Part 10
„We rusten niet vóór en aleer we het spoor hebben,” antwoordde Howland. „Ik ben zoo benieuwd om te weten te komen, welke die eene kans ten honderd is, Croisset, waar je mij hoop op hebt gegeven. Als zij voorbij zijn—”
„Als zij voorbij zijn, zoudt ge evengoed daarginds kunnen gaan staan en mij vragen om u een kogel door het hoofd te jagen, M'sieur.”
Jean ging naar de honden en leidde die langs de ruwe helling naar omlaag, terwijl Howland de toboggan tegenhield. Drie kwartier slingerden zij zwijgend tusschen de struiken door over de vlakte. Van elken sneeuwheuvel af verkende Jean de witte wildernis om hen heen en telkens keerde hij—als er geen menschelijk wezen te bespeuren viel—bij den ingenieur terug niet een weinig goeds voorspellend schouderophalen. Eens ontlokten een stuk of drie kariboe's, op misschien een mijl afstands, hem een snellen uitroep; Howland zag hoe een plotselinge blos zich op het donkere gelaat afteekende, onmiddellijk gevolgd door een blik van teleurstelling. Van dit oogenblik af hield hij zijn metgezel nog meer in het vizier. Zij hadden nog niet de helft van den afstand afgelegd, die hen van de kariboe's scheidde, toen Croisset—op een open ruimte gekomen, waar geen enkel sprietje groeide—plotseling luid zijn stem verhief en het span stilstond.
„Wat denkt ge van dàt, M'sieur—wat denkt ge van dàt?” riep hij, op de sneeuw wijzend.
Op den zoom van de open plek was de dikke ijskorst hier en daar gebroken; het leek alsof de boomen van een slee er over heen waren gegaan. Gedurende één seconde vergat Howland om voorzichtig te zijn; volijverig boog hij zich, met den rug naar zijn metgezel gekeerd, voorover om de sporen te onderzoeken. Toen hij weer opkeek, zag hij een wonderlijke, lachende uitdrukking in Jean's blik.
„_Dieu!_ wat zijt ge onvoorzichtig, M'sieur!” riep de half-ras. „Pas toch op! Breng me niet in verzoeking!”
„Voor den duivel! je hebt gelijk!” zei Howland, snel terugwijkend. „Dank je, Jean. Als het niet was om het moreele effect, dan zou ik je de hand willen drukken. Hoe ver denk je, dat ze ons vóór zijn?”
Croisset lag nog op zijn knieën bij het spoor.
„De ijskorst is hier versch gebroken,” zei hij na een oogenblik. „Zij kunnen ons niet meer dan twee of drie uur vóór zijn—misschien sedert vanmorgen.—En zie nu eens naar dit witte, glinsterende laagje op het eerste spoor, M'sieur, met wel een millioen scherp opstaande naaldpunten. Dat moet het werk zijn van drie of vier dagen vorst. Zóó lang is het dus al geleden sedert de eerste slee—die van Meleese en Jackpine—hier voorbij trok.”
Howland keerde zich om en greep naar zijn geweer. De half-ras keek aandachtig toe, toen hij het met een aantal patronen laadde.
„Als er nog koude spijs in het pak zit, haal die er dan uit,” beval de ingenieur. „We zullen onder het loopen ons maal gebruiken—tenminste, als je wat hebt, dat zich daartoe leent. Heb je dat niet, dan zullen we honger lijden. We moeten die laatste slee vanmiddag of vanavond inhalen of—we zijn geschochten!”
„Bij alle Heiligen, M'sieur—dan zijn we geschochten!” hijgde Jean. „En als wij het niet zijn, dan toch in elk geval de honden. Neen—het is niet mogelijk!”
„Is er wat te eten?”
„Een stuk koud vleesch, dat is alles. Maar ik herhaal, dat het onmogelijk is. Die slee—”
Met een gebaar van ongeduld viel Howland hem in de rede.
„En ik zeg, dat je dat eten te voorschijn moet halen—en gauw ook, Croisset! We zullen die kostelijke vrienden van je inhalen en ik waarschuw je, dat het zal spannen, als je een poging doet om tijd te verliezen. Snap je?”
Jean had zich al gebogen om het pak, dat op de slee lag, open te maken; er kwam een nijdig licht in zijn oogen bij het dreigement van den ingenieur. Een oogenblik was het alsof hij ging spreken, maar hij hield zich in en reikte Howland de grootste helft van het vleesch. Daarop nam hij zijn oude plaats weer in naast de honden. In het eerstvolgende uur keek hij maar een- of tweemaal om en na elk van die keeren verdubbelde hij zijn pogingen om de huskies tot meerderen spoed aan te zetten. Intusschen—nog hadden zij den rand niet bereikt van het lage, zwarte pijnwoud, dat Jean hem van de overzijde van de vlakte had gewezen, of Howland zag al, dat hun span het niet langer volhield. De voorste hond hinkte en af en toe legden al de dieren zich om eerst weer voort te gaan, wanneer Croisset de lange zweep liet klappen. Daarbij merkte de ingenieur, dat ook hij zelf niet langer bij machte was om Jean en de honden bij te houden en verzwaarde hij de slee door zijn gewicht, dan sleepten de huskies nog meer.
Zoo trokken zij tot diep in het lage woud en nu liep Jean—klaarblijkelijk de uitputting van mensch en dier vergetend—vóór het span uit, aldoor den blik gevestigd op het ijle spoor vóór hen. Het kon wel niet anders of Howland moest merken, dat de noodelooze bedreiging een uur of wat geleden tegen den half-ras geuit, dezen nog hinderde en herhaaldelijk deed hij van zijn kant een poging om de stilte te verbreken. Maar Jean bleef, in nijdig zwijgen gehuld, voortloopen, alleen antwoordend op rechtstreeksche vragen. Ten laatste sprong de ingenieur van de slee en voegde hij zich weer bij zijn metgezel.
„Hou in, Jean!” riep hij. „Ik heb er genoeg van. Jij hadt gelijk en ik vraag je nederig om excuus. Wij zijn geschochten—dat wil zeggen—de honden en ik, we zijn geschochten en we kunnen het eigenlijk wel opgeven, totdat we wat te eten hebben gehad. Wat zeg jij?”
„Ik zeg, dat ge juist bijtijds hebt stilgehouden, M'sieur,” antwoordde Croisset gedwee. „Nog een half uur en we zouden uit het bosch zijn en juist daarvóór, op den rand van de vlakte, bevinden zich de menschen, die gij zoekt—Meleese en haar vrienden. Ik had u dat daarginds al willen vertellen, maar ge liet me niet uitspreken. _Mon Dieu_, als het niet was om Meleese, dan zou ik u laten voorttrekken. En dan—wat zou er dan wel geschieden, M'sieur, wanneer ge zoo op klaarlichten dag bij hen aankwaamt?—Luister!”
Waarschuwend hief Jean de hand op. Heel flauw drong het vèr verwijderde geblaf van een hond tot hen door.
„Dat is een van onze Mackenzie's,” ging hij zacht voort met geheimen triomf in zijn stem. „En nu, M'sieur, welke zijn uw verdere plannen, nu ik u eenmaal tot hier gebracht heb? Zullen we doorgaan en zien om het middagmaal te gebruiken bij de lui, die u willen dooden, of wenscht ge hier een uur of wat te wachten? Wat zal het zijn?”
Eén seconde bleef Howland roerloos staan, als was hij onder den indruk van Jean's woorden. Maar hij herstelde zich snel. Zijn oogen schitterden met metaalachtigen gloed, toen zij de bedekte uitdaging van Croisset's koelen glimlach opvingen.
„Als ik je niet had tegengehouden, zouden we dan voortgegaan zijn?” vroeg hij kortaf.
„Zeker, M'sieur,” gaf Croisset, altijd nog glimlachend, ten antwoord. „Ge hadt immers gezegd, dat ik geen tijd mocht verliezen en dat het zou spannen als ik dat wèl deed!”
Met een snelle beweging trok Howland zijn revolver en richtte die op het hart van den half-ras.
„Als je ooit tot je Heiligen hebt gebeden, Jean Croisset, doe het dan nu. Ik maak een eind aan je leven!” riep hij woest.
HOOFDSTUK XIV.
Een Lichtstraal.
In minder dan geen tijd werd het gelaat van Jean Croisset tot een masker van wat het was geweest. De uitdagende glimlach verdween van zijn lippen en een vale bleekheid spreidde zich over zijn gelaat, toen hij merkte, dat Howland's vinger zich kromde om den trekker van zijn revolver. Een seconde later liet die een doffen klik hooren.
„Vervloekt! Een leege patroon!” riep Howland. „Ik verzuimde om opnieuw te laden na de drie schoten op den kroes. Maar nu komt het, Jean!”
En met opzet liet hij de tweede leege patroon klikken.
„Groote God!” hijgde Jean—„M'sieur!”
Daar klonk opnieuw, diep uit het woud, het geblaf van den Mackenzie. Dezen keer leek het veel dichter bij en een oogenblik liet Howland's blik af van het verschrikte gelaat van den half-ras. Hij wendde het hoofd om en luisterde.
„Zij komen!” riep Croisset. „M'sieur, ik bezweer u—”
Weer mikte Howland op zijn hart.
„Des te noodzakelijker is het voor mij om je te dooden,” zei hij met ijzige kalmte. „Ik waarschuwde je, dat ik je zou doodschieten, als je me in een val liet loopen, Croisset. Onze honden zijn op. Als er menschen langs dit pad komen, is de eenige uitweg: vechten!—Luister!”
Dezen keer klonk van veel dichter bij, eerst het geroep van één man en daarna dat van meerdere personen; de huskies hieven zich op en hieven mede een schel geblaf aan. Howland, eerst rood van agitatie, was doodsbleek geworden, nog bleeker dan Croisset. Maar het was allerminst de bleekheid van den angst. Zijn oogen flikkerden als blauw staal, waar de zon op schijnt.
„Onze eenige kans bestaat in vechten,” herhaalde hij nog kalmer dan te voren. „Een paar mijlen eerder had alles nog kunnen gebeuren, zooals ik het uitdacht. Maar hier—”
„Zij zullen het schieten hooren!” riep Jean. „De nederzetting is op een geweerschot afstands van het woud en er zijn er daar genoeg, die wenschen te zien, wat er gaande is. Gauw, M'sieur, volg mij. Misschien zijn het maar pelsjagers, die naar hun vallen gaan. En—alles in aanmerking genomen—”
„Welnu?” vroeg Howland.
„Kunt ge mij een beetje later ook nog wel doodschieten,” meende Croisset met een flauwe herinnering aan zijn oude driestheid. „Maar, _Mon Dieu_, ik ben bang voor het geluid van een schot, M'sieur; en ik zal mijn best doen om u nog te redden. Wilt ge me een kans geven—of blijft ge bij uw plan om mij dood te schieten?”
„Ik zal je doodschieten, als het je niet gelukt om mij te redden,” antwoordde de ingenieur.
Nauwelijks waren die woorden over zijn lippen of Croisset sprong op de honden af, pakte den voorsten bij zijn halsband en sleurde span en slee door de struiken, ter zijde van het Pad. Een pas of twaalf verder ging het dichte kreupelhout over in enkele lage, schrale heesters; hier zette Jean het op een kalm drafje, met Howland op korten afstand achter zich, terwijl de huskies met menschelijke slimheid de moeilijke draaien volgden van het spoor, dat de half-ras hun aanwees. Zij waren een driehonderd yards gevorderd, toen er voor den derden keer een luid geroep tot hen doordrong. Met een scherp hup! hup! en een zweepslag hield Jean de honden in.
„De Heilige Moeder Gods zij geprezen!—wat een bof!” riep hij. „Zij zijn een ander pad, meer naar het Oosten, ingeslagen, M'sieur. Als zij waren gekomen tot aan de opening in de struiken, waar doorheen wij de slee trokken—” Met een zucht van verlichting haalde hij de schouders op. „_Sacrebleu!_ Zij zouden niet zoo onnoozel zijn geweest van die zonder meer voorbij te gaan!”
Intusschen had Howland zijn revolver geopend en de drie leege patronen vervangen door nieuwe.
„Een volgenden keer zal er geen abuis zijn,” zei hij, het wapen in de gestrekte hand houdend. „Je bent nooit zóó dicht bij je dood geweest, als een minuut of wat geleden, Croisset—en nu moeten we eens een verstandig woord met elkaar praten. Tot op het oogenblik, dat we daar ginds halt maakten, stelde ik een zekere mate van vertrouwen in je. Nu doe ik dat niet meer. Ik beschouw je als mijn ergsten vijand en hoewel je verduiveld dicht bij je vrienden zit, zeg ik je, dat je nooit van je leven in een ber....rder conditie hebt verkeerd dan nu. Schiet ik te kort in mijn onderneming, dan sterf je. Komen er vóór het donker is, anderen langs dit pad, die ons aanvallen, dan schiet ik je dood. Als je het me niet mogelijk maakt om Meleese te zien en te spreken, dan jaag ik een kogel door je heen. Je leven hangt af van mijn slagen; heb ik geen succes, dan is je eindje even zeker als nu het vallen van den avond. Als ik maar het minste vermoeden heb van verraad, zijn je minuten geteld. Wat denk je onder die omstandigheden te doen?”
„Ik ben blij, dat ge van idee zijt veranderd, M'sieur, en ik beloof u, dat ik u niet meer in verzoeking zal brengen. Ik zal op mijn tellen passen en mijn best doen,” zei Jean.
Er begonnen een paar lichte sneeuwvlokken door de toppen van de pijnboomen te vallen en de half-ras hief zijn oogen op naar het smalle streepje van den hemel boven hen. „Binnen een uur sneeuwt het hard,” verzekerde hij. „Als zij vóór dien tijd ons spoor niet ontdekken, M'sieur, dan zijn wij veilig.”
Opnieuw leidde hij den weg door het woud, maar nu langzamer en met meer voorzorg dan te voren; zoo vaak hij over zijn schouder keek, zag hij de doffe schittering van Howland's revolver, die op de holte van zijn rug bleef gericht.
„Duivels!—ge bezorgt me een benauwende gewaarwording, M'sieur,” protesteerde hij. „En de trekker is ook overgehaald—”
„Ja, die is overgehaald,” zei Howland streng. „En die blijft op je rug gericht, Croisset. Als het pistool toevallig afgaat, boort de kogel een gat dwars door je heen!”
Een half uur later hield de half-ras zijn honden in op een plek, waar de dennen tegen een helling opklommen.
„Als ge vertrouwen in me hadt, dan zou ik voor u uit kunnen loopen,” fluisterde Jean. „Deze heuvelkam omgeeft de vlakte, M'sieur en op den top staat een oude hut, die al jaren verlaten is. Het zou een duizendste kans zijn, dat zich daar iemand bevond, hoewel de streek om dezen tijd van het jaar een goed jachtgebied is voor vossen. Van die hut uit zult ge 's avonds het licht in het raam van Meleese kunnen zien.”
Hij wachtte niet op de uitwerking van die laatste woorden, maar begon zijn weg te zoeken tegen de helling op en met de honden op zijn hielen. Op den top gekomen draaide hij tusschen twee hooge met sneeuw bedekte rotsmassa's door en aan de andere zijde daarvan, bijna geheel beschut tegen den Oostenwind, die de sneeuw opdreef, stonden zij op eens voor een kleine hut van houtblokken. Er viel in heel den omtrek geen teeken van leven te bespeuren. Met ongewonen ijver onderzocht Jean de sneeuwlaag en toen hij zag, dat er geen spoor van mensch of dier in de ongerepte ijskorst te bekennen viel, kwam er een blijde glans van verlichting over zijn gelaat.
„Goddank, M'sieur, tot zóó ver heb ik mijn hachje er niet bij ingeschoten,” grinnikte hij. „Ga nu zelf maar eens kijken en zie of Jean geen woord heeft gehouden.”
Een pas of twaalf bracht hen door een dichte haag van struiken naar de andere helling van den heuvel. Jean strekte den arm uit naar de vlakte en toen Howland in die richting keek, maakte een hevige opwinding zich van hem meester. Daar ginds toch, op minder dan een kwart mijl afstands, rees uit een inzinking in de vlakte en daardoor gedeeltelijk beschut, een complex van blokhuizen op, zwart en verlaten te midden van de witte woestenij. Eén daarvan was een groot gebouw in den trant van het huis van den Rooden Dood en juist terwijl Howland er naar stond te kijken, kwam van achter een der kleinere huizen een span honden met een sleê te voorschijn, die stilhield vóór het groote blokhuis. De bestuurder, die duidelijk te onderscheiden viel, begon tot Howland's verbazing tegen den muur naar boven te klauteren. De ingenieur had namelijk nog niet opgemerkt, dat langs de buitenzijde van het gebouw een trap was aangebracht. Maar tegelijkertijd trok de houding van den half-ras zijn attentie. Croisset boog zich halverwegen uit de struiken en keek, van zijn hand een telescoop makend, mede aandachtig naar de huizen van de nederzetting. Plotseling richtte hij zich tot Howland.
„Kijk, M'sieur,—ziet ge dien man, die daar de trap opgaat?—Ik wil u wel zeggen, dat hij het geweest is, die u op het Pad dien slag op uw hoofd heeft gegeven en dat hij ook behoorde tot hen, die u in de coyote opsloten. Dat is zijn woning hier in de nederzetting en waarschijnlijk gaat hij naar boven om met Meleese te spreken. Als ge een knap schutter waart, zoudt ge van hier uit uw voordeel kunnen doen, M'sieur!”
De gestalte was blijven staan op wat waarschijnlijk een soort van plat was, halverwegen den muur van het gebouw. Het was, of hij een oogenblik de vlakte tot aan den heuvel toe verkende—daarop verdween hij. Howland had geen woord gesproken, maar elke zenuw in hem trilde op vreemde wijze.
„Je zegt, dat Meleese—daar is?” vroeg hij aarzelend. „En hij—wie is hij, Croisset?”
Jean haalde de schouders op, trok zich weer terug in de struiken en liep langzaam naar de oude hut.
„Non, M'sieur, dàt vertel ik u niet!” zei hij. „Ik heb u hier gebracht. Ik heb u de trap gewezen, die naar de kamer voert, waar gij Meleese zult vinden. Ge moogt me tot frikkadellen hakken voor de raven, maar meer zeg ik u niet!”
Weer verscheen het dreigende vuur in Howland's oogen.
„Wees zoo goed om de handen weer op den rug te leggen, Croisset,” beval hij. „Ik zal je compliment beantwoorden door ze te binden met hetzelfde koord, dat je voor mij hebt gebruikt. Daarna—”
„Daarna, M'sieur?—” herhaalde Jean met een greintje van zijn oude vermetelheid, terwijl hij met zijn rug naar den ingenieur gekeerd en met de handen achter zich bleef staan. „Daarna?”
„Zult ge me alles vertellen, wat ik wil weten,” eindigde Howland, het touw om Jean's handen strakker aantrekkend.
Vervolgens leidde hij den weg naar de hut. De deur was gesloten, maar ging gemakkelijk open, toen hij zijn gewicht er tegen legde. Het eenige vertrek werd verlicht door een venster, dat een hoop sneeuw had doorgelaten—en bevatte niets dan een ruwe tafel, tegen een van de houten wanden aangebracht, drie leege kisten, die klaarblijkelijk voor stoelen hadden gediend en een gebarsten en verroeste plaatijzeren kachel, naar allen schijn al lang buiten gebruik. Hij wees Croisset een plaats aan bij de tafel. Daarop ging hij, altijd zonder een woord te spreken, naar buiten, legde den voorsten hond goed vast, sloot bij zijn terugkomst de deur en zette zich ten laatste tegenover den half-ras.
Het licht van het raam viel op Croisset's donker gelaat en scheen met zilveren glans op het handvat van Howland's revolver, waarvan de loop—als toevallig—op één lijn was met de borstkas van zijn overbuur. Er liet zich een dreigende klik hooren, toen de ingenieur den trekker overhaalde.
„En nu, mijn waarde Jean, zijn we gereed om het werkelijke spel aan te vangen,” legde hij uit. „Hier zitten wij hoog en droog—en daar omlaag—juist ver genoeg om buiten het gehoor van deze revolver te zijn, wanneer ik die afschiet—zitten zij tegen wie wij gaan spelen. Tot nu toe heb ik steeds in het duister getast. Ik weet geen enkele reden, waarom ik niet openlijk daarheen zou gaan—waarom ik daar niet welkom zou zijn en waarom ik er niet op een goeden maaltijd onthaald zou worden. En toch ben ik overtuigd, dat mijn leven geen duit waard zou zijn, _als_ ik naar beneden ging. Maar jij kunt me dat alles duidelijk maken en dat is het, wat ik nu van je eisch. Als je me vertelt, waarom ik aangewezen ben om op slag vermoord te worden, dan ben ik in elk geval beter af en dan weet ik, waar mij aan te houden. Vooruit dus—en opgebiecht! Doe je het niet, dan schiet ik je den kop af.”
Jean zat onbeweeglijk met saamgeknepen lippen en opgeheven hoofd—rustig en uitdagend.
„Ge moogt schieten, M'sieur,” zei hij kalm. „Ik heb op het kruis van de Heilige Maagd gezworen, dat ik u niet meer zal vertellen dan ik al deed. Geen foltering zou er mij toe kunnen brengen om u datgene te zeggen, waarnaar gij vraagt.”
Langzaam hief Howland de revolver op.
„Nog eens, Croisset,—wil je het me vertellen?”
„Neen, M'sieur—”
Een oorverdoovende knal deed de hut trillen. Er druppelde een straaltje bloed uit Jean's oorlel. Zijn gelaat was vaal-wit geworden. Maar zelfs nu de kogel hem op een duimbreed afstands van de hersens had geraakt, bleef hij zichzelf gelijk.
„Wil je het me zeggen, Croisset?”
Dezen keer mikte de zwarte loop van de revolver juist tusschen de oogen van den half-ras.
„_Non_, M'sieur.”
De blikken van beide mannen ontmoetten elkaar boven het blauwe staal. Met een kreet liet Howland het wapen zakken.
„God nog toe—je bent een flinke kerel, Jean Croisset!” riep hij. „Ik ken wel een dozijn lui, die ik liever zou willen doodschieten dan jou!”
Hij stond op en liep naar de deur. Er viel nog niet veel sneeuw, maar naar het Noorden toe werd de horizon zwart door den vroeg vallenden nacht. Met iets zenuwachtigs in stem en houding keerde hij zich opnieuw tot Jean.
„De duivel hale me, als ik geen lust gevoel om je excuus te vragen,” riep hij. „Heb je pijn aan je oor?”
„Niet meer dan wanneer ik me aan een doorn had gekrabd,” antwoordde Jean beleefd. „Gij zijt een goed schutter, M'sieur.”
„Het zou me op het oogenblik niet veel geven of ik je al doodmaakte,” zei Howland, zich weer op de kist zettend met de kin op de palm van zijn hand en zijn overbuur aankijkend. „Maar je ziet uit een en ander, dat ik vrijwel desperaat ben, Croisset en dat het meenens is. We zullen niet langer kibbelen over de vragen, die ik deed. Ik kwam hierheen om Meleese te zien en hoe kan dat gebeuren?”
„Op mijn woord—ik weet het niet!” zei Jean, kalm als was er niet een oogenblik te voren een kogel langs zijn oog gestreken; „voor zoover ik kan nagaan, is er maar één kans, M'sieur; ge moet in deze hut de wacht houden en zien of zij er met haar honden op uitgaat. Zij heeft een eigen span en in gewone tijden rijdt zij daar vaak mee, soms alleen en soms in gezelschap van een van de andere vrouwen van de nederzetting. Maar in de laatste weken heeft zij zooveel gesleed, dat ik betwijfel of zij er vooreerst veel plezier in zal hebben.”
„Ik had eigenlijk plan gemaakt om jou te gebruiken,” zei Howland, „maar mijn vertrouwen in je is weg. Wezenlijk Croisset, ik geloof, dat het jou evenmin ter harte zou gaan om me een mes in den rug te duwen als die moordenaars daar omlaag.”
„Niet in den rug, M'sieur,” glimlachte de half-ras, onbewogen. „Daartoe heb ik vaak genoeg gelegenheid gehad. _Non_,—sedert ons gevecht van daar ginds, geloof ik niet, dat ik meer behoefte gevoel om u te dooden.”
„Maar ik zou toch gek zijn, als ik je vertrouwde, niet waar?”
„Niet, wanneer ik u mijn woord had gegeven. Dat breken wij menschen van het Noorden nooit; zoo wat gebeurt uitsluitend onder de beschaafde lui aan de Wekusko en verder naar het Zuiden toe.”
„En jelui vermoordt alleen maar bij wijze van tijdverdrijf, niet waar, mijn goede Jean?”
Croisset haalde de schouders op zonder te spreken.
„Luister eens, Jean,” zei Howland op eens heel ernstig; „ik kan de verzoeking bijna niet weerstaan om je een kans te geven. Wil je vanavond nog afdalen naar de nederzetting en zien of je op de een of andere manier toegang kunt krijgen tot Meleese? Wil je haar een boodschap van mij overbrengen?”
„En wat zou die boodschap bevatten?”
„Iets, wat haar vanavond nog hierheen zou brengen.”
„Zijt ge daar zóó zeker van, M'sieur?”
„Ja. Wil je het doen, Jean?”
„_Non_, M'sieur.”
„De duivel hale je!” riep Howland geërgerd. „Als ik niet zeker wist, dat ik je later noodig zal hebben, dan draaide ik je met plezier den nek om, zooals je daar zit!”
Hij stond op en begaf zich naar de kachel, die, hoe oud ook, nog wel een vuurtje kon verdragen. Het was buiten inmiddels donker geworden en uit de nederzetting zou men den rook niet meer kunnen zien. Zwijgend begon Howland een maaltijd van vleesch en koffie gereed te maken en eerst toen het eten op tafel stond, verbrak hij de stilte.
„Natuurlijk ben ik niet van plan om je te voeren,” zei hij kortaf. „Ik zal je handen bevrijden. Maar pas op je tellen!”
En hij legde zijn revolver naast zich op de tafel.
„Ik zou altijd nog kunnen probeeren om u met mijn vork te dooden,” grinnikte Croisset zacht, terwijl zijn zwarte oogen over een vollen kop met koffie lachten. „Ik drink op uw gezondheid, M'sieur en ik wensch u geluk!”
„Dat lieg je!” beet Howland hem toe.
Jean zette den kop neer zonder te drinken.