Op het Balkan-schiereiland De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 1

Chapter 13,838 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

OP HET BALKAN-SCHIEREILAND.

Naar het Engelsch van Majoor Percy E. Henderson.

In dezen tijd van reizen, nu de menschen er licht over denken, om eens een week of veertien dagen van huis te gaan, om nieuwe natuur te zien, of eenige sport te beoefenen of een beter klimaat op te zoeken, blijft het vreemd, dat zoo'n liefelijk en belangwekkend land als het westelijk deel van het Balkan-schiereiland nog zoo weinig bezocht wordt en bij zoovelen onbekend is.

Voor diegenen, die wel eens een nieuw veld wenschen voor hun uitspanning in den vacantietijd, hebben Bosnië, Herzegowina, Dalmatië en Montenegro veel te bieden. Ze bezitten de aantrekkelijkheid en den glans van het Oosten, de schitterende kleurenpracht van daar, de schoone kleederdrachten en ook het waas van geheimzinnigheid, en zijn toch van uit Londen gemakkelijk te bereiken, terwijl men er aan verkeersmiddelen en geriefelijkheden niet al te veel ontbeert.

Elk dezer landen heeft zijn eigen, niet te omschrijven bekoring en elk heeft eigenaardigheden, die het van de andere onderscheiden.

Van de vier is Bosnië zeker het schoonst. Het kan inderdaad best een vergelijking doorstaan met het mooie Kaschmir en heeft allerprachtigste wouden. Het is een romantisch land vol zonderlinge bouwwerken en kasteelen, die tot ruïnen zijn geworden op schijnbaar ontoegankelijke rotsen.

Verder heeft het reizen in het binnenland van Bosnië en Herzegowina al het boeiende en weinig van het ongeriefelijke, dat een tocht door Beneden Turkije kenmerkt.

Dalmatië is een zoo schilderachtig land, dat alle kunstenaars ervan moeten houden. En toch stellen veel menschen evenals wij, eer we er een bezoek brachten, zich de streek alleen voor als een land van wijn en honden! Ten minste de wijn moet goed bekend wezen bij allen, die in Oostenrijk zijn geweest of die gereisd hebben met een boot van de Oostenrijksche Lloyd. Wat de honden betreft, werden niet de gespikkelde honden, die zoo graag achter rijtuigen aan draafden, Dalmatiërs genoemd?

Bij een bezoek aan Fiume hoorden wij voor het eerst iets over Dalmatië, het echte, en van de honderd-en-één eilanden, die erbij behooren, de mooie fjorden en kanalen en de vele aantrekkelijkheden van het aardige binnenland, Bosnië en Herzegowina; alsook van de vreemde kleederdrachten en gebruiken van de bewoners dier landen. Er werd zoozeer op onze verbeeldingskracht gewerkt, dat we een plannetje maakten, en voor wie dat ook wil doen, is er werkelijk geen beter uitgangspunt dan Fiume.

Die stad is op zichzelf niet onbelangrijk voor een bezoek van een paar dagen. Er is een opleidingsschool voor kadetten bij de marine; dan een vrij goed bewaard gebleven middeleeuwsch kasteel, Tersato, dat de zetel is van een tak der edele iersche familie Nugent, waarvan vele leden zich hoogelijk onderscheidden in den oostenrijkschen krijgdienst in het laatste gedeelte van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende.

De deftige badplaats Abbazia is dichtbij; veertig minuten per stoomboot en zeven mijlen gaans brengen u er. Aan dien weg ligt Whitehead's wereldberoemde torpedofabriek.

De geschiedenis van die fabriek klinkt als een sprookje. De heer Whitehead was een engelsch ingenieur, die in dienst was van een firma in Triëst. Een oostenrijksch ingenieur vroeg hem, een denkbeeld van hem practisch uit te voeren, dat een soort van torpedo betrof. De heer Whitehead vond het idee van den Oostenrijker onuitvoerbaar, maar een heel ander denkbeeld kwam bij hemzelven op. Daaraan bleef hij werken en nam er patent op. Toen begon hij de tegenwoordige fabriek te Fiume, waar hij een groot fortuin vergaarde en een dochter uithuwelijkte aan prins Herbert Bismarck, een andere aan een oostenrijkschen graaf, terwijl hijzelf een landgoed kocht in Engeland en het bestuur der onderneming aan zijn zoon overliet. De fabriek is wel een bezoek waard. Abbazia is een plaats van hotels en pensions, een oostenrijksch Cannes, maar verschrikkelijk vervelend. Zijn voornaamste verdienste is gelegen in het gelijkmatige klimaat, gevolg van de beschutte ligging, die maakt dat er zoowel des zomers als des winters gasten zijn.

Eén of twee eilanden van den Archipel van Dalmatië liggen dicht genoeg bij, om van uit Fiume te worden bezocht en zijn interessant om hun oude gebouwen en kerken, die uit den tijd der venetiaansche overheersching afkomstig zijn. Een der belangwekkendste van die eilanden is Arbe. De ingang in de haven voorbij het klooster en een ouden klokketoren, die tot de mooiste van Dalmatië behoort, is uiterst schilderachtig. In de kathedraal zijn eenige gebeeldhouwde koorbanken, die in hun soort weergaloos schoon zijn. Een der kerken bezit een altaarstuk van Titiaan, en overal in de nauwe straten treft men deuren en poorten van venetiaanschen oorsprong.

Arbe heeft een bijzondere soort van visschersbooten, zoppolo genoemd, groote platboomde vaartuigen, voorzien van groote uitslagbladen. Die booten worden geroeid door een man, die staande met de lange riemen werkt, maar op een manier, die juist tegenovergesteld is aan de gewone wijze van roeien, namelijk van het midden van de boot uit.

De voornaamste te bezichtigen plaatsen van Dalmatië zijn Zara, Spalato, Ragusa en Cattaro met de Bocche. Maar het heele Dalmatië is een zuidelijk Noorwegen, vol kreken, fjorden, baaien en kanalen. Aan de oevers vindt men steden, waar de bewoners op hun hooge rotsen een nog primitief bestaan leiden. Vóór de kust liggen talrijke eilanden, een vijftigtal groote en eenige honderden kleine. Enkele zijn niets dan kale rotsen, maar al de grootere eilanden zijn bebouwd en bewoond. Eenige, als Lissa, waren eens volkomen kaal, maar zijn bewoonbaar gemaakt door er grond van elders heen te brengen. Braza, een der grootste eilanden, brengt wijn voort, die een uitstekenden naam heeft, en een paar hebben een aangenaam klimaat.

Zara bezochten wij niet, maar het moet een goed voorbeeld zijn van een dalmatisch-venetiaansche stad met een uitmuntend hotel. Het is het vaderland van de heerlijke maraskijn, en die likeur is er voor een paar stuivers de flesch te krijgen.

Uit die steden en eilanden recruteerde Venetië de kloeke Dalmatiërs, die de bemanning vormden van de vloot, welke de turksche versloeg in het gevecht van Lepanto en die Venetië den eerenaam bezorgde van de Koningin der Adriatische Zee.

Wij verlieten Fiume in den morgen met een der snelle Austro-Kroatische booten, die viermaal 's weeks tusschen Fiume en Cattaro varen en bij de voornaamste plaatsen aan de kust stoppen. Toen we vertrokken woei er een hevige bora. De bora, waarvan de naam is afgeleid van het grieksche boreas, is een der onaangenaamste winden, die de Adriatische Zee in den winter en het voorjaar kwellen. Een zeeman van de Cunardlijn vertelde ons, dat op al zijn reizen naar Noord-Amerika hij nooit een storm had gehad van zulke snelheid of van zulk een lage temperatuur als de bora, waarmee hij kort geleden te Triëst had kennis gemaakt. Triëst heeft vooral veel van zijn woede te lijden. Als de bora blaast, worden er touwen gespannen langs alle kaden, om te beletten, dat de menschen in de havens waaien. Een andere wind, die bijna even onaangenaam is, is de sirocco. Daar hij van een hooger temperatuur is, gaat hij meest aan den regen vooraf; hij is neerdrukkend en ongezond en gaat somtijds vergezeld van een hooge zee.

Bij het maal midden op den dag aan boord van de stoomboot hoorden we veel geklaag van een dalmatisch ingenieur over de verwaarloozing van Dalmatië door Oostenrijk. Wij hoorden veel van het gesprek en kwamen tot het besluit, dat het meer zou baten, als de Dalmatiërs iets deden, om zichzelven te helpen dan enkel te klagen. Wij bereikten Spalato omstreeks middernacht en moesten onze kar met bagage naar het hotel volgen aan het andere einde der stad. Gelukkig hadden wij om een kamer getelegrafeerd en konden dus de laatst beschikbare verkrijgen in het eenige fatsoenlijke hotel der plaats. Onze vooruitziendheid gaf een stoot aan de berekeningen van een cholerischen, ouden, oostenrijkschen kolonel, dien wij vloekend en op den grond stampend aan zijn lot overlieten. En wat was het een kamer! De beste uit het heele hotel, vol meubels en vergulde versiersels. Wij werden erdoor aan de waarheid herinnerd, dat alles geen goud is, wat er blinkt en ontdekten in den morgen, dat er wel wat meer zeep en wat minder goud had mogen zijn, als het voor ons geriefelijk zou wezen.

Spalato is uit geschiedkundig oogpunt merkwaardig door het feit, dat Diocletianus er een paleis bouwde omstreeks het jaar 300. Tegenwoordig is het paleis van Diocletianus Spalato, want driehonderd jaren, nadat het gebouwd werd, vond de bevolking van Salona, die voor de Hunnen vluchtte, daar een schuilplaats en bouwde zich een stad binnen de muren. Daaruit mag worden afgeleid, dat het paleis een groote oppervlakte besloeg. In de geschiedenis van Spalato, die veel verscheidenheid biedt evenals die van de andere kuststeden, vallen sommige namen telkens weer in het oog en staan vermeld in steenen monumenten.

De eerste is die van Diocletianus, den romeinschen keizer, die in het jaar 305 van het purper afstand deed en zich naar Salona terug trok, om er kool te planten, maar die een goed gebruik van zijn tijd maakte blijkens de massa geld, die hij verzamelde en later voor zijn groote bouwplannen besteedde. Hij was het, die de muren van vijftig tot zeventig voet hoog bouwde, welke nog bestaan.

De tegenwoordige klokkentoren boven den prachtigen ingang van het keizerlijk mausoleum werd er in christelijke tijden aan toegevoegd, en men was bijna drie eeuwen, van de veertiende tot de zeventiende, bezig met de voltooiing. Hij werd gerestaureerd ten tijde van ons bezoek. Bij het prachtige mausoleum zal die toren, als hij gerestaureerd is, een der architectonische wonderen der wereld wezen.

Omstreeks het jaar 700 werd het mausoleum veranderd in een christelijke kathedraal, een daad, die den heidenschen Diocletianus, den vervolger der Christenen, zich in zijn graf moet hebben doen omdraaien. De kerk is cirkelvormig met een koepeldak en is, naar men zegt, het eenige groote antieke romeinsche gebouw met deze soort van dak, behalve het Pantheon te Rome. Er loopt een achthoekige zuilenrij omheen, en boven de kapiteelen van die pilaren, beneden den rand van het koepeldak, loopt een breede band van friezen, die prachtig zijn uitgevoerd en jachttooneelen voorstellen.

Zoo grootsch en rijk zijn de afmetingen en versieringen van dit mausoleum, dat men het lang heeft gehouden voor den tempel van Jupiter, en het kleinere gebouw, dat baptisterium heette en ook voor den doop werd gebruikt, werd beschouwd als het graf van Diocletianus. Door een vele eeuwen later ingesteld onderzoek werd ontdekt, dat Diocletianus het grootere gebouw aan zichzelven had gewijd en het kleinere aan den god Aesculapius.

Dat deze gebouwen van zestienhonderd jaren geleden voor ons bewaard zijn gebleven in hun tegenwoordigen goeden staat, bewijst hoe stevig en knap de oude bouwmeesters hun werk in elkander zetten. De andere bouwwerken van Diocletianus zouden alle tot op den huidigen dag in wezen zijn gebleven, gevuld met de schatten van beeldhouwwerk, als niet de lieden van Spalato er aan plundering hadden gedaan en hun eigen huizen met de kunstwerken hadden versierd.

Het baptisterium is gelegen aan den zuidkant van het plein, dat vóór den ingang van het mausoleum ligt. Het was een zeer symmetrisch, klein gebouw en werd als een architectonisch juweel beschouwd. De deuren van de kathedraal, die thans naar binnen zijn gebracht voor de veiligheid, zijn zeer kostbare voorbeelden van eigenaardig, oud snijwerk. Een der deuren stelt tooneelen voor uit het leven van Jezus; de andere voorvallen uit dat van Adam en Eva.

Omtrent de wederwaardigheden, die het paleis en de kunstschatten, die het bevatte, hebben getroffen in de eeuwen volgend op den dood van Diocletianus, schijnt niets bekend te zijn; maar dat het volk er brutaal mee te werk ging, is wel duidelijk. Aan den muur van een eenvoudig huis in Spalato kan men tot op heden het hoofd van een sphinx zien, gehouwen in gepolijsten, zwarten steen, die op marmer gelijkt. Dat is de vermeesterde kop van een sphinx, wiens tegenbeeld te vinden is in de groote hal, die nu de benedenverdieping vormt, waar de klokkentoren zich boven verheft. Het hoofd is geroofd door een voorvader van den tegenwoordigen eigenaar van het huis waar het aan is bevestigd, die ondanks bedreigingen en verzoeken weigert, het af te staan aan hen die het werk der restauratie op zich hebben genomen, als niet een zeer groote som in ruil wordt betaald. Het lichaam van den onthoofden sphinx blijft intusschen in het museum wachten op den terugkeer van zijn hoofd.

De zonderlinge oude, nauwe straatjes van Spalato binnen de ommuring zijn bezienswaardig op zichzelf. Ze werden blijkbaar aangelegd, om ruimte te winnen en zijn waarschijnlijk nauwer dan die in eenige europeesche stad. De beide poorten in den buitenmuur zijn de Porta Argente en de Porta Aurea. De laatste, een prachtig, sterk bouwwerk, was de echte paleispoort, door Diocletianus ontworpen. Een andere poort, de Porta Ferrea, leidt naar de piazza van de moderne stad. Daar dichtbij is een vreemd marktpleintje aan den voet van een middeleeuwschen toren.

Het museum behoort tot de bezienswaardigheden van Spalato. Het is vol overblijfselen uit romeinsche en vroeg-christelijke tijden, in hoofdzaak verkregen uit het aangrenzende Salona, en het bevat een afschrift van Robert Adams standaardwerk over de oudheden uit het paleis van Diocletianus. Adam, in gezelschap van een vriend en twee teekenaars, bezocht de puinhoopen in 1756, en de vrucht van zijn onderzoekingen werd uitgegeven in 1763.

Wij bleven niet lang in het museum, want wij wenschten Dalmatiërs te leeren kennen, zooals ze nu zijn, liever dan zooals ze vroeger waren. Dit was onze eerste kennismaking met een stad van Dalmatië, en voor ons als voor de meeste bezoekers was het volk uit de steden, zoowel als van het platteland, gekleed in een dracht, die aan een gemaskerd bal deed denken, een der voornaamste aantrekkelijkheden van de plaats. Het gelukte ons, een der draagsters te snappen, maar dat ging niet zonder moeite, want de camera is hier nog niet gewoon, en de vreesaanjagende toebereidselen van openen en gelijkstellen wekten wantrouwen in de gemoederen der lieden van Spalato!

De vrouw was een getrouwde vrouw, wat te zien was aan den hoogen, witten kap met punt. De ongetrouwde meisjes dragen haar hoofdbedekking plat op het hoofd. De meerderheid der mannen dragen donkere broeken van tehuis geweven stoffen, die nauw om het been sluiten, maar overigens druk versierd zijn en met rood afgezet; buizen van dezelfde stof, ook geborduurd, die maar tot het middel reiken en kleine, platte, roode mutsjes, met zwart afgezet. Ruwe, thuis gemaakte sokken en een soort van sandalen voltooien het costuum.

De heer, dien wij fotografeerden, was een boer uit de provincie, van het binnenland dus, welke bewoners veel verschillen van de gemengde, veritaliaanschte bevolking der kuststeden. De naam Morlak is aan de eerste gegeven, en men zegt, dat ze afstammen van de bewoners van Wallachije in den tijd der turksche overheersching, die westwaarts zijn uitgeweken.

Salona, dat gemakkelijk van Spalato uit te bereiken is, was eenmaal een bloeiende stad en wordt nog al bezocht om de oude christelijke begraafplaats. De rit van Spalato is zeer bekoorlijk en leidt langs goed besproeide weiden door een dal, overspannen door een waterleiding, die in den tijd van Diocletianus werd gebouwd.

Links heeft men een mooien fjord, die eenmaal de haven vormde van de stad Salona. Daarin ligt een klein eiland, door een steenen weg verbonden met het vasteland, en op dat eiland kan men een zeer oud dorp bezoeken, dat er moet hebben gelegen eer Spalato werd gesticht. Dat eilandje met de schitterende woningen is als een schilderij, en om de ligging en omgeving heeft men er den naam van klein Venetië, Piccola Venezia, aan gegeven.

Een der belangwekkendste monumenten van Salona is de ruïne van een oude kathedraal, welker dak eens werd ondersteund door een colonnade van slanke zuilen, nu nog slechts in fragmenten te herkennen. De mozaïekvloer van deze kathedraal is nog bewaard onder een bedekking van zand en wordt aan belangstellenden vertoond. Aan den kant van den heuvel is een zeer groot christelijk kerkhof binnen vervallen muren. Hier veronderstelt men ook een basiliek, waar nog een paar pilaren van over zijn. Overal ziet men resten van steenen sarcophagen, die open gebroken zijn, met uitzondering van twee, die de beenderen van kinderen bevatten en waar juweelen in werden gevonden.

Dit vernielingswerk werd volbracht door de Avaren, die in de zevende eeuw Salona plunderden en verwoestten. Zij vormden de eerste golf van de invallende Slaven, waar later het land door bevolkt zou worden. Er zijn ook catacomben, waarin de sarcophagen werden geplaatst in een enkele rij langs den bodem van een diepe geul. Hier waren de vernielers stelselmatig te werk gegaan, en er was geen enkel graf ontsnapt. Op een der steenen grafkisten was het testament gegrift van een romeinsch ambtenaar, die kort aangeeft, dat hij al zijn bezittingen aan zijn vrouw nalaat.

Het opgravingswerk is nog slechts ondernomen in een paar hoeken van het terrein, dat door de stad werd ingenomen. Op één plaats is een steenen poort opgegraven, die van de stad naar de haven leidde. Op den weg zijn de sporen van de wielen der wagens even duidelijk te herkennen, als ze het moeten geweest zijn, toen ze vijftien- of zestienhonderd jaar geleden ontstonden. In een anderen hoek zijn de overblijfselen van Salona's schouwburg aan het licht gebracht. De cellen voor de wilde beesten en de inrichting voor de gladiatoren zijn nog in goeden staat.

Dit amphitheater lag dichtbij de oevers van den fjord, zonder twijfel met het doel, om wilde dieren te kunnen ontschepen, die uit Afrika en Azië kwamen. De fjord moet een prachtige natuurlijke haven zijn geweest voor de koopvaardijschepen en de romeinsche galeien, en Salona was zonder twijfel een aanzienlijke handelsstad in den tijd van Diocletianus.

Onder de bergen achter Salona ziet men een kegelvormige rots, waar de huizen van Clisthra op liggen, een romantisch dorpje. Door de opening in het bergland moeten de Avaren neergedaald zijn naar de ongelukkige stad in het jaar 639 van onze jaartelling. Toen verlieten de overgebleven bewoners de stad en vluchtten binnen de hooge muren van het paleis van Diocletianus.

Op den dag nadat we Salona hadden gezien, reden we naar de middeleeuwsche stad Trau, die, bijna vier uren van Spalato verwijderd, aan de monding ligt van den fjord, waar de laatste stad aan is gelegen. De rit van Spalato naar Trau is een der schilderachtigste, die men in Dalmatië kan maken. De weg gaat langs het strand en langs heuvels aan de rechterzijde, terwijl het land tusschen de heuvels en de zee rijk is aan wijngaarden en olijvenboschjes. Het landschap doet aan de fransche Riviera denken, maar is vruchtbaarder, daar men er de oude kasteelen van de venetiaansche edelen vindt, door hun nakomelingen in zomerverblijven herschapen.

Trau was al een stad in de vroege Middeleeuwen en was de zetel van een bisschop. De plaats heeft veel oude huizen, loggia's en nauwe straten. In de kerk, die uit de twaalfde eeuw dateert, is een kapel gewijd aan een der Orsini's, eenmaal bisschop van Trau. Maar voor ons was het spoedig tijd om naar Gravosa te vertrekken, waarheen een der Hongaarsch-Croatische stoombooten ons overbracht.

De haven van Gravosa wordt aan de eene zijde begrensd door de landtong van Lapad en aan den anderen kant door het heuvelachtige strand van Dalmatië. De stad heeft één straat, die langs de zee loopt en die tevens de kade en de hoofdverkeersweg is. Vroeger enkel een visschersdorp, ontwikkelt Gravosa zich tot een stad van beteekenis en is niet alleen de opvolgster van Ragusa als haven van dit deel van Dalmatië, doch wordt tevens de uitvoerhaven van de producten van Bosnië. Een dezer producten is hout, waarvan er hoopen op de werven lagen, wachtend op de schepen, die het naar alle werelddeelen zullen uitvoeren. De haven van Ragusa is te klein voor moderne schepen, terwijl die van Gravosa, die slechts twee mijlen verder ligt, schepen van veel meer tonneninhoud kan bergen.

In Gravosa heeft men een vrij goed hotel, het hotel Petka, dat in den laatsten tijd zeer is verbeterd, ofschoon het nog in geenen deele kan worden vergeleken bij het werkelijk eersteklashotel te Ragusa, het Imperial, dat alle mogelijke comfort aanbiedt en een uitstekende keuken heeft. De weg tusschen Gravosa en Ragusa loopt langs den voet van den berg, den Petka, en is mooi en schaduwrijk. Als men Ragusa nadert, ziet men aan den eenen kant de glanzende zee, omzoomd door de grillige rotspartijen, en aan de andere zijde villa's met tuinen in italiaanschen stijl, waar halftropische bloemen en planten te vinden zijn. Van een hoogte heeft men een prachtig gezicht op de kleurige baai van Gravosa, met de beboschte bergen van Lapad en Petka. De weg daalt dan naar Ragusa langs een reeks huizen, die tot de moderne stad behooren, maar interessanter is het oude Ragusa met de verwonderlijke torens en vestingwerken, zoo stevig en sterk, als waren ze gisteren gebouwd. De monumenten uit Ragusa's verleden komen u tegen bij iedere schrede. Daar is de Onofrio-fontein, de bron voor de oude watervoorziening der stad; dan de flauw verlichte kerk der Franciskaners, die iemand in de Middeleeuwen verplaatst; het Dominikaner klooster en de smalle, steile straatjes, een opeenvolging van traptreden. Langs het Corso liggen reeksen van oostersch eruit ziende winkels, waar met de hand vervaardigde stoffen en kleedingstukken uit Dalmatië, Bosnië, Montenegro, Albanië, Smyrna en Konstantinopel verkocht worden door individuen, die volkomen oosterlingen gelijken in gelaat, kleeding en manieren en die met gekruiste beenen tusschen hun waren zitten als echte Oosterlingen.

Deze winkels en hun omgeving schenken den reiziger den eersten onmiskenbaren indruk van de nabijheid van het Oosten. Men vraagt zich verwonderd af, of dit nu de winkels zijn, die al eeuwen geleden afgezonderd werden als de mohammedaansche wijk, waar de Muzelmannen van het oude Ragusa hun goederen mochten te koop aanbieden, toen de stad als belangrijke handelshaven met de Levant in betrekking stond. Het aantal inwoners moet toen veertig duizend hebben bedragen en er is bijna geen ander voorbeeld van een zoo betrekkelijk kleine stad, die zooveel invloed had in de Middeleeuwen. Eeuwen lang schijnt de kleine republiek voorspoedig te zijn geweest; ze werd nooit onderworpen en was vaak een schuilplaats voor politieke vluchtelingen. Geen corruptie of verkeerde staatkunde bracht haar achteruitgang teweeg, maar alleen de ongunst der omstandigheden. Er is niet veel van de vroegere grootheid overgebleven, en in de haven, waar driehonderd handelsschepen voor anker hebben gelegen, vindt men nu een half dozijn visschersbooten. Het gebouw van den Senaat en de Munt zijn bijna de eenige oude gebouwen, die den schok overleefden, waar Ragusa onder leed, toen in 1667 een geweldige aardbeving de stad teisterde.

Het inwendige van het Senaatsgebouw werd juist veranderd en vernieuwd toen wij er waren, maar op de binnenplaats konden we een gedenkteeken bewonderen van een der handelsvorsten van de stad, Michael Prazzato, die een verbazend groote gift in geld aan zijn geboortestad schonk. Ook de kathedraal, die op enkele dagen der week te bezien is, bood veel merkwaardigs aan, o.a. kunstwerken van oude meesters, die ons toeschenen op één lijn te kunnen worden gesteld met de schatten van de galerijen van München, Dresden en Parijs.