Op Eigen Wieken

Chapter 27

Chapter 273,217 wordsPublic domain

"Ik vind toch maar, dat familiekringen de mooiste dingen in de wereld zijn!" riep Jo uit, die dien avond in een bizonder blijde stemming was, "wanneer ik mijn eigen huishouden heb, hoop ik, dat ik zoo gelukkig zal zijn als de drie gezinnen, die ik ken, en het meest liefheb. Als John en Fritz nu nog maar hier waren, zou het hier heusch een hemel op aarde zijn," voegde zij er rustiger bij. En toen zij dien avond naar haar kamer ging, na een intiemen familieraad, waarin aller hoop en plannen besproken waren, was haar hart zoo vol van geluk, dat zij het slechts tot kalmte kon brengen, door bij het ledige bedje, dat op zijn oude plaats was blijven staan, neer te knielen en met teedere liefde aan Betsy te denken.

Over 't geheel genomen was het een heel buitengewoon jaar, waarin alle dingen op een buitengewoon vlugge en plezierige manier schenen te gebeuren. Bijna voordat zij het goed besefte, was Jo getrouwd en woonde zij op Plumfield, waar weldra een troepje van zes of zeven jongens als paddestoelen rondom haar verrees, en er verwonderlijk goed gedijde. Arme jongens zoowel als rijke; want mijnheer Laurence vond telkens een hartbrekend geval van de grootste verlatenheid, en smeekte de Bhaers zich over het kind te ontfermen,--hij zou dan gaarne een kleinigheid voor zijn onderhoud betalen. Op die wijze verschalkte de slimme oude heer onze hooghartige Jo, en bezorgde haar die soort van jongens, die haar het meest aantrokken.

In het begin was het natuurlijk zwaar werk, en Jo maakte allerlei dwaze vergissingen; maar de verstandige professor stuurde haar veilig in kalmer vaarwater, en de meest uitgelaten deugniet werd ten laatste getemd. Hoe genoot Jo van haar "bende," en hoe zou die goede tante March gekermd hebben, als zij had kunnen zien, hoe de heilige grenspalen van het stijve, welgeordende Plumfield overschreden werden door wilde Toms, Dicks en Harrys. Maar in dit alles was een soort van poëtische vergelding te zien, want de oude dame was de schrik van al de jongens uit den omtrek geweest; en nu smulden de kleine bannelingen naar hartelust van de verboden pruimen, schopten met hun ongewijde schoenen in het kiezel, zonder dat iemand hen beknorde, en speelden voetbal in de groote wei, waar de strijdlustige koe met de kromme horens gewoonlijk de brutale jeugd tot een kampstrijd placht uit te noodigen. De school werd als het ware een paradijs voor jongens, en Laurie wilde haar "Der Bhaergarten" doopen, als een compliment aan den eigenaar, en als zeer toepasselijk op de bewoners.

Het werd nooit een modelschool, en de professor verdiende er geen schatten mee; maar het was juist, wat Jo gehoopt had--een gelukkig tehuis voor jongens, die onderwijs, zorg en liefde noodig hadden. Elke kamer in de groote villa had spoedig haar bestemming, elk plekje in den tuin weldra zijn eigenaar gevonden. Een complete menagerie verscheen in de schuur en het tuinhuis--want allerlei dieren werden toegelaten,--en driemaal per dag knikte Jo haar Fritz toe van het hoofd der lange tafel, aan beide zijden met gelukkige jonge gezichten versierd, die zich alle tot haar keerden met vriendelijk lachende oogen, vertrouwelijke woorden en dankbare harten, overvloeiende van liefde voor "Moeder Bhaer." Zij had nu zeker jongens genoeg om zich heen, maar kreeg er volstrekt nog niet genoeg van, ofschoon zij lang geen engelen waren, en sommigen hunner aan Professor en Professorin beiden, veel zorg en moeite veroorzaakten. Doch haar geloof aan het zachte plekje, dat in elk hart bestaat, zelfs in dat van den weerbarstigste en ondeugendste, gaf haar geduld en handigheid, en, na verloop van tijd, succes,--want geen enkele jongen kon zich lang verharden, wanneer Vader Bhaer hem met zijn goedige oogen door en door keek, en Moeder Bhaer hem zeventig maal zeven maal vergaf. De kostelijkste belooning was voor Jo de vriendschap der jongens, hun berouwvolle tranen en beloften van beterschap na kleine overtredingen, hun grappige of aandoenlijke geheimen, hun luchtkasteelen, vurige hoop, en plannen voor de toekomst; zelfs hun ongelukken,--want zij had hen daarom slechts te hartelijker lief. Er waren achterlijke jongens, en verlegen jongens, zwakke en baldadige jongens, jongens die lispelden, en jongens die stotterden, een paar kreupelen, en een vroolijke kleine mulat, die nergens een onderkomen kon vinden, maar in den "Bhaergarten" liefdevol werd opgenomen, ondanks de bewering van sommige menschen, dat zijn toelating den ondergang der school ten gevolge zou hebben.

Jo was een echt gelukkige vrouw, hoewel zij hard moest werken, veel angst uitstond en onder een aanhoudend rumoer leefde. Zij genoot er met hart en ziel van, en geen lof voldeed haar meer dan de toejuiching van haar jongens,--want nu vertelde zij haar verhalen alleen nog aan haar geestdriftvolle bewonderaars en vereerders. Na verloop van tijd kwamen twee kleine _eigen_ jongetjes haar geluk nog verhoogen; Rob, naamgenoot van Grootpapa, en Teddy, een gelukskindje, dat zijn vaders zonnig humeur, zoowel als zijn moeders geest scheen geërfd te hebben. Hoe zij in het leven bleven en opgroeiden, in dien maalstroom van jongens, was een mysterie voor hun grootmoeder en tantes; maar zij bloeiden als paardebloemen in de lente, en hun onbeholpen kindermeisjes waren dol op hen en verzorgden ze goed.

Er waren heel veel vacantiedagen op Plumfield, en een van de allerplezierigste was die, ter eere van den jaarlijkschen appeloogst; want dan kwamen de families March, Laurence, Brooke en Bhaer, om met vereende krachten dien dag te vieren. Vijf jaar na Jo's huwelijk vond er zoo'n oogstfeest plaats. 't Was een van die zachte koele Octoberdagen, waarop de lucht zoo opwekkend frisch is, dat alle levensgeesten wakker worden en het bloed vlugger door de aderen stroomt. De oude boomgaard scheen wel in feestdos gehuld; goudsbloemen en asters omzoomden de met mos begroeide muren; sprinkhanen wipten door het dorre gras, en krekeltjes piepten als muzikantjes bij een elfenmaaltijd. De eekhoorns waren druk bezig met het binnenhalen van hun wintervoorraad, de vogels tjilpten hun afscheidslied in de hooge elzen, en alle boomen zaten zoo vol, dat zij stellig bij de eerste schudding een regen van roode en gele appels op de hoofden der jongens zouden doen neerdalen. Allen waren op het appèl, iedereen lachte en zong, of klom in een boom en tuimelde naar beneden; allen verklaarden, dat zij nog nooit zoo'n verrukkelijken dag gehad hadden; ten minste niet in zulk vroolijk gezelschap,--en iedereen gaf zich geheel over aan het genot van het oogenblik, alsof zooiets, als zorg en droefheid, in de wereld niet bestond.

De oude heer March wandelde kalm rond met den ouden heer Laurence, nu en dan genietende van

"De geur'ge, zachte appelwijn."

De professor trok als een dapper ridder door de lanen, met een stok tot lans, aan het hoofd zijner jongens, die allerlei kunsten vertoonden, en wonderen verrichtten in het buitelen en springen. Laurie wijdde zich aan de kleintjes, trok zijn dochtertje voort in een schepelsmand, klom met Daisy in een boom, om naar een vogelnestje te kijken, en zorgde, dat de avontuurlijke Rob zijn hals niet brak. Mevrouw March en Meta zaten tusschen de hoopen appels, als een paar Pomona's en sorteerden de soorten, die nog steeds aangroeiden. Amy was bezig de verschillende groepjes te schetsen, en waakte met teedere zorg over een bleek ventje, dat haar, met zijn kruk naast zich, in bewonderende aanbidding aanstaarde.

Jo was dien dag in haar element; ze vloog heen en weer, haar japon opgespeld, haar hoed overal, behalve op haar hoofd, en haar jongste kind onder den arm, gereed om de behulpzame hand te bieden, zoodra er het een of ander mocht gebeuren. Kleine Teddy's leven scheen als door tooverkracht beveiligd te zijn, want hij kreeg nooit een ongeluk, en Jo maakte zich nooit ongerust, wanneer hij door een der jongens op een boomtak gezet werd, weggaloppeerde op den rug van een ander, of een zure renet te eten kreeg van zijn toegevenden papa, die in den waan verkeerde, dat kleine kinderen alles kunnen verteeren, van zuurkool af tot knoopen, spijkers en hun eigen schoentjes toe. Zij wist dat kleine Teddy wel op zijn tijd weer boven water zou komen, gezond en blozend, vuil en vroolijk, en zij ontving hem altijd met een hartelijk welkom, want Jo had haar kinderen innig lief.

Om vier uur werd er een oogenblik pauze gehouden, de manden bleven half gevuld, de appeldragers namen rust, en vergeleken elkaars scheuren en schrammen. Daarna zetten Jo en Meta, geholpen door een paar van de grootste jongens, het theegoed klaar op het gras,--want de theepartij buiten was altijd de grootste pret op den dag. Het land vloeide bij zulke gelegenheden letterlijk over van melk en honing, en de jongens behoefden niet om de tafel te zitten, maar mochten af en aan loopen, en eten en drinken als zij er lust in hadden, daar vrijheid toch de meest geliefde spijs is voor een jongensziel. In den ruimsten zin van het woord maakten ze gebruik van het zeldzame voorrecht, want enkelen probeerden de grap om, op hun hoofd staande, melk te drinken, anderen zetten het haasje-over dubbele bekoorlijkheid bij, door in de pauze tulband te eten; koekjes werden mild over het gras gestrooid en appelbollen mee in de boomen genomen, alsof de jongens eekhoorns waren. De kleine meisjes hielden een afzonderlijk theepartijtje, en Ted grabbelde naar welgevallen onder de eetbare waren.

Toen niemand meer iets in zijn maag kon bergen, stelde de professor den eersten algemeenen toast in, die altijd bij zulke gelegenheden gedronken werd: "Tante March; God zegene haar!" Een toast, van harte gemeend door den goeden man, die nooit vergat, hoeveel hij aan haar verschuldigd was, en rustig gedronken door de jongens, die geleerd hadden haar nagedachtenis te eerbiedigen.

"Nu op Grootma's zestigsten verjaardag! Lang leve zij, en driemaal drie hoera's!"

Dat ging meer van harte, zooals men denken kan; en toen de hoera's eenmaal begonnen waren, bleek het moeilijk er een einde aan te maken. Ieders gezondheid werd daarop gedronken, van den ouden heer Laurence af, die als hun bizonderen beschermheer werd beschouwd, tot aan het verbaasde marmotje toe, dat uit zijn eigen gebied was komen aanwippen, om zijn jongen meester te zoeken. Demi bood toen, als oudste kleinkind, de koningin van den dag verscheiden geschenken aan, zoo talrijk, dat zij op een kruiwagen naar het feestterrein moesten gebracht worden. Sommige van die presenten waren allergrappigst, maar wat voor andere oogen van nul en geener waarde zou schijnen, bleek kostbaar in die van Grootma,--want de cadeautjes der kinderen waren hun eigen werk. De steken, waarmee Daisy's geduldige vingertjes den zakdoek gezoomd hadden, waren haar meer waard dan het mooiste borduursel; Demi's naaikistje was een wonder van handenarbeid, hoewel het deksel niet sluiten wou; Rob's voetenbankje wiegelde wel een beetje, omdat de pooten ongelijk waren, maar de jarige vond, dat zoo'n kleinigheid er niets op aan kwam, en geen bladzijde van het kostbare boek, dat Amy's kind haar aanbood was zoo schoon in haar oogen, als de eerste, waarop in dronken hoofdletters te lezen stond: "Aan de lieve Grootma van haar kleine Bets."

Onder deze plechtigheid waren de jongens op een geheimzinnige wijze verdwenen; en toen mevrouw March haar kinderen had willen bedanken, maar ontroerd middenin was blijven steken, waarom Teddy haar oogen afdroogde met zijn morsboezelaar, hief de professor eensklaps een lied aan. En toen sloot, boven zijn hoofd, de eene stem voor en de andere na, zich bij hem aan, en van boom tot boom weergalmde de muziek van het onzichtbaar koor; want de jongens zongen uit volle borst het lied, dat door Jo gemaakt en door Laurie op muziek gezet was, en dat zij, met behulp van den professor, ingestudeerd hadden, om het met het grootst mogelijk effect te kunnen voordragen. Dat was iets geheel nieuws, en slaagde bizonder, want mevrouw March kon maar niet van haar verbazing bekomen, en wilde met ieder der vederlooze vogels handen schudden, van den langen Emil en Franz af, tot den kleinen mulat toe, die de welluidendste stem van allen had.

Toen dat afgeloopen was, verspreidden de jongens zich om nog wat pret te maken, mevrouw March en haar dochters achterlatende om kalm te genieten onder den feestboom.

"Ik vind dat ik mezelf nooit weer 'ongelukkige Jo,' mag noemen, nu mijn grootste wensch zoo heerlijk vervuld is," zei mevrouw Bhaer, en trok Teddy's vuistje uit de melkkan, waarin hij naar hartelust scheen te karnen.

"En toch is je leven zoo heel anders, dan je je jaren geleden voorstelde. Herinner je je onze luchtkasteelen nog?" vroeg Amy, met een glimlach naar Laurie en John kijkende, die met de jongens cricket speelden.

"Beste jongens! Het doet mijn hart goed te zien, hoe zij voor een dag hun drukke bezigheden eens aan den kant zetten en onbezorgd pret hebben," antwoordde Jo, die nu op moederlijken toon van het gansche menschdom sprak. "Ja, ik herinner het mij; maar het leven, dat ik toen voor mezelf begeerde, schijnt mij nu zelfzuchtig, eenzaam en koud toe. Ik heb de hoop nog niet opgegeven om eenmaal een goed boek te schrijven, maar ik kan wachten, en ik ben zeker, dat het nog beter zal worden door ondervindingen en illustraties als deze;" en Jo wees van de woelige jongens naar haar vader, die geleund op den arm van den professor, in den zonneschijn heen en weer wandelde, geheel verdiept in een van die gesprekken, waarvan beiden zoo genoten, en daarna op haar moeder, als een koningin te midden van haar dochters gezeten, met de kinderen aan haar voeten of op haar schoot, alsof allen hulp en geluk vonden in het gelaat, dat voor die liefhebbende oogen nooit oud kon worden.

"Mijn kasteel is nog het meest werkelijkheid geworden. Ik vroeg wel om prachtige dingen, maar ik wist in mijn hart toch wel, dat ik tevreden zou zijn met een aardig klein huisje, en John, en een paar lieve kinderen. Ik heb dat alles gekregen, God zij gedankt, en ik ben de gelukkigste vrouw ter wereld," zuchtte Meta, terwijl ze haar hand op het hoofd van haar flinken zoon legde, met een gezicht, waarop volmaakt geluk en teedere liefde te lezen stonden.

"Mijn kasteel is heel anders geworden dan ik gedacht had, maar ik zou het voor niets willen ruilen, hoewel ik, evenmin als Jo, al mijn kunstenaarshoop opgeef, of er mij alleen toe bepaal anderen te helpen hun droomen te verwezenlijken. Ik ben begonnen aan een beeldje van kleine Bets, en Laurie zegt, dat het 't beste is, wat ik nog ooit gemaakt heb. Ik vind dat zelf ook, en ben van plan het in marmer te laten uithouwen, zoodat ik, wat er ook gebeuren moge, ten minste het afbeeldsel heb van mijn lieve schat."

Terwijl Amy sprak, viel er een groote traan op het goudlokkig hoofdje van het slapende kind in haar armen; want haar eenig dochtertje bleef een teer popje, en de angst, haar eens te kunnen verliezen, was de eenige schaduw over Amy's zonneschijn. Deze zorg werkte veel goeds uit voor vader en moeder beiden; die liefde en droefheid maakten hun verbond nog inniger. Amy's gemoed werd teederder, dieper en zachter, Laurie werd ernstiger, sterker en flinker; en beiden leerden, dat schoonheid, jeugd, voorspoed en liefde, zelfs den meest gezegende niet bewaren kunnen voor zorg, verlies en smart.

"Ze zal wel sterker worden, daar ben ik zeker van; laat den moed niet zakken, maar hoop en wees gelukkig," zei mevrouw March, en de teerhartige Daisy bukte, om haar eigen rooskleurig wangetje te drukken tegen het bleeke gezichtje van haar nichtje.

"Dat mag ik ook niet, zoolang ik u heb om mij te bemoedigen, Moederlief, en Laurie om meer dan de helft van elken last te dragen," antwoordde Amy met warmte. "Hij laat mij nooit merken, hoe bezorgd hij zich maakt, maar is zoo lief en geduldig voor mij, zoo engelachtig voor Bets, en altijd zoo'n steun en troost bij alles, dat ik hem niet half genoeg kan liefhebben. En dus kan ik, ondanks mijn groote zorg, met Meta zeggen: 'Ik ben, God zij gedankt, een gelukkige vrouw.'"

"Ik hoef het niet te zeggen, want iederen kan zien, dat ik veel gelukkiger ben, dan ik verdien," voegde Jo er bij, en liet den blik gaan over haar besten man en over de stevige kinderen, die naast haar in het gras stoeiden. "Fritz wordt grijs en gezet, ik zoo mager als een schim, en ik ben al over de dertig; wij zullen nooit rijk worden, en Plumfield zal misschien wel eens in brand vliegen, want die onverbeterlijke Tommy Bangs wil nu eenmaal sigaretten maken van Spaansche kervel, en die onder de dekens rooken, hoewel hij zich al driemaal deerlijk gebrand heeft. Maar ondanks die onromantische dingen, heb ik mij over niets te beklagen, en ben ik nog nooit in mijn leven zoo jolig geweest. Vergeef me die uitdrukking, maar nu ik zoo onder jongens leef, kan ik niet helpen, dat ik soms hun woorden wel eens overneem."

"Ja, Jo, ik denk, dat jouw oogst heel groot zal zijn," begon mevrouw March, en verdreef een groote zwarte tor, die Teddy bang maakte.

"Niet half zoo groot als de uwe, Moeder. Hier is hij, om u heen, en wij kunnen u nooit genoeg danken voor al het geduld, waarmee u gezaaid en gemaaid hebt," riep Jo, met haar oude onstuimige hartelijkheid.

"Ik hoop, dat er jaarlijks meer tarwe en minder onkruid mag zijn," zei Amy zacht.

"Een groote schoof, maar ik weet, dat er plaats voor is in uw hart, Moederlief," voegde Meta's warme stem er bij. Tot in het diepst harer ziel geroerd kon mevrouw March niets anders doen dan de armen uitstrekken, alsof zij kinderen en kleinkinderen tegelijk aan haar hart wilde drukken, en met een gelaat en stem vol van moederliefde en nederige dankbaarheid, zei zij: "o, Kinderen, hoe lang jullie ook moogt leven, ik kan je nooit grooter geluk toewenschen, dan wat mij nu ten deel valt!"

INHOUD.

HOOFDSTUK I. Een Praatje HOOFDSTUK II. Het eerste Huwelijk HOOFDSTUK III. Artistieke Proefnemingen HOOFDSTUK IV. Letterkundige Ondervindingen HOOFDSTUK V. Huiselijke Ondervindingen HOOFDSTUK VI. Visites maken HOOFDSTUK VII. Gevolgen HOOFDSTUK VIII. Onze buitenlandsche Correspondente HOOFDSTUK IX. Verborgen Leed HOOFDSTUK X. Jo's Dagboek HOOFDSTUK XI. Een Vriend HOOFDSTUK XII. Harteleed HOOFDSTUK XIII. Betsy's Geheim HOOFDSTUK XIV. Nieuwe Indrukken HOOFDSTUK XV. Op zij gezet HOOFDSTUK XVI. Luie Laurence HOOFDSTUK XVII. De Vallei der Schaduwen des Doods HOOFDSTUK XVIII. Laurie zoekt te vergeten HOOFDSTUK XIX. Alleen HOOFDSTUK XX. Verrassingen HOOFDSTUK XXI. Mijnheer en Mevrouw HOOFDSTUK XXII. Daisy en Demi HOOFDSTUK XXIII. Onder de Parapluie HOOFDSTUK XXIV. De Oogst

AANTEEKENINGEN

[1] Uit Dickens' _David Copperfield_.

[2] _Scarabeeën_ (Keversteenen) zijn oude Egyptische, voor heilig gehouden steenen, die op den bollen kant den vorm van een kever, in hun holte een klein gedenkbeeld vertoonen. Vert.

[3] Mantalini, een bekende figuur uit Dickens' _Nicholas Nickleby_, die steeds schulden maakt en op kosten van zijn vrouw leeft.

[4] Uit Shakespeare's: _Koopman van Venetië_.

[5] In Tennyson's gedicht van dien naam: "_Icily regular, splendidly null._"

[6] Mrs. Malaprop (mal à propos) is een figuur uit Sheridan's blijspel _The Rivals_ (de Medeminnaars), bekend om de grappige manier waarop ze verschillende uitdrukkingen en personen dooreenhaspelt.

[7] Een Atheensch wever, voorkomende in Shakespeare's: _Midzomernachtsdroom_, waarin Titania, de feeënkoningin, ook een hoofdrol vervult.

[8] Beroemd boek van den Engelschen schrijver Thomas Carlyle.

[9] 't Engelsche _husband_ = echtgenoot.

[10] John Bunyan: _The Pilgrim's Progress_.

[11] Uit Bunyan's "Reize naar de Eeuwigheid."

[12] Beroemd Engelsch letterkundige.

[13] In Dickens' _David Copperfield_.

[14] De grappige knecht van Pickwick (Dickens).