Op het Balkan-schiereiland De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 2
De weg van Gravosa langs den mooien Omblafjord gaat langs enkele villa's, tuinen en particuliere kapellen van den ouden adel van Ragusa, alle meestal in droevigen staat van verval. Men gaat hier ook door een klein visschersdorpje, waar wij de vrouwen aan haar deuren aan het spinnewiel troffen.
Canossa is een plaatsje, dat altijd door de toeristen bezocht wordt, aan de kust gelegen ongeveer negen of tien mijlen van de monding van den Omblafjord. Wij moesten gebruik maken van het gewone vervoermiddel voor de reizigers, de stoombarkas, die tweemaal in de week van Gravosa vertrekt, als de kapitein een voldoend aantal passagiers is machtig geworden. Dientengevolge vonden wij de geriefelijkheid aan boord door te velen in beslag genomen, maar gelukkig duurde de reis niet langer dan anderhalf uur. Er is een kleine landingsplaats te Canossa, van waar een pad in zigzaglijn den steilen kant van den heuvel oploopt naar den ingang van de tuinen. Die behooren aan de familie Gozze, een der oude patricische families van Ragusa, die ze in stand houden en aan bezoekers toestaan, ze tegen een kleine som te komen bekijken.
Onder de beide groote platanen waren stalletjes met ververschingen neergezet. Die boomen zijn waarschijnlijk de prachtigste exemplaren in hun soort in geheel Europa; een honderd menschen zouden onder hun gebladerte kunnen schuilen. Maar in Kaschmir hadden wij zooveel platanen gezien, die even mooi of mooier waren dan deze boomen, dat we een beetje geblaseerd waren op dit punt. Na een vruchtelooze poging, om een der boomen te photografeeren, gingen wij verder wandelen, om de waarlijk mooie tuinen te bezichtigen.
Wij hadden een prachtig uitzicht van het hoogste deel der tuinen. De zee, glad als een spiegel, zag er gepolijst uit als een kostbare steen. Aan den horizon konden wij twee eilandjes onderscheiden, nauwelijks zichtbaar door den lichten nevel, die ze verborg. Op een hoogte naar links stond het kerkje van Canossa. Beneden ons helden de sierlijk aangelegde gronden naar den zoom van donkergroene cypressen aan het strand, die den indruk van het afwisselende landschap niet weinig versterkten. De tuinen bevatten een zoo groote hoeveelheid zeldzame planten, waaronder bloeiende palmen, dat we hier in werkelijkheid een heerlijken botanischen tuin hadden.
De zon ging onder toen we weer in de baai van Gravosa terug waren. De uitwerking van het licht op de oppervlakte van de baai is wonderschoon, vooral tegen zonsondergang.
Wij gingen op een dag naar het Brenodal, met den trein van Gravosa naar Brgat, van waar we langs de heuvelhelling een paar honderd meter naar beneden daalden, tot we op den grooten weg naar Oostenrijk uitkwamen. We hielden dien zoowat een mijl ver, gaande in de richting van Ragusa, en trokken toen verder den heuvel af, die hier zeer steenachtig en steil is, en volgden een geitepad naar het vruchtbare dal omstreeks duizend voet lager.
Het was vroeger blijkbaar een veelgebruikt en goed onderhouden wegje, maar het zag er nu verlaten en verwaarloosd uit. Veel bewoners van de streek waren als landverhuizers naar Amerika gegaan, en naar wat we zagen en hoorden, schijnt een groot deel van Dalmatië's bevolking zijn geluk in de Nieuwe Wereld te beproeven. De weinigen, die een spaarpotje maken en terugkomen, om zich voor goed in hun vaderland te vestigen, worden dan in het vervolg "Americanski" genoemd.
Het Brenodal, dat niet bijzonder belangrijk is uit het oogpunt van natuurschoon, heeft een paar mooie uitzichten, waaronder het gezicht zeewaarts, met het oude Ragusa in de verte, vooral uitmunt. Ook verdienen genoemd de welbekende watermolens van Breno met hun schilderachtigen waterval. Een treffende bijzonderheid van dit dal was de boerenkleeding, die zeer eigenaardig en kleurrijk is. We wisten niet, dat de typische kleederdracht alleen gedragen werd op zon- en feestdagen, en ongelukkig viel de dag van ons bezoek niet op zulk een dag. Wij hoorden echter, dat de oude costumes langzamerhand verdwijnen, want de kleeding der mannen is heel omslachtig en nogal duur met de massa goudborduursel en zilveren knoopen.
We keerden langs de kust terug. Drie mijlen aan deze zijde van Ragusa staat het nu verlaten klooster San Giacomo, een zonderling oud gebouw, nog in goeden staat, mooi gelegen aan de zee. Verder aan de kust kan men hier een prachtigen indruk krijgen van Ragusa zelf.
Een aan te raden uitstapje, om te doen als men te Ragusa is, vormt de toer over de wallen der stad. Men krijgt dan niet alleen een juist inzicht in de uitgestrektheid en in hun sterkte en wondervolle symmetrie, maar van hun hooge hoogten kan men ook een goed overzicht krijgen van de omringende forten aan de haven en de stad in haar geheel.
De officiëele bepalingen zeggen, dat men, om ze te mogen bezoeken, zich op het Platz Commando moet aanmelden om negen uur 's morgens, en wel precies op Dinsdagen en Zaterdagen, de eenige dagen, waarop dit voorrecht aan het publiek wordt gegund. Dan moet men er plaatskaarten nemen en wordt door een officier rondgeleid, die moet toezien, dat ge geen stuk van de wallen in den zak steekt of eenig boos plan uitvoert. Maar ge moet u aanmelden om kaarten om negen uur precies; twee of drie minuten later, dan is het mis. Het gebeurde, dat bij onze eerste poging we vijf of zes minuten te laat waren, daar we eenigen tijd naar het Platz Commando hadden gezocht. Ten behoeve van latere bezoekers zij hier gezegd, dat het juist binnen de Porta Pille is gelegen, en dat een kleine deur in de versterkingen aan den rechter kant er toegang toe geeft.
Het uitstapje naar Cattaro en de Bocche wordt gewoonlijk gemaakt met een der stoombooten van de Hongaarsch-Croatische lijn of die van de Oostenrijksche Lloyd, die, de eerste viermaal en de laatste eens per week, varen en om negen uur 's morgens van Gravosa vertrekken.
Die leggen den weg af in ongeveer vier uren en geven aan de passagiers anderhalf uur tijd in Cattaro, eer ze weer vertrekken. De groote meerderheid der passagiers gaan enkel om de Bocche te zien en keeren met dezelfde boot terug. Zij, die voornemens zijn verder door te gaan naar Montenegro, maken meestal vooruit schikkingen, dat een rijtuig hen in Cattaro wacht, waarmee ze terstond op reis gaan, zoodat ze den rit van zes of zeven uur afleggen kunnen en tijdig genoeg voor het middagmaal in Cettinje kunnen aankomen.
Onze tocht naar Cattaro en de Bocche deden we in een pleizierboot, die varen zou als er zich zestig passagiers voor aanmeldden. Gedeeltelijk uit nieuwsgierigheid, hoe men met die dingen in deze streek handelde en gedeeltelijk omdat we dachten, dat de stoomboot langzamer zou gaan en ons dus een betere gelegenheid zou aanbieden om de dingen te zien, besloten wij ons aan te sluiten bij de stoutmoedige zestig.
We hadden ons niet vergist, toen we vermoedden, dat er wel wat extra genoegen op zou overschieten, als we afweken van de gewone manier van reizen. Er was aangekondigd, dat de boot om acht uur zou varen, maar de menschen, die zich voor het uitstapje hadden opgegeven, schenen te meenen, dat elke andere tijd ook goed was en kwamen bij tweeën en drieën aanwandelen, tot wel veertig minuten na den vastgestelden tijd. Onze kapitein had dat, naar het schijnt, wel verwacht, want hij verscheen niet voor half negen en had toen nog geen haast. In den tusschentijd scheen heel Ragusa op de kade zich te hebben verzameld, om afscheid te nemen van vrienden en bekenden, die zich waagden aan zoo'n ongewone en waaghalzige onderneming. Driemaal ging de brug omhoog en weer omlaag, en ten laatste was zelfs de servische kapitein zijn geduld kwijt; de fluit van de boot liet zich lang en luid hooren. Het signaal voor het ophalen van de brug werd voor de vierde maal gegeven, maar juist op dat oogenblik liep het schoothondje van een dame van de stoomboot af op de kade, en haar zoontje volgde, om den hond weer te halen. Weer vijf minuten oponthoud, en tot onze verbazing geen protest, noch bij de moeder noch bij den kapitein.
Ten laatste voeren we weg te midden van een betoon van groote geestdrift, terwijl het muziekcorps aan boord een vroolijk deuntje speelde, en de menigte aan den wal met hoeden en zakdoeken zwaaide. Het leek wel wat op het vertrek van een aantal schoolkinderen op een feestdag.
Spoedig nadat we waren vertrokken, kwam de kapitein met een lang gezicht op ons toe om te zeggen, dat hij er niet in geslaagd was, zijn aantal van zestig passagiers volledig te krijgen, maar dat hij toch maar was gegaan, om diegenen, die kaartjes hadden genomen, niet teleur te stellen. Als een arm man kon hij echter daarbij geen verliezer wezen en daarom moest hij een bijslag op den prijs van twintig percent vragen, zoodat het passagegeld het deficit zou aanvullen. Die vraag viel ons wel wat koud op het lijf, daar we reeds den retourprijs betaalden voor enkele reis; maar daar het bedrag niet hoog was, betaalden we. Het was duidelijk intusschen, dat de boot net zoo vol was, als ze maar met mogelijkheid kon zijn, en we trokken uit een en ander het gevolg, dat de Dalmatiërs niet voor niets Amerika bezoeken!
Het was mooi weêr, maar er ging toch zooveel zee, dat het den photograaf hinderlijk was. De beroemde Bocche is een wijde golf of fjord, die wel zestien mijlen landwaarts in dringt. Zij heeft drie zijtakken, ieder weer voorzien van kleinere inhammen; een verzameling prachtige natuurlijke havens. Een heerlijk panorama lag vóór ons. Het eerst trekt de aandacht de bergreeks, die als een muur achter Castelnuovo verrijst en doorloopt tot Risano, om dan rondom den fjord recht door naar Cattaro te gaan. Achter die grimmige afsluiting van bergen ligt het bergachtig district Krivosje, een Tirol in het klein en in het wilde, dat tot hier toe nog maar weinig bezocht is geworden, zelfs nog niet gevonden is door de reizigers, die graag nieuwe bergtoppen bestijgen. Hier en daar was er aan den horizon een sneeuwtop te zien. Aan den tegenoverliggenden oever in de richting van de Teodobasi werd de horizon afgesloten door de rotsachtige bergen van Montenegro.
Bij Castelnuovo begint de Riviera van de Bocche. Castelnuovo zelf is wel het schilderachtigste van alle stadjes, die aan de oevers van de Bocche liggen, en het heeft stellig de mooiste omstreken. In dit beschutte hoekje is het klimaat zacht en gelijkmatig en het resultaat is een prachtige subtropische plantengroei. De stad met haar oud fort en de wallen ziet er als een schilderijtje uit. Het heeft een rol gespeeld in de geschiedenis en is nu nog het uitgangspunt naar Herzegowina.
Een zekere Stephan, een machtig edelman, die een groot deel van het omringende land in eigendom bezat, maakte Castelnuovo, dat toen Ercegnovi heette, tot zijn hoofdkwartier in de eerste helft van de vijftiende eeuw. De naam Herzegowina moet afkomstig wezen van die hoofdresidentie en later zijn toegepast op het heele land, dat voor hem bukte.
Castelnuovo was de naam, later aan de plaats gegeven door de Venetianen, in wier bezit het kwam in de zestiende en ook in de zeventiende eeuw. Het doorleefde troebele tijden bij den strijd tusschen de Turken en Venetië. Het werd ingenomen door de Turken en weer ontzet door een spaansche vloot, terwijl de Spanjaarden ten slotte het fort Spagnuolo bouwden. Hernomen door de Turken, kwam het niet weer onder venetiaansch gezag vóór 1687.
Castelnuovo is per spoor met Gravosa verbonden. De afstand is zeer kort in vogelvlucht, maar door den aard van het land moet de trein een kronkelenden weg beschrijven, eer hij aan de kust aanlandt bij Castelnuovo. Bovendien stopt hij bij elk stationnetje, zoodat de reis acht of negen uren duurt. Door gebruik te maken van dien weg langs de Baai en den volgenden dag per boot verder te gaan, wordt het eenige gedeelte van het vaarwater, dat kans op slechte onstuimige vaart biedt, vermeden, en er wordt niets bij verloren, daar dat eind van de kust heel onbelangrijk is. Een ander voordeel is, dat men door de Canalesi-streek komt, waar de boeren een zeer schilderachtige dracht hebben. Wij zouden dien weg hebben verkozen, als men ons niet ten onrechte had gezegd, dat er geen goed logies in Castelnuovo te krijgen was.
Dichtbij Castelnuovo is het badplaatsje Zelenika, waar in de buurt het oude klooster Savina is, zomerverblijf van den bisschop van Cattaro. Van daar moet men zes uur sporen om Trebinje, de tweede stad van Herzegowina te bereiken. In de nabijheid van die plaats is het belangwekkende Lasvadistrict, waar de beste wijn van Herzegowina gekweekt wordt. Maar wij voeren verder langs Cattene en Risano en Perasto, sommige liefelijk in het groen gelegen, en kwamen daarna, waar de baai zich vernauwde, bij Cattaro, een allersomberst lijkende stad. Er tegenover verrijzen de steile hoogten van de bergen van Montenegro, waar men heel in de hoogte de witte zigzaglijn kan onderscheiden van den weg naar Cettinje. Op een smal richeltje van de klippen heeft zich Cattaro, als het ware, neergedoken.
Een meer gevangenisachtig verblijf dan Cattaro, zooals het daar onder de dreigende rotsen gedoken ligt, kan men zich bijna niet voorstellen. Ook kan men haast niet begrijpen, hoe eenig menschelijk wezen, behalve dan onze voorhistorische holbewonende voorouders, eraan kon denken, zoo'n akelige plek te kiezen voor het bouwen van een stad. In den winter moet het een bijzonder trieste plaats wezen, daar men er enkel vier of vijf uur per dag zonlicht heeft. Weinig andere menschen dan juist de Dalmatiërs zouden in deze dagen van beschaving en vooruitgang er vrede mee hebben, te wonen in de duistere, smalle, kwalijkriekende straten van dit primitieve, stumperige stadje.
Maar bij Cattaro werkt die geest, die het zoo achterlijk maakt, juist mee, om de plaats te maken tot iets interessants, een hoekje, zooals men weinig meer in Europa vindt, behalve dan misschien in Spanje. Het is een middeleeuwsche stad gebleven. Men heeft er zelfs geen behoorlijk hotel. Er is niets moderns behalve de kade. Het staat er nog als drie- of vierhonderd jaar geleden, toen het schatplichtig was aan de republiek Venetië. Binnen den gordel der vervallen muren treft men twee poorten aan bij de stilstaande plassen aan weerszijden van de stad. Hier zijn een paar ophaalbruggen, die elken morgen worden neergelaten en iederen avond opgehaald, en tegen de rotsen, die onmiddellijk achter de stad oprijzen, heeft men zigzaglijnen van versterkingen aangelegd, bekroond met een vesting op den top van een rots. Die oude wallen en muren en het fort verhoogen de schilderachtigheid. Er is een marktplaats buiten de stad, waar veel Montenegrijnen komen, een mooi hoekje, overschaduwd door vervallen muren. Wij letten op de kleederdracht der Montenegrijnen en zagen met verbazing, dat ze in hun gordels geen pistolen droegen. We hoorden dan ook, dat geen Montenegrijn zich gewapend op oostenrijksch grondgebied mag vertoonen. Aan die wet wordt streng de hand gehouden, sedert een vorst in Montenegro nu vijf-en-veertig jaren geleden vermoord werd in Cattaro door een landsman van hem, een betreurenswaardig voorval, dat de Montenegrijnen aan oostenrijksche intriges weten.
De kathedraal van Cattaro, een eenvoudig gebouw, heeft de verdienste van zeer oud te zijn, daar ze uit de twaalfde eeuw afkomstig is. Ook heeft die kerk de bijzonderheid, dat ze met haar rug tegen de barre rots is aangebouwd, die vijftienhonderd voet hoog is. Als hij tusschen de twee torens van de oude kathedraal door kijkt, kan de reiziger een kapelletje ontdekken halfweg de rots.
Midden in de stad is nog een kerk, een zonderling gebouw, dat zelfs ouder moet wezen dan de kathedraal. We konden niets meer vinden in Cattaro, dat bezienswaardig was, en het viel moeilijk te begrijpen, dat dit de voornaamste stad aan de Bocche of Baai was, om welker bezit Slaven en Hongaren, Turken en Venetianen, en zelfs in het begin der negentiende eeuw Franschen en Russen vochten en in den dood gingen. Evenals Ragusa was het eenmaal een vrije republiek en dreef een bloeienden handel met Venetië. Misschien is het niet algemeen bekend, dat Cattaro eenmaal werd ingenomen door de Engelschen, toen de fransche legermacht, die er in 1813 heer en meester was, capituleerde met onzen commodore Hoste, nadat de laatste de fransche vloot had verslagen bij het eiland Lissa.
De herbergen of hotels van Cattaro zijn zeer onvoldoende, noch geriefelijk, noch zindelijk, noch bijzonder goedkoop. Voor de gezondheid wordt al heel weinig gedaan. Men moet op deze dingen voorbereid zijn in de kleinere steden van Dalmatië, maar nu komt er in Cattaro nog bij, dat de plaats zoo weinig rustig is. In den nacht houdt het lawaai nooit op door het geklos van zwaar beslagen schoenen over de slecht geplaveide straten en door de vreemde gewoonte van de bewoners, om op het spookuur altijd op straat te willen zijn en dan te praten, zoo luid ze kunnen! De menschen schijnen er met de katten te willen wedijveren, wie den nacht het meest ongenietbaar zal maken.
Er zijn drie manieren, om de reis naar Cettinje te maken. Een ondernemend reiziger zou den afstand wandelend kunnen afleggen langs het ruiterpad, dat de "Montenegrijnsche ladder" wordt genoemd, een steilen en moeilijken weg, die tot 1881 de eenige route naar Montenegro was. Er is halfweg te Njegus een huis, waar de voetganger den nacht, als hij dat wenschte, zou kunnen doorbrengen. Die manier zouden wij zelven het liefst hebben gekozen, als we van dat huis halfweg hadden geweten. Of de reiziger kan omhoog rijden, als hij er op voorbereid is zijn energie te besteden aan het verkrijgen van een pony. Maar het rijden langs het ruiterpad is ongemakkelijk, want het gaat zoo steil, als maar mogelijk is. Ten slotte kan men per rijtuig over den nieuwen rijweg gaan. Dit kan per diligence gebeuren of, als wij deden, per gehuurd rijtuig, dat in de stad te krijgen is. Iets meer dan dertig shillings is de gewone prijs voor het laatste heen en terug, geen hooge prijs voor een rit van twee dagen en ter lengte van zestig mijlen, waarvan de helft de langst aanhoudende stijging voor de paarden beteekent, in Europa ergens te vinden.
Daar men de nachten met meer comfort kan doorbrengen in Cettinje dan in Cattaro, moet de reiziger de dagen in het hoofd hebben, waarop de mailboot van Cattaro vertrekt op de terugreis naar Gravosa. Hij kan dan een wagen huren voor een enkelen dag naar boven en een anderen voor de reis naar beneden en dus in Cattaro komen op den voor de boot geschikten tijd. Diegenen echter, die genoegen nemen met de onaangenaamheden van een nacht te Cattaro, kunnen de heele reis omhoog bij daglicht doen.
Het mooiste gezicht op de stad Cattaro en op den laatsten arm van de Bocche krijgt men een kwartier na het vertrek, want de weg stijgt zoo snel, dat men haast een aanblik als in vogelvlucht krijgt. De eerst ingeslagen richting is een oostelijke, naar een "nek", zooals de Boeren zouden zeggen, van waar de hellingen dalen, aan den eenen kant naar de Teodobaai en aan den anderen naar de golf van Cattaro. Die pashoogte bereikt men onmiddellijk voorbij het oostenrijksche Drieëenheidsfort; en van dat punt heeft men een mooi uitzicht over de Teodobaai en haar beide kleine eilandjes, waarvan het grootste vol huizen staat, terwijl op het andere een paar kloosters verrijzen.
Daarna loopt de weg een eind terug en dan begint het ernstige werk van het bestijgen der oogenschijnlijk ontoegankelijke hoogten aan de spits van de golf van Cattaro. Heen en weer gaat de weg, nu eens een groote bocht makend, dan weer een kleinere, zoowat op de manier waarop een spin haar web weeft, zigzaglijnen trekkend over de bijna loodrechte klip. De ingenieursarbeid aan dit mooie staaltje van een oostenrijkschen bergweg besteed, die steil is zonder al te steil te zijn, en die in zichzelven terugkeert in scherpe bochten, zonder dat ze te scherp zijn, is werkelijk wonderbaarlijk. Er is een enkel punt, waar op den terugweg ge naar beneden kunt zien en waar ge van het begin tot het eind vijftien bochten kunt tellen van een wit weglint, dat langs den afgrond onder u loopt. De laagste bocht is zoo ver weg, dat men duizelig wordt, als men er naar ziet.
De rit kan niet worden aanbevolen aan zeer zenuwachtige personen, zoowel om de steilte van de bergen als omdat de koetsiers een bijzondere manier hebben, om van den bok te vliegen, de teugels op de ruggen der paarden te gooien en aan den binnenkant van het smalle pad te loopen, spelend het dier met de zweep tikkend en hen er zoo toe brengend, den buitenkant van het pad precies te volgen! Die handeling is eerst wat verontrustend, maar de dieren schijnen eraan gewend te zijn.
Ongeveer een uur na ons vertrek uit Cattaro hadden we reeds een zeer aanzienlijke hoogte boven den fjord bereikt. Wij bekeken het panorama, dat de beide golven van Cattaro en Teodo aanboden, waarbij zich, naarmate we hooger stegen, een derde voegde, de Bai di Traste. De golf van Cattaro leek eenvoudig op een blauw strookje tusschen den begroeiden berg Vrmac in het Westen en steile, kale rotsen in het Oosten. Verderop glinsterde het water van de Bocche in de zon, omsloten door de donkere bergen er omheen, waarvan de omtrekken in de verte helder afstaken tegen de lucht, en door de sneeuwtoppen van enkele der hoogere bergen in het binnenland van Krivosje.
Nadat we weer een oostenrijksch fort, Gorazda, voorbij waren, werden de zigzags korter, de bochten scherper, en de stijging vlugger, toch bleven de paarden bijna geregeld in draf, soms dien afwisselend met een flinken stap, en wij merkten met verbazing op, dat ofschoon we zoo snel stegen, de toenemende ijlheid der lucht geen invloed scheen te hebben op hun ademhaling. Wijzelf begonnen intusschen wel een verandering te bespeuren, een opwekkende lichtheid en zuiverheid der lucht, een opmerkelijk verschil met de nog al zware lucht beneden. Die eigenaardigheid der atmosfeer is een der bekoorlijkheden van Montenegro.
Na wat dwalend gezigzag ging de weg recht en bijna juist oostwaarts naar den Lovcen, den rotsachtigen berg die zich aan dezen kant boven Montenegro verheft. Spoedig verdwenen nu de reeds gewoon geworden zwart en gele palen, om plaats te maken voor een paal, die met een romeinsche I was geteekend. Even verder kwamen we aan het eerste montenegrijnsche huisje, dat wel wat op een iersche boerenwoning geleek en een type mocht heeten van de woning van de boeren uit het land, die al heel weinig aan comfort schijnen te hechten of te arm zijn, om beter woningen te bouwen.
Daarna maakt de weg een lus om een diep ravijn, langs welks steile hellingen men het ruiterpad van Cattaro kan zien slingeren als de kronkelingen van een kurketrekker, waarna het eenige honderden meters verder zich bij den rijweg aansluit. Een troep Montenegrijnen zwoegde juist omhoog; het leek eerst in de verte of er een groote rups kroop. Toen wij dichterbij kwamen, zagen we, dat de cavalcade bestond uit een paar Montenegrijnen, die beladen paardjes en ezels dreven, en dat er ook verscheiden vrouwen bij waren, die bijna even zwaar beladen waren als de lastdieren; want de montenegrijnsche vrouwen deelen de eer met pony's en ezels, dat ze als lastdieren haar land mogen dienen. De man wandelt vrij en onbelast ernaast. Die aanblik herinnerde er ons duidelijk aan, dat we nu in een land waren, waar nog gewoonten in zwang zijn, behoorend bij dien primitieven tijd, toen de man de jager en krijger was en dus altijd vrij moest zijn, om van zijn wapens gebruik te maken. In de verdeeling der plichten viel de plicht van dragen dus natuurlijk op de vrouwen.