Op het Balkan-schiereiland De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 4
De omgeving van Mostar herinnerde ons aan Pendsjab, en het stadje zelf kon best een grensstadje in het Vijfstroomenland aan den bovenloop van den Indus wezen. Steile klippen naderen tot dichtbij aan den eenen kant, en aan den anderen wordt het vruchtbare dal ingesloten door bergen. De Narenta, die van het hoogland komt en die in haar rotsachtige en met steenen bezaaide bedding alle voor liefhebbers van natuurschoon aantrekkelijke eigenschappen behoudt van haar afkomst, verdeelt de stad in twee deelen. Het heldere water in de diepe, steenachtige bedding wordt niet ontsierd door kaden of aanlegplaatsen en over den stroom spant zich de glorie van Mostar, de oude brug, waar de stad naar is genoemd, een sierlijk en schilderachtig bouwwerk, het zij het turksch of romaansch is, wat een nog niet uitgemaakt twistpunt is.
Mostar is een mooi stadje. Het gezicht van den linkeroever der rivier, die hier gitzwart van kleur is, behalve waar ze, door steenen benauwd, breekt en opspat in sneeuwwit schuim, de eerwaardige brug en de wachttorens, de zonderlinge huizen van turksch model, de oude stad, de minarets, de moskee, de muren van klippen op den achtergrond, dat alles gezien in het stralende licht, vormen een weelde voor het oog.
De voornaamste moskee is een goed staaltje van mohammedaanschen bouwtrant. Niet zoo indrukwekkend van uiterlijk als de moskeeën van Serajewo, is het inwendige smaakvol ontworpen, en met het zachte licht leek het ons een zeer geschikt bedehuis. Toen we het huis bekeken, hadden we gelegenheid de gemeente te zien bij de godsdienstoefening, daar juist de roepstem van den muezzin had weerklonken. Het is een imposant gezicht. Geen houding is beter in staat, het nederige smeeken en de diepe hulde uit te drukken dan de houding, die de Muzelman aanneemt bij het gebed. Daar ze vijfmaal per dag hun gebeden en godsdienstplichten moeten vervullen met de vele kniebuigingen, hebben ze daardoor alleen al veel gymnastiek te doen, wat misschien mee een verklaring is van de athletische houdingen en goedgebouwde lichamen der Mohammedanen, vergeleken bij hun christelijke broederen. Mohammed wist wel wat hij deed, toen hij dezen eeredienst instelde en ook de voorafgaande wasschingen voorschreef, zonder welke, verklaarde hij, het gebed zelfs niet door God zou worden aangehoord. Het gevolg is, dat de Mohammedanen er zindelijker en knapper uitzien dan de meerderheid der Christenen.
Na een kijkje in Mostar gingen we naar een turksch koffiehuis met tuin, over de oude brug, en dronken koffie à la Turque, terwijl muzikanten vroolijke wijsjes speelden, o. a. het servische volkslied en andere servische wijzen met karakteristiek kwijnenden maatgang.
Toen keerden we naar het hotel Narenta terug, een geriefelijk modern gebouw, en aten uitstekende Narentaforellen, besproeid door een goeden plaatselijken tafelwijn uit Herzegowina, zittend in de breede veranda van het hotel in een vroolijk gezelschap van oostenrijksche officieren en hun vrouwen, de élite van de stad. Later zaten we nog te praten en vergeleken het werkelijke Oosten met dit Oosten van dichtbij, beide zoo verschillend en toch punten van overeenkomst aanbiedend. In het echte Oosten merken de man van het Westen en de Oosterling weinig van elkander; ze wonen ook meestal afzonderlijk in eigen wijken, en het oostersche leven wordt er min of meer gemaskeerd voor de westersche nieuwsgierigheid, zoodat het vaak verkeerd begrepen wordt. Hier leven het Westen en het Oosten vertrouwelijk naast elkaar. De meerderheid der bevolking is van hetzelfde bloed en spreekt dezelfde taal. Alleen het geloof verschilt. Een juister inzicht in het mohammedaansche karakter, het leven en de gewoonten der Muzelmannen kan men hier in een enkele maand verkrijgen dan door een maand te vertoeven in het ware Oosten.
Iemand van ons gezelschap werd in staat gesteld, door te dringen in de geheimzinnigheden van een turkschen harem, toebehoorend aan een hoogen burgerlijken ambtenaar van Mostar, door de vriendelijkheid en onder de persoonlijke leiding van eenige oostenrijksche dames, die in Mostar woonden, en ook zagen ze iets van harems, die behoorden aan de armere klassen der mohammedaansche bevolking.
Het was half drie in den namiddag, het warmste gedeelte van den dag, toen de vier dames, een Oostenrijksche, een Slavische en twee Engelschen langzaam zich voortbewogen door de smalle, zondoorgloeide straat en een zijstraat insloegen in een mohammedaansche wijk. Overal zag men mohammedaansche vrouwen, want op die warme uren, van twee tot vijf, als de mannen niet te zien zijn, nemen ze wat beweging en open lucht. Ze waren allen gekleed in het eenige wandeltoilet, dat door het schoone geslacht in Mostar de rigueur wordt geacht, de zonderlingste vermomming, die te bedenken is en die de vormen geheel verbergt.
Stel u voor een lange, zeer dikke overjas, veel gelijkend op die van de engelsche soldaten, behalve dat er een hooge kraag op is van bijna een voet hoogte. Dat kleedingstuk wordt over de draagster geworpen, die erin gehuld wordt met hoofd en al; de haak wordt vastgemaakt niet aan den hals, maar vlak onder den neus, zoodat de hooge, stijve kraag ver vooruitsteekt boven en vóór het voorhoofd als een groote bek. De spleet, die eronder open blijft in de schaduw van den vooruitstekenden bek, wordt gevuld met een mousselinen masker, dat ook de oogen van de draagster bedekt. De mantel is over de geheele lengte dichtgehaakt, terwijl de mouwen achteruit zijn gespeld en los flapperen als vleugels. Groote, zwarte, of heldergele, lompe, ongelooide laarzen voltooien het costuum.
De aanblik van deze stille, ingehulde figuren, die met tweeën of soms alleen of ook wel in rijen verder waggelen, doet denken aan monsterachtige uitgestorven vogels, laat ons zeggen, een kruising tusschen een toekan en een pinguïn, of het konden verdwaalde bewoonsters wezen van een onbekende planeet, of spookachtige voortbrengselen van het vruchtbare brein van H. G. Wells, alles eerder dan menschelijke wezens. Arme, verstikte schepsels! Hoe houden ze zoo'n kleeding uit bij zulk weêr!
Een der vier dames was goed bekend bij de vrouwen van Mostar, maar op straat mochten die niet met haar praten, en zij mocht haar ook niet aanspreken. Nu stonden ze echter dadelijk stil bij den drempel van haar huis, en toen ze zagen, dat er niets anders dan vrouwen in de nabijheid waren, draaiden ze zich om, en de haken van de zware kleeding losmakend, begonnen ze druk met ons te praten. De overjassen gleden uit, de mousselinen sluiers werden naar één kant geschoven, en we zagen de aangezichten: bleeke, ongezonde gezichten, badend in het zweet, leelijk, dat was de eerste indruk, maar toch interessant, al was het alleen omdat ze de eerste vrouwen waren, die het gezelschap met onbedekt gelaat had aanschouwd.
Ze spraken levendig en waren uiterst vriendelijk tegen de bezoeksters, waarbij leelijke tanden zich vertoonden. Het algemeene gelaatstype schijnt nog al lang te zijn en smal, met donkere oogen, niet de groote, heldere, amandelvormige oogen van het Oosten, maar scherpe oogen, die voor het oogenblik met intense belangstelling op ons waren gevestigd. Er brandde nieuwsgierigheid in haar, die algemeene eigenschap van alle dochters van Eva. Ze overlaadden ons met vragen, waar onze vertolksters maar met moeite op konden antwoorden. De deuren van een andere binnenplaats gingen open, en een half dozijn hoofden van turksche vrouwen en meisjes, die blijkbaar ons gesprek hadden gehoord, staken naar buiten, gereed om zich terug te trekken bij het minste onraad. Toen onze vrienden werden herkend, gingen de deuren wijder open en we werden hartelijk begroet.
Met een afscheidswoord tot de eerste groep gingen we op de tweede toe. Zij waren rijker dan de anderen en vertoonden vrij wat kostbaarheden. Daar ze niet uit waren geweest en dus niet ingehuld waren in de afzichtelijke dracht voor op straat, zagen we duidelijk de sieraden, die gedragen worden door de getrouwde en ongetrouwde turksche vrouw. De getrouwde dragen alle een klein kapje, coquet geplaatst en vastgehouden door een of ander onzichtbaar middel onder het voorhaar, en boven de lijn van de wenkbrauwen, midden op het voorhoofd, een soort van klein fluweelen lapje, meest rood, bezet rondom met gouden munten en gouden filigraanwerk, zich vereenigend in een hoogere punt in het midden. Hoe rijker de draagster, des te dichter zijn de gouden munten er op en over elkander genaaid. Het haar scheen meestal met henna geverfd, lichter of donkerder rood naar den smaak van de eigenares, en de nagels waren op dezelfde manier geverfd. De onnatuurlijke helderheid van de roode tint van het haar doet de buitengewone bleekheid van de gezichten te meer uitkomen. De figuren waren slank, haast te mager. De ongetrouwde vrouwen dragen een klein, rond nauwsluitend zwart mutsje op het hoofd en een paar gouden munten op het voorhoofd, met mogelijk nog enkele om den hals, ook wel als een halssnoer.
Wij gingen nu den harem zien van iemand uit de armere klasse. Op het binnenplein liepen zes of acht vrouwen naar voren, om ons te begroeten. Het waren familieleden of buren, en de vrouwen van verschillende mannen, want tenminste, wat Bosnië en Herzegowina betreft, is het eenvoudig een mythe, dat de mannen meer dan één vrouw in den harem hebben. In het geheele land zijn er niet meer dan een half dozijn, die er meer hebben. Deze vrouwen waren van hetzelfde type als die van zooeven, bleek en ziekelijk, met de gelaatskleur en het voorkomen van diegenen, die in een warm klimaat wonen en zichzelven buitensluiten van de buitenlucht en gezonde lichaamsoefening. Enkele hadden zwart haar, andere hadden het hennakleurig; twee of drie waren geverfd, waarbij het rouge vreemd afstak tegen de ongezonde gele kleur. Eén had koolzwarte oogen; zij was een veel mooiere vrouw dan de andere. Evenals te voren kwamen er leelijke tanden te voorschijn, toen ze begonnen te spreken. Een jonge vrouw scheen maar twee of drie tanden meer in den mond te hebben.
Wij werden uitgenoodigd om boven te komen en gingen over het kleine binnenplein langs houten trappen naar twee kamertjes boven. Dit geheele deel van het huis was alleen voor de vrouwen. Het waren eenvoudige kamertjes, maar zindelijk en netjes onderhouden; de planken vloer was zoo wit, als zeep en water dien konden maken. De eenvoudige meubelen waren een divan aan den muur, een klein karpet in het midden, een plank, die rondom langs de wanden liep, waar een reeks metalen schotels en pannen stonden. Wij bleven niet lang, maar gingen toen nog, na dezen harem van de armere klasse te hebben gezien, naar dien van een turksch voornaam heer, het hoofddoel van onze expeditie.
Het was een zeer deftig uitziend huis. Toen we het binnenplein betraden, stonden we tegenover een sierlijk gebouwd huis van twee verdiepingen. Het middengedeelte van de benedenverdieping stond open. Het leek een wijde hal, waar de deuren der kamers aan beide zijden op uitkwamen. Ze bevatte een divan en een breede, bruine, houten trap, die naar de bovenverdieping leidde. De muren waren schitterend wit en de vensters waren in donker hout gevat, terwijl de bovenramen van het huis mooi snijwerk hadden. Het effect was zeer aangenaam voor het oog.
Onze gastvrouw en haar dochters kwamen ons tegemoet en vatten elkaar bij de hand, begroetingen uitend in zacht Slavisch. Ze zagen er bekoorlijk uit tegen het witte huis als achtergrond. Het meisje van huwbaren leeftijd was groot en slank. Zij was gekleed in turkooisblauwe zijde, een blauwzijden turksche broek, zeer breed en aan de enkels ingetrokken, die op een rok leek, en een eenvoudig jakje van dezelfde stof; een klein zwart mutsje had ze op het hoofd, versierd van voren en van boven met prachtige diamanten versierselen, die opstonden en glinsterden en trilden bij iederen stap. Parelsnoeren hingen om haar hals, zeven of acht strengen, mooie parelen, en daaronder een enorme streng gouden munten, elk van de grootte van een viershillingstuk, en zoo dicht op elkaar geschoven, als maar mogelijk was.
Een verbazend lange gouden ketting bengelde van voren en was weggestoken in een zak dicht bij het middel. Daarin stak een met juweelen bezet horloge van het beste europeesche maaksel, naar we later bemerkten. De dame droeg gouden armbanden om de polsen, en gouden en diamanten sieraden hingen aan het uiteinde van haar lange, dikke vlecht van roodbruin haar. Het was een bekoorlijk meisje, niet bepaald mooi misschien, maar toch der schoonheid meer nabijkomend dan wij nog iemand hadden gezien dien dag, met een verstandig gezicht, zachte, goed geopende oogen en vlugge, korte bewegingen. Habeeba heette ze.
Habeeba's moeder zag er ook beter uit dan de meeste vrouwen, maar was meer joodsch van type, met een forschen, krommen neus. Zij droeg dezelfde soort van turksche broek en jakje als haar dochter, maar van minder sprekende kleur. Over het jakje droeg ze een smalle bolero van purper fluweel, met goudband belegd en geboord met rood vossebont, een versiering, die bij de Turksche vrouwen erg in den smaak valt, ofschoon naar europeesche zienswijze het smalle boordsel het effect bedierf. Op het midden van het voorhoofd droeg ze het gewone kleine kapje, bedekt met gouden munten en edelgesteenten, het teeken van den getrouwden staat. Maar ze droeg geen andere juweelen.
Twee van ons hadden camera's, maar ze waren pas voor den dag gehaald, of een gilletje van Habeeba bewees, dat ze het had gezien en begrepen. Ze vatte haar moeder bij de hand en alle beleefdheid vergetend, vluchtte het paar in huis, onze vriendin en tolk met zich meetrekkend. Deze verscheen even later weer en verklaarde, dat Habeeba en haar moeder zeiden, dat het niet door de wet geoorloofd was, dat zij werden gephotografeerd, maar dat we het huis mochten nemen. En daarmee moesten we tevreden wezen!
Toen haar gemoedsrust teruggekeerd was, werden we boven verzocht en eerst in de ontvangkamer gebracht, en toen we die genoeg hadden bekeken, naar de eetkamer, die de mooiste tevens was. Dat vertrek had mooie boogramen, dezelfde, die we van buiten al hadden bewonderd.
Op den grond van de eerste kamer lag een heerlijk turksch tapijt; een breede divan liep langs drie der wanden, en de kasten aan den vierden wand waren alle van gesneden hout. Het tweede vertrek was gelijk aan het andere behalve dan de boogramen, waaronder een divan stond, een zeer weelderige, met veel zachte kussens in de hoeken. Ons werd gewezen, hoe men op een turkschen divan plaats neemt naar turkschen trant, niet liggend noch zittend, maar één knie op den divan plaatsend en dan daarop neerzinkend, met dien voet en het been onder zich.
Habeeba, die veel genoegen had in haar bezoeksters, bleef, om te zien dat ze prettig zaten, en verdween toen om ververschingen te halen, na een minuut weer verschijnend met een blaadje, waarmee ze zelve bij ons rondging. Het was Mekkawerk van geslagen koper, met een patroon van wit metaal erin aangebracht en afgezet met puntjes van zwart en rood email. Op het blaadje stonden kleine kopjes met bleeke, zoete koffie. Terwijl we die dronken, praatte Habeeba, en onze vriendinnen vertaalden.
Hoe lang dachten we in Mostar te blijven? Hoe vonden we het? Waar gingen we daarna heen? Hadden we lang gereisd? Ja? O! Hadden we dan misschien Konstantinopel gezien? Teleurstelling was in haar oogen te lezen, toen het ontkennend antwoord haar werd overgebracht; maar haar gezichtje klaarde weer op, toen wij door de vertolkster uitlegden, dat we wel in andere mohammedaansche landen waren geweest, bij voorbeeld in Indië. Toen moest ze wat weten over de gewoonten in Indië en welk soort van kleederen de vrouwen er dragen, en ze vroeg naar kleine bijzonderheden, zoodat het ons bijna moeilijk viel, haar weetgierigheid te voldoen. Toen de koffie gebruikt was, presenteerde Habeeba sigaretten, ging daarna rond en nam de kopjes weg, om weer te verschijnen met een dienstmeisje en een ander blaadje, waarop dezen keer limonade stond in glazen met gouden randjes.
Habeeba haalde ook haar handwerk voor den dag, het mooie haremwerk van gouddraad, beroemd in het land, werk, waarvan de uitvoering nog steeds een raadsel is voor de Europeanen, daar het precies gelijk is aan beide kanten. Habeeba moet in handwerken onovertroffen arbeid leveren. Het was eenvoudig prachtig.
"Laat ons uw bruidsbed zien, zooals het zal worden opgemaakt, als ge getrouwd zijt, lieve Habeeba," vroeg onze vertolkster en vriendin.
Dat is een van de bezittingen van een turksch meisje, die ze wel graag vertoont, en het is de moeite van het bekijken waard. Habeeba glimlachte en ging heen. Alles stuk voor stuk binnen brengend met de hulp van een dienstmeisje, maakte ze de legerstede op, waar wij bij waren. Een lange, zachte matras van dons kwam eerst, die op den grond wordt gelegd in het midden van de kamer. Dan twee lange, enorm lange kussens met rose zijden eindstukken, die in positie werden neergelegd. Toen ontvouwde Habeeba een paar prachtig geborduurde strepen van glinsterend gouddraadwerk en stopte een aan elken kant rondom de kussens over de rose zijde, zoodat er maar een klein reepje rose overbleef.
Vervolgens kwam ze met een grooten lap buitengewoon fijn wit mousseline, letterlijk bedekt met een overtrek van goudborduursel, en legde het in de lengte langs de hoofdkussens, waar het juist den rand bedekte van de reeds aanwezige strooken. Dan nam ze een laken van fijn geweven linnen en zijde, legde dat over de matras en stopte het zorgvuldig in. Ten laatste werd de deken gebracht van purperen zijde, in het midden belegd met een vierkant van bosnische stof van veel kleuren, en besprenkeld met zilver en goud. Het bruidsbed was gereed.
Wat wij ook wenschten te zien, Habeeba was bereid, het ons te vertoonen. Op ons verzoek bracht ze ons een turksche broek, zooals zijzelve droeg, opdat we konden zien hoe die was gemaakt. Ze sprong op een stoel, zorgvuldig haar mutsje met één hand vasthoudend; en nam van de hooge gebeeldhouwde plank een van de metalen eetschalen, dat wij die zouden kunnen bekijken. Het is bosnisch werk, versierd aan de randen met ingelegd koper.
Er was nu werkelijk niets meer te zien. Het leven van alle turksche vrouwen in Herzegowina en Bosnië is zeer enkelvoudig; ze borduren met goud- of zilverdraad, slurpen zoete koffie en limonade, rooken, rusten op divans, ontvangen bezoeken van andere vrouwen of gaan uit op die afgrijselijke wandelingen, zwaar ingepakt en in gedwongen stilzwijgen; zoo brengen ze het leven door. Inderdaad vanaf den tijd dat ze volwassen zijn, tot het tijdstip waarop ze trouwen, missen ze zelfs het laatste nommer van het simpele programma. Vanaf het oogenblik, dat ze beschouwd wordt als oud genoeg om te trouwen, tot den tijd van haar huwelijk gaat geen aanzienlijk turksch meisje buiten het binnenplein van haar vaders harem.
Kleine turksche meisjes, die nog niet den huwbaren leeftijd hebben bereikt, loopen vrij rond met onbedekte gezichtjes; maar ook zij doen de ouderen na, en als een vreemdeling haar te lang of te nauwlettend aanziet, trekken ze de bedekkende shawl dicht om het gezicht of gaan met den rug naar u toe staan, tot de onbescheidene voorbij is. Het is hopeloos er een toe te krijgen te poseeren voor een kiekje. Het eenige middel is, ze onverwacht te snappen.
Bij een zekere gelegenheid wilden we bijzonder graag een buitengewoon mooi meisje kieken. Dadelijk echter als we nader kwamen, keerde ze zich om en liep hard weg. Eenige Turken, die het hadden gezien en er veel pret in hadden, riepen haar toe, dat het wel mocht. Het hielp niet, ze liep nog harder weg; haar blauw doekje fladderde op den wind en ze hield eerst stil in de nabijheid van haar huis. En de kleine Juffrouw Behoorlijkheid kwam dien dag niet weer voor den dag, daar zijn we zeker van!
De turksche vrouwen in Herzegowina zijn wonderlijk onwetend, zooals wel het geval moet wezen, als men nagaat, dat ze geheel zonder opvoeding worden gelaten, dat ze zelfs geen lezen leeren en schrijven. Een Turk uit Mostar, dien we onder het oog brachten, dat de vrouwen ook behoorden te worden opgevoed, luisterde aandachtig, terwijl het pleidooi werd gehouden, en toen schoof hij het met een beweging van zijn hand van zich af. "Mijn vrouw lezen en schrijven laten leeren!" merkte hij koel op. "Waartoe? Opdat ze minnebrieven zou kunnen schrijven aan andere mannen of hen ontvangen?"
Toch ontkomt Mostar niet aan den invloed der moderne tijden. De oostenrijksche regeering heeft vooral in de steden de beschaving en de verhelderde denkbeelden verspreid. Zoo is een staatsschool voor meisjes in Mostar een inrichting, waar iedere stad trotsch op zou mogen zijn. De meisjes leeren er allerlei nuttige kundigheden, ook huishoudelijk werk. Trouwens ook thans zijn de christelijke boerenvrouwen in Herzegowina de vlijtigste wezens, die men zich kan voorstellen. We kwamen ze herhaaldelijk tegen, terwijl ze ijverig breiden. Dat doen ze onder het gaan naar het veld en ook wel onder het dragen van zware lasten.
Er is te Mostar een kleine tabaksfabriek, waar sigaretten en pijptabak worden gemaakt uit de bladeren die de boeren zelf verbouwen en aan de regeering verkoopen, nl. aan de ambtenaren van de regio, die een vasten prijs betalen voor een overeengekomen hoeveelheid en soort, waardoor de boeren een aardige winst hebben. De grootste fabriek is echter te Serajewo, en daarheen worden de meeste tabaksbladeren, die in het land gekweekt worden, overgebracht.
Men kan in de maand Mei in Mostar al niet veel anders doen dan tennis spelen en visschen. De jaarlijksche tenniswedstrijd tusschen Mostar en Serajewo had plaats even vóór onze aankomst. Er waren een groot aantal bezoekers uit Serajewo, die het hotel in Mostar vulden, en ons werd aangeraden, ons bezoek uit te stellen tot ze vertrokken zouden zijn. De beste tijd voor Mostar is April of begin Mei. Het eind van Augustus, als de jacht wordt geopend, zou ook gaan tot October, als de bora, de koude wind, begint te waaien. Gemzen, reeën, hazen, patrijzen kan men in de buurt schieten, en snippen en eenden misschien in latere maanden.
Omstreeks acht mijlen van Mostar begint op den weg naar Serajewo de kloof, waar de Narenta door loopt, en een imposant berglandschap was het, waar de trein ons door voerde. Sedert de bezetting door Oostenrijk is Serajewo een aanzienlijke stad geworden. Er zijn meer dan veertig duizend inwoners, waarvan de helft Mohammedanen zijn, een vierde is Roomsch-katholiek, terwijl de aanhangers van de Grieksch-katholieke kerk zoo wat zes duizend in aantal zijn. Niet minder dan vier duizend zijn Joden, drie duizend Spaansche Joden, afstammelingen van hen, die, uit Spanje verdreven door de Inquisitie, in Bosnië een toevluchtsoord vonden drie-en-een halve eeuw geleden.