Op het Balkan-schiereiland De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 6

Chapter 63,893 wordsPublic domain

Aan den anderen oever der rivier lag het huis met zware bosschen aan den rechterkant en groene heuvels erachter en ervoor de klare wateren van de Vrbas, met een molentje naast het klooster en recht over den stroom een groote dam, waar het water in schuim overheen vloog. Dichtbij ons daalde de oever steil naar de Vrbas af, en treurwilgen lieten hun takken in het water hangen. In de schaduw dier boomen waren enkele hengelaars bezig met hun kalm werkje, dat precies bij de plek scheen te passen.

Het middel, om tot het klooster te naderen was niet terstond herkenbaar, maar lager aan de rivier links kwamen we aan een veer met een touw, een ingewikkelde geschiedenis, waarlangs wagens konden worden getransporteerd en paarden, zonder dat ze behoefden te worden uitgespannen en zonder oponthoud.

Toen wij werden overgezet, zagen we de broeders thuiskomen van een wandeling. Ze trokken langs ons heen in een langen optocht, zwijgend voortloopend met gebogen hoofden en verdwenen binnen de muren. Het was een heiligendag en een vacantiedag, en dan wordt het klooster aan niemand vertoond. Op werkdagen mogen mannelijke bezoekers binnenkomen en de broeders aan hun verschillende werkzaamheden zien, maar nooit is er toegang voor de schoone sekse.

Er zijn twee-honderd-vijftig broeders in dit rustoord, dat aan de orde der Trappisten behoort, de strengste der bestaande orden, waarin de gelofte van stilzwijgen wordt afgelegd, en waarbij het spreken alleen wordt toegestaan in volstrekt noodzakelijke omstandigheden. Buitendien kastijden ze het vleesch strenger dan eenige andere broederschap, werken hard den geheelen dag, leven bij een matig, vegetarisch diëet en slapen op den kalen grond zonder in den nacht hun kleeren af te leggen.

Ieder, die katholiek is, kan Trappist worden, maar hij moet kunnen bewijzen, dat er niemand is, die van hem afhankelijk is. De nieuweling maakt een proeftijd door, maar daarna kan hij niet meer van besluit veranderen.

Deze stille broeders zijn harde werkers en doen veel goed. Ze onderhouden een groot aantal weeskinderen, doen weefwerk en zagen hout in de molens, brouwen een uitstekend bier en maken een soort van kaas, die beroemd is in geheel Oostenrijk.

We hadden in het hôtel Oostenrijk het lunch gebruikt en gingen nu eten in "Bosnia". Er was niet veel verschil tusschen de twee; bij beide werden we buiten bediend en op nog al primitieve manier; het eten was goed, maar de wijn niet te best. Toen we naar het hotel Oostenrijk terugkeerden, speelde er een muziekcorps, en we zaten er buiten naar te luisteren onder het genot van een kopje zwarte koffie.

Daar verscheen plotseling de waard en vroeg, of de "Herrschaften" met de diligence wilden gaan naar Jajce of dat ze een particulier rijtuig verlangden; er was juist een rijtuig gekomen uit laatstgenoemde plaats, dat terug moest, en de koetsier had aangeboden, het gezelschap voor zeven gulden over te brengen. Wij stemden dadelijk toe, de koetsier, een mohammedaansche jongen, werd gehaald en onze waard verzocht hem, een waarborgsom van vijf kronen aan ons ter hand te stellen, om te bewijzen, dat de overeenkomst gesloten was. Dit is een echt oostersche gewoonte, blijkbaar hier in de mode, want de koetsier begreep het terstond; maar we hebben haar nergens teruggevonden.

Er gaat alle dagen een diligence van Banjaluka naar Jajce, die eerstgenoemde plaats om twaalf uur verlaat, ook ten behoeve van de spoorwegreizigers uit het Noorden, die graag dadelijk doorgaan. Het is een reis van veertig mijlen en men heet die in zeven uren te kunnen doen met ongeveer een uur rust onderweg. We waren vroeg opgestaan en hadden Banjaluka voor de tweede maal doorgewandeld, waarbij we een flinke massa kersen kochten als middel tegen dorst onderweg.

Nadat we de mohammedaansche wijk der stad achter ons hadden, kwamen we aan de bekoorlijke voorstad Gornji-Seher, waarvan de schoonheid ons verraste na al die verzekeringen, dat er in Banjaluka niets bezienswaardigs was te vinden. Mooie turksche huisjes middenin tuinen en veel hooge boomen liggen aan weerskanten van den smallen weg tot aan de Vrbas, die veel bochten maakt. Als men afdaalt naar de rivier, wordt de moeite wel beloond, want de natuur is er heerlijk en laat alleen de hand van den mensch herkennen in de een of andere kleine minaret of witte villa, half verborgen door het gebladerte.

Wij bereikten een breede ijzeren brug, die naar den rechter rivieroever voerde en hielden stil, om de paarden te laten drinken. Hier hadden de oude Romeinen al een badplaats ingericht, waarvan nog ruïnen over zijn gebleven. Een kleine moderne badinrichting staat op dezelfde plaats. De temperatuur is warm, niet heet zooals de bronnen van Ilidze bij Serajewo. De Vrbas krijgt verderop een echt bergstroomkarakter en bruist schuimend tusschen de rotsen door, terwijl de weg langs den rotswand loopt ver boven de watervallen en stroomversnellingen en soms onder zware boomen door. In zijn soort is deze weg een even groot ingenieurskunstwerk als die naar Cettinje. Door verschillende kloven rijdt men tusschen wanden, die van 600 tot 1000 voet hoog zijn en nu en dan het licht haast buitensluiten.

En na die kloven volgde barre zonneschijn; onze jeugdige mohammedaansche koetsier wierp de teugels over de paarden, draaide zich om op den bok, liet zijn beenen buiten boord hangen, stak een groote parasol op, rookte een sigaret en hief een liedje aan. De weg was stil; we kwamen niemand tegen dan geiten en runderen, die met hun herders hoog op de bergen leven. De paardjes deden hun best, en terwijl ze 's morgens magere, stumperige beestjes hadden geleken, bleken ze voor hun taak goed berekend; als ze eens even verslapten in hun gang, tikte de koetsier, die er zijn andere amusementen voor in den steek liet, ze met korte, scherpe slaagjes op den rug, tot ze in een woedenden galop sloegen en ons om de bochten van den weg sleurden met angstwekkende snelheid.

Drinkbakken waren er vele langs den weg, en het water werd door uitgeholde en halfdoor gezaagde boomstammen geleid of kwam recht van de hoogte. Voor den voorbijganger hing er altijd een houten drinknapje. Voor de dieren werd het water door kanaaltjes naar steenen troggen of houten bekkens gevoerd. Wij hielden overal stil, want de paarden moesten altijd drinken of de koetsier was dorstig.

Bosnische dorpen kregen we haast niet te zien, gevolg van een gewoonte uit oude tijden, toen verborgen te zijn voorwaarde was voor iemands veiligheid. Halfweg gebruikten we op den middag een maal, dat ons verbaasde door de uitmuntende qualiteiten. Het bestond uit gebraden vogel, salade, zoete omelet, Emmenthaler kaas en zwarte koffie. De witte wijn uit Herzegowina, die erbij kwam, was bepaald uitstekend. Onze koetsier stond, nadat hij zijn eten op had en gras en haver voor de paarden had neergelegd, al den verderen tijd met een kennis te praten.

De tocht door de kloof duurde eindeloos lang, en aan het eind scheen het, dat er geen doorkomen aan was. De rotswanden rezen steil aan den uitgang omhoog, maar in deze dagen van natuurwetenschap mag de natuur wikken, de denkende mensch beschikt. Drie tunnels, dicht na elkaar, de laatste de langste en in het midden door een lantaarn verlicht, leiden den weg door het hart van de rots. Zelfs toen waren de ingenieursmoeilijkheden niet ten einde. De tunnel komt namelijk onmiddellijk aan de rivier uit, en er moest een breede ijzeren brug gebouwd van den tunneluitgang naar den anderen oever der Vrbas.

De kloven waren nu ten einde en de zonnige weg lag vóór ons, loopend door wat om de tegenstelling wel een vlakte kan worden genoemd. Er kwamen huizen in het zicht, het dorp Podmiljacka; boven den weg aan onze linkerhand stond het kleine roomsche kerkje der Franciskanen, St. Ivo, en onze koetsier begon de paardjes woedend te bewerken; ze zwaaiden het rijtuig heen en weer in hun galoppade; maar aan zoo iets waren we al gewend, want een stad met sensatie binnen te komen is iets echt oostersch.

Jajce is wel de "parel van Bosnië" genoemd, en met de kleine turksche huisjes, tegen de helling van den heuvel, met het kasteel in de hoogte en de oude stadswallen aan de rivier, was het een kijkje waard. Wij kwamen al gauw aan het begin, den bazar, het belangrijkste in al die turksche stadjes, met houten winkeltjes, waar de eigenaars met gekruiste beenen tusschen hun waren zitten. Vruchtenwinkels waren er in overvloed, met vruchten en allerlei soorten van koren, alles in kleine mandjes, waar de koopers zich maar tusschen door moesten dringen.

Een poort door en een binnenplein binnengereden, waren we, waar we moesten zijn, in het Grand Hôtel van Jajce, een niet aanmatigend steenen gebouw. Oorspronkelijk opgericht door de regeering, wordt het nu particulier gedreven; het is een aardig hôtelletje met elf slaapkamers, uit welker vensters men een prachtig uitzicht heeft over de Vrbas, honderd voet in de diepte.

Gelukkig hadden wij getelegrafeerd, anders waren we slechtaf geweest, want een rijtuig met drie personen kwam precies tegelijk met ons aan, en het drietal moest zich met een enkele kleine kamer tevreden stellen.

We hadden veel gehoord over de "parel van Bosnië"; maar de plaats overtrof nog in alle opzichten onze verwachting. De waterval was naar onzen smaak mooier dan die van Schaffhausen. Zeer schilderachtig is de omgeving en dan zijn er historische herinneringen aan verbonden. Hier is de beroemde Sultans Vlakte of Carova Polje, waar de zegevierende sultan Mohammed zijn kamp opsloeg in 1463, toen Jajce den Turken in handen viel.

Van de stad uit kan men den waterval van de Pliva niet zien en ook niet aan de oevers van het riviertje zelf. Boschjes verbergen als achter een sluier de plek, waar de zachte en bekoorlijke Pliva zich plotseling over de steile klip werpt. Men moet, om er een goed gezicht op te krijgen, een eind den Vijenacweg opgaan naar de bedding der Vrbas. Als men dan de Pliva over een brug is gepasseerd, ziet men de rivier in een reeks kleine vallen, als het ware, kracht verzamelen en snelheid voor den grooten sprong, dien ze een honderd ellen verder zal doen.

Op weg naar de bedding der Vrbas, kan men de ontknooping gadeslaan. De rotsen verdeelen het groote volume water, dat hun in den weg komt, in verschillende kanalen. In de drie grootste stort zich de dichte massa schuimend water, dat door den tegenstand van de rotsblokken tot een melkwit schuim is geslagen, met een donderend geweld in de Vrbas, die met de Pliva hier een rechten hoek maakt. Een deel der massa valt bij het neerstorten in de honderd voet lagere rivier op een hoog rotsblok, en van dat blok en den kokenden ketel, gevormd door het enorme water volume, dat aanhoudend neerdondert, stijgt een groote witte wolk van schuim hoog in de lucht.

Des avonds bij maneschijn is de bekoring het grootst, en om de romantische geschiedenis van Jajce deed het ons genoegen, daar recht aan te hebben laten weervaren door een bezoek op den tijd, dat de bekoring het sterkst werkt. Hertog Hrvoja, dezelfde, die den toren van Spalato bouwde, was de eerste, die de aandacht op Jajce vestigde, en die er zijn hoofdverblijf plaatste in het begin der vijftiende eeuw. Hij heeft waarschijnlijk een groot deel van het oude fort laten bouwen, of vergrootte de versterkingen, die hij er vond, want Jajce moet al een der zetels geweest zijn van de bans van Bosnië. Het district van Dolnji Kraj, waarin Jajce ligt, werd aan Hrvoja geschonken door denzelfden keizer Sigismund van Hongarije, die hem bevestigde in het hertogdom Spalato. Die beide bezittingen maakten hem tot een zeer machtig edelman, even machtig misschien als de koning van Bosnië zelf, met wien Hrvoja in vijandschap leefde.

De hertog Hrvoja moet hier vermeld worden niet alleen als patroon van Jajce, maar omdat men zegt, dat hij het eerst de Turken in Bosnië heeft gevoerd als bondgenooten, om hem te helpen, wraak te nemen op een ander machtig edelman Sandalj, die op het sterke kasteel Kljuc woonde. Tegen het midden van de 15de eeuw zag de laatste koning van Bosnië de waarde in van Jajce en hij, Stephan Tomasevic, bouwde er zich een paleis. Dus was Jajce voor korten tijd de zetel van een koning, tot die dwaze koning, die vertrouwde op de goede trouw van Sultan Mohammed II, de stad en zichzelven overgaf met verscheiden andere versterkte kasteelen.

Mattheus Corvinus, de beroemde koning van Hongarije, die de strategische waarde van de vesting begreep als een dam tegen de invallen doende Turken, belegerde Jajce en nam de stad weer in in hetzelfde jaar. In den loop der volgende halve eeuw onderging de stad verschillende belegeringen, werd nu eens door de Turken, dan door de Hongaren ingenomen, tot in 1528 ze in handen kwam van de Turken, die er heer en meester bleven, tot de Oostenrijkers de oproerige Bosniërs eruit verdreven in 1878. Gedurende de 350 jaar van turksch bewind namen de meeste bewoners den mohammedaanschen godsdienst aan. Sporen van Jajce's oude geschiedenis vindt men overal. In de Franciskanerkerk der stad ligt in een glazen kist het geraamte van den laatsten koning van Bosnië. Het verbaasde ons te zien, dat het aan een zeer klein man had behoord, terwijl de meeste Bosniërs groot zijn; een bijzonderheid van het hoofd is de buitengewone puntigheid van de kin. Het geraamte werd onlangs opgegraven op de plek, die door de overlevering was aangewezen als de begraafplaats van den door sultan Mohammed vermoorden laatsten koning van Bosnië.

Wij gingen naar die kerk op een feestdag. Een groot aantal boeren waren er, alle op hun Zondagsch gekleed, vooral de kleeding der vrouwen was schilderachtig, maar in de zeer volle kerk werd de lucht al spoedig zoo slecht, dat we er niet binnen konden blijven. Het schijnt, dat de christelijke boeren uit Bosnië nooit zindelijkheid hebben geleerd.

Toen de meeste geloovigen de kerk hadden verlaten, waagden we ons nog eens naar binnen. Zelfs toen hing er nog een verstikkende lucht, maar we bleven eenige minuten, om te zien, op welk een eigenaardige manier de boeren knielen en de kale steenen met hun voorhoofd aanraken, als ze bidden, een gewoonte, die ze zeker hebben overgenomen van hun mohammedaansche broederen. Wij bemerkten ook, dat een paar van hen op hun knieën de toer om het altaar maakten, denkelijk als een boetedoening. Het waren allen stellig geloovige broeders.

Een wonder mag het heeten, dat er nog onder de boeren eenigen Christenen bleven onder het eeuwenlange turksche bestuur in deze streken. Ze konden er alles bij winnen, als ze afvallig werden; toch bleven ze trouw aan hun geloof.

In den namiddag gingen we naar de Corsija of Bazar, om de boeren te zien, en we hadden het geluk, een boerenvrouw te kieken in een costuum, dat zelfs voor Bosnië merkwaardig was. Over haar jakje droeg ze wat in den letterlijken zin mocht heeten, een borstplaat, gemaakt van munten. Als hoofddeksel had ze een wijduitstaand stuk stijf wit linnen, een soort van kap erover met in het midden een bundel omvallende veêren, aan ieder waarvan een streng munten hing. Haar ceintuur, driemaal de gewone breedte, scheen gemaakt van gevlochten lederen reepen, met kralen opgewerkt. Over een witten rok droeg ze een donkeren boezelaar met gekleurd borduurpatroon. Daarover weer een smalle ceintuur. Twee afhangende linten, op de plaats gehouden door een paar dikke zilveren platen, vormden een centrale versiering, en daaraan hing een franje van leeren reepen, met zilveren munten eraan bengelend.

Enkele andere boerenvrouwen, die we zagen, waren precies gekleed als tooneelprinsessen. Ronde, roode mutsjes met een feston van kleine, gouden muntstukjes om den benedenrand en een rij groote gouden munten een paar duim boven den rand, tooiden haar hoofden. Wijde, zachte kanten sluiers waren om het hoofdtooisel geslagen en vielen neer op haar schouders. Gekleurde en met tres afgezette zijden bolero's met open front werden gedragen over witte lijfjes en om het middel hadden ze ceintuurs met groote zilveren gespen. Witte rokken van zelfvervaardigde wol en donkere wollen boezelaars en opanka's voltooiden het costuum. Een groepje, dat we tegenkwamen viel op door het bijzondere hoofddeksel, een tusschending tusschen een bisschopsmijter en een omgekeerden bloempot.

De kerk van Sint Lucas heeft een bijzonder mooien klokkentoren en er is een interessante ondergrondsche kapel, maar het aardigste zijn toch de schilderachtige hoekjes in Jajce, bij voorbeeld de poort, die naar de Pliva leidt, een juweeltje in zijn soort, en de kleine turksche huizen, die als duiventillen op de massieve, grijze, oude wallen staan. Kleine watermolens volgen den loop der Pliva vanaf de houten brug, die erover leidt tot vlak bij den waterval. Wankele voetbruggetjes voeren naar den val over de schuimende wateren.

Een week of meer kan men te Jajce genoegelijk doorbrengen; want niet alleen is de stad zelf het waard, maar men kan ook verscheiden uitstapjes maken te paard en per rijtuig. Midden in den zomer is een langer verblijf niet aan te raden, want door de ingesloten ligging wordt het er dan zeer warm en drukkend. Men kan uitstekend visschen in Jajce en in den herfst en den winter kan er gejaagd worden. Voor winterverblijf zou Jajce wel aanbeveling verdienen, want het hôtel is werkelijk goed en is geheel modern ingericht, terwijl de hôtelier een geschikt mensch is.

Een ritje naar het meerdorp Jezero moet de bezoeker van Jajce in geen geval nalaten. Dit dorp is ongeveer zes mijlen verwijderd en ligt aan de oevers van wat het Jezeromeer wordt genoemd, een watervlakte, gevormd door de Pliva. Men kan altijd rijtuigen krijgen aan het hôtel of men kan gaan in een omnibus, die tweemaal per week van het station rijdt.

De weg volgt den loop der Pliva langs den linkeroever. Dit mooie riviertje is eenig in zijn soort, want op zijn korten loop van vijftien mijlen vertoont het alle transformaties, die een rivier kan ondergaan, daar het afwisselend bestaat uit meren, stroomversnellingen, ondiepten met struikgewas, dat in overvloed in de rivierbedding groeit, en watervallen, eindigend met een der schoonste vallen, die men in Europa ergens te zien kan krijgen. Het eerste en laagste meer ligt in open en vruchtbaar land. Een landtong, die van den rechteroever uitgaat, snijdt dit meer bijna af van het tweede, dat wat hooger ligt, dicht boven het eerste. Een dicht struweel, dat in de ondiepte groeit en op de landtong, verbergt het uitzicht op het bovenste meer, maar een aantal valletjes, die tusschen de struiken door stroomen, wijzen wel aan, van waar het tweede meer zijn water ontvangt.

Niet ver van die landtong tusschen de meren is een beslissend gevecht geleverd van de oostenrijksche troepen en oproerige Bosniërs in 1878, waarbij het den Oostenrijkers bijna gelukte, de Bosniërs in het water te drijven, terwijl een aantal met moeite ontkwamen.

Jezero, dat wel een bosnisch Venetië is genoemd, is een bekoorlijk dorpje in een boschje aan het bovenste en grootste meer. Juist voor we dit meerdorp bereikten, dook het onvermijdelijke Toeristenhuis op, met restaurant en tuin. De eigenaar was in plaats van een schilderachtige inboorling van het plaatsje een roodneuzig individu, denkelijk een Weener, dien we bij onze aankomst in slaap vonden onder een rozenstruik in den tuin. De restaurant heeft een aardige veranda boven het meer, en bezoekers kunnen er worden ontvangen en kunnen er zich verkwikken met forellen, pas uit de rivier of het meer gevangen, en besproeid met Weener bier.

Deze ververschingslokalen, opgericht op plaatsen, waar veel menschen komen, maken zeer goede zaken, daar de meerderheid der toeristen in deze streken een uitstapje voor niet veel anders houden dan voor een pic-nic, en zelden verder komen dan het naastbijzijnde restaurant.

Nadat we een kop koffie hadden gebruikt, vertrokken we, om Jezero te gaan zien, en toen we hoorden, dat er op tien minuten afstands een Zigeunerkamp was, togen we daarheen. Natuurlijk was het een goed half uur wandelens, en we zouden de plek niet hebben gevonden, als we geen inboorling als gids hadden meegenomen.

Het verbaasde ons, dat deze Zigeunertroep niet in tenten of tijdelijke hutten woonde, maar in soliede gebouwde huisjes hoog op de heuvelhelling. Ze schijnen zich permanent in Jezero op te houden, of mogelijk is het hun hoofdkwartier. Het waren blijkbaar echte Zigeuners, met donkere huid en oostersche gelaatstrekken, in lompen gehuld en vuil, en ze drongen rondom ons, om te bedelen. Het trof misschien goed voor ons, dat we een gids hadden met een dikken stok, om er de orde onder te houden.

Onderweg ging ons een boerenvrouw voorbij, die haar kind droeg op den schouder in een houten trog, terwijl ze tegelijk het paard naar huis dreef. Zulke soliede houten troggen, waar dieren hun voer in krijgen, doen bij de bosnische boeren als wiegen dienst, en dit verband tusschen een kindje en een trog bracht dadelijk de geschiedenis van Jezus' geboorte in de herinnering. Het was interessant, hier onder de boeren een gebruik waar te nemen, dat al negentienhonderd jaren geleden ook in zwang was.

Bij onze terugkomst photografeerden we enkele inboorlingen van Jezero; vooral trok daarbij de aandacht het schapevel, dat een paar mannen droegen. Ze hebben het winter en zomer aan met het verschil, dat in den zomer de wol buiten wordt gedragen en het leder binnen, zooals de man op den voorgrond van onze afbeelding, terwijl in den winter de wol binnen is, als bij den man op den achtergrond. Men vertelde ons, dat het kleedingstuk heel koel is in den zomer en een beschutting oplevert tegen de hitte, terwijl het natuurlijk heerlijk warm is in den winter. Jammer, dat we zoo iets niet in Engeland hebben; een artikel, dat we als bovenkleeding in alle seizoenen konden dragen, zou een heele besparing geven in de kleermakersrekeningen!

Toen we terug kwamen in het restaurant, waren de toeristen er nog. Een paar, dat met ons terugreed, een Hollander en zijn vrouw, legden het eerste deel van het traject per boot af en vroegen, of wij meegingen. We gingen de booten kijken. Het waren twee antidiluviaansche punters, en daar het ons niet prettig leek in die oude schuiten te worden rondgeroeid, terwijl we op tabouretjes zaten of op planken, over de boot gelegd, bedankten we.

Er was ons gezegd, dat het bootjevaren en het roeien op het meer een der voornaamste uitspanningen was te Jezero, en we waren dwaas genoeg, ten minste één echte pleizierboot te verwachten en te denken, dat we een poosje zouden kunnen roeien of rondzeilen. Natuurlijk was er niets van dien aard. We hadden moeten weten door onze ervaring van Dalmatië, dat de toerist van het continent zich nooit op die wijze vermaakt, maar zich liever laat rondroeien dan zelf te roeien.

Wij pikten den Hollander en zijn vrouw op aan het eind van het meer. Ze waren van Java gekomen met drie maanden verlof en maakten een omreisje over Weenen, Berlijn, Parijs enz. beginnend aan de europeesche toer met een tochtje naar Jajce!

We begonnen over Transvaal te praten, waar de Hollander veel belang in stelde. Het interesseerde hem, dat wij er waren geweest. Daar hij veel chineesche werkkrachten gebruikte, gaf hij als zijn meening te kennen, dat de invoer van die werkkrachten in Zuid-Afrika geen succes zou blijken, omdat enkel de slechtste klasse van Chineezen hun vaderland zou verlaten, om elders te gaan werken.

Wij brachten een bezoek aan het vervallen kasteel Vjenac, het familiegoed van Peter Keglevic, den stoutmoedigen verdediger van Jajce. Het ligt in het dal der Vrbas, omstreeks zeven of acht mijlen beneden Jajce op den top van een uit de vlakte oprijzenden berg, waardoor het de geheele omgeving beheerscht.