Chapter 6
John lachte en trok haar naast zich, terwijl hij vriendelijk zei: "Wind er maar geen doekjes om; ik zal je geen pak slaag geven, als je een paar nuffige laarsjes gekocht hebt! Ik ben wel een beetje trotsch op de voetjes van mijn vrouw, en 't kan mij niet schelen, of zij drie of vier dollar voor haar laarzen betaalt, als het maar goede zijn."
Dit was een van haar laatste "kleinigheden" geweest, en John's oog was er onder het spreken op gevallen.
"O, wat _zal_ hij zeggen, als hij aan die vreeselijke vijftig dollar komt," dacht Meta met een rilling.
"'t Is erger dan een paar laarzen--'t is een zijden japon," zei zij met de kalmte der wanhoop, want zij verlangde nu maar het ergste te hooren.
"Wel kind, 'wat is het drommelsche totaal,' zooals mijnheer Mantalini [3] het noemde."
Dit klonk in 't geheel niet als een gezegde van John en zij wist, dat hij haar aankeek met dien openhartigen blik, dien zij tot nu toe altijd even vrijmoedig had durven beantwoorden. Zij sloeg het blad om en wendde het hoofd af, terwijl ze op de som wees, die zonder de vijftig dollar al hoog genoeg geweest zou zijn, maar die mèt dat bijvoegsel eenvoudig verpletterend scheen. Gedurende een oogenblik was het doodstil in de kamer; toen zei John langzaam--maar zij voelde, dat het hem moeite kostte geen ongenoegen te toonen:
"Ik weet natuurlijk niet, of vijftig dollar veel is voor een japon, met al de kanten en tirlantijnen, die er tegenwoordig bij noodig zijn."
"Hij is nog niet gemaakt of gegarneerd," fluisterde Meta bijna onhoorbaar, want de plotselinge gedachte aan de onkosten, die dat nog met zich zou slepen, benam haar het laatste greintje moed.
"Twintig el zij schijnt nog al veel om zoo'n slank persoontje te kleeden, maar ik twijfel niet, of mijn vrouw zal, als zij die japon aanheeft, even mooi zijn als mevrouw Ned Moffat," merkte John droogjes op.
"Ik weet dat je boos bent, John, maar ik kan het heusch niet helpen; ik was niet van plan je geld zoo te verspillen, en ik dacht niet, dat al die kleinigheden zoo zouden oploopen. Ik kán het niet laten als ik Sallie, al wat zij noodig heeft, zie koopen, en als zij mij beklaagt, dat ik het niet doen kan! 'k Doe werkelijk mijn best tevreden te blijven, maar 't is zoo moeilijk, en het verveelt mij soms vreeselijk arm te zijn."
De laatste woorden zei ze zóó zachtjes, dat zij meende, dat John ze niet verstaan kon, maar hij verstond ze wél, en ze kwetsten hem diep, daar hij zich om Meta's wil menig genoegen ontzegd had. Zij zou haar tong wel hebben willen afbijten, zoodra zij het geuit had, want John stond op, schoof de boeken van zich af, en zei met een eenigszins onvaste stem: "Daar ben ik wel bang voor geweest; ik doe mijn best, Meta." Als hij tegen haar was uitgevaren, of haar zelfs verwoed door elkaar had geschud, zou 't haar niet zóó getroffen hebben als die paar woorden. Zij liep op hem toe, sloot hem vast in haar armen, en riep onder berouwvolle tranen: "O, John! mijn lieve, goeie, ijverige jongen, ik meende het niet! Het was zoo slecht, zoo onwaar en zoo schandelijk ondankbaar! Hoe kon ik zoo iets zeggen! O, hoe kón ik zoo iets zeggen!"
John was heel vriendelijk, vergaf het haar dadelijk en uitte geen enkel verwijt, maar Meta wist, dat zij iets had gedaan en gezegd, wat hij niet spoedig zou vergeten, hoewel hij er misschien nooit op terugkomen zou. Zij had beloofd hem in voor- en tegenspoed te zullen liefhebben, en nu verweet zij, zijn vrouw, hem zijn armoede, nadat zij zijn verdiend geld lichtzinnig had verspild! Hoe vreeselijk! en het ergste was nog, dat John daarna voortging, alsof er niets was gebeurd. Hij bleef alleen nog langer op zijn kantoor, en werkte tot in den nacht, nadat Meta zich al lang in slaap had geschreid. Een week van wroeging maakte haar bijna ziek, en de ontdekking, dat John zijn nieuwe overjas had afbesteld, bracht haar in een toestand van wanhoop, die tragisch was om aan te zien. In antwoord op haar verwonderde vraag naar de reden hiervan, zei hij enkel: "Ik kan het niet bekostigen, lieveling."
Meta zei niets meer, maar even later vond hij haar in de gang, met haar gezicht in de oude overjas verborgen, schreiende, alsof haar hart zou breken. Zij hadden dien avond een lang gesprek, en Meta begon haar echtgenoot nog meer lief te krijgen, juist om zijn armoede, want die had hem een man gemaakt--had hem de kracht en den moed gegeven zich een eigen weg te banen--en hem dat vriendelijk geduld geleerd, waarmee hij al de natuurlijke verlangens en tekortkomingen van hen, die hij liefhad, wist te bevredigen en te verdragen.
Den volgenden dag zette zij al haar hoogmoed op zij, ging naar Sallie, vertelde haar de volle waarheid, en verzocht haar als een gunst de zijde te willen overnemen.
Het goedhartige mevrouwtje Moffat was hier dadelijk toe bereid, en had gelukkig zooveel fijn gevoel, dat zij ze haar vriendin niet dadelijk daarna cadeau deed. Toen liet Meta de overjas bezorgen en tegen dat John thuis kwam, trok zij die aan en vroeg hem, hoe hij haar nieuwe zijden japon vond. Iedereen begrijpt welk antwoord zij kreeg, hoe John het geschenk aannam, en hoe innig gelukkig zij daarna waren. John kwam weer vroeg thuis, Meta liep niet meer uit, en de overjas werd elken morgen door een zeer gelukkige echtgenoot aan- en elken avond door een zeer liefhebbende vrouw uitgetrokken. Zoo ging het jaar voorbij, en den volgenden zomer deed Meta een nieuwe ondervinding op, de diepste en teederste in het leven eener vrouw.
Laurie kwam op zekeren Zaterdag met een geheimzinnig gezicht de keuken van "de duiventil" binnen sluipen en werd met cymbaalgeschal ontvangen, want Hanna klapte in de handen, met een pan in de eene en het deksel in de andere hand.
"Hoe gaat het de jonge mama? Waar is iedereen? Waarom hebben ze het mij niet geschreven, voordat ik thuis kwam," vroeg Laurie op luid fluisterenden toon.
"Zoo gelukkig als een koningin, de lieve engel! Zij zijn allemaal boven aan 't aanbidden, en we hadden geen wervelwinden noodig. Ga maar in de voorkamer en ik zal wel iemand bij u sturen," en na dit eenigszins ingewikkeld antwoord, verdween Hanna, vergenoegd grinnekend.
Een oogenblik daarna verscheen Jo, met een klein flanellen pakje op een groot kussen. Jo's gezicht stond heel ernstig, maar haar oogen schitterden en aan haar stem kon men hooren, dat zij een aandoening trachtte te bedwingen.
"Doe je oogen toe, en steek je armen uit," commandeerde zij.
Laurie trok zich overhaast in een hoek terug, en hield zijn handen met een smeekend gebaar achter zich--"Neen, dankje, liever niet. Ik zal het zoo zeker als iets laten vallen of verpletteren."
"Dan krijg je je neefje niet te zien," zei Jo, zich omkeerend om heen te gaan.
"Neen, neen, ik zal het aannemen, maar jij bent verantwoordelijk voor alle ongelukken," en gehoorzaam aan de ontvangen bevelen, sloot Laurie heldhaftig de oogen, terwijl iets in zijn armen werd gelegd. Een luid gelach van Jo, Amy, mevrouw March, Hanna en John, deed hem een minuut later opzien, en daar zag hij in zijn armen twee zuigelingen in plaats van één.
Geen wonder dat zij lachten, want de uitdrukking van zijn gezicht was dwaas genoeg om den ergsten druiloor te doen schateren, zooals hij daar stond en met zoo'n hulpelooze verslagenheid beurtelings de onschuldige schapen en de lachende toeschouwers aanstaarde, dat Jo op den grond neerviel, en het uitgilde.
"Tweelingen, bij Jupiter!" was al, wat hij in de eerste oogenblikken kon uitbrengen; toen keerde hij zich tot de vrouwen met een smeekenden blik, die waarlijk treffend was, en voegde er bij: "Laat iemand ze overnemen, gauw! Ik moet lachen, en ik zal ze nog laten vallen!"
John redde zijn kleintjes, en wandelde toen de kamer op en neer, met een kind in elken arm, alsof hij het zijn heele leven gewend was geweest, terwijl Laurie lachte, totdat hem de tranen langs de wangen rolden.
"Dat is de beste grap, die wij in lang gehad hebben, is 't niet? Ik wou niet, dat iemand het je schreef; want ik wou je eens verrassen, en me dunkt, het is gelukt!" zei Jo, toen zij weer op adem gekomen was.
"Ik ben nog nooit in mijn heele leven zóó geschrikt! Wat een toestand! Zijn het jongens? Hoe zullen ze heeten? Laat ze nog eens zien! Houd me vast, Jo, want op mijn woord, 't is één te veel voor mij," antwoordde Laurie en bekeek de kleintjes, zooals een goedige groote Newfoundlander een paar kleine poesjes zou bekijken.
"Een jongen en een meisje. Zijn het geen prachtexemplaren?" vroeg de trotsche vader, de kleine roode, wringende schepseltjes zoo bewonderend aanstarende, alsof het vleugellooze engeltjes waren.
"De merkwaardigste kinderen die ik ooit gezien heb! Maar hoe hou je ze uit elkander?"
"Amy heeft het jongetje een blauw en het meisje een rose lint omgedaan, volgens de Fransche mode, dus daaraan kun je 't altijd zien. Bovendien heeft het eene blauwe en het andere bruine oogen. Geef ze een kus, Oom Teddy," zei de ondeugende Jo.
"Ik vrees, dat ze het niet prettig zullen vinden," begon Laurie, met ongewone beschroomdheid op dit punt.
"Natuurlijk wel; zij zijn er nu al aan gewend; doe het oogenblikkelijk, jongmensch," beval Jo, vreezend, dat hij een uitstel mocht voorslaan.
Laurie trok zijn neus op, en gehoorzaamde door op ieder klein wangetje een behoedzaam pikje te geven, dat een nieuwe lachbui veroorzaakte en de kinderen aan het huilen maakte.
"Daar nou! ik wist wel, dat zij het niet graag zouden hebben. Dat is de jongen natuurlijk! Kijk hem eens schoppen! hij steekt zijn vuisten al uit als een flinke bokser. Nu, hoor eens, jonge Brooke, val iemand van je eigen grootte aan, wil je?" riep Laurie uit, zeer in zijn schik met een duw in zijn gezicht van het kleine vuistje, dat doelloos rondschermde.
"Hij zal John Laurence heeten, en het meisje Margaretha, naar haar moeder en grootmoeder. Wij zullen haar Daisy noemen, om geen twee Meta's in de familie te hebben, en ik denk, dat dit kleine baasje wel Jack zal heeten, of wij moesten nog een beteren naam voor hem vinden," vertelde Amy, met tantelijke belangstelling.
"Noem hem Demi-John, en bij verkorting Demi," stelde Laurie voor.
"Daisy en Demy--_prachtig_! Ik _wist_ wel, dat Teddy er iets op zou vinden," riep Jo, in de handen klappende.
Teddy had er dezen keer zeker iets op gevonden, want de kinderen bleven "Daisy en Demy" tot het eind van hun levensdagen.
HOOFDSTUK VI.
VISITES MAKEN.
"Kom Jo, het is tijd."
"Waarvoor?"
"Je meent toch niet, dat je je belofte vergeten hebt, om vandaag een stuk of zes visites met mij te gaan maken!"
"Ik heb heel wat dolle dingen in mijn leven gedaan, maar ik geloof niet, dat ik ooit zoo gek geweest ben van te beloven, dat ik op één dag zes visites zou maken, terwijl één visite me al voor een heele week van de wijs brengt."
"Je hebt het tóch beloofd. We hadden afgesproken dat ik die potloodschets van Bets zou afmaken, en jij dan behoorlijk met mij zou mee gaan, om de buurvisites te beantwoorden."
"Als het mooi weer was; dat stond in het contract en ik houd mij aan de letter van het verdrag, Shylock. [4] Er zijn donderwolken in het oosten; het is géén mooi weer, en ik ga dus _niet_."
"Dát is flauw van je! 't Is prachtig weer; geen kwestie van regen, en jij die er een eer in stelt altijd je beloften te houden, moest je nu ook eerlijk aan de afspraak houden. Toe, Jo, doe je plicht, dan zal ik je weer voor een half jaar met rust laten."
Jo was juist op dat oogenblik zeer verdiept in haar naaiwerk, want zij was de japonnenmaakster voor de heele familie, en bizonder over zichzelve voldaan, dat zij de naald even goed hanteeren kon als de pen. Het was meer dan vervelend nu gestoord te worden, nu zij er juist aan toe was voor het eerst te passen. En dan in je beste plunje op een heeten Julidag uitgesleept te worden om visites te maken! Zij vond die plechtstatige bezoeken een gruwel, en deed ze nooit, zonder door Amy in de engte gedreven te zijn door een verdrag, een omkooping of een belofte. In dit bepaalde geval was geen uitvlucht mogelijk; en nadat zij knorrig haar schaar had neergegooid met de opmerking, dat zij een donderbui "rook", gaf zij toe, borg haar werk weg, nam met een onderworpen gezicht haar hoed en haar handschoenen op, en deelde Amy mee, dat het slachtoffer gereed was.
"Jo March, jij zou een heilige uit zijn vel doen springen! Je bent toch niet van plan in dat costuum visites te gaan maken, hoop ik," riep Amy, haar met verbazing aanstarend.
"Waarom niet? Ik ben netjes en luchtig en op mijn gemak; juist goed voor een stoffige wandeling op een warmen dag. Als de menschen meer om mijn kleeren dan om mijzelf geven, begeer ik ze niet te zien. Jij kunt voor ons beiden toilet maken, en er zoo elegant uitzien als je maar wilt; jij hebt er eer van als je je mooi maakt; ik niet, en al die prullen vind ik maar last."
"O, hemel!" zuchtte Amy, "nu is zij in de contramine, en zal me half dol maken, eer ik haar ordentelijk klaar kan krijgen.--'t Is voor mij ook geen plezier vandaag te gaan, maar het is een plicht, dien we aan de samenleving verschuldigd zijn, en jij en ik zijn de eenigen, die daarvoor op kunnen komen. Ik wil alles voor je doen, Jo, als je je netjes wilt aankleeden, en beleefd zijn. Je weet altijd zooveel te praten, en je kunt er zoo gedistingeerd uitzien, als je je beste mantelpak aan hebt; en als je maar wilt, weet je je zoo goed voor te doen, dat ik dikwijls trotsch op je ben. Ik ben te verlegen om alleen te gaan; toe, ga dus maar mee om mij te helpen!"
"Je bent een slim poesje om je knorrige ouwe zuster op die manier te vleien en te bepraten. Verbeeld je! _Ik_ gedistingeerd en welgemanierd, en jij te verlegen om ergens alleen heen te gaan! Ik weet niet, wat belachelijker is. Nu, maar ik zal gaan, als het dan zoo wezen moet, en mijn best doen. Jij moet de aanvoerder van de expeditie zijn, en ik zal blindelings gehoorzamen: is het dan goed?" vroeg Jo, plotseling van weerbarstigheid tot de meest volmaakte onderwerping overslaande.
"Je bent een engel! Trek nu al je netste dingen aan, en ik zal je zeggen, hoe je je bij iedere familie moet gedragen, om den besten indruk achter te laten. Ik wou zoo graag, dat de menschen van je hielden, en zij zouden het zeker doen, als je je maar wat wou inspannen en een beetje toeschietelijk zijn. Doe je haar op die aardige manier van laatst en steek een roode roos in je manteltje; die kleurt je goed, en je ziet er anders in je donkere pak wat al te stemmig uit. Krijg nu je lichte handschoenen en dat geborduurde zakdoekje. Wij zullen even bij Meta aangaan, om haar witte parasol te leen te vragen; dan kun jij mijn lichtgrijze gebruiken."
Terwijl Amy zich kleedde, gaf zij haar bevelen, en Jo bracht ze ten uitvoer; evenwel niet zonder gedurig protest, want zij zuchtte onder het aantrekken van haar nieuwe pak, fronste haar wenkbrauwen, en worstelde wanhopig met spelden, toen zij haar nieuwe tulen jabot vóórdeed, trok een leelijk gezicht, terwijl zij het zakdoekje uit de plooien schudde, en vond het borduursel even onaangenaam voor haar neus, als de aanstaande expeditie voor haar gevoelens; en toen zij, als toppunt van élégance haar handen gewrongen had in nieuwe handschoenen, keerde zij zich met een onnoozel gezicht tot Amy en zei onderdanig:
"Ik voel mij diep ellendig; maar als jij vindt, dat ik presentable ben, sterf ik gelukkig!"
"Ik ben bizonder tevreden; draai je nu eens langzaam rond, en laat ik je eens goed opnemen."
Jo draaide rond, en Amy trok eens hier en daar, en ging toen achteruit met het hoofd op zij, terwijl zij welgevallig aanmerkte:
"Jo, 't is goed, je hoofd is perfect in orde, want die witte hoed staat je best. Trek je schouders wat naar achteren, en houd je handen niet zoo stijf; wat doet het er toe, of je handschoenen wat knellen, ik ben blij dat tante March je zulke mooie gegeven heeft. Zit mijn mantel recht, en heb ik mijn japon gelijk opgenomen? Ik laat graag mijn laarzen zien, want mijn voeten zijn mooi, al is mijn neus het dan ook niet."
"Je bent een juweeltje, en het is een artistiek genot je te aanschouwen," verzekerde Jo, terwijl zij met het air van een kenner door haar hand het effect van den blauwen hoed tegen het goudblonde haar opnam. "Moet ik mijn besten rok door het stof slepen, of mag ik hem opnemen, mejuffrouw?"
"Houd hem op onder het loopen; maar laat hem als je binnen komt vooral _onmiddellijk_ los, want dat vergat je laatst! Je hebt je eenen handschoen maar half toegeknoopt, doe het dadelijk even. Je kunt er nooit netjes uitzien, als je niet op de kleine détails let, want zij maken het nette geheel uit."
Jo zuchtte, en had de voldoening, dat, onder het vastmaken van haar eenen handschoen, de knoopjes van den anderen lossprongen, maar eindelijk waren zij beiden gereed, en stevenden weg. "Net een paar schilderijtjes," vond Hanna, die boven uit het raam lag, om ze na te kijken.
"Nu Jo, de Chesters zijn nogal aristocratisch, dus bij hen moet je je bizonder goed gedragen. Maak nu niet zulke wonderlijke opmerkingen en doen niets raars, hoor! Wees alleen maar kalm, gewoon en bedaard, dat is altijd veilig en lady-like, en dat kun je toch wel een kwartiertje uithouden," zei Amy, toen zij het eerste huis naderden, nadat zij de witte parasol hadden afgehaald, en door Meta, met een kind op elken arm, waren geïnspecteerd.
"Laat eens kijken: kalm, gewoon en bedaard,--ja, dat kan ik wel op mij nemen. Ik heb eens de rol van een stemmige jonge dame moeten spelen, en die zal ik nu vertoonen. Mijn talent is groot, zooals je zult zien; wees dus volkomen gerust, mijn kind."
Amy glimlachte tevreden, maar de ondeugende Jo hield haar aan haar woord; want gedurende het eerste bezoek zat zij daar in een keurige houding, met onberispelijke kleeren, kalm en effen als de zomerzee, koel als een ijsschots, en stom als een sphinx. Tevergeefs sprak mevrouw Chester over haar "interessanten roman"; tevergeefs brachten de jonge dames Chester partijen, pic-nics, de opera en de modes op het tapijt; alles werd beantwoord met een glimlach, een hoofdbuiging en een stemmig "ja" of "neen." Tevergeefs telegrafeerde Amy het woord "práát", tevergeefs trachtte zij haar in 't gesprek te mengen, of stootte ze haar ongemerkt met haar voet aan; Jo keek zoo onschuldig, alsof zij de beschrijving van Maud's [5] gelaat: "IJskoude schoonheid, prachtige nul," plastisch wilde voorstellen.
"Wat een trotsch, onbehaaglijk wezen is die oudste juffrouw March," was de ongelukkig nog hoorbare opmerking van een der dames, toen de deur zich achter de bezoeksters sloot. Jo lachte stilletjes de heele gang door, maar Amy keek kwaad over de mislukking van haar raadgevingen, en gaf, zeer natuurlijk, de schuld aan Jo.
"Hoe kón je me nu zóó verkeerd begrijpen? Ik meende alleen maar, dat je behoorlijk waardig en bedaard moest zijn, en nu doe je net of je een stok of een steen bent. Doe nu in vredesnaam je best om gezellig te wezen bij de Lambs; praat zooals de andere meisjes doen, en stel belang in modes en hofmakerijen, en welke nonsens er ook op het tapijt komt. Zij gaan in de beste kringen uit, en het is voor ons veel waard dat wij ze kennen, daarom zou ik hier niet graag een verkeerden indruk maken."
"Ik zal voorkomend zijn, praten en grinneken en over elke kleinigheid gieren of mijn afschuw toonen, al naar je maar wilt. Ik vind het heusch nogal grappig, en zal nu voorstellen, wat men een '_allerliefst_ meisje' noemt. Ik kan het best doen, want ik heb May Chester voor model, en dat zal ik nog wat uitwerken. Pas maar eens op, of de Lambs niet zullen zeggen: 'Wat een levendig, aardig schepseltje is die Jo March!'"
Amy werd meer en meer ongerust, en dat mocht zij ook wel, want als Jo eens begon met haar dwaasheden, wist men niet waar zij zou ophouden. Het was de moeite waard Amy's gezicht te zien, toen zij haar zuster het volgend salon zag binnenwippen, al de jonge dames met de grootste hartelijkheid zag omhelzen, de jongeheeren minzaam toelachen, en zich zoo levendig in het gesprek mengen, dat ze er van versteld stond. Amy werd in beslag genomen door mevrouw Lamb, van wie zij een lievelingetje was, en moest een lang verslag aanhooren van Lucy's laatste ziekte, terwijl drie uitgaande jongelui om haar heen zweefden, en slechts op een pauze wachtten, om haar aan te spreken en te bevrijden. In deze positie was het haar volstrekt onmogelijk Jo te stuiten, die door een boozen geest bezeten scheen, en even levendig doorrammelde als de oude dame. Er vormde zich een kringetje rondom haar, en Amy spitste de ooren om te hooren, wat er verhandeld werd, want verbaasde uitroepen vervulden haar met angst, opengesperde oogen en opgeheven handen deden haar vergaan van nieuwsgierigheid en herhaalde uitbarstingen van lachen haar branden van verlangen om aan de vroolijkheid deel te nemen. Men kan zich een denkbeeld maken van haar lijden, daar zij fragmenten opving als:
"Zij rijdt keurig--van wien heeft zij het geleerd?"
"Van niemand; zij oefende zich in het opstijgen, het houden van den teugel en het rechtop zitten, op een oud zadel in een boom. Nu kan zij alle paarden berijden; ze kent geen angst, en de verhuurder geeft haar de paarden goedkoop, omdat zij ze zoo goed voor dames dresseert. Zij is er zoo'n hartstochtelijke liefhebster van, dat zij in tijd van nood een uitstekende paardentemster zou kunnen worden, en zoo den kost verdienen."
Bij dit vreeselijke verhaal kon Amy zich slechts met moeite bedwingen. Het moest immers wel den indruk maken, alsof zij een bizonder mannelijke jonge dame was, iets waarvan zij juist den grootsten afkeer had! Maar wat kon zij er aan doen? De oude dame was in het midden van haar verhaal, en lang voordat dit uit was, zat Jo al weer op haar praatstoel, deed nog meer dwaze onthullingen en beging nog vreeselijker misslagen.
"Ja, Amy was dien dag wanhopig, want al de goede paarden waren verhuurd, en van de drie, die er nog overbleven, was het eene lam, het andere blind en het derde zoo koppig, dat men zand in zijn mond moest stoppen, om hem voort te krijgen. Een aardig beest voor een plezierritje, hè?"
"En welk nam zij?" vroeg een der lachende heeren, die zeer veel belang in dit onderwerp stelden.
"Geen van de drie. Zij hoorde van een jong paard op een boerderij aan den overkant van de rivier, en hoewel er nooit een dame op gereden had, besloot zij het te probeeren, omdat het zoo mooi en dartel was. U weet niet hoeveel moeite ze zich getroostte! Er was niemand om het paard bij het zadel te brengen, en dus bracht zij het zadel bij het paard. Ja heusch, zij roeide het over de rivier, nam het op haar hoofd en liep er mee naar de schuur, tot groote verbazing van den ouden boer!"
"En bereed zij dat paard?"
"Natuurlijk, en zij had een heerlijken rit. Ik was bang, dat ik haar aan stukken naar huis zou zien brengen, maar zij wist het perfect in toom te houden, en was de ziel van de partij."
"Nou, dat noem ik kranig!" en de jonge Lamb wierp een goedkeurenden blik op Amy, en begreep niet wat zijn moeder toch kon zeggen, dat haar zoo rood en verlegen maakte.
Zij werd nog rooder en verlegener, toen door een plotselinge wending in het gesprek het toilet op het tapijt kwam. Een der jonge dames vroeg Jo, waar zij toch dien mooien grijzen hoed vandaan had, dien zij op den pic-nic ophad; en die domme Jo, in plaats van den winkel te noemen, waar hij twee jaar geleden gekocht was, antwoordde met geheel onnoodige openhartigheid: "O, Amy had hem geverfd; die zachte kleuren kun je dikwijls niet koopen, daarom verven wij onze hoeden in elke tint, die wij verlangen. Ja 't is een groot gemak als je een kunstenares tot zuster hebt!"
"Hoe origineel!" riep juffrouw Lamb uit, die Jo erg grappig vond.