Op het Balkan-schiereiland De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 3
Nog niet langer dan twee of drie tientallen van jaren geleden bestond voor den Montenegrijn die verontschuldiging voor de ontheffing van alle te dragen lasten, maar thans bestaat die niet meer. Maar de man is nog gehecht aan de oude voorrechten, en hij zou het een vernedering achten, er afstand van te doen. Er is nog een echte kaste in Montenegro, die der krijgslieden, waartoe alle mannen behooren. Het zelfbehoud heeft eeuwenlang geëischt, dat de heele volwassen mannelijke bevolking uit krijgers zou bestaan. Het zal den Montenegrijn eenigen tijd kosten, zijn tegenwoordige denkbeelden kwijt te raken. En intusschen beletten armoede en de schraalheid van het land hun het vervangen van de vrouwelijke hulp door het aanschaffen van dieren voor transport. Het ruwe leven van de montenegrijnsche vrouwen maakt haar vroeg oud.
De weg, die tot hiertoe een richel was geweest op het aangezicht van den berg met rotsen aan den eenen en een afgrond aan den anderen kant, draaide nu bij de montenegrijnsche grenzen een smallen pas binnen. Links en rechts waren bergen, die bij de Lovcengroep behoorden en die den naam van het Rotsgebergte zeker beter verdienden dan het gebergte van dien naam in Amerika, want het zijn eenvoudig reuzenrotsen, zonder eenige aarde, behalve hier en daar in kloven, waar struiken en stompen van boomen een kommervol bestaan leiden. De pas leidde naar een steenachtig dal, waar kleine plekken, die men van steenen had bevrijd, als bouwland werden gebruikt.
Een klein half uurtje rijden door den pas bracht ons naar een werkelijk redelijk groot plekje vlak land in het dal, waar een dorp lag. Het was Niegus, de zetel der familie van den regeerenden vorst Nicolaas, de tegenwoordige heerscher van Montenegro, geboren in een gebouwtje als een schuur, dat, naar ons werd verteld, hem thans nog dient als jachthuisje. Het dorp gelijkt op de dorpen in de armste streken van Ierland, en de hutten hebben juist zulke gaten voor vensters, maar zien er netter uit, en de meeste hebben steenen of pannen daken. Vlak boven het dorp rijst een piek van 6000 voet omhoog, met sneeuw bedekt toen wij er waren.
Een aardige herberg is onlangs geopend te Niegus door een Montenegrijn. Dat is het huis Halfweg, waar het gewoonte is, een uur stil te houden in het heengaan of op den terugweg, om te ontbijten en de paarden te voederen en te drenken. De eigenaar, een knappe man in montenegrijnsche kleeding, kwam naar buiten, om ons te verwelkomen. Iemand in Dalmatië had ons verteld, dat we hier niets te eten konden krijgen, en dus hadden we den gegeven raad gevolgd en hadden ons lunch meegenomen. De eigenaar scheen daar niet op te letten; maar hij glimlachte toen wij hem de reden meedeelden, verklarend dat hij altijd in staat was, voor kleine gezelschappen een lunch aan te richten. Hij sprak uitstekend Fransch, dat hij, naar hij zei, in Marseille had geleerd. Hij had veel gereisd, vertelde hij ons, maar was nu naar Montenegro teruggekeerd, om er te blijven. Niegus leek een sombere plaats om te wonen voor een bereisd man, en we waagden hem te vragen, of hij er de voorkeur aan gaf boven elke andere plek, die hij aanschouwd had. Hij glimlachte flauwtjes en antwoordde: "Chacun préfère sa patrie."
Tegenover ons waren, terwijl we in de veranda zaten, twee zeer kleine ossen aan het ploegen van een veldje. De ploeger, een statige Montenegrijn, zag er vreemd uit bij zijn miniem spannetje. We hadden een kodak steeds bij de hand en wilden wel graag iets montenegrijnsch snappen, en zie, plotseling verschenen er vijf vuile jongens, die op een rij gingen staan, stijf van aandacht, in afwachting van te worden gekiekt. Om hen niet teleur te stellen, namen wij de groep en hadden er pret in, want ze schenen de zaak heel gewoon te vinden! Voor hoeveel reizigers moeten ze al niet hebben geposeerd, dat ze zoo vertrouwd zijn geworden met het gephotografeerd worden.
De paarden hadden nu te eten en te drinken gehad, en die wonderlijke dieren waren al weer klaar na den langen trek van vijftien mijlen omhoog, om een nieuwe vijftien mijlen af te leggen, bergop en bergaf. Onder het verder rijden zagen we bouwland aan alle kanten, maar in stukjes en brokjes, overal waar maar wat losse aarde was te vinden. Hier schuilt er geen overdrijving in, als men zegt, dat ieder duimbreed gronds bebouwd is en dat elk centimetertje van moeder Aarde met zorg gekoesterd en op prijs gesteld wordt.
Wij stegen nog, en de lucht werd reeds koeler. Toen we boven waren, hield het rijtuig stil bij een montenegrijnsche hut, waar een vrouw ons turksche koffie schonk tegen een stuiver per hoofd. We hadden den top van den pas bereikt.
Den hoek omslaand bij het dalen, kregen we den aanblik van een typisch montenegrijnsch landschap van de meest woeste soort. Wij zagen neer op een wijde zee van rotsen, waar de eene golf na de andere zich voor ons ontrolde, eindeloos ver tot aan den horizon, een labyrinth van rotsen, grijs en strak, met niets levends in zicht en geen geluid om de eeuwige stilte te breken. Het tooneel was afgrijselijk van troosteloosheid. Vreemd genoeg, gevoelden wij, toen de eerste verrassing voorbij was, iets als opgewektheid in plaats van neerslachtigheid, want de lucht was als champagne. Een half uur van snel dalen langs den weg bracht ons in het gezicht van het dal, aan welks uiteinde Cettinje ligt. Het dal is lang en breed en vlak, en de breede witte weg komt er binnen aan het verste einde, er recht door gaande met één scherpe bocht. Er is hier overvloed van bebouwd land, en de velden zijn goed van grootte. Als ooit Cettinje uitbreidingsplannen mocht krijgen, zal er plaats in overvloed wezen.
Wij stapten af aan het Grand Hotel, zes-en-een half uur na Cattaro te hebben verlaten. De hoofdstraat, die ongeveer 150 ellen lang is, omvat zoowat twee derden van de stad. Het is een zonderlinge straat, zoo breed, dat het mogelijk zou zijn er drie of vier rijtuigen naast elkaar door te laten rijden. Er staan alleen huisjes van één of twee verdiepingen, alle ongelijk geschilderd, nu een grijs, dan een blauw of groen, nooit twee naast elkaar van dezelfde tint. Een paar korte straten slaan rechthoekig af, en daar vindt men alles, wat niet te vinden is in de hoofdstraat. Het Grand Hotel staat aan het einde, en doet de kleine plaats alle eer aan; er is een keuken, waar een fransche chef den schepter zwaait.
Als men de stad binnengaat, treft men links een mooie villa op haar eigen terrein; dat is de Oostenrijksche ambassade; aan den rand der stad aan den anderen kant zijn de nog grootere en mooiere gebouwen van het russische gezantschap. Die ambassades van de beide Grootmachten staan daar als twee wachthonden, elk met één oog op den ander gevestigd en het been tusschen zich in.
Met het oog op dat kleine hoofdstadje en den barren, woestijnachtigen grond, die een groot deel van het land beslaat, is de waarde van het been, waar de strijd om gaat, niet dadelijk duidelijk, maar een wandeling door Cettinje brengt die spoedig aan den dag. Ieder man is een geboren soldaat. Men kan het in zijn oogen lezen, in zijn onafhankelijke houding en in de gewoonte van de wapens te dragen, want bijna ieder volwassene heeft een pistool in den gordel, enkelen zelfs een heel arsenaal van wapens. Dit is een prachtig contingent in oorlogstijd, waarvan Rusland de waarde al eens heeft beproefd, welke waarde opnieuw zal blijken in dien niet zoo ver verwijderden tijd, als de lang verschoven quaestie van het dichtbijzijnde Oosten beslist moet worden.
Er is voor den gewonen toerist niet veel in Cettinje te zien. De vorst bewoont een bescheiden, chocoladekleurig gebouw, met wit afgezet, waar niet veel open grond bij behoort. Er is een oud klooster in de buurt, waarvan de fondamenten gelegd zijn omstreeks den tijd van Willem den Veroveraar. Ofschoon het tweemaal verwoest werd door de invallen van de Mohammedanen, heeft het tegenwoordig gebouw den respectabelen ouderdom bereikt van zoowat zeshonderd jaren. De belangrijkheid ligt meer in de historische betrekkingen dan in de architectonische verdiensten. De graftomben en de graven van de koninklijke familie zijn er in de nabijheid.
Tegenover het klooster ligt het Biljardpaleis, een laag, wit, steenen gebouw, dat haast niet den naam van paleis verdient. Toch was het vroeger het paleis van den vorst, maar is nu dat van den Bisschop en dankt zijn naam aan het feit, dat de voornaamste kamer, die het bevat en waar de regeerende vorst zijn recepties hield, indertijd een biljard bezat.
Een steenworp verder is het arsenaal, dat enkele curiositeiten en herinneringen heeft van de oorlogen der Montenegrijnen tegen de Turken. Dan volgt de gevangenis, merkwaardig omdat ze bestuurd wordt naar een stelsel, dat zoo geheel verschilt van het gewone. De gevangenen dragen geen gevangenkleeding en worden behandeld als een troep ongevaarlijke krankzinnigen, wien men eenigen dwang moet opleggen, om overlast van het publiek te voorkomen. De eenige aanwijzing van het feit, dat het gevangenen zijn, is dat ze ketenen aan de beenen hebben. Ze mogen nu en dan wat wandelen buiten de muren der gevangenis onder de hoede van een enkelen bewaker, bij welke gelegenheid een menigte van vrienden en verwanten vrij met hen mogen praten. Inderdaad is het dan moeilijk, de gevangenen van hun vrienden te onderscheiden. Op het eerste gezicht schijnt het verrassend, dat er niet meer ontvluchtingen plaats hebben in die omstandigheden. Maar de gevangenisautoriteiten weten wel, wat ze doen, want waar zou een ontvluchte montenegrijnsche misdadiger zich verbergen? Hij moet wel ontdekt worden in zijn eigen land, en elders zou zijn nationaliteit, zoo niet zijn eigenaardige kleederdracht hem tot een aangewezen persoon maken. De misdaden of liever de redenen tot opsluiting stonden bijna zonder onderscheid in verband met vechten en met de gevolgen van wraaknemingen.
De schouwburg, een gebouw, dat ter herinnering aan den overleden Vorst is gebouwd en het marktplein zijn de verdere merkwaardigheden. Voor den gewonen kijkenden toerist mag dat weinig lijken, maar voor den reiziger, die weet te waardeeren, is een bezoek aan Montenegro zeer belangwekkend, want hier bloeien nog alle primitieve deugden en een arcadische eenvoud, die elders in het beschaafde Europa niet meer zijn te vinden, zeker in het geheel niet in een europeesche hoofdstad. De groote aantrekkelijkheid van Montenegro vormt het volk, een prachtig ras, goed gebouwd, knap, openhartig, beleefd, zonder kruipend te zijn en nog hechtend aan de gevoelens van eer uit den ouden tijd. Het land is nu nog niet bedorven door de beschaving; het heeft geen sociale quaestie en heeft geen dieven noch geldleeners; ook wordt het nog niet verduisterd door de schaduw van het geldbejag.
Maar de Montenegrijn mist de schaduwzijden van zijn deugden niet. Of het is toe te schrijven aan zijn omgeving of zijn opleiding of een andere oorzaak, hij houdt niet van werken. Hij voert niets uit, maar hij is lui met gratie. Het is onmogelijk te gelooven, als men het niet heeft gezien, met wat een statigen, deftigen gang de mannen uit Cettinje om vijf uur in den namiddag hun hoofdstraat afwandelen, langzaam stappend vol majesteit en pratend, niet opgewonden, zooals de mannen doen van alle omringende landen, maar ernstig, kalm, van ganscher harte, als een volk, dat een groot werk zich ziet toevertrouwd.
Zonder twijfel dragen die schitterende kleederdrachten, die ze hebben, er veel toe bij, hen aantrekkelijk te maken. Het land is echter ook niet zonder bekoring. Het is niet enkel een land van rotsen, maar in het Zuiden is het vruchtbaar, goed bebouwd en groen, ook al niet minder aantrekkelijk dan deelen van Zuid-Frankrijk en Italië. Een wandeling van omstreeks veertig minuten van Cettinje naar een plek, die Bella Vista heet, op den weg naar Rjeka en Skutari stelt den reiziger spoedig daarvan op de hoogte. Van dat punt is het uitzicht prachtig en breidt zich uit over een hoek van Zuid-Montenegro naar het meer van Skutari, dat glinstert in het zonlicht en verder naar de met sneeuw bedekte bergen van Albanië, half verborgen in den nevel.
Ongelukkig was onze tijd te kort in Montenegro, al haastten we ons niet zooveel als de meeste bezoekers. Maar het gemakkelijke uitstapje naar het meer van Skutari, waarbij we onderweg veel van het zuiden van Macedonië zagen, was de moeite waard, zoodat we blij waren, het te hebben gedaan. Van Cettinje naar Rjeka is een rit van vijf uren; daar komt een stoombootje tweemaal in de week en brengt de passagiers naar den mond der rivier van Rjeka en dan naar Skutari, de hoofdstad van Turksch Albanië, dat in één dag te bereiken is. Van Skutari kan men in de terugreis afwisseling brengen door naar Antivari te stoomen, een der onlangs door Montenegro verkregen havens, van waar men met de stoombooten der Oostenrijksche Lloyd naar elk willekeurig punt van de Adriatische Zee of van de Middellandsche Zee kan gaan, als men niet wenscht door Montenegro terug te keeren. Dit Rjekadal wordt door de geologen geacht in vroeger tijden een haven als een fjord te zijn geweest, en het meer van Skutari moet in dien tijd een baai van de Adriatische Zee zijn geweest.
Een ander gemakkelijk ritje van Cettinje uit is naar Niksic, belangrijk door het feit, dat het de eenige stad in Montenegro is, die iets aan nijverheid doet. De tegenwoordige vorst bouwt er zich een paleis, en men zegt, dat hij er zijn hoofdstad heen verplaatsen wil.
Te Niksic brouwen ze een wezenlijk uitmuntend bier, dat onder onze aandacht werd gebracht door den majoor van de vorstelijke lijfwacht, een Montenegrijn, die in Italië zijn opvoeding had genoten, zooals met zooveel Montenegrijnen in dezen tijd het geval is. Deze officier kon wel Italiaansch spreken, maar geen Duitsch. Inderdaad doen weinig Montenegrijnen aan de studie van het Duitsch. Ze houden niet van Oostenrijk, en er is zeer weinig verkeer tusschen Montenegro en de aangrenzende oostenrijksche landen. Nu en dan zijn er ernstige grensquaesties en twisten tusschen weerspannige Montenegrijnen en oostenrijksche ambtenaren. Toch mag Montenegro Oostenrijk wel op prijs stellen, want het groote land schenkt aan den vorst jaarlijks een ruime subsidie als erkenning van de uitstekende diensten, welke hij aan de zaak des vredes en der beschaving heeft bewezen door het in toom houden van zijn woelige onderdanen.
Veertig of vijftig jaar geleden schenen de Montenegrijnen de eigenschappen te vertoonen van de schotsche Hooglanders, toen ze een eeuw geleden haast allen struikroovers waren. De toen verkregen reputatie is hun bijgebleven, en zelfs thans is nog niet algemeen erkend in Europa, dat Montenegro een veilig land is, even veilig voor den reiziger als welk europeesch land ook.
Montenegro en de inwoners van het land zijn aan hun heerschers veel verplicht voor hun welvaart. De tegenwoordige vorst is een waardige opvolger van de regeerders, die hem zijn voorgegaan. In de vijf-en-veertig jaren van zijn regeering heeft hij met de hulp van Rusland en in dank voor militaire hulp en tevens door de goede diensten van Gladstone veel grondgebied verworven, o. a. de havens Dulcigno en Antivari. Vorst Nicolaas heeft Montenegro tot een staat van beteekenis verheven ten gevolge van de huwelijken zijner dochters, de eene de tegenwoordige koningin van Italië, en de andere de vrouw van een russischen groothertog. De Montenegrijnen, met wie wij een onderhoud hadden, waren allen zeer terneergeslagen bij het hooren van de japansche overwinningen. Maar ze zeiden: "Wacht maar, tot er gevechten te land worden gevoerd, en Japan zal wat anders zien gebeuren." Naar aanleiding hiervan werd ons een geschiedenis verteld. De vorst ontving een telegram, dat de eerste japansche overwinning te land berichtte, juist vóór een maaltijd, waar de britsche en russische gezanten beiden zijn gasten waren. Na het te hebben ingezien, gaf hij het telegram rond. Toen het den russischen gezant bereikte, zag die maar even de woorden in. "O, een telegram van Reuter," merkte hij op. "In St. Petersburg hebben we een anderen naam voor nieuws uit die bron."
Daar Reuter een engelsch telegraafagentschap is, was die opmerking niet bepaald beleefd tegenover onzen vertegenwoordiger. Het was daarom een groote voldoening, toen later op dienzelfden avond de vorst een tweede depêche ontving, die afkomstig was uit een bron, die de Russen niet konden laken, welk telegram de eerste tijding niet enkel bevestigde, maar toonde, dat de uitslag van het gevecht nog noodlottiger voor de Russen was geweest, dan Reuter het had voorgesteld.
De bevolking van Montenegro is 240,000 zielen groot, en het leger bedraagt een zesde van het geheel, zoodat alle volwassen mannen er ongeveer toe moeten behooren.
De sympathieën van de Montenegrijnen zijn altijd geweest bij hun landgenooten en geloofsgenooten in de landen er omheen. Bij den opstand van Herzegowina van 1875 hielpen ze de opstandelingen tegen de Turken. Later, toen de Oostenrijkers Bosnië en Herzegowina bezetten en moeite hadden met gewapende benden, die rondtrokken, gingen de gevoelens van de Montenegrijnen uit naar die heidukken, zooals ze werden genoemd. Een bende van dien aard bestond in de wildernissen van Herzegowina tot slechts weinige jaren geleden. Aanhoudende achtervolging door de oostenrijksche politie had ze sterk verminderd; een der laatste aanvoerders werd ten laatste doodgeschoten en een ander zocht een schuilplaats op montenegrijnsch grondgebied. Hier werd hij ziek en werd naar een montenegrijnsch hospitaal gebracht. Er werd een prijs op zijn hoofd gesteld door de oostenrijksche regeering, waardoor een ondernemende Herzegowinees, vroeger benadeeld door den heiduk, in verzoeking werd gebracht. Hij ging naar Montenegro en, ziekte voorwendend, werd hij naar hetzelfde hospitaal vervoerd. Hij raakte op vertrouwelijken voet met den heiduk en wist dien op die manier naar een stil plekje te lokken en hem daar te dooden. Zijn slachtoffer het hoofd afslaand, trok hij daarmee naar de oostenrijksche grens, maar ongelukkig voor hem, werd het lijk ontdekt, en de schuldige werd ingehaald en gedood door Montenegrijnen; het hoofd van den heiduk werd nooit aan de oostenrijksche autoriteiten uitgeleverd.
Gaarne zouden wij langer hebben vertoefd in dit bergachtige Arcadië, en met spijt maakten we onze toebereidselen voor den terugkeer naar het land der Philistijnen. Op den terugrit waren wij in de gelegenheid, de woeste natuur van de Lovcenbergketen te bewonderen, daar we een prachtigen dag hadden.
Terwijl we de menschen en de paarden te Niegus zich lieten verkwikken, luisterden wij naar de muziek van een montenegrijnschen doedelzak, een zeer klein instrument, vergeleken bij dat van de schotsche Hooglanders. We zagen jong Montenegro uit de dorpsschool komen met heldere, knappe gezichtjes. Er waren geen kleine meisjes. Onze oude kennis, de waard, vertelde ons echter, dat er een meisjesschool was te Cettinje, gesticht door een russische aartshertogin. De vreemde taal, die in die school werd onderwezen, was, naar hij vertelde, het Fransch.
Maar al te spoedig verwisselden wij de champagnelucht van de hoogten voor het flauwer artikel van dien aard uit de vlakte beneden. Die heerlijke lucht zal nog eenmaal Montenegro's fortuin maken. Er is geen twijfel aan, of deze hooglanden met hun gezonde lucht en hun opwekkende atmosfeer in de rustige omgeving, zouden zeer heilzaam werken op personen, die aan nervositeit lijden of overspanning, en ze zullen zeker geëxploiteerd worden voor een sanatorium.
Daar onze stoomboot van de Oostenrijksche Lloyd niet dan op den middag Cattaro zou verlaten, trachtten we een klein bootje te vinden, waarin we naar Castelnuovo zouden kunnen varen, om daar de stoomboot te vinden. Maar er was geen bootje te krijgen, en we verspeelden onzen morgen in het tuincafé op de pier, klagend, dat zulk een mooi water, geschikt voor bootje varen, visschen, zeilen, baden en dergelijke vermaken, weggeworpen zou wezen voor menschen die het niet op prijs weten te stellen. Een handjevol gemiddeld welvarende Engelschen, wonend te Castelnuovo, zou dit alles veranderen en het zou de bevolking inwijden in het gebruik maken van de natuurlijke voordeelen van hun woonplaats. Castelnuovo is een uitmuntend uitgangspunt voor uitstapjes per stoomboot naar de havens van Zuid-Montenegro en Albanië, naar Korfoe en Bari in Italië, zoowel als naar de beter bekende plaatsen aan Adriatische en Middellandsche Zee.
De straten van Ragusa en de kade te Gravosa zijn geschikt om studies over de kleederdracht te maken. Daar trekken vooral de aandacht de vrouwen uit Canalesi, een streek, waar ze nog een schilderachtig sneeuwwit hoofddeksel dragen, wijd uitstaande en zeer flatteerend. De kleeding van de vrouwen uit Zuid-Herzegowina, die men hier vaak ontmoet, is ook aantrekkelijk en sprekend van kleur, merkwaardig om de dikke, thuis geweven, gekleurde boezelaars, terwijl de draagsters er meestal bijzonder goed uitzien.
Gedurende ons verblijf in Dalmatië was het nu gaandeweg half Mei geworden, en daar Ragusa met de haven Gravosa zoetjesaan te warm werd, vonden wij dat het tijd werd, ons naar hooger gelegen plaatsen te begeven. Wij besloten met Mostar te beginnen en daar met den middagtrein heen te gaan. Aangezien de staatsspoorweg niet heel ruim in haar materiaal zit, volgden wij het voorbeeld van de inboorlingen en waren aan het station een half uur vóór het vastgestelde uur van vertrek, ten einde plaatsen aan een der ramen te krijgen en dus wat van het landschap te kunnen zien.
Na Ombla te zijn voorbijgegaan, begon de stijging van den weg, die langs Brgat en Uskoplje gaat en een echt Karstkarakter draagt. Het zijn nauwe dalen, gescheiden door kale kalkbergen, die soms de grilligste vormen vertoonen, een steenachtig, onvriendelijk land. Eerst na Popovo Polje, waar belangwekkende oude monumenten moeten zijn en antieke graven, begint het land van aanzien te veranderen. Een riviertje stroomde langs den spoorweg en scheen met ons in snelheid te willen wedijveren op zijn weg naar de Narenta door lachende velden met haver en boomgaarden van kersenboomen, waar de boeren aan het werk waren. Gabela, dat we omstreeks zes uur in den avond bereikten; het kruispunt met de lijn naar Metkovic, zou hebben kunnen liggen in een dal in Kaschmir, zoo bekoorlijk was er het landschap, dat vooral veel van zijn bekoring ontleende aan de Narenta, die hier al een groote rivier is.
De bedding vernauwt zich verderop en de Narenta begint dan onstuimig te doen, vormt watervallen en wisselt die af met ondiepe plaatsen. De oevers zijn met plantengroei bekleed en er staan ook mooie boomen. Buna ligt te midden van vruchtbare, golvende landerijen, en zoo komen wij in het vruchtbare dal, waar Mostar het middelpunt van vormt.
Het was een prettige aanblik, dat Mostar zich nog als een karakteristiek oostersch stadje voordoet, nog niet bedorven door de europeesche beschaving. Natuurlijk is Mostar een turksche stad, daar Herzegowina een integreerend deel is van het gebied van den sultan [1], maar wij hadden verwacht dat de servische bevolking, van het turksche juk bevrijd, hun oostersche gewoonten en kleeding zouden hebben afgelegd en Europeanen zouden zijn geworden. We vergaten dat veranderingen langzaam gaan in het Oosten. De mohammedaansche zeden zijn diep doorgedrongen en een groot deel der bevolking zal waarschijnlijk er wel altijd trouw aan blijven.