Op het Balkan-schiereiland De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 8
We verlieten Palé den 17den Augustus en vertrokken van Serajewo den 18den, een gewichtigen dag daar en in geheel Oostenrijk, omdat het de verjaardag is van keizer Frans Jozef, en een dag, waarnaar de sportliefhebber met verlangen uitziet, daar dan de jacht weer wordt geopend.
De engelsche consul-generaal en zijn dochter zouden ons den volgenden dag onderweg ontmoeten, terwijl wij te paard reden en zij in het rijtuig zaten. De rijweg gaat om de renbaan van Ilidze en volgt den loop van de Zeljeznica. Het is een mooier weg dan het rijpad, dat wij volgden en dat ons eerst door een niet interessant land voerde langs enkele kleine dorpjes. Na een uur rijdens hielden we stil om te drinken, maar niet terwille van de arme paarden, want ofschoon het ruwe en vaak steile pad de dieren erg moet hebben ingespannen op zulk een warmen dag, weigerde Ibro, hun meester, beslist, hun zelfs maar een druppel water te geven. Gedurende de rustpoos gingen rijen beladen paarden voorbij, die hout of planken droegen. Een had een heel bosch van heele boomen te dragen, waarvan de bebladerde takken op den grond hingen, een leelijke cavalcade, om op een smallen weg te ontmoeten, vooral, als men een schrikachtig paardje bereed.
Er volgde een steile helling over een buitengewoon steenachtig pad. Dit was de oude turksche weg, en blijkbaar was er eens een poging gedaan, om hem te bestraten, maar daar was zoo goed als niets meer van te merken; de aarde was weggespoeld, en de naakte rots was overgebleven, scherp en puntig op sommige plaatsen, glad en vuil op andere en lastig voor de paardjes, om er staande te blijven.
Ibro, de gids, een groote, ruwe Mohammedaan, nam onze parapluies, deed ze open en bood ze ons aan. Daar de zon brandend heet was, werd die attentie door ons zeer gewaardeerd, maar niet door een van de paarden, die waarschijnlijk nooit zoo iets als een geopende parapluie vroeger had gezien en bij na op zijn hoofd ging staan van angst. Na de stijging kwam een daling. Afgestegen, en wandelend, kwamen we bij een hoek niet ver van een dorp drie turksche vrouwen tegen. Die dames hadden blijkbaar aan de winden des hemels vergund, haar damasten wangen te streelen, want ze meenden zich volkomen veilig voor de blikken van eenigen man. Zoodra ze ons in het vizier kregen, was er een haastig ophalen van doeken en sluiers, niet alleen over de gezichten, maar over het geheele hoofd. Toch was dat nog niet voldoende, om blijk te geven van haar zeer bijzondere zedigheid. De schoonen presenteerden ons haar ruggen, hoogst onbeleefd, en liepen ons in die houding voorbij, op zij gaande op de manier van de krabben!
Wat verder was er een han of herberg, waar Ibro, tuk op een verkwikking, stil had gehouden met de paarden. Driepootige stoeltjes waren naar buiten gebracht, en ook uitstekende zwarte koffie in kleine koperen koffiepotjes. De eigenaar van de herberg bracht met een trotsche houding ook een lepeltje te voorschijn, zijn eenig exemplaar, misschien een familiestuk, om de koffie mee om te roeren en leek zeer teleurgesteld, toen Ibro na een nauwkeurige inspectie het met minachting afsloeg en twee twijgjes van de haag brak, die voor het bedoelde gebruik moesten dienen.
Al spoedig nadat we de han hadden verlaten, voerde het pad ons in een der prachtige beukenbosschen van Bosnië. Reuzenbeuken stonden als schildwachten aan elken kant van den weg, en waar hun gesloten gelederen niet geheel het zonlicht hadden afgesloten, filtreerden gouden lichtstrepen door het gebladerte en vielen over ons pad. Het was een verkwikkende afwisseling, toen we door het kale en steenachtige land reden.
Het werd intusschen laat en donker. In de diepte beneden in het dal lag de hoofdweg, die de Zeljeznica volgde. Die was zoo ver onder ons en de helling was zoo steil, dat we ons verwonderd afvroegen, of we wel ooit beneden zouden aankomen. Ons pad daalde nog niet, maar kronkelde steeds door altijd op dezelfde hoogte. Toen het donkerder werd, begon de weg al leelijker te worden; de paarden struikelden over steenen en brokken puin. Het waren slecht beslagen paarden, en één van hen scheen wat opvoeding te hebben genoten en toonde bewonderenswaardige eigenschappen; het was een oud dier, dat waarschijnlijk vele jaren lang zich overwerkt had, vaak te weinig eten had gehad en slecht verzorgd was geworden, maar toch was zijn ijver zoo groot, dat zweep noch sporen noodig waren, zoodat hij ver uitmuntte boven zijn stalgenoot.
De kamer, die voor ons gereserveerd was in den politiepost in Trnovo, was een groot, zindelijk vertrek, waar vier menschen konden logeeren. De slaapgelegenheid was een aangename verrassing voor ons, want men had ons gewaarschuwd, dat we geen weelde moesten verwachten, en in plaats van ongerief troffen we bedden en beddegoed in dit en andere politiehuizen, veel beter passend bij onzen engelschen smaak dan wat er in gemeubelde kamers van de hôtels in de steden beschikbaar is.
De matrassen in de politieposten waren gevuld met de bladen van maïs, die zoo gemakkelijk zijn, als een vermoeide reiziger maar wenschen kan. De kussens, het is waar, waren van de gewone reuzenafmeting, die in Oostenrijk gebruikelijk is, maar het waren niet de slappe dingen, die men u in pensions en hôtels geeft, waar het hoofd in wegzinkt en die aan beide zijden oprijzen, zoodat de slaper half gesmoord wordt. Ook vonden we tot onze blijdschap twee lakens op ieder bed, een om op te liggen en een om onder te kruipen, met een deken in plaats van het gewone zware dekbed. Dat laatste ding is een gruwel, die den Engelschman bijna wanhopig maakt. Niet gewend te liggen onder een gewicht van verscheiden ponden in den zomer, verwacht hij niet, als hij het lastige ding weggooit, daarmee tevens het laken te missen.
Wij kregen een licht avondeten een half uur na onze aankomst, sliepen goed en werden vroeg wakker voor een heerlijken dag. Des morgens maakten we kennis met den civielen bestuurder van de plaats, die ons vertelde, dat hij den oorlog van 1878 had meegemaakt en de gouden medaille voor dapperheid had verworven. Hij beklaagde zijn lot, dat hem zoo lang hier in dit afgelegen nest had gehouden, gescheiden van zijn vrouw en kinderen, die in Serajewo waren voor de opvoeding van het jonge geslacht. We trachtten hem te troosten, door erop te wijzen, dat dit het lot is van tal van engelsche officieren en ambtenaren in Indië.
Hij ging dien middag op de jacht met den eenigen metgezel in de plaats, den luitenant van het troepencontingent te Trnovo. Er viel, naar hij zei, goed te visschen in de Zeljeznica, als het water hoog genoeg was. In 1904 was het zeer laag ten gevolge van de buitengewone droogte.
Om de schoonheid van den weg zouden we over het Treskovicabergland gaan. Een gids te paard was toegevoegd aan ons gezelschap, opdat we geen oponthoud zouden hebben door de langzaamheid van een gids te voet. Maar om de na ons komenden gerust te stellen, kunnen we hier wel zeggen, dat dit een volkomen onnoodige fraaiigheid is, daar onze ruwe Mohammedaan Ibro op zijn platvoeten vlugger vooruit kwam dan de man te paard.
We vertrokken na tweeën in den namiddag. De bedding der Zeljeznica volgend enkele honderden meters ver, gingen we daarna het bosch op den berg binnen, waar de boomen zoo dicht bijeen stonden, dat we eigenlijk niets anders konden onderscheiden dan het pad, dat we bereden, en waar de paarden met moeite voorwaarts kwamen tusschen de steenen door, die ze dan aan dezen en dan aan genen kant van den weg trachtten te vermijden.
Het was inderdaad een afschuwelijk pad, dat voor het tweeledige doel diende van pad te moeten zijn en waterloop. De regenvloeden, die naar beneden waren gestort, hadden het midden zoo uitgehold, dat het een kloof was geworden van wel een voet diepte tusschen opstaande kanten. De bodem van die gleuf was niet breed genoeg, dat het paardje er zijn voeten kon zetten, en de schuinte was zoo afgerond en glad, dat het er moeilijk over kon. Ook had de werking van het water de aarde zoo volkomen weggespoeld, dat er overal spitse stukken rots voor den dag kwamen en wortels van boomen; daarbij was het pad zeer steil, zoodat het zwaar werk voor de paarden was, maar ze deden hun best.
De weg naar de schuilhut op den top is gemakkelijk te vinden, daar de Toeristenclub er veel aanwijzingen heeft laten aanbrengen op boomen en rotsen, roode en blauwe strepen, die den weg wijzen. Wie enkel naar den Treskovica wil, heeft daarom geen gids noodig. Plotseling traden wij uit de schaduw van het bosch op een kleine weide, zoo bestraald door de felle zon, dat het scheen, of een gouden paneel gelegd was tegen den donkeren fluweelen wand van de boomen. Het pad over de weide bracht ons naar den anderen kant van den berg, waar we het uitzicht hadden op het beboschte dal, aan welks overkant de Treskovica zich verhief. We waren nog niet veel meer dan halfweg.
Onze gids wees ons den top, waar de schuilhut was gebouwd en de ruimte tusschen die en den naasten top, waar de pas of nek was, dien wij over moesten. Het pad verdiepte zich in het woud, een bosch van beuken, oude, die verspreid stonden. Er was geen onderhout in de eeuwige schaduw, en ook geen gras of bloemen waren er te zien. Doode bladeren lagen er bij hoopen, en gevallen boomen kwamen ons telkens in den weg; ze waren soms over het pad gestort en daar ze te groot waren, om te worden verschoven, had men ze moeten doorzagen ter breedte van enkele voeten, zoodat aan weerszijden een stuk van den dooden reus lag.
Geen geluid verbrak de stilte; geen vogelgezang, geen bladergeritsel, geen watergemurmel, zelfs niet de klank van een koeklokje, want er was geen gras, om af te grazen. Stilte lag over een heele uitgestrektheid, een vreemde stilte, die de grootsche wouden van Bosnië kenmerkt, verhoogd nog door het lichte geruisch van het kraken van een twijgje of een dood blad, dat dadelijk wegstierf en geen echo naliet.
De natuur deed zich hier voor in grootsche pracht, de eerwaardigheid, die met den ouderdom gepaard gaat. De groote boomen, ten deele met mos bekleed, verhieven zich tot op groote hoogte kaal, zonder takken of bladeren tot in de kruin, en eerst toen we aan den voet van den pas waren gekomen, was het bosch ten einde. Het pad was dat ook, en we moesten nu over een steenachtigen grond klauteren in de blakende zon. Wij waren afgestegen en bevonden ons onmiddellijk onder de steile klippen, die den top van den Treskovica vormen. Terugziende op een groep van ruwe pijnboomen, konden we onzen weg nog onderscheiden en in de verte de witte stipjes herkennen, die Trnovo vormden.
Toen we weer opstegen, nam de gids de leiding en bracht ons vlug over een groote, grazige vlakte, door bergen ingesloten, volkomen vlak en zeer uitgestrekt. Dit is de plaats, waar duizenden stuks vee grazen. Maar dit jaar was er geen enkel dier op de weide; het gras was verbrand door de felle hitte en droogte. Aan het eind van het dal daalden we snel naar Kalinovik, waar we tegen duister kwamen. Het is geen mooi plaatsje, maar er waren belangwekkende oude graven, en de omgeving was bijzonder mooi. Een politieman kwam ons tegemoet en deelde ons mee, dat er kamers voor ons in de herberg gereed waren. We troffen het niet gelukkig in Kalinovik. De herberg was niet veel bijzonders, en daar er oostenrijksche troepen voor de manoeuvres in de buurt waren, moest de eigenares, om ons gezelschap te believen, haar eigen kamers verlaten, die wij al zeer primitief vonden.
Den volgenden morgen om zeven uur schudden onze paardjes het stof van Kalinovik van hun pooten, en over een ruw golvend plateau ging het omhoog. Door de wonderschoone natuur van een boschrijk rotslandschap reden we, tot we de uitloopers van het Zelengora-gebergte reeds te zien kregen, een prachtig gezicht. Tegen den middag bereikten wij het blokhuis van den politiepost van den Zelengora, waar twee aardige, zindelijke kamers voor ons gezelschap in gereedheid waren gebracht. Het lunch was zoo goed als een diner, want het bestond uit soep, schapevleesch, gevogelte, salade en zoetigheid. Jammer, dat het schapevleesch meer op caoutchouc leek dan op iets anders, wat wonderlijk leek bij al die vette weiden, maar wat is het geval? Schapevleesch wordt in Bosnië als armelui's voedsel beschouwd en wordt nooit op de tafel der welgestelden gezien in hôtels of in particuliere woningen. Waarschijnlijk zijn daardoor de schapen niet zoo goed, en er worden geen pogingen gedaan, om het ras te verbeteren.
Na het lunch keken wij rond in den omtrek en bewonderden het Zelengora-district, dat zoo mooi is en nog zoo weinig bezocht wordt, zelfs niet door oostenrijksche toeristen. Wat engelsche bezoekers aangaat, waren wij denkelijk de eersten. Maar die toestand zal niet veranderen, zoo lang de toegang enkel langs een pad, als dat, wat wij gevolgd hadden, is opengesteld. De beste tijd, om erheen te gaan is van Mei tot het midden van Augustus, als alleen de gewone matige hoeveelheid regen valt, maar in het begin van September vallen zware regenbuien, en op de hoogte van den Zelengora zou die dan stellig in den vorm van sneeuw neerkomen, want de toppen van die bergketen zijn ongeveer 6000 voet hoog.
Den volgenden morgen scheidden zich de wegen van den consul-generaal en van ons; onze vrienden gingen door Suka en het Sutjeskadal over de grens van de beschermde provincies naar Plevlje in het sandsjak Novibazar, dat onder turksch bestuur staat, ofschoon er ook oostenrijksche troepen liggen. Onze bestemming was de vroeger belangrijke stad Foca aan de mooie Drina, een der eerste steden van Bosnië, die in handen der Turken vielen.
Het was niet zeer vroeg meer, toen we vertrokken, zoo ongaarne zeiden we de bekoorlijke plek vaarwel tusschen de bergen en wouden van dien heerlijken Groenen Berg met zijn alpenlandschap en verrukkelijke lucht. Er was ons aangeraden over Ljubino te rijden, een politiepost op twee uren afstands, maar de oude Ibro, onze paardeknecht en gids, wist den weg niet, en dus gingen we den langeren weg naar Foca over Jelec, van waar een goede weg naar Foca leidt.
Het eerste eind was langs het pad van den vorigen dag. Het was half negen, toen we vertrokken. Hoewel wij den vorigen dag zoo prettig langs het riviertje stroomop hadden gereden, nu, in den vroegen morgen was het nog veel prettiger. De frissche morgenlucht, beladen met onvergelijkelijke woudgeuren, gaf er een grootere bekoring aan. Daar we nu afdaalden in de tegenovergestelde richting van gisteren, hadden we het eene prachtige uitzicht na het andere, die weer nieuw voor ons waren, en ook schaduw en licht waren totaal anders verdeeld. Het dalen ging al sneller, toen we Jelec naderden, dat in boomgaarden lag van pruimen en appels, peren en kersen.
We reden al dadelijk de eenige straat binnen van Jelec, dat in turksche tijden een plaats van eenige beteekenis was, beroemd om zijn handwerk van leder. Enkele jaren geleden werd er een leerfabriek opgericht, die het oude handwerk op den achtergrond bracht en ten slotte het zelf ook niet kon bolwerken. Maar hoewel Jelec een aangenamen indruk maakte, de weg, die nu volgde, deed dat niet. Van een weelderig bosch en een goed bebouwd land kwamen we nu in een kale, dorre streek, maar in meer bewoonde en bezochte oorden.
Omstreeks half twaalf gingen we lunchen in de schaduw van een brug, en toen we onze flesschen in het stroompje wilden vullen, riep een voorbijgaande Bosniër ons toe, dat er aan den oever wat hooger een bron was, waar het water ijskoud en kristalhelder was. Dat is een groot voordeel van het reizen in Bosnië, dat er overal water is. Het is een land van bronnen en langs ieder pad, elken weg is er voor den vermoeiden reiziger gezorgd. De bronnetjes zijn alle beveiligd voor bevuiling, en altijd is er een drinkbeker voor de menschen en een trog voor de dieren. Maar dit geldt alleen voor Bosnië, niet voor Herzegowina.
Wat de toerist ook vrij vaak aantreft langs den weg, is een der vele kleine turksche hans of herbergen, waar men uitstekende en verkwikkende zwarte koffie kan krijgen op ieder uur van den dag in kleine turksche koperen koffiepotjes, waar drie of vier kleine kopjes in gaan. Het geheel kost één stuiver, met de suiker erbij. Wij verlangden naar zoo'n ontmoeting, en werkelijk na twintig minuten, daar was er een. Ibro verdween in het huis, en wij dronken onze koffie buiten, terwijl de gids zich binnen aan een stevig maal te goed deed.
Verder ging de rit bergop en bergaf, tot we de oevers van de Drina bereikten, waar onze weg uitkwam op den Gorazda-Focaweg. Om half vijf waren we te Foca, gelegen op een schiereiland tusschen de Drina en de Gehotina, die hier in de Drina valt. Het oude stadje is echt turksch van aanzien door de bruggen, de muren, de huizen en de beroemde Aladze-moskee, een der beste voorbeelden van den turkschen bouwtrant in Bosnië en een der sierlijkste moskeeën van de vele, die wij hadden gezien.
Toen we onze vijf-uurskoffie dronken, verscheen een jonge man, die door den gouverneur was gezonden, om ons de stad te laten zien. Hij stelde voor, dat wij dadelijk met hem naar de tennisvelden zouden gaan, om aan de heeren en dames van Foca te worden voorgesteld. Wij wezen op onze verreisde kleeding en bedankten, geamuseerd bij het idee, dat hier scheen te bestaan, dat Engelschen zooveel van tennis houden, om terstond, als ze ergens komen, zich daarheen te spoeden. Meer interesseerde ons de bazar of Carsija, die breede straten had en soliede gebouwde winkels met roode pannen daken.
Wij keerden naar Serajewo terug in September, verdreven uit Palé door den aanhoudenden regen. Op onze tochten in den omtrek stieten we telkens op herinneringen aan de Bogumilen of Bogomilen, de christelijke secte uit de tiende eeuw, die ook wel de Patareners wordt genoemd en tot in de vijftiende eeuw zich op het Balkan-schiereiland en vooral in Bosnië heeft uitgebreid. In het Lukavicadal, zeven mijlen van Serajewo verwijderd, vindt men den grootsten Bogumilengedenksteen, die in Bosnië nog aanwezig is. De weg erheen leidt langs het kerkhof der spaansche joden en gaat door vruchtbaar land, waar kleine boerenhoeven in het dal zijn verspreid. De groote gedenksteen was één van vele en was, als de meeste van die grafmonumenten uit de oudheid in Bosnië, van den weg af niet te zien en moeilijk te vinden. Het pad naar de graven was telkens afgebroken en soms met hekken afgezet. Ook werden de steenen nog door struikgewas voor het oog verborgen.
De grootste steen staat alleen en schijnt weinig beschadigd door den tijd of door de menschen; hij is het volmaaktste voorbeeld in Bosnië van een ongebeeldhouwden grafsteen van de Bogumilen. De rest van de steenen liggen verspreid tusschen de struiken. Het zijn groote blokken steen, zoo zwaar, dat men zich verwondert, hoe ze op hun plaats zijn gebracht. Er is weinig bekend van de secte, wier graven verstrooid liggen in afgelegen hoekjes van Bosnië en Herzegowina. De hoofden van de gemeente, die door priesters werden geregeerd, werden djetts of bisschoppen genoemd, die in macht met de lama's schenen overeen te komen. Voor Engelschen en voor Protestanten in het algemeen hebben de secte en haar monumenten een bijzondere belangrijkheid, want men zegt, dat de Bogumilen in den tijd der vervolging over Ragusa en Genua naar West-Europa uitweken en dat hun niet strenge leer den grond heeft gelegd tot de hervorming of althans tot het geloof, waarvoor Huss werd verbrand en waarvoor de ongelukkige Albigenzen en Waldenzen van de aarde werden weggevaagd door de kerk van Rome.
Het was zeer koud, toen wij onze laatste toer in Bosnië maakten, en er was veel sneeuw gevallen, die op de bergen bleef liggen en die in de dalen en langs de wegen onder den invloed der zon in ijs overging. Een ongewoon natte October en een vroege winter, die al in November optrad, had veel van onze voorgenomen uitstapjes onmogelijk gemaakt. We bezochten nog een oud klooster, zagen bij die gelegenheid een prachtigen gebeeldhouwden Bogumilengrafsteen, maar besloten toen tot de thuisreis, Serajewo achterlatend onder de sneeuw.
AANTEEKENING
[1] Wat sinds 1908 veranderd is. Bew.
IN DE BUURT VAN SOFIA.
De rechteroever van de Donau vertoont in Bulgarije een licht golvend terras, dat door de van den Balkan komende Topolowitza in tweeën wordt gescheiden. In die natuurlijke depressie ligt de stad Widdin, oude hoofdstad van een turksch pasjalik, met een hier en daar in puin liggenden muur en een doolhof van nauwe straatjes. De stad heeft menig bombardement doorstaan, maar de citadel is nu niet anders dan een kazerne. Een bonte menigte kan men in de straten van deze stad waarnemen; Oosterlingen en Westerlingen van allerlei rang en stand, de eersten met fez of tulband op het hoofd en de Slaven met de tsjoebara of muts van zwart lamsvel. Mohammedaansche vrouwen dragen het gezicht ten halve bedekt door een fijn wit sluiertje en naast haar ziet men Bulgaarschen met de armen vol armbanden en de haarvlechten vol bloemen en munten. Armeensche en joodsche wisselaars zitten kalm achter hun glazen geldkastjes, die op aquaria gelijken en waarin ze bij wijze van visschen hun goud en zilver laten zien.
Van Widdin gaat men veelal over Belogradsjik naar Sofia, Bulgarije's hoofdstad, en de reis in een soort van victoria, met drie paarden bespannen, is vol afwisseling. Eerst gaat het langs de Donau door schaduwrijke wegen, dan laat men de rivier achter zich en rijdt door een reeks van boschrijke dalen met slechts enkele armoedige dorpen. Het stadje Belogradsjik ligt op de helling van eigenaardig gevormde rotsgevaarten van rooden zandsteen, en menig beroemd Alpenlandschap of beroemde plek in de Pyreneeën kan in schilderachtige schoonheid niet wedijveren met deze rotswereld van Belogradsjik.
Over Dolnji-Lom, Prewala, Kowetitza draven de kleine, sterke paardjes vlug over den steenachtigen weg langs velden, waar het drukste landleven te zien is. Boeren zijn er aan den veldarbeid, of zijn aan het dorschen met daarvoor speciaal bestemde pony's, maar dan wordt het landschap dor en eentonig en doet aan sommige deelen van Montenegro denken. Er volgen nog weer velden met koren en maïs en kleine boschjes tot aan het stadje Berkowitza, waar veel nijverheid is o. a. zijde-industrie.
Men moet op den weg naar Sofia Klisoera voorbij en over den Balkan trekken. Het is op den pas koud en het waait er veelal hevig, terwijl men, uit het gebied van de Ogost komend en dat van de Isker betredend, een slechten ruil doet. Het landschap is ten zuiden van het gebergte kaal en dor en men treft niet anders aan dan plateaux, waar weinig groeit op den steenachtigen bodem, en eerst als men deze Stara Planina voorbij is, doet zich de vlakte van Sofia voor. Daar verheffen zich te midden van koren- en maïsvelden boerenhoeven in het geboomte en aan het eind van een lange laan ligt de stad Sofia met haar koepels en moskeeën, de torens van haar kathedraal en de breede, goed onderhouden straten.
In de laatste jaren is Sofia zeer vooruitgegaan, en afgezien van de terreinen even buiten de plaats, waar Armeniërs en Turken in schamele houten huizen wonen, is het nu een flinke, vroolijke stad met steenen huizen, waardige hoofdstad van een snel in ontwikkeling vorderend land.
Van de oude monumenten heeft Sofia niet anders overgehouden dan een groote moskee met negen koepels, de Boejoek Djamié, nu in een museum veranderd. Op de groote markt kruisen elkander de lijnen van de electrische trams tegenover het paleis van den vorst van Bulgarije, een mooi, modern gebouw. Het Grand Hotel is uitstekend ingericht en ligt aan den schaduwrijken openbaren tuin, waar de beau monde van de stad zich amuseert en de geheele bevolking goede muziek te hooren krijgt.