Chapter 7
"Sommige van haar meesterstukken zijn onvergelijkelijk. Er is niets, wat dat kind niet doen kan. Zoo had ze een paar blauwe schoentjes noodig voor Sallie's partij, en toen verfde zij eenvoudig haar vuile witte met het allerliefste hemelsblauw dat je ooit gezien hebt, en ze zagen er net uit, of zij nieuw waren," voegde Jo er bij, met een soort van trots op de handigheid van haar zuster, die Amy zoo radeloos maakte, dat het haar goed zou gedaan hebben, als zij Jo haar visiteboekje naar het hoofd had kunnen gooien.
"Eenigen tijd geleden hebben wij met groot genoegen een verhaal van u gelezen," merkte de oudste juffrouw Lamb aan, om een compliment te maken aan de literarische jonge dame, die er, om de waarheid te zeggen, op dit oogenblik niet erg naar uitzag. Maar de minste vermelding van haar "werken" had altijd een slecht effect op Jo, die altijd òf stijf werd en beleedigd keek, òf, zooals nu, met een onvriendelijke opmerking van onderwerp veranderde. "Het spijt mij, dat u niets beters te lezen had. Ik schrijf die dingen, omdat zij goed betaald worden, en sommige menschen vinden ze mooi. Gaat u dezen winter weer naar New-York?"
Daar juffrouw Lamb het verhaal "met groot genoegen" gelezen had, was dit gezegde niet bizonder aardig of complimenteus. Jo bemerkte haar misslag, zoodra zij de woorden uitgesproken had; maar uit vrees, dat zij de zaak nog verergeren zou, herinnerde zij zich plotseling, dat het aan haar was, het eerste sein tot vertrek te geven, en dit deed ze dan ook zoo overhaast, dat drie personen in een halven volzin bleven steken.
"Amy, wij moeten _heusch_ gaan, dag Lucy, kom ons toch vooral eens _gauw_ opzoeken; wij verlangen _vreeselijk_ naar een bezoekje! Ik durf _u_ niet animeeren mijnheer Lamb, maar als u soms komen _mocht_, zult u _hartelijk_ welkom zijn!"
Jo zei dit alles met zoo'n dwaze nabootsing van Mary Chester's overdreven spreekmanier, dat Amy zoo gauw mogelijk de kamer uitsnelde, niet wetende of zij lachen of huilen zou.
"Heb ik mij nu niet goed gehouden?" vroeg Jo voldaan, onder het wegwandelen.
"Het kón niet erger," was Amy's verpletterend antwoord. "Wat heeft je toch bezeten, om al die verhalen over mijn zadel en dien hoed en die schoenen en al die dingen te vertellen?"
"Och, de menschen vinden het grappig, en lachen er om. Zij weten best, dat wij niet rijk zijn, dus hoeven wij niet te doen, of wij er een stalknecht op na houden, elk seizoen drie of vier hoeden koopen, en even gemakkelijk als zij aan mooie dingen kunnen komen."
"Je hoeft hun niet al onze kleine hulpmiddelen te verklappen en onze armoede zoo noodeloos ten toon te stellen. Je hebt geen zier gepast gevoel van trots, en zult nooit leeren, wanneer je moet spreken of je mond houden," klaagde Amy wanhopig.
De arme Jo keek verlegen, en wreef zwijgend met den stijven zakdoek langs haar neus, alsof zij op deze manier boete wilde doen voor haar wangedrag.
"Hoe moet ik mij hier gedragen?" vroeg zij, toen zij de derde woning naderden.
"Zooals je wilt; ik trek mijn handen van je af," antwoordde Amy kort.
"Dan zal ik mijn eigen zin doen. De jongens zijn thuis, daar zal ik wel mee opschieten. De hemel weet, dat ik een variatie noodig heb, want deftigheid heeft altijd een slecht effect op mijn gemoedsgesteldheid," antwoordde Jo barsch, teleurgesteld over de mislukking van haar pogingen om te behagen.
Een opgewonden welkom van drie groote jongens en verscheiden aardige kinderen verzachtte spoedig haar gekwetste gevoelens, en de vrouw des huizes en den jongen Tudor, die daar juist een bezoek bracht, aan Amy overlatende, wijdde Jo zich aan de jeugd en vond de verandering zeer opwekkend. Zij luisterde met echte belangstelling naar schoolverhalen, streelde zonder tegenzin poedels en jachthonden, stemde van harte toe, dat "Tom Brown een bar leuke jongen was," zonder op de eigenaardige lofspraak te letten; en toen een der knapen een bezoek aan de schildpaddenkom voorstelde, sprong zij met zooveel bereidwilligheid op, dat de mama haar toelachte, en tegelijk haar kapsel in orde bracht, dat in een wanhopigen toestand was geraakt door al de hartelijke maar wel wat beerachtige omhelzingen, waarmee haar kinderen bizonder gul waren. Amy liet haar zuster aan zichzelf over en genoot naar hartelust. De oom van Tudor was getrouwd met een Engelsche dame, die een achternicht was van een levenden lord, en Amy beschouwde de heele familie met diep ontzag. Want, in spijt van haar Amerikaansche geboorte en opvoeding, bezat zij dien eerbied voor titels, die de meesten onzer aangeboren is en hield ze in stilte vast aan het oude geloof in koningen, dat de meest democratische natie onder de zon nog steeds in rep en roer brengt bij de komst van een vorstelijken spruit,--waarschijnlijk nog een overblijfsel van de liefde, die het jonge land het moederland toedraagt. Maar zelfs de voldoening van met een verren bloedverwant van den Britschen adel te spreken, deed Amy den tijd niet vergeten, en toen het gepast aantal minuten was verstreken, rukte zij zich haars ondanks los uit dit aristocratisch gezelschap, en keek rond naar Jo,--vurig hopend, dat ze haar onverbeterlijke zuster niet in een toestand mocht aantreffen, die schande zou brengen over den naam der familie March.
Het kon erger geweest zijn, maar Amy vond het al erg genoeg: want daar zat Jo in het gras, met een bende jongens om zich heen, en een hond met vuile pooten in rustigen sluimer op haar besten rok, terwijl zij een van Laurie's studentenstreken aan het bewonderend gehoor meedeelde. Een klein kind pikte de schildpadden met Amy's parasol, een ander knabbelde koekjes boven Jo's gekleeden hoed, en een derde had een bal gemaakt van haar handschoenen, en gooide er mee. Maar allen genoten, en toen Jo haar beschadigde bezittingen opzamelde om heen te gaan, deed het geheele gezelschap haar uitgeleide, en smeekte haar terug te komen.--Het was zoo éénig haar van Laurie te hooren vertellen!
"Aardige jongens, hè? Nu ben ik weer opgefrischt!" zei Jo, voortstappend met de handen op den rug, gedeeltelijk om de bespatte parasol te verbergen.
"Waarom ontwijk je Tudor altijd?" vroeg Amy, wijselijk geen aanmerkingen makende op Jo's ontredderd voorkomen.
"Ik houd niet van hem; hij neemt airs aan, snauwt zijn zusters af, doet zijn vader verdriet en spreekt oneerbiedig over zijn moeder. Laurie zegt, dat hij een doordraaier is, en _ik_ verlang zijn kennismaking niet; dus houd ik mij op een afstand."
"Je kon tenminste beleefd tegen hem zijn. Je gaf hem een opvallend koel knikje, en daarnet maakte je met den vriendelijksten glimlach ter wereld een buiging voor Tommy Chamberlain--zijn vader heeft een kruidenierswinkel. Als je het knikje en de buiging juist andersom had toegedeeld, zou het goed geweest zijn," zei Amy berispend.
"Neen, dat zou het niet," antwoordde de weerbarstige Jo, "want ik bemin, bewonder, noch acht Tudor, ofschoon de nicht van den neef van den oom van zijn grootvader een achternicht van een Lord was. Tommy is arm en verlegen maar een brave jongen en heel knap; ik heb een hoogen dunk van hem, en dat verlang ik hem te toonen, want hij is een gentleman, ondanks zijn vaders bruin papieren zakjes."
"Het geeft niets, of men jou al iets aan 't verstand zoekt te brengen," begon Amy.
"Neen, volstrekt niets, kindlief," viel Jo haar in de rede; "laten wij dus maar een vriendelijk gezicht zetten, en hier een kaartje afgeven, want de Kings zijn uit, waarvoor ik meer dan dankbaar ben."
Nadat het visiteboekje zijn plicht had gedaan, wandelden de meisjes voort, en Jo uitte eene tweede dankzegging, toen zij het vijfde huis bereikten, en vernamen, dat de jonge dames belet hadden.
"Laten we nu naar huis gaan, en ons vandaag niet nog met tante March ook plagen. Wij kunnen daar altijd wel eens aanloopen, en ik vind het een bezoeking ons nog langer in onze beste plunje voort te sleepen, nu wij al knorrig en moe zijn."
"Spreek alleen voor jezelf, als 't jeblieft. Tante heeft graag, dat wij haar in statie een formeel bezoek komen brengen. 't Is maar een kleinigheid, maar het doet haar genoegen, en ik geloof niet, dat je kleeren er half zooveel door zullen lijden, als wanneer je ze door vuile honden en ruwe jongens laat bederven. Buk maar eens, dan zal ik de kruimels van je hoed afslaan."
"Wat ben je toch een geduldig lam, Amy," zei Jo, met een berouwvollen blik van haar eigen beschadigd costuum naar dat van haar zuster, dat er nog zoo frisch en keurig uitzag. "Ik wou, dat het mij ook zoo gemakkelijk afging als jou, om met kleinigheden menschen plezier te doen. Ik denk er wel aan, maar het neemt mij te veel tijd, om ze te doen, ik wacht dan liever op een gelegenheid om ze een grooten dienst te bewijzen, en laat de kleine na; en toch kom je daar tenslotte nog verder mee, geloof ik."
Amy glimlachte, was dadelijk verteederd, en zei op moederlijken toon:
"Vrouwen moeten leeren zich aangenaam te maken, vooral wanneer zij niet rijk zijn, want zij kunnen dan op geen andere manier de vriendelijkheden, die men hen bewijst, vergelden. Als je dat in 't oog houdt en daarnaar handelt, zullen de menschen veel meer van jou houden dan van mij, omdat jij veel meer een persoonlijkheid bent."
"Ik ben een knorrige ouwe zeurkous, en dat zal ik wel altijd blijven; maar ik moet erkennen, dat je gelijk hebt. 't Valt mij alleen maar gemakkelijker mijn leven voor iemand te wagen, dan vriendelijk jegens hem te zijn, wanneer ik er niet toe gestemd ben. 't Is heel lastig, wanneer je zulke sterke sympathieën en antipathieën hebt, vind je niet?"
"'t Is nog lastiger, wanneer je ze niet kunt verbergen. Ik moet bekennen, dat ik geen greintje beter over Tudor denk, dan jij; maar ik ben niet geroepen hem dat te zeggen, en jij ook niet; en het is geen reden voor jou onaangenaam te zijn, omdat hij het is."
"Maar ik vind, dat meisjes het moeten toonen, wanneer zij 't gedrag van jongelui afkeuren; en hoe kunnen zij dat doen, behalve door hun manieren. Preeken helpt niets, zooals ik tot mijn spijt ondervonden heb, sedert ik Teddy onder handen heb; maar door allerlei kleine manieren kan ik, zonder een enkel woord, invloed op hem uitoefenen; en ik vind, dat wij dat ook op anderen behooren te doen, als wij kunnen."
"Teddy is een heel bizondere jongen, en kan niet als een voorbeeld van andere jongens aangehaald worden," zei Amy op een toon van stellige overtuiging, die den "zeer bizonderen jongen" zeker zou hebben doen schaterlachen, als hij 't gehoord had. "Wanneer we schoonheden waren, of rijk, of van hoogen rang, zouden wij misschien iets kunnen doen; maar of wij al onvriendelijk zijn tegen het eene clubje jongelui, omdat wij hun gedrag niet goedkeuren, en een ander clubje toelachen, omdat wij het hunne wel goedkeuren, zal geen zier invloed hebben, en ons maar den naam van 'raar' of 'preutsch' op den hals halen."
"Dus moeten wij dingen en menschen, die wij verachten, goedkeuren, omdat wij geen belles of millionnaires zijn, vind-je? Een mooie soort van zedeleer!"
"Ik kan daar niet over redeneeren, ik weet alleen maar, dat het zoo in de wereld toegaat, en dat de menschen, die zich er tegen verzetten, voor al hun moeite maar worden uitgelachen. Ik houd niet van hervormers, en ik hoop dat jij nooit zult probeeren er een te worden."
"Ik houd wèl van ze, en ik hoop er wél een te worden, als 't mij mogelijk is; want niettegenstaande haar spottend gelach, kan de wereld het toch niet buiten hen stellen. Wij zullen het daar wel nooit over eens worden, want jij behoort tot het oude slag, en ik tot het nieuwe; jij zult het best vooruitkomen, maar ik zal meer van mijn leven genieten. Ik zou juist plezier hebben in die schermutselingen en dat uitlachen, denk ik."
"Nou, wees nu maar bedaard, en erger Tante niet met je nieuwe denkbeelden."
"Ik zal mijn best doen; maar een zeker iets dringt mij altijd, om bij haar met een bizonder kortaf gezegde of een revolutionair gevoelen voor den dag te komen; dat is mijn noodlot; ik kan er niets tegen doen!"
Zij vonden Tante Carrol bij de oude dame, beiden naar het scheen verdiept in een zeer belangrijk gesprek; doch zij hielden plotseling op, toen de meisjes binnen kwamen, met een schuldigen blik, die verried, dat zij over hun nichtjes gesproken hadden. Jo was niet in een bijster goed humeur, en de weerbarstige bui kwam nu in volle kracht terug, maar Amy, die deugdzaam haar plicht betracht, iedereen genoegen gegeven en haar humeur in bedwang gehouden had, was in de engelachtigste stemming. Deze beminnelijke gemoedsgesteldheid deed zich dadelijk gevoelen, en beide tantes wedijverden in lieve woordjes om haar te verwelkomen, en gaven door hun blikken te kennen, wat zij later met zooveel woorden tot elkander zeiden: "Dat kind wordt met den dag liever."
"Zul jij ook meedoen met den bazaar, lieve kind?" vroeg mevrouw Carrol, toen Amy zich naast haar zette met die vertrouwelijkheid, die oude menschen zoo graag in jongeren zien.
"Ja, Tante, mevrouw Chester heeft me gevraagd, of ik wou helpen, en toen heb ik aangeboden een tafel te bedienen, omdat ik niets anders geven kan dan mijn tijd."
"Ik doe niet mee," viel Jo op beslisten toon in, "ik kan dat gepatroniseerd-worden niet uitstaan, en de Chesters denken, dat het een heele eer voor ons is met hun aristocratischen bazaar te mogen meedoen. Ik begrijp niet, dat je het aangenomen hebt, Amy--het is alleen maar om je aan het werk te zetten."
"Nu, ik wil wel werken--'t is even goed voor 't goede doel als voor de Chesters, en ik vind het heel vriendelijk van hen, dat zij mij in het werk en in de aardigheid willen laten deelen. Wanneer dat patroniseeren, zooals jij het noemt, vriendelijk gemeend is, heb ik er niets tegen."
"Je hebt volkomen gelijk; ik hoor met blijdschap, dat je er zoo verstandig over denkt; het is een genoegen menschen te ontmoeten, die onze welgemeende pogingen waardeeren. Niet allen doen dat, en dat is heel treurig," merkte tante March op, terwijl zij over haar bril heen naar Jo keek, die zich, naast de sofa, met een knorrig gezicht op een schommelstoel zat te wiegelen. Als Jo geweten had welk een groot geluk op dat oogenblik voor een van hen beiden in de weegschaal lag, zou zij misschien plotseling in een lammetje veranderd zijn; maar ongelukkig hebben wij geen vensters in onze borst, en kunnen niet zien, wat er in het hart van onze vrienden omgaat. Door haar volgend gezegde beroofde Jo zich van een paar genotvolle jaren, en haalde zij zich een duchtige les op den hals--een les in de kunst om haar tong in toom te houden.
"Ik houd niet van gunstbewijzen; zij drukken mij en geven me een gevoel, of ik een slavin ben; ik heb liever alles aan mezelf te danken, en wil volkomen onafhankelijk zijn."
"Hm!" kuchte Tante Carrol zachtjes, met een blik naar tante March.
"Ik heb het je wel gezegd," gaf deze door een gedecideerd knikje Tante Carrol ten antwoord. In gelukkige onbewustheid van wat zij misdreven had, zat Jo met een opgetrokken neus en een strijdlustig voorkomen, dat alles behalve innemend was, voor zich uit te kijken.
"Spreek je Fransch, kindlief?" informeerde mevrouw Carrol, haar hand op die van Amy leggende.
"Wel een beetje, dank zij Tante March, die mij zoo dikwijls als ik wil, gelegenheid geeft om met Esther te praten," antwoordde Amy, met een dankbaren blik, die de oude dame een vriendelijken glimlach ontlokte.
"Hoe staat het in dit opzicht met jou?" vroeg mevrouw Carrol aan Jo.
"Ik weet er geen woord van; ik ben heel dom in 't leeren; en Fransch kan ik niet uitstaan; het is zoo'n glibberige, onmogelijke taal," was het ruwe antwoord.
Opnieuw wisselden de tantes een blik, en Tante March hervatte tot Amy:
"Je bent nu volkomen gezond en sterk, niet waar, kindlief? Je hebt geen last meer van je oogen, wel?"
"Neen, dank u, Tante, volstrekt niet, ik voel me heel goed, en ben van plan dezen winter flink aan 't werk te gaan, om klaar te zijn voor Rome, wanneer die gelukkige tijd eens aanbreekt."
"Je verdient er heen te gaan, beste meid, en ik ben er zeker van dat het wel eens gebeuren zal," zei Tante March, met een goedkeurend tikje op Amy's wang, terwijl deze haar zakdoek voor haar opraapte.
"Knorrepot, sliep uit!" riep Polly, die als naar gewoonte op den rug van tante's stoel zat, en zich voorover boog om Jo aan te kijken, met zoo'n uitdrukking van onbeschaamde nieuwsgierigheid, dat het onmogelijk was niet te lachen.
"Een zeldzaam schrander dier," vond de oude dame.
"Uitgaan, liefje?" riep Polly, naar het buffet wippend, alsof hij een klontje suiker hoopte te krijgen.
"Ja, dankje, dat is mijn plan. Kom, Amy," en Jo maakte een einde aan het bezoek, meer dan ooit gevoelende, dat visites een slechten invloed op haar humeur oefenden. Zij schudde haar tantes op mannelijke manier de hand, terwijl Amy beiden kuste, en toen de meisjes vertrokken waren, lieten zij een indruk achter van zonneschijn en schaduw, welke indruk Tante March de volgende woorden in den mond gaf:
"Volg mijn raad, Maria; ik zal wel voor 't geld zorgen," waarop Tante Carrol vast besloten antwoordde: "Ik zal 't stellig doen, als haar vader en moeder het goed vinden."
HOOFDSTUK VII.
GEVOLGEN.
De bazaar van mevrouw Chester was zoo chic en aristocratisch, dat de jonge dames uit den omtrek het een eer rekenden een uitnoodiging als verkoopster te ontvangen, en groot was aller belangstelling in de zaak. Amy was gevraagd, maar Jo niet, een geluk voor alle partijen, daar zij gedurende dit tijdperk van haar leven bepaald "met de armen in de zij" de wereld trachtte door te gaan, wat haar menigen onzachten stoot berokkende. Het "trotsche, oninteressante schepsel" werd aan haar lot overgelaten, maar het talent en de smaak van Amy werden erkend en vereerd door de aanbieding van de kunsttafel, en zij beijverde zich, daarvoor geschikte en kostbare voorwerpen te vervaardigen en te verzamelen.
Alles ging voor den wind, tot er, den dag voor de opening van den bazaar, een van die schermutselingen plaats had, bijna onmogelijk te vermijden, wanneer omtrent vijf en twintig vrouwen, oude en jonge, met al hun bizondere antipathieën en vooroordeelen, gezamenlijk iets trachten tot stand te brengen. Mary Chester was eigenlijk jaloersch op Amy, omdat deze meer gefêteerd werd dan zij, en juist omtrent dezen tijd vielen er enkele kleinigheden voor, die dit gevoel versterkten. De fijne penteekeningen van Amy stelden de geschilderde vazen van Mary in de schaduw: dat was doorn nommer één; de alverwinnende Tudor had vier maal met Amy gedanst op de laatste partij en maar eens met Mary, dat was doorn nommer twee; maar wat haar het meest hinderde en een verontschuldiging kon zijn voor haar onvriendelijk gedrag was het gerucht, haar door een welmeenende babbelkous overgebracht, dat de meisjes March zich bij de Lambs over haar hadden vroolijk gemaakt. De blaam hiervan had op Jo moeten vallen, want haar ondeugende nabootsing was te getrouw geweest om niet ontdekt te worden, en de vroolijke Lambs hadden de aardigheid niet kunnen verzwijgen. De schuldigen hadden hiervan evenwel niets gemerkt, en men kan zich de teleurstelling van Amy begrijpen, toen mevrouw Chester--die natuurlijk boos was over de vermeende bespotting van haar dochter--op den laatsten avond, terwijl Amy bezig was de laatste hand te leggen aan haar mooie tafel, op vriendelijken maar koelen toon tot haar zei:
"Ik merk, lieve kind, dat verscheiden jonge dames het niet goed van mij vinden, dat ik deze tafel aan iemand anders geef dan aan mijn dochters, omdat dit de voornaamste en volgens sommigen de mooiste tafel is, en daar mijn meisjes zich de meeste moeite hebben gegeven om den bazaar tot stand te brengen, is het feitelijk ook niet meer dan billijk dat zij deze plaats innemen. Het spijt mij, maar ik weet, dat je te veel belang stelt in het doel, dan dat je je een kleine persoonlijke teleurstelling zou aantrekken, en je kunt natuurlijk een van de andere tafels nemen."
Mevrouw Chester had eerst gedacht, dat het haar gemakkelijk zou vallen deze kleine toespraak te houden; maar toen het moment daar was, vond zij het tamelijk moeilijk het op een natuurlijken toon te doen, terwijl Amy's oprechte oogen haar vol verbazing en droefheid aanzagen.
Amy giste dat hier meer achter stak, maar kon niet raden wat, en antwoordde bedaard, hoewel zij zich gekrenkt voelde en dat ook toonde:
"Misschien hebt u liever, dat ik in 't geheel geen tafel neem?"
"Mijn lieve kind, wees maar niet boos, ik doe het alleen maar voor den vorm; mijn dochters moeten natuurlijk de hoofdrol spelen, en deze tafel wordt beschouwd als de plaats, die haar volgens recht en billijkheid toekomt. Ik zou je hier graag willen laten, en dank je zeer voor alles wat je hebt gedaan om ze zoo mooi te maken; maar wij moeten natuurlijk onze eigen wenschen opgeven, en ik zal er voor zorgen, dat je een ander goed plaatsje krijgt. Zou je de bloementafel willen hebben? De kleine meisjes hadden op zich genomen die te schikken, maar zij hebben den moed laten zakken. Jij zou er iets heel liefs van kunnen maken, en je weet, een bloementafel heeft altijd veel aantrekkelijks."
"Voorál voor de heeren." voegde Mary er bij met een blik, waaruit Amy tenminste één oorzaak kon opmaken, waarom zij in ongenade was gevallen. Zij bloosde van drift, maar nam verder geen notitie van dien steek onder water, en antwoordde met onverwachte vriendelijkheid: "Zooals u wilt, mevrouw, ik zal mijn plaats hier dadelijk opgeven en die bij de bloemen nemen, als u dat beter vindt."
"Je mag al wat van je zelf is, op je eigen tafel zetten, als je dat soms wilt," bood Mary aan, wier geweten haar wel wat begon te kwellen, toen zij de mooie étagère, de geschilderde potjes en de aardige teekeningen zag, die Amy met zooveel zorg gemaakt en met zooveel smaak gerangschikt had. Zij bedoelde het vriendelijk, maar Amy vatte haar gezegde verkeerd op, en antwoordde haastig:
"O zeker, als het je in den weg staat," en nadat zij haar bijdragen bij elkaar had gepakt, verwijderde zij zich, met het gevoel, dat zij en haar kunstwerk onvergeeflijk beleedigd waren geworden.
"Nu is zij voor altijd boos. O hemel! had ik u maar niet gevraagd er over te spreken, Mama," zei Mary, met een treurig gezicht naar de ledige plaatsen op de tafel ziende.
"Meisjesgekibbel duurt nooit lang," antwoordde haar moeder, die met recht min of meer beschaamd was over het aandeel, dat zij in den twist had genomen.
De kinderen ontvingen Amy en haar schatten met vreugde, en deze hartelijke ontvangst kalmeerde eenigszins haar geschokt gemoed; zij zette zich aan het werk, vast besloten den prijs weg te dragen met haar bloementafel, nu de kunsttafel haar ontnomen was. Maar alles scheen wel tegen te loopen; het werd laat en zij was moe; ieder had het te druk met eigen zaken om haar een handje te helpen, en de kleine meisjes maakten 't haar nog moeilijker en de verwarring nog grooter door hun luidruchtig gebabbel en hun onhandige pogingen om alles te regelen en te schikken.
De boog van klimop wilde maar niet stevig blijven staan, toen zij was opgezet, maar waggelde bij 't minste stootje en dreigde op Amy's hoofd te vallen, toen de bloemenmandjes er aan gehangen waren; op haar mooiste teekening viel een waterdroppel, die een bruinen traan achterliet op de wang van een cupido; zij bezeerde haar handen aan den hamer, en vatte kou in den tocht, welke laatste tegenspoed haar met onrust vervulde voor den volgenden dag.
Thuis heerschte groote verontwaardiging, toen Amy dien avond haar geschiedenis verhaalde. Haar moeder zei, dat het schande was, maar vond dat zij goed had gehandeld. Betsy verklaarde, dat zij in 't geheel niet naar dien gekken bazaar wilde gaan kijken, en Jo vroeg waarom zij al haar mooie dingen niet wegnam, en die kleingeestige menschen alleen voor den boel liet zitten.
"Al zijn zij kleingeestig, dat is nog geen reden, waarom ik het ook zou zijn. Ik vind zoo'n manier van doen echt onbeschaafd, maar al meen ik reden te hebben om mij gegriefd te voelen, wil ik het niet toonen. Zij zullen dat dieper voelen, dan kleinzielige antwoorden en wraaknemingen, denkt u ook niet, Moeder?"