Op het Balkan-schiereiland De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 5

Chapter 53,915 wordsPublic domain

Serajewo is een stad met een bonte mengeling van rassen en godsdiensten, want behalve de gezeten bevolking is er een wisselende militaire en ambtenaarsbevolking, afkomstig uit alle deelen der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie. Duitschers, Hongaren, Tsjechen, Polen, Croaten en Slovenen zijn vertegenwoordigd. De stad ligt in een dal met steile heuvels aan weerszijden, die naar het Oosten een nauwe kloof insluiten en in het Westen uiteenwijken tot een vlakte, de Serajevsko Polje in de richting van Ilidze. De kleine Miljackarivier stroomt door de stad, en haar oevers zijn verbonden door talrijke bruggen van hout of ijzer of steen. Er is maar een enkel plekje in de stad, dat werkelijk oud mag heeten, de Carsija of Turksche bazar, waar ook in de buurt de baden zijn, de medresseh of turksche theologische school, en een paar van de grootste van Serajewo's tweehonderd en zooveel moskeeën. De woningen, die daar aan Turken behooren, zijn voor een groot deel verhuurd aan Oostenrijkers, en de mohammedaansche bevolking heeft zich teruggetrokken op de bergen aan weerskanten van de rivier, waar ze beter de intimiteit van hun huizen kunnen bewaren. De zonderling gebouwde witte, turksche huizen met de puntdaken, dicht getraliede vensters, overhangende verdiepingen en vooruitstekende loggia's liggen in menigte boven elkander op de hellingen, met ertusschen de vele slanke witte zuilen der minarets, waaruit men vijf keeren per dag de stem van den muezzin kan hooren, die de geloovigen ten gebede roept.

Die turksche bazar of Carsija bestaat uit een netwerk van met dikke steenen geplaveide straatjes, waaraan kleine houten winkeltjes liggen met lage daken. De houten vloeren ervan, die meteen als toonbanken dienen, zijn een paar duimen boven den grond. In het midden hurken de turksche eigenaars, met gekruiste beenen werkend aan hun verschillende bedrijven, hamerend, schavend, zagend of op hun gemak leunend met de tsjiboek, de lange turksche pijp tusschen de tanden, of de eeuwige sigaret en een kop zwarte koffie naast zich. Hun waren zijn rondom hen opgestapeld op de vloeren en de planken, die aan drie zijden om den winkel loopen. Deze is van voren open. Als de eigenaars weggaan naar hun woonhuizen voor den nacht, zetten ze ruwe luiken, met een balk gesloten, voor den buitenkant; een primitieve methode, maar schijnbaar al wat noodig is. Het is er altijd druk, niet door het lawaai, dat bepaalde personen maken, maar door een combinatie van geluiden. Een Turk verheft wel nooit zijn stem, om te roepen of te schreeuwen, maar door de vereeniging van zooveel gaande en komende en pratende menschen en het rumoer van de bedrijven ontstaat een luid rumoer.

Als men in een winkel komt, is zeer vaak de winkelier afwezig, maar als men haast heeft, kan men zich een voorwerp uitkiezen en den man, die naast aan woont betalen. Als hij uw geld heeft aangenomen, zult ge zijn hoofd zien verschijnen om den hoek van de afscheiding tusschen de beide winkels en het geld werpen in een bakje op een in het oog vallende plaats, waar de rechtmatige eigenaar het kan vinden; ten minste die ervaring deden wij op bij meer dan één gelegenheid. Met zulke eerlijke buren zijn de mohammedaansche winkeliers er maar goed aan toe; wat een wereld van angst en wantrouwen wordt hun bespaard!

Er is een open plek in het midden van den bazar, met een eigenaardige oude fontein met trapjes, waar een aanhoudende stroom van menschen komt drinken of hun vaatwerk vullen. Hier zijn de turksche broodverkoopers vereenigd, met groote, ronde, platte brooden op lange tinnen bladen, die ze op hun knieën laten rusten of over den eenen schouder laten balanceeren. Hier zijn ook de fruitverkoopers te vinden, en de mannen, die limonade en zoetigheid te koop aanbieden. De limonadeverkoopers zien er net zoo uit als hun collega's van hetzelfde gilde in Konstantinopel, met vaten van glimmend koper op hun ruggen en een kleine rij glazen om hun middel gebonden.

De winkels van dezelfde soort zijn alle bijeen, en men vindt er dus gemakkelijk zijn weg. Zoo is er een lange straat, waar men niet anders verkoopt dan de bekende opanka's, de bosnische schoenen, die niet precies schoenen en ook geen sandalen zijn, maar iets van beide, met opgewipte teenen, geen hielen en mooi gekleurd bovenleer.

Maar de aantrekkelijkheid der Carsija is voornamelijk in de menschen, die er komen, gelegen. Er mogen geen wagens rijden door de nauwe straatjes, ofschoon rijen pony's, met de koppen aan de staarten van de voorgangers gebonden, soms de passage belemmeren. Spaansche joden en jodinnen, klein van postuur en met kraaloogen; kalme, waardige Turken, die rondstappen met de gemakkelijke houding, die hun ras kenmerkt, boeren uit het gebergte, die op niets zooveel gelijken als op straatroovers, ernstige hodja's in wijde gewaden en bosnische boerinnen in haar wijde broeken. Hamals of turksche sjouwers luieren in afwachting van een karweitje. Kleine turksche meisjes met marktmanden, die bijna even groot zijn als zijzelven, gaan voorbij met de kleine bloote voetjes in houten klompjes, die onder het loopen op de steenen tikken. Turksche vrouwen loopen moeilijk in haar wijde omhullingen, en een toevallige Montenegrijn of Albaniër in witte, zelfgeweven, wollen kleeding, met zwart afgezet, brengen nog meer verscheidenheid aan. En een tegenstelling met al die personen vormen de Christenen, die er doodgewoon en schamel uitzien in de ontsierende dracht der beschaving.

Het moderne gedeelte van Serajewo sluit aan bij den bazar. De Frans-Jozefstraat is de hoofdader van het verkeer, waar de europeesche winkels zijn. Dichtbij elkander zijn er het Gouvernementsmuseum, de nieuwe servische kathedraal, die op een open plein verrijst, en de beide voornaamste hotels, het hotel Europa en het Centraal hotel, ook wel Pratchka genoemd. Bij beide behooren restaurants.

De beau monde van Serajewo vertoont zich elken avond na zonsondergang op het Corso, een gewoonte, die men schijnt te hebben overgenomen van de steden aan de Adriatische Zee. In de stad zijn er twee deftige societeiten, een burgerlijke en een militaire, de laatste met een tuin er bij, waar dikwijls muziek is; de eerste wordt ongeveer geleid als een engelsche club. Beide hebben restauraties, en in de laatste is het den vreemdeling toegestaan, des zomers in de open lucht te dineeren. Serajewo heeft ook een lawn-tennisclub met vier speelterreinen; de club is zeer populair en wordt druk bezocht.

De konak of het paleis van den gouverneur, vroeger de zetel van den turkschen wali der provincie, ligt aan den overkant der rivier. In de uitgestrekte bijgebouwen woonden vroeger de dames van den harem.

Een interessant verschijnsel van Serajewo als van alle steden in Bosnië en Herzegowina, waar Turken wonen, zijn de turksche koffiehuizen. De vreemdeling wordt er altijd geboeid. De stad heeft er vele en op de bergen liggen nog meer. Ze zijn schilderachtig op zichzelf en hebben ook vaak een mooie ligging. Er is iets aantrekkelijks aan, iets van de japansche theehuizen. Ze zijn zoo rustig, zoo ver van alle rumoer en twist en lawaai. Koffietuinen zou een betere naam zijn dan koffiehuizen. De tafeltjes staan onder boomen en sommige staan binnen kleine zomerhuisjes, die aan alle vier zijden open zijn. Men wordt op die plaatsen in het geheel niet herinnerd aan iets, dat op zaken doen gelijkt. Het eenige, dat er mogelijk aan doet denken, is als er vroeger of later een Turk verschijnt en stil naast u staat, om uw bevelen af te wachten. Die bevelen kunnen niet ingewikkeld wezen; ge moet kiezen tusschen zwarte koffie of een strooperig drinken van vruchtensap en sodawater.

De zwarte koffie wordt u gebracht in een kleinen koffiepot van wonderlijken vorm met een langen platten steel. Het is tot boven aan toe vol en kokend. Die wordt neergezet op een blaadje met een heel klein kopje en een klein suikerpotje. Het kleine kopje kan drie- of viermaal worden gevuld, eer de koffiepot leeg is. De kosten, die ge kunt voldoen, als ge er lust in hebt, bedragen een stuiver. Niemand wenscht, dat ge gaat opstaan, niemand valt u lastig, ge kunt blijven zitten zoolang het u behaagt; en mogelijk zal er voor uw genoegen ook nog muziek wezen, een oostersche muziek, nog al melancholiek, met halve tonen en niet altijd in de maat, ook niet al te klankrijk, maar kalmeerend, rustig stemmend.

De mooiste turksche koffiehuizen in Serajewo zijn aan de Miljacka aan den ingang van de stad, onder het kasteel en de forten. Dit gedeelte wordt de Bend-basi genoemd, en de beide koffiehuizen heeten ook zoo. Het eerste heeft de mooiste tuinen, het tweede ziet er het aardigst uit, gebouwd als het is van hout op hooge palen aan den oever bij een bocht, waar de rivier door een nauwe kloof stroomt. Groote klippen rijzen er achter op aan den eenen oever, en aan den anderen dringt een klein voorgebergte in de bocht en is overdekt met kleine turksche huisjes. De schoonheid van dit plekje is opmerkelijk; wij gingen er nooit voorbij, of ze trof ons opnieuw, en in de eerste dagen, als er iemand van het gezelschap zoek was, konden ze altijd worden teruggevonden bij Bend-basi of in den bazar.

In de straten is geen eentonigheid; al mogen de enkele figuren wel eens belachelijk wezen, de familiegroepen zijn altijd aardig en origineel. Ze wandelen afzonderlijk, soms de kinderen vooruit, een anderen keer de moeder. Kleine turksche meisjes zijn in tegenstelling met de mama's vaak kleurig gekleed. Iets mooiers dan een klein turksch meisje van drie of vier zomers, met haar wijd opgeblazen broekje, klein, plat, rond mutsje scheef op haar hoofdje, van voren versierd met een paar munten, een gazig doekje half over het hoofd getrokken en los wapperend op het windje, kan men zich moeilijk voorstellen.

Hoe ouder een turksch meisje wordt, des te nauwer moet ze het beschermende hoofddoekje om haar gezicht halen, tot ze vijftien of zestien is, als wanneer enkel een driehoekje over is, waar de neus en de oogen door zichtbaar zijn. Daarna verdwijnt ze geheel tot haar huwelijk, als wanneer ze weer opdaagt in den gemetamorfoseerden toestand, die reeds is beschreven, en ze dus, den natuurlijken gang van zaken omkeerend, van een schitterenden vlinder verandert in een donker gekleurde pop.

Turksche jongens zijn tot drie of vier jaar evenzoo gekleed als hun zusjes, behalve dat hun broek wat nauwer is om de enkels, meer bepaald een broek, en dat ze geen hoofddoek dragen. Turksche babies zijn heel gekke dingetjes, stijf opgerold in een stijve deken van brocaat en met ronde mutsjes op het hoofd, die stijf staan van het goud en met bont omzoomd zijn. De moeder draagt het kindje alleen in die gevallen, als ze geen dochter heeft om het voor haar te doen. Op reizen met den spoortrein schijnt de vader ook wel te worden ingespannen. Het is verwonderlijk, tusschen twee haakjes, maar een turksche baby schijnt nooit te schreien.

Op mooie namiddagen ontmoet men een aantal stille, zwijgende familietochten, altijd alleen vrouwen en kinderen, die op weg zijn om elkaar visites te maken. Ze praten zelden op straat, zelfs onder elkaar, en de meesten schuiven langs de vreemdelingen, terwijl de bijzonder braven zoo ver gaan, stil te staan en den rug te laten zien, tot de vreemdeling voorbij is. Maar als de vreemdelinge dan plotseling zich omkeert, kijkt de heele processie naar haar!

De rijkere klasse houdt veel van uit rijden gaan, en het is niet ongewoon, een victoria te zien met den kap omhoog, volgepakt met omhulde figuren en veel vroolijk kleurige, helderoogige kinderen. Op een anderen tijd is het een mandenwagentje of een wagen zonder veêren uit het platteland, die voorbijhotst met een menigte van die domino's en turksche meisjes, die op den grond in den wagen op het hooi zitten.

Deze "Turken", zooals ze zichzelven noemen en ook genoemd worden door de Oostenrijkers, vertoonen een anomalie, die niet de minste is onder de belangwekkende verschijnselen van dit zeer belangwekkende land, want ze zijn geen echte Turken, geen Osmanli van geboorte, ofschoon ze het wel zijn van geloof en in kleeding, gewoonten en zeden. Naar het ras zijn het Slaven, eigen broeders van de Serviërs, de Montenegrijnen, de Dalmatiërs en de Croaten, allen Slaven. En ze spreken juist dezelfde taal als de drie eerstgenoemde, en practisch dezelfde als de laatsten, namelijk het Slavisch of Servisch.

Maar in alle andere opzichten verschillen ze wezenlijk, niet alleen van dezen, maar van hun eigen landslieden en broeders, de christelijke Bosniërs. Deze "Turken" van Bosnië zijn inderdaad in sommige opzichten, als bij voorbeeld in hun stiptheid in het in acht nemen van de kleedingvoorschriften voor buiten huis voor de vrouwen, meer volstrekte orthodoxe Mohammedanen dan de Osmanli-Turken zelf. De "Turken" van Bosnië, afstammelingen van slavische voorouders, zijn een nieuw bewijs voor den regel, dat menschen, die bekeerd zijn tot een ander geloof, meer dweepziek zijn in de betrachting der voorschriften dan diegenen, die hen hebben bekeerd.

Op een dag gingen we uit, om de wekelijksche veemarkt te zien, wat een vroolijk gezicht opleverde en heel wat amusement gaf. Er waren rijen schapen en geiten en groote kraals met vee. Boeren en stedelingen, Spaansche joden en Turken, en zelfs soldaten in helder blauw stonden rondom de dieren en keken toe. Het geluid van menschelijke stemmen werd afgewisseld door het geblaat van schapen en geiten, het loeien van koeien en nu en dan het geschreeuw van een varken.

Wij stieten op een paar bosnische boeren, die naar nationalen trant een koop beslisten. Verkooper en kooper slaan elkaar in de handen en sluiten die dan ineen, om ze snel naar beneden te bewegen, waarbij de verkooper den prijs noemt, dien hij verlangt en de kooper dien, welken hij wil geven. Dit duurt voort, terwijl de beide prijzen elkaar steeds meer naderen, tot het den een of ander gelukt, zijn hand los te maken, waarna de laatstgenoemde prijs den koop afsluit. In den regel staan er vrienden in het rond, om toe te zien of het eerlijk toegaat.

Uit de menigte bij de schapen en geiten zagen we af en toe een gelukkigen kooper zich loswerken. De bosnische boer trekt een onwillige geit aan de haren van den kop vooruit. De Turk draagt zijn schaap mee op zijn schouders en slaat het als een halsdoek om den nek. Tegenwoordig, nu het karakteristieke in kleeding en gewoonten langzamerhand wegsterft, is het een tractatie voor den reiziger een volk te treffen als deze boeren uit Herzegowina en Bosnië, die niet alleen het oude costuum dragen voor iederen dag, maar zich ook nog op feestdagen in de rijkste en fraaiste galakleeding steken, zooals men zelden meer in Europa ziet. Inderdaad zijn de originaliteit, de schoonheid en de verscheidenheid van de verschillende galacostumes, die men in Bosnië en Herzegowina te zien krijgt, treffend en haast ongeloofelijk. Iets van het prachtlievende Oosten blijkt uit de kleuren, de stoffen en de versieringen.

Op marktdagen is de bosnische al zeer mooi aangekleed, maar op een feestdag, als er hoogmis wordt gehouden in een der kerken, komen boeren en boerinnen van nabij en ver per trein en te voet, op pakpony's of per rijtuig aan, om den dienst bij te wonen en op andere wijze zich te amuseeren.

Wij hadden het geluk zulk een plechtigheid bij te wonen. Het was de verjaardag van de opening van de groote Roomsch-katholieke kerk in Serajewo in de tweede week van Juni. Al de vorige dagen waren boeren in de stad gestroomd, stoffig en verreisd, ieder met den grooten reiszak van bonte stof omgeslagen om den rug. Als een vreemdeling zoo'n zak wenscht te koopen zal een joodsche handelaar hem er dertig shillings voor vragen.

Het regende een weinig, maar de vloed van menschen, die binnenstroomde van het station, ging onophoudelijk voort. Dien nacht kampeerden diegenen, die geen onderkomen konden vinden, in het open veld tegenover de kathedraal en op alle andere open pleinen in de stad.

Den volgenden dag kreeg het tooneel al op een vroeg uur kleur en leven. De stoffige kleeren van den vorigen dag waren verdwenen, en in hun plaats waren zijde en fluweel verschenen, borduursels en het witste linnen. Gouden munten glinsterden op hoofdtooisels en bengelden aan kettingen om den hals. Zware zilveren gespen aan de gordels en dito zilveren ringen aan de vingers, zilveren armbanden en oorringen trokken de aandacht, en wat het beste was, de zoo versierden lieten zich photografeeren! De laatste figuur, die we namen, was een bijzonder knappe vrouw, groot en met een flinke houding. Ze had een huid als een rijpe perzik en de lijnen van neus, mond en kin zouden hebben kunnen dienen voor een model van een grieksch beeld. Ze was in het bezit van mooi geteekende wenkbrauwen, gitzwart haar en groote, lachende, bruine oogen. Haar kleeding zou hebben gepast voor een prinses of een bruid en deed haar zoowel op de een als op de ander gelijken, met haar diadeem van gouden munten, waarboven een krans van bloemen stond, en een langen sneeuwwitten sluier, die van achteren laag neerhing bijna tot haar voeten.

Bij een uitstapje naar het dorp Vares, waar ijzerfabrieken te zien waren, troffen we een zeer oud klooster van Franciskanen, en iets verder aan denzelfden weg een oude christenkapel, misschien de oudste in Bosnië. Het was een lang, laag gebouw, een goed voorbeeld van de kleine afmetingen, waartoe de machtige Turk de bedehuizen van ongeloovigen veroordeelde. Zelfs moesten, als ook hier het geval was, zulke huizen zich achter heggen verbergen, zoodat het oog van den belijder van den Islam er niet door werd gehinderd.

Toen wij bij ons bezoek aan Bosnië uit Hongarije kwamen, bracht ons de spoorweg eerst naar Kostajnica, een tweelingstad aan de beide oevers van het riviertje de Una, waar aan de eene zijde Kroaten wonen, die katholiek zijn, en aan de andere Bosniërs met een voor de helft mohammedaansche bevolking, beide echter dezelfde taal sprekend. Tusschen die twee plaatsen en de inwoners, ofschoon ze maar door een smal riviertje gescheiden zijn, bestaat er behalve ten opzichte van de taal een grooter verschil dan tusschen de steden en inwoners van Dover en Calais. Uiterlijk is het bosnische Kostajnica met de kleine turksche huizen schilderachtiger dan de katholieke naamgenoote.

Even verder volgt Doberlin. In 1860 legden de Turken in een aanval van energie den spoorweg aan van hier tot Banjaluka. De toen regeerende sultan van Turkije kreeg het plan in het hoofd van een lijn, die gelegd zou worden door Bosnië en West-Turkije naar Saloniki in de Levant. De lijn werd aan twee kanten begonnen. Van dat grootsche spoorwegplan kwam slechts een klein eindje aan beide zijden gereed, namelijk de sectie tusschen Doberlin en Banjaluka en de afstand tusschen Saloniki en Metrovic. De Oostenrijkers hebben nu de leemte voor een groot deel aangevuld door hun spoorweg van Jajce naar Serajewo, naast de evenwijdige lijn via Brod. In den laatsten tijd hebben ze het werk voortgezet door een lijn te bouwen van Serajewo over de turksche grens naar Plevlje in Novibazar.

Naar Doberlin komt veel hout, dat de Una en de Sana af wordt gevoerd uit de wouden van Bosnië, en er in zaagmolens wordt verwerkt. Wij kwamen aan de Sana bij haar vereeniging met de Una; toen volgde Blagaj, een schilderachtig plaatsje met de ruïnen van een kasteel, waar vroeger de koningen van Bosnië verblijf hielden. Het volgend belangrijk station is Prjedor, een nogal groote stad voor Bosnië. Het plaatselijk bestuur richtte er een modelhoenderpark op, van waar de boeren eieren en jonge hoenders konden krijgen. Er worden paardententoonstellingen gehouden te Prjedor en ook wedrennen, waarbij de regeering prijzen uitlooft ter aanmoediging van het fokken door de boeren. Te Ivanjska is een Franciskanerklooster en men treft er ook het vervallen kasteel Ivangrad aan. De geheele lijn van Doberlin naar Banjaluka gaat door een bekoorlijk en typisch bosnisch landschap.

Te Dragocaj kregen we voor het eerst de Vrbas te zien, die vreedzaam stroomt door groene weiden, omzoomd door wilgen, getrouw aan zijn naam, die wilgenstroom beduidt. Hier begint de vlakte van Banjaluka, en we kregen nu en dan een kijkje op het Trappistenklooster "Maria Stern", dat aan den tegenoverliggenden oever van de rivier is gelegen, en op het klooster "Nazareth", rechts van de lijn, terwijl verderop nog het Franciskanerklooster Petricevac volgt, eer we Banjaluka om elf uur 's morgens bereikten.

Banjaluka is een mooi en eenvoudig stadje, zeer lief aangelegd, waar men ten minste wel een mijl ver in de schaduw kan wandelen op den heetsten dag. Dit gedeelte van Banjaluka is gevoegd bij de oude mohammedaansche stad, die ook maar zeer klein is. Waar de eerste eindigt, begint de laatste, gaande over den bazar en de markt langs de zeer fraaie Ferhadija-moskee naar de oude mohammedaansche wijk, die met haar verlenging, de voorstad Gornji Seher, zich uitstrekt langs beide oevers van de Vrbas, waar die door een soort van pas vloeit. De schilderachtige plek, zoo bijzonder mooi, kregen we eerst bij ons vertrek bij toeval te zien, want hôteliers, gidsen en zelfs reizigers waren het allen eens, dat er niets te zien was in Banjaluka.

De stad is ruim gelegen midden in een vlakte. Wij vonden de lucht er betrekkelijk koel en frisch op een tijd, dat in andere, in dalen gelegen bosnische steden de atmosfeer heet en verstikkend is. Het plaatsje lijkt wel wat op een klein indisch station in het binnenland, met de verspreid staande huizen met grond eromheen en de winkeltjes, door inlanders gehouden. Maar hier en daar ziet men een winkel, dien men in Indië een europeeschen winkel zou noemen, en evenals in Indië kan men er slechts de allereenvoudigste dingen krijgen, zooals we tot ons nadeel merkten. Daar we enkele benoodigdheden voor het photografeeren te kort kwamen, zochten we van het eene eind van Banjaluka naar het andere om een winkel van photografische artikelen te vinden, maar te vergeefs.

Er zijn twee hôtels, het hôtel Bosnië en het hôtel Oostenrijk. Van die twee is het eerste het grootste; maar het was vol, en zoo gingen we in "Oostenrijk", dat zeer zindelijk en geriefelijk was, met niet te hooge prijzen. De heer des huizes was een beleefd en hulpvaardig man, bereid, ons alle mogelijke inlichtingen te geven en hulp te bieden; maar ofschoon Banjaluka zijn geboortestad was, en zeker wat beters van hem had verdiend, voegde hij zich bij het algemeene koor en verzekerde, dat er niets te zien was. Dat was een nieuwe ervaring voor ons, een waard aan te treffen, die tegen zijn eigen belang de aantrekkelijkheden van zijn eigen stad verkleinde; Diogenes zou zijn lantaarn in Banjaluka niet hebben noodig gehad.

Nochtans gingen wij trots de uitspraak van den hôtelier uit, om te zien, wat we konden ontdekken, en richtten onze schreden eerst naar het Trappistenklooster van Maria Stern. De gewone prentbriefkaart, die de plaats voorstelde, was niet aanmoedigend, maar wij hielden vol. Na de schaduwrijke boulevards van de stad achter ons te hebben gelaten, kwamen we buiten, waar geen boomen waren, en vonden den weg lang en de zon zeer warm; ook werden we wanhopig dorstig. Juist op tijd vonden we een kleine herberg, waar we bediend werden met de eenige verkwikking, die werd aangeboden, het ijskoude Trappistenbier, dat in het klooster wordt bereid. Wij kregen het klooster in het gezicht bij de volgende bocht van den weg, een zeer lang, wit gebouw met een klein torentje in het midden. Hier was de prentbriefkaart genomen, en eerst toen we naderbij gekomen waren, zagen wij, hoe liefelijk en bekoorlijk het tooneel was. De bekoring lag niet in het klooster, maar in de omgeving. We hadden dat ook wel kunnen begrijpen, want onze ervaring had ons geleerd, dat monniken stellig en zeker uitnemende plekjes kiezen voor hun kloosters, waar het natuurschoon op zijn mooist is.