadden gestuwd.” | | B: hij zijn vermoeide honden bezorgd had, | | C: hij zijn vermoeide honden verzorgd had, | | B: legde hij uit. „Als ge ge me op | | C: legde hij uit. „Als ge me op | | B: onwillekeurig lachend. Weet je wel, | | C: onwillekeurig lachend. „Weet je wel, | | B: geplaatst om de ommetelijke vlakte in | | C: geplaatst om de onmetelijke vlakte in | | B: Des te noodzakelijker is het | | C: „Des te noodzakelijker is het | | B: „Daarna, M'sieur?”—” herhaalde Jean | | C: „Daarna, M'sieur?—” herhaalde Jean | | B: voor zijn handelingen De sneeuw | | C: voor zijn handelingen. De sneeuw | | B: sneeuw. Hij herkende, dat gelaat. | | C: sneeuw. Hij herkende dat gelaat. | | B: Haar handen stietten hem weg | | C: Haar handen stieten hem weg | | B: een krankzinnige vecht om u te | | C: een krankzinnige vocht om u te | | B: ik weet, dat niemand, die | | C: ik weet, dat niemand die | | B: M'sieur,” zei hij. „Geef het hem | | C: M'sieur,” zei hij. „„Geef het hem | | B: voren. Met dicht geknepen handen en | | C: voren. Met dichtgeknepen handen en | | B: zenden. | | C: zenden.” | | B: meisje, M'sieur en het is niet | | C: meisje, M'sieur, en het is niet | | | +--------------------------------------------------------+
End of Project Gutenberg's Op het onheilspad, by James Oliver Curwood