Op Eigen Wieken

Chapter 9

Chapter 94,106 wordsPublic domain

Te Liverpool bleven wij maar eenige uren stil. Het is een morsige drukke plaats, en het speet mij niets, dat wij er weer vandaan gingen. Oom ging de stad in en kocht een paar handschoenen van hondeleer, een paar leelijke dikke laarzen en een parapluie, en voor alle dingen liet hij zich scheren "à la cotelette". Hij vleide zich toen, dat hij er als een echt Engelschman uitzag, maar den eersten keer, dat hij zijn schoenen liet poetsen, zag de kleine schoenpoetser, dat er een Amerikaan in stak, en zei grinnekend: "Klaar mijnheer, ik heb ze op zijn Yankeesch gepoetst!" Oom moest er vreeselijk om lachen.--O, maar ik _moet_ u vertellen, wat die malle Lennox deed! Hij liet door zijn vriend Ward, die met ons meeging, een bouquet bestellen, en het eerste wat ik zag, toen ik mijn kamer binnenkwam, waren die beelderige bloemen en een kaartje met "Robert Lennox' hartelijke groeten." Was dat niet grappig? O, ik ben dol op reizen!

Ik zal _nooit_ met mijn beschrijving tot Londen komen, als ik niet voortmaak. De reis met den trein was als een wandeling door een schilderij-zaal, vol heerlijke landschappen. Ik was verrukt over de boerderijen met rieten daken, met klimop begroeide muren, openslaande vensters, en stevige vrouwen met blozende kinderen voor de deuren. Zelfs de koeien schenen rustiger dan de onze, zooals zij daar tot aan de knieën in de klaver stonden, en de kippen kakelden zoo tevreden, alsof zij nooit zenuwachtig werden, zooals Yankee-kuikens. Zulke frissche kleuren had ik nog nooit gezien; het gras zoo groen, de lucht zoo blauw, het koren zoo geel, de bosschen zoo donker--ik was den heelen weg over in één verrukking! Flo ook, en wij sprongen van den eenen kant naar den anderen om alles te zien, terwijl wij met een snelheid van tachtig mijlen in het uur voortvlogen. Tante was moe en viel in slaap, maar Oom las in zijn reisgids en wou zich over niets verbazen. Zoo ging het ongeveer: Amy vliegt op: "O, dat moet Kenilworth zijn; dat grijze huis tusschen de boomen!" Flo schiet naar het raampje: "O, ja, wat romantisch! Daar gaan we eens heen, is 't niet, Vader?" Oom bewondert kalm zijn laarzen en antwoordt onverstoorbaar: "Neen, kindlief, tenzij jullie dorst hebt; het is een bierbrouwerij."

Een pauze--dan roept Flo uit: "O, _kijk_ eens; daar staat een galg, er wordt een man opgehangen!"

"Waar? Waar?" gilt Amy, en tuurt naar twee stevige palen met een dwarsbalk en een paar afhangende kettingen. "Een mijn," merkt Oom op, met een ondeugend knipoogje.--"'k Zie een heele kudde lammetjes; zij liggen allemaal in 't gras," waarschuwt Amy. "O, kijk toch eens, Vader, zijn zij niet snoezig?" vraagt Flo sentimenteel. "Ganzen, jonge dames," zegt Oom op een toon, die ons enthousiasme kalmeert, zoodat Flo zich gaat verdiepen in een romannetje en ik rustig alleen van het natuurschoon kan genieten.

Natuurlijk regende het, toen wij in Londen aankwamen, en er was niets te zien dan mist en parapluies. Wij rustten, pakten onze koffers uit, en deden tusschen de buien door een paar boodschappen. Tante Mary kocht het een en ander voor mij, want ik moest zoo overhaast van huis weg, dat ik niet half klaar was. Een _keurigen_ witten hoed met een veer, een schattig lichtblauw neteldoekje en den elegantsten mantel dien jullie ooit gezien hebt. Het is heerlijk boodschappen te doen in Regentstreet; alles lijkt zoo goedkoop; beelderig lint voor een halven shilling de el! Ik heb een goeden voorraad opgedaan, maar mijn handschoenen zal ik in Parijs koopen. Klinkt dat niet chic en rijk?

Terwijl Oom en Tante uit waren, namen Flo en ik voor de grap een hansom en gingen een eindje rijden, hoewel wij later hoorden, dat het niet zoo heel _comme il faut_ was voor jonge dames om daar alleen in uit te gaan. Het was zoo dwaas! want zoodra wij onder de houten boezelaar waren opgesloten, begon de man zoo hard te rijden, dat Flo doodsbang werd en mij verzocht hem te vragen 't wat kalmer te doen. Maar hij zat ergens achterop aan den buitenkant en ik kon hem niet bereiken. Hij hoorde mij niet roepen, zag mij niet met mijn parasol wuiven, en daar zaten wij geheel hulpeloos, terwijl wij op een halsbrekende manier tusschen den rijtuigdrom voort--en allerlei hoeken omgesleurd werden. Eindelijk ontdekte ik in mijn wanhoop een klein deurtje in de kap, en toen ik het openstootte, verscheen er een rood oog, terwijl een borrelstem vroeg:

"Nou, juffrouw?"

Ik gaf mijn bevelen zoo ernstig als ik kon, en zoodra hij met een "Jawel juffrouw" het deurtje dichtsloeg, liet de akelige vent zijn paarden stappen, alsof wij naar een begrafenis gingen. Ik tikte weer en riep "Een beetje harder," en daar gingen we weer heen, in vliegenden ren, net als eerst, en toen onderwierpen wij ons maar aan ons lot.

Vandaag was het mooi weer en wandelden we in Hyde-Park, dat hier niet ver vandaan is, want wij zijn in de aristocratische wijk gelogeerd. De hertog van Devonshire woont hier dicht bij. Ik zie zijn livreiknechten dikwijls bij het hek staan, en het huis van den hertog van Wellington is ook niet veraf.

Je weet niet, lieve menschen, wat ik in 't Park gezien heb. Tooneelen gewoon! Een echte poppenkastvertooning! Allerlei dikke, oude dames in kostbare equipages, met deftige palfreniers met zijden kousen en fluweelen broeken achterop, en gepoeierde koetsiers op den bok. Nuffige kindermeisjes met de schattigste kinderen, die ik ooit heb gezien, mooie jonge meisjes, die er uitzagen, alsof zij van alles blasé waren, fatten met wonderlijke hooge hoeden en onberispelijke handschoenen, die langzaam ronddrentelden, en lange soldaten, met korte roode buizen en berenmutsen, die er zoo grappig uitzagen, dat ik ze dolgraag had willen schetsen.

"Rotten Row" beteekent "Route de Roi" of koningsweg, maar het lijkt precies op een rijschool. De paarden zijn prachtig, en de mannen, vooral de rijknechten, rijden uitstekend, maar de vrouwen zijn stijf en wippen te veel op, wat tegen onze regels is. Ik had ze wel eens een Amerikaanschen galop willen laten zien, want zij draafden daar zoo plechtig op en neer in hun nauwe amazones en hooge hoeden, als de houten poppetjes uit een Noach's ark.

Iedereen rijdt: oude mannen, dikke dames, kleine kinderen, en de jongelui flirten hier druk. Ik zag een paartje hun _buttonholes_ omwisselen, want het is hier mode een bloem in het knoopsgat te dragen, en dat vond ik heusch een aardig idee.

Vanmiddag zijn wij naar Westminster Abbey geweest; maar verwacht niet van mij, dat ik daarvan een beschrijving zal geven--ik kan alleen maar zeggen, dat het _meer_ dan prachtig was. Vanavond gaan wij naar een schouwburg, een waardig besluit voor den gelukkigsten dag van mijn leven.

Middernacht.

Het is laat, maar ik kan morgenochtend mijn brief niet laten weggaan, zonder te vertellen, wat er gisterenavond gebeurd is. Wie denkt u wel, dat binnenkwamen, toen wij aan de thee zaten? Lauries' Engelsche vrienden Fred en Frank Vaughn! Ik was _zoo_ verbaasd. Zonder hun kaartjes zou ik ze niet herkend hebben. Het zijn een paar lange jongens met kneveltjes; Fred is heel knap,--Engelsch type--en Frank is veel flinker geworden, want hij trekt alleen nog maar wat met zijn been en heeft geen krukken meer noodig. Zij hadden van Laurie gehoord, waar wij logeeren zouden, en kwamen ons vragen, of wij bij hen wilden komen, maar Oom wil niet, dus nu zullen wij er alleen maar een bezoek brengen, en hen nu en dan zien. Zij gingen met ons naar den schouwburg, en wij hadden dolveel plezier, want Frank wijdde zich aan Flo, en Fred en ik praatten over allerlei dwaas' en vroolijks in 't verleden, het tegenwoordige en de toekomst, alsof wij elkander ons heele leven intiem gekend hadden. Zeg aan Bets, dat Frank naar haar gevraagd heeft, en dat het hem erg speet, dat zij zoo sukkelt. Fred lachte, toen ik van Jo sprak, en zond zijn "onderdanige groeten aan den grooten hoed." Geen van beiden had Kamp Laurence en de pret, die wij daar hadden, vergeten. Wat een eeuw schijnt dat al geleden, hè?

Tante tikt al voor de derde maal tegen den muur, dus ik moet eindigen. Ik heb een gevoel als een mondaine Londensche dame, nu ik hier zoo laat zit te schrijven, met mijn kamer vol mooie dingen, en mijn hoofd een mengelmoes van parken, schouwburgen, nieuwe japonnen en galante cavaliers, die "Ah" zeggen en hun blonde snorren op de echt Engelsche-Lords-manier opstrijken. Ik verlang ontzettend jullie allen weer te zien, en niettegenstaande al mijn malle praat ben ik

Uw liefhebbende Amy.

Parijs.

Lieve Zusjes,

In mijn laatsten brief vertelde ik van ons verblijf in Londen, hoe vriendelijk de Vaughn's waren, en wat prettige uitstapjes zij met ons maakten. Ik vond de tochtjes naar Hampton-Court en naar Kensington-Museum de allerheerlijkste--want in Hampton zag ik teekeningen van Rafaël en in het Museum zalen vol schilderijen van Turner, Lawrence, Reynolds, Hogarth, en andere beroemdheden. De dag in Richmond-Park was goddelijk--we hadden er een echt Engelschen pic-nic--en er waren zulke prachtige eiken en zooveel troepjes herten, te veel om te teekenen; wij hoorden ook een nachtegaal en zagen leeuweriken opstijgen. Wij genoten van Londen naar hartelust--dank zij Fred en Frank--en het speet ons erg weg te moeten, want hoewel Engelsche menschen niet gauw met iemand ingenomen zijn, als ze zich er eenmaal toe zetten, kan niemand hen in gastvrijheid overtreffen, geloof ik. De Vaughns hopen ons aanstaanden winter in Rome weer te zien, en het zou mij een groote teleurstelling zijn, als het niet gebeurde, want Grace en ik zijn vriendinnen geworden en de jongens zijn erg aardig en leuk--vooral Fred.

Stel je voor, nauwelijks waren wij hier, of hij stond weer voor onze oogen, en zei, dat hij eens een poosje vacantie had genomen om een uitstapje naar Zwitserland te doen. Tante keek eerst wat strak, maar hij behandelde alles zoo kalm, dat zij er geen woord tegen zeggen kon; maar nu is alles in orde, en ik ben heel blij, dat hij gekomen is, want hij spreekt Fransch als een Franschman, en ik weet niet, wat wij zonder hem beginnen zouden. Oom weet geen tien woorden bij elkaar te krijgen en schreeuwt dan maar heel hard in het Engelsch, alsof de menschen hem daardoor beter begrijpen zouden. Tante's uitspraak is ouderwetsch, en hoewel Flo en ik ons vleiden, dat wij er nog al goed in thuis waren, zien wij nu in, dat we ons daar deerlijk in vergist hebben, en we zijn dikwijls heel blij, dat Fred al dat "geparlefransch" zooals Oom het noemt, op zich neemt.

't Is gewoon een ideaal leventje! Van den morgen tot den avond trekken wij er op uit om alles te bezien! nu en daarna zitten wij in de vroolijke café's om wat te gebruiken, en hebben telkens allerlei dwaze avonturen. De regenachtige dagen breng ik door in 't Louvre en haal mijn hart op aan de schilderijen. Jo zou voor een paar van de mooisten haar neus optrekken, omdat zij geen oog voor kunst heeft; maar ik heb het wel, en ik ben bezig mijn smaak zooveel mogelijk te ontwikkelen. Zij zou meer voelen voor de reliquieën van groote personen, want ik heb Napoleon's steek en overjas, zijn wieg en een oud tandenborsteltje gezien, ook was er een schoentje van Marie Antoinette, de ring van St. Denis, het zwaard van Karel den Groote, en een hoop andere interessante dingen. Ik zal er uren over kunnen praten, als ik thuis kom, maar ik heb geen tijd om er nu meer van te schrijven.

Het Paleis Royal is _meer_ dan prachtig--zoo vol byouterieën en mooie dingen, dat het mij bijna hinderde ze niet te kunnen koopen. Fred wou mij een paar dingen cadeau doen, maar dat mocht ik natuurlijk niet toestaan.

Dan zijn verder ook het Bois de Boulogne en de Champs Elysées _très-magnifiques_! en wandelen we dikwijls in de tuinen van de Tuilerieën, waar 't ook heerlijk is, hoewel de ouderwetsche Luxembourgtuinen mij _nog_ beter bevallen. Père la Chaise is heel eigenaardig; verscheiden graven zijn net kleine kamertjes, en als je 'r inkijkt, zie je een tafel met photographieën of schilderijen van de overledenen, en stoelen voor de achtergeblevenen om op te zitten, als zij komen treuren. Echt Franschachtig _n'est-ce pas_?

Onze kamers zijn in de Rue de Rivoli, en als wij op het balkon zitten, kunnen wij die prachtige straat heelemaal afkijken. Dat is zoo prettig, dat wij onze avonden daar dikwijls blijven verpraten, wanneer wij te vermoeid zijn van ons "dagwerk" om weer uit te gaan. Fred is bizonder onderhoudend en over 't geheel de aardigste en geschiktste jongen, dien ik ooit ontmoet heb--behalve Laurie! Die heeft nog iets innemenders. Ik wou dat Fred zwart haar had; want ik houd niet van blonde mannen; maar, de Vaughns zijn heel rijk en stammen van een voornaam geslacht af, daarom wil ik geen aanmerking maken op hun gele lokken; de mijne zijn altijd nòg geler.

De volgende week gaan wij naar Duitschland en Zwitserland, en daar wij elken dag doorreizen, zal ik enkel een paar haastige krabbeltjes kunnen schrijven. Ik houd mijn dagboek aan, en tracht "al wat ik zie en bewonder mij duidelijk te herinneren en juist te beschrijven," zooals Vader mij aanraadde. Het is een goede oefening voor mij, en 't zal jullie mét mijn schetsboek een beter denkbeeld van mijn reis geven, dan deze kattebelletjes.

Adieu! ik omhels jullie allen in gedachten.

_Votre Amy_.

Heidelberg.

Mijn lieve Mama,

Daar ik nog een rustig uurtje heb, eer wij naar Bern vertrekken, zal ik trachten u te vertellen, wat ik verder ondervonden heb: want er is iets heel belangrijks gebeurd, zooals u zult zien.

De vaart op den Rijn was heerlijk, en ik zat maar stil rond te kijken en te genieten, nam Vaders oude reisboeken en las daar alles in na. Ik heb geen woorden om alles te beschrijven. Te Coblentz hadden wij een aardig avontuurtje, want een troepje studenten uit Bonn, met wie Fred op de boot kennis had gemaakt, brachten ons een serenade. Het was een heldere maneschijn, en om één uur 's nachts werden Flo en ik gewekt door muziek onder onze vensters. Wij sprongen uit bed en verscholen ons achter de gordijnen, maar nu en dan gluurden wij door een reetje en zagen, hoe Fred en de studenten beneden stonden te zingen. Het was zoo romantisch; de rivier, de brug, de bootjes, Ehrenbreistein aan den overkant, maneschijn overal, en muziek, die een steenen hart zou doen smelten!

Toen zij ophielden, wierpen wij een paar bloemen naar beneden, en zagen hen er om grabbelen, de onzichtbare schoonen kushanden toewerpen en eindelijk lachend verdwijnen--om te gaan rooken en bier te drinken, zeker! Den volgenden morgen liet Fred mij met een sentimenteel gezicht een paar verfrommelde bloemen zien, die hij in zijn vestzakje droeg. Ik lachte hem uit en zei, dat _ik_ ze niet uit het raam gegooid had, maar Flo--wat hem vreeselijk scheen te ergeren, want hij wierp ze op straat en werd weer gewoon. Ik vreesde toen al, dat ik last met dat jongemensch zou krijgen--het begon er naar uit te zien.

De badplaatsen Nassau en Baden-Baden waren heel druk en vroolijk; Fred verspeelde er wat geld, waarover ik hem een beetje kapittelde. Hij heeft wel iemand noodig om een oogje op hem te houden, nu Frank niet bij hem is. Kate zei eens, dat zij hoopte, dat hij gauw zou trouwen, en ik ben met haar eens, dat het goed voor hem zijn zou. Frankfort beviel mij bizonder; ik zag Goethe's en Schillers standbeeld en Dannecker's beroemde Ariadne! het was prachtig mooi, maar ik zou er meer aan gehad hebben, als ik het verhaal beter gekend had. Ik durfde er niet naar vragen, omdat iedereen het scheen te weten, of althans deed, alsof hij het wist. Ik hoop, dat Jo er mij later alles van vertellen zal. Ik had meer moeten lezen, want ik zie nu, dat ik heel weinig weet, en dat hindert mij erg.

Nu komt het ernstige gedeelte, want het is hier gebeurd, en Fred is juist vertrokken. Hij was zoo vriendelijk en prettig, dat wij allen wezenlijk veel van hem zijn gaan houden; maar ik dacht nooit aan iets anders dan aan een voorbijgaande vriendschap op reis, tot op den avond van de serenade. Sedert dien tijd begon ik te voelen, dat de wandelingen in den maneschijn, de gesprekken op het balkon, en de dagelijksche avonturen, voor hem meer dan een aardigheid waren. Ik heb niet met hem gecoquetteerd, Moeder, heusch niet,--maar ik heb mij telkens herinnerd, wat u mij gezegd hebt, en mijn uiterste best gedaan. Ik kan het niet helpen, als de menschen van mij houden, ik doe er geen moeite voor, en het spijt mij, als ik niet evenveel van hen houden kan, hoewel Jo zegt, dat ik geen hart heb. Nu weet ik, dat Moeder haar hoofd zal gaan schudden, en de meisjes zullen zeggen: "O, die kleine geldzuchtige heks," maar ik ben toch vast besloten Fred te accepteeren, als hij mij vraagt, hoewel ik niet tot over de ooren verliefd op hem ben. Ik houd van hem, en wij kunnen het best samen vinden. Hij heeft een gunstig uiterlijk, is jong, nog al ontwikkeld en heel rijk--veel rijker dan de Laurences. Ik denk niet, dat zijn familie er iets tegen zou hebben, en ik zou stellig wel gelukkig worden, want zij zijn allen aardige, beleefde, onbekrompen menschen, en zij houden van mij. Daar Fred de oudste van de tweelingen is, erft hij zeker het landgoed, denk ik, en het is zoo prachtig! Zij hebben ook een huis in de stad in een fashionable straat--het maakt niet zooveel vertooning als onze groote huizen, maar het is veel gemakkelijker ingericht, en vol soliede weeldeartikelen, waar de Engelschen zoo mee ophebben. Ik houd er ook van, want het is zoo echt degelijk. Op hun buitenplaats heb ik het zilverwerk, de familiejuweelen, de oude bedienden en de schilderijen gezien, en het park, de mooie tuinen en de prachtige paarden. O, het zou alles zijn, wat je maar wenschen kon! En ik zou liever die degelijke weelde hebben dan den een of anderen voornamen titel, waarmee meisjes soms zoo ingenomen zijn, maar waar dan ook dikwijls alles mee ophoudt. Misschien ben ik geldzuchtig, ik beken dat ik een hekel heb aan armoede, en ik wil dan ook geen oogenblik langer arm zijn, dan ik bepaald hoef. Een van ons _moet_ een goed huwelijk doen; Meta heeft het niet gedaan. Jo wil het niet doen, en Betsy kan het op 't oogenblik niet--daarom zal _ik_ het maar doen, en voor jullie allemaal zorgen. Ik zou geen man nemen aan wien ik een hekel had, of dien ik verachtte, daar kunt u zeker van zijn; en hoewel Fred niet precies mijn ideaal is, is hij toch heel goed, en mettertijd zou ik hem wezenlijk wel kunnen liefhebben, als hij erg veel van mij hield, en mij in alles mijn zin liet doen. Daarom heb ik deze week de zaak goed overlegd, want het was onmogelijk niet op te merken, dat Fred veel van mij houdt. Hij heeft het wel niet gezegd, maar hij toonde het in kleine dingen; hij wandelde nooit met Flo, zorgt altijd dat hij in het rijtuig, aan tafel of op straat naast mij komt, kijkt sentimenteel als wij alleen zijn, en woedend als iemand anders mij durft aanspreken. Gisteren aan tafel was er een Oostenrijksch officier, die ons fixeerde, en daarna iets zei tot zijn buurman--een verloopen soort van baron--over _ein wunderschönes Blöndchen_, en Fred keek zoo woedend als een leeuw, en sneed zijn vleesch met zoo'n heftigheid, dat het bijna van zijn bord vloog. Hij is niet zoo'n koele, stijve Engelschman, maar nog al opvliegend, want hij heeft Schotsch bloed in zijn aderen, wat je al wel kunt opmaken uit zijn helderblauwe oogen.

Gisteravond gingen wij allemaal naar het slot om de zon te zien ondergaan, ten minste allen behalve Fred, die ons op den terugweg tegen zou komen, nadat hij naar het postkantoor was geweest, om te zien of er ook brieven voor ons waren. Wij dwaalden heerlijk door de ruïne, zagen de gewelven met het monstervat, en de schilderachtige tuinen, lang geleden door den keurvorst voor zijn Engelsche vrouw aangelegd. Mij beviel het terras het best, want het uitzicht is er goddelijk; dus terwijl de anderen de zalen van binnen gingen bekijken bleef ik daar zitten, om een grijzen leeuwenkop op den muur, met overhangende purperen kamperfoelieranken, te schetsen. Het was net iets uit een roman, zooals ik daar zat, en den Neckar door het dal zag stroomen, luisterend naar de muziek van het Oostenrijksche korps beneden, en wachtende op de komst van mijn aanbidder--want als een echte romanheldin had ik een voorgevoel van wat er gebeuren zou, en ik was er geheel op geprepareerd. Ik voelde me niets blozerig of beverig, maar heel kalm, alleen maar een beetje opgewonden.

Na een poosje hoorde ik Fred's stem, en daar kwam hij aandraven door de groote poort om mij te zoeken. Hij zag er zoo ontdaan uit, dat ik mijzelf geheel vergat en hem vroeg wat er aan scheelde. Hij zei, dat hij juist een brief had ontvangen met het verzoek spoedig thuis te komen, want dat Frank gevaarlijk ziek lag; hij was dus van plan dadelijk met den nachttrein te gaan, en had alleen maar tijd om afscheid te nemen. Het speet mij erg voor hem, en ik was teleurgesteld voor mijzelf--maar dat duurde maar een minuut--omdat hij, terwijl hij mijn hand drukte, op een toon, die voor geen tweede uitlegging vatbaar was, zei: "Ik kom gauw terug--zul je mij niet vergeten, Amy?"

Ik beloofde het niet, maar ik keek hem aan, en hij scheen tevreden--er was geen tijd meer om iets te zeggen dan groeten en afscheidswenschen, want in minder dan een uur was hij weg, en wij missen hem allen erg. Ik weet, dat hij graag gesproken zou hebben, maar ik maak uit een vluchtig gezegde van hem op, dat hij zijn vader beloofd had, vooreerst nog niets van dien aard te doen--want hij is nog al heet gebakerd, en de oude heer is bang voor een buitenlandsche schoondochter. Wij zullen elkander gauw in Rome weerzien; en als ik niet van gedachten verander, zal ik, als hij vraagt: "Wil je mijn vrouw worden?" antwoorden: "Ja, met alle genoegen."

Dit alles natuurlijk onder de roos, maar ik verlangde dat u zou weten wat er aan de hand is. Wees niet ongerust over mij; bedenk, dat ik uw "voorzichtige Amy" ben, en dat ik niets overijld zal doen. Zend mij zooveel goeden raad als u wilt; als ik kan, zal ik er gebruik van maken. O, wat zou ik graag eens een rustig praatje met u hebben, Moedertje. Heb mij lief en vertrouw mij.

Als altijd

Uw Amy.

HOOFDSTUK IX.

VERBORGEN LEED.

"Jo, ik ben ongerust over Betsy."

"Hé, Moeder, zij heeft er toch bizonder goed uitgezien na de komst van de kleintjes."

"Ik ben nu niet zoo zeer ongerust over haar gezondheid, als wel over haar zielstoestand. Ik geloof zeker, dat zij iets op het hart heeft, en ik wou zoo graag, dat jij probeerde te weten te komen, wat het is."

"Waarom denkt u dat, Moeder?"

"Zij zit zooveel alleen, en praat niet zooveel met Vader als vroeger. Laatst zat zij met een van de kinderen op schoot te schreien. Als zij zingt, zijn het altijd treurige liederen, en nu en dan heeft haar gezicht een uitdrukking, die ik niet begrijp. Dat is niets voor Bets, en het maakt mij ongerust."

"Hebt u haar er naar gevraagd?"

"Ik heb het een paar maal geprobeerd, maar zij ontweek mijn vragen, of keek zoo bedroefd, dat ik maar ophield. Ik dring mij nooit in het vertrouwen van mijn kinderen, en ik hoef er gewoonlijk niet lang op te wachten."

Mevrouw March sloeg Jo gade terwijl zij sprak, maar het gezicht tegenover haar scheen geheel onbewust van geheime bekommernis, behalve over Betsy; en na eenige oogenblikken zwijgend voortgenaaid te hebben, hervatte Jo:

"Ik denk, dat het komt omdat zij ouder wordt, en natuurlijk begint te droomen, te hopen, te vreezen, en onrustig te zijn, zonder dat zij weet waarom, en zonder dat zij het uitleggen kan. Wel, Moeder, Bets is achttien; maar wij kunnen ons dat niet voorstellen en behandelen haar nog steeds als een kind, hoewel zij een jonge vrouw is."

"Het is waar, lieve kind, wat groeien jullie allemaal gauw op," antwoordde haar moeder met een glimlach en een zucht.

"Er is niets aan te doen, Moedertje; bereid u dus maar op allerlei tribulaties voor, en laat uw vogeltjes één voor één uit het nest vliegen. _Ik_ zal nooit ver weg vliegen als u dat kan troosten."