Chapter 26
"O, neem me niet kwalijk; ik zag den wagen niet heel goed. Maar het doet er niet toe, ik kan wel loopen, ik ben er aan gewend om door de modder te baggeren," antwoordde Jo, sterk knipoogende, omdat zij liever wilde sterven dan openlijk haar oogen afvegen.
Mijnheer Bhaer zag de tranen op haar wangen, ofschoon zij het gelaat afwendde en dat gezicht scheen hem sterk te treffen, want zich plotseling over haar heen buigende, vroeg hij op een toon waarin alles lag opgesloten: "Liefste van mijn hart, waarom weent ge?"
Als Jo nu aan die soort van dingen gewend was geweest, zou zij misschien gezegd hebben, dat zij niet schreide, maar verkouden in het hoofd was, of een ander vrouwelijk leugentje, gepast voor de gelegenheid, verzonnen hebben; maar in plaats daarvan antwoordde ze "heel onbetamelijk", half snikkend: "Omdat u weggaat!"
"Omdat ik wegga? Ach Gott, dat is al te goed!" riep mijnheer Bhaer in verrukking, en niettegenstaande de pakjes en zijn parapluie sloeg hij zijn handen in elkaar. "Jo, ik heb u niets te geven dan heel veel liefde; ik kwam zien, of dat je genoeg kon schelen, en ik wachtte, om er zeker van te zijn, dat ik meer dan een vriend was. Is dat zoo? Kunt gij in uw hart een klein plaatsje voor den ouden Fritz inruimen?" voegde hij er in één adem bij.
"O ja!" antwoordde Jo, en hij was volkomen tevreden, want zij vouwde haar handen om zijn arm, en keek naar hem op, met oogen, die duidelijk zeiden, hoe gelukkig zij zijn zou, als zij dit leven met hem kon doorwandelen, zelfs al had zij geen betere beschutting dan de oude parapluie--wanneer hij die maar droeg.
Dit was zeker wel een huwelijksvoorstel onder moeilijke omstandigheden, want al had hij 't gewild, mijnheer Bhaer had toch onmogelijk voor haar kunnen neerknielen; de straat was er te modderig voor. Evenmin kon hij Jo zijn hand aanbieden, behalve in overdrachtelijken zin, want hij had beide handen vol; nog veel minder kon hij zijn hart lucht geven in teedere liefkoozingen op de publieke straat, hoewel hij er na aan toe was; dus bleef de eenige manier, waarop hij zijn blijdschap kon toonen, haar aan te kijken met een zoo zonnigen blik, dat er werkelijk kleine regenboogjes schenen te ontstaan in de droppels, die op zijn baard vonkelden. Indien hij Jo niet zoo innig had liefgehad, geloof ik niet, dat hij op dat oogenblik zijn hart aan haar zou hebben kunnen verliezen, want zij was een alles behalve bevallige verschijning--haar rokken in een betreurenswaardigen staat, haar overschoenen een en al modder, en haar hoed druipnat. Gelukkig beschouwde mijnheer Bhaer haar als de schoonste vrouw, die hij ooit gezien had, en vond zij hem meer "Jupiterachtig" dan ooit, hoewel de rand van zijn hoed heelemaal slap hing, door de kleine beekjes, die van daar op zijn schouders afstroomden, (want hij hield de parapluie alleen boven Jo) en iedere vinger van zijn handschoenen reparatie noodig had. De voorbijgangers zagen hen waarschijnlijk voor een paar onschadelijke krankzinnigen aan, want zij vergaten totaal een omnibus te wenken, en wandelden langzaam voort, zonder op de invallende duisternis en den mist te letten. Weinig bekommerden zij zich om de meening van anderen; zij genoten het gelukkige uur, dat zelden meer dan eens in een menschenleven voorkomt--het wondere oogenblik, dat den grijsaard jeugd, den alledaagsche schoonheid, den arme rijkdom schenkt, en het menschelijk hart een voorsmaak van den hemel geeft. De professor zag er uit, of hij een koninkrijk had veroverd, en deze wereld hem niets meer behoefde aan te bieden, terwijl Jo naast hem ging, met het gevoel, alsof haar plaats daar altijd geweest was, en vol verbazing, dat zij ooit naar iets anders verlangd had. Natuurlijk was zij de eerste, die sprak--ik bedoel die verstandig sprak, want de aandoenlijke uitingen die op haar onstuimig "o ja!" volgden, waren niet zeer samenhangend of voor overbrenging vatbaar.
"Friedrich, waarom heb je me--"
"Ach! daar geeft zij mij den naam, dien niemand meer noemde sinds Minna gestorven is!" riep de professor, en bleef midden in een plas stilstaan om haar met dankbare verrukking aan te kijken.
"Ik noem je altijd zoo, als ik aan je denk--maar ik zal het niet meer doen, of je moest het liever hebben?"
"Het liever hebben! Het klinkt mij lieflijker toe, dan ik kan uitdrukken," riep mijnheer Bhaer, meer als een romantisch student dan als een ernstig professor.
"Maar--waarom heb je mij dat alles niet vroeger gezegd?" vroeg Jo, wel wat verlegen.
"Nu zal ik je mijn heele hart moeten openleggen, en dat wil ik zoo gaarne, omdat gij er voortaan zorg voor moet dragen. Zie, mijn Jo--o, die lieve, aardige korte naam!--ik had je iets willen vragen dien dag, toen ik je in New-York vaarwel zeide; maar ik dacht, dat gij met den knappen jongen vriend verloofd waart, en daarom sprak ik niet. Indien ik toen had gesproken, zoudt gij dan 'ja' hebben gezegd?"
"Ik weet het niet; ik vrees van neen, want ik had toen nog geen hart."
"Prut! dat geloof ik niet. Het sliep, totdat de prins uit het sprookje door het bosch kwam, en het wakker maakte. Ach ja, 'die erste Liebe ist die beste', maar die mag ik niet verwachten."
"Ja, de eerste liefde is de beste; wees dus maar tevreden, want ik heb nooit een andere gehad. Teddy was maar een jongen, en kwam gauw zijn verliefdheid te boven," zei Jo haastig, om den professor uit den droom te helpen.
"Goed! dan ben ik gerust en gelukkig, dat gij mij alles geven kunt. Ik heb zoolang gewacht; nu ben ik zelfzuchtig geworden, zooals ge zult ondervinden, Professorin!"
"Dat is best!" riep Jo, verrukt over haar nieuwen titel. "Vertel mij nu eens, wat je eigenlijk hier bracht, juist toen ik je het meest noodig had?"
"Dit"--en mijnheer Bhaer haalde een versleten stukje papier uit zijn zak.
Jo vouwde het open, en keek meer dan beschaamd; want het was een van haar eigen bijdragen aan een tijdschrift, dat poëzie opnam en waaraan zij nu en dan een proeve zond.
"Hoe kon dat je hier brengen?" vroeg zij nieuwsgierig om te weten, wat hij bedoelde.
"Ik vond het toevallig; ik herkende het aan de namen en de initialen, en éen klein versje scheen mij te roepen. Lees het, en zoek het gedeelte, dat ik bedoel; ik zal zorgen, dat je niet in de plassen trapt."
Jo gehoorzaamde, en doorliep haastig de regels, die zij gedoopt had:
OP DEN ZOLDER.
Op den zolder staan vier kistjes, Dik bestoven, half vergaan, Die ze vulden zijn z' ontwassen, Lieten lang reeds 't speelgoed staan. Aan een lint vier kleine sleutels, Lang geleên met blij gelach Door de kindren opgehangen, Op een sombren regendag. Zie, een naam draagt ieder deksel, Ingegrift voor zeven jaar, Door den vriendelijken makker Van de blijde kinderschaar, Die zijn werk soms even staakte, Om te luistren naar 't refrein Van de zomerregendropplen Tegen 't raam en op 't kozijn.
"Meta" staat op 't eerste deksel, En daaronder, wel bewaard, Ligt een gansche schat geborgen, Door haar zachte hand vergaârd. 't Zijn de blijken, dat haar leven Kalm en effen henenvloog. Bruidsjapon, een kinderschoentje, Vallen dad'lijk al in 't oog. Aardigheden, kleine giften, Prijzen in haar jeugd behaald-- Maar geen speelgoed is gebleven; Dat werd alles weggehaald. Jonge moeder! wiegeliedjes Hoort gij, wed ik, in 't refrein Van de zomerregendropplen Tegen 't raam en op 't kozijn.
"Jo" op 't volgend vol met krassen, En daarin een lorrenboel: Poppen zonder hoofd, wat tollen, Knikkers, prullen zonder doel. Uit het land der droomerijen, Dat de jeugd alleen betreedt, Allerlei herinneringen Zoo van vreugd, als zieleleed; Halve verzen en verhalen, Brieven, koel en warm en koud, Kinderdagboek, wijze wenken Van een vrouw, te vroeg reeds oud. "Allen hebben u verlaten," Is voor haar het droef refrein Van de zomerregendropplen Tegen 't raam en op 't kozijn.
"Bets", die naam is niet bestoven, Daarvoor zorgt een teedre hand. Alles wat haar toebehoorde Houden wij in waarde; want Z' is niet langer in ons midden, En toen God haar tot zich nam Bergden wij hier al haar schatten Tot een "in memoriam." 't Mutsje, 't laatst door haar gedragen, En haar kleine zilveren schel, Haar geliefkoosd schilderijtje, En haar solitaire-spel. En wij hooren liedren, psalmen, Die zij zong in lichaamspijn, In de zomerregendropplen Als een liefelijk refrein.
't Laatste deksel doet aanschouwen Hoe een ridder fier en stout, Op zijn schild den naam van "Amy" Voert in letters, blauw en goud. En in 't kistje, net geborgen: Blauwe schoentjes van satijn, Diadeemen, droge bloemen, Waaiers, broches, groot en klein. Allerlei gedachtenisjes. Philippines, teêr van aard, Vogeltjes van klei, een kransje Heel zorgvuldig hier bewaard. Klokken, die haar bruiloft melden Hoort zij, denk ik, in 't refrein Van de zomerregendropplen Tegen 't raam en op 't kozijn.
Op den zolder staan vier kistjes, Dik bestoven, half vergaan. Van het viertal dat ze vulde Kwam er éen reeds boven aan. Slechts voor kort zijn wij gescheiden, Weldra komt de blijde tijd, Die ons allen dáar vereenigt, Waar geen dood zelfs ons meer scheidt. Mochten wij die achterbleven, Leven tot des Vaders eer; Moedig strijden, biddend waken, Heilig worden, meer en meer. Dan, dan zullen w' eens te zamen Juichen en gelukkig zijn-- Waar geen storm- of regenvlagen Zijn, maar eeuw'ge zonneschijn.
J. M.
"Als gedichtje heeft het niet veel waarde, maar het kwam uit mijn hart, en ik schreef het, toen ik mij eens bitter eenzaam gevoeld, en uitgehuild had op de prullemand. Ik dacht niet, dat het mij nog eens zou verklappen," zei Jo, terwijl zij het versje verscheurde, dat de professor zoo zorgvuldig bewaard had.
"Laat het gaan, het heeft zijn plicht gedaan, en ik zal een nieuw krijgen, wanneer ik het bruine boekje mag lezen, waarin zij al haar geheimen bewaart," dreigde mijnheer Bhaer glimlachend, en voegde er ernstig bij, toen hij de stukken door den wind zag verstrooien: "Ja, ik las dat, en ik dacht bij mijzelf: zij heeft droefheid, zij is eenzaam, zij zal troost vinden in ware liefde. Ik heb een heel hart vol voor haar; zal ik niet tot haar gaan en zeggen: 'Indien dit niet te gering is om in ruil te geven voor alles wat ik van u hoop te ontvangen, neem het, onder Gods zegen.'"
"En toen heb je gezien, dat het niet te gering was, maar juist het eene kostbare, dat ik noodig had," antwoordde Jo zacht.
"De moed ontbrak mij om dat in het begin te denken, hoewel uw ontvangst zoo zeldzaam vriendelijk was. Maar spoedig begon ik te hopen, en toen dacht ik: ik wil haar hebben, al moest ik er ook voor sterven, en dat wil ik ook!" riep de professor op uitdagenden toon, alsof de koude nevelen, die hen omgaven, even zooveel hinderpalen waren, die hij beklimmen of omverwerpen moest.
Jo vond dat prachtig, en besloot zich haar ridder waardig te maken, al kwam hij dan ook niet in volle staatsie, te paard gezeten, uitgedost in een schitterende wapenrusting.
"Waarom bleef je zoo lang weg?" vroeg zij na een oogenblik van stilzwijgen; want zij moest weer spreken--'t was zoo plezierig vertrouwelijke vragen te doen en zulke heerlijke antwoorden te ontvangen.
"Het was niet gemakkelijk; maar ik kon het niet over mij verkrijgen je uit je gelukkig thuis weg te halen, voordat ik het vooruitzicht had je een ander te kunnen geven; misschien eerst na verloop van tijd en na hard werken. Hoe kon ik je vragen, zóóveel op te geven voor een arm, oud man, die geen ander vermogen bezit dan zijn kennis?"
"Ik ben blij, dat je arm bent; ik zou geen rijken man willen hebben!" riep Jo op stelligen toon, en voegde er met zachter stem bij: "Wees maar niet bang voor armoede; ik ben het lang genoeg geweest, om mijn vrees te overwinnen, en mijn geluk te vinden in het werken voor hen, die ik liefheb. En je mag jezelf ook niet oud noemen--ik zou niet kunnen laten je lief te hebben, al was je zeventig."
Deze woorden ontroerden den professor zoo, dat hij graag zijn zakdoek zou gebruikt hebben, als hij dien maar had kunnen uithalen; daar dit een absolute onmogelijkheid was, veegde Jo zijn oogen voor hem af, en zei lachend, terwijl zij hem van een paar pakjes ontlastte:
"Ik mag dan energiek zijn, maar niemand kan zeggen, dat ik nu buiten mijn sfeer treed,--want de bijzondere roeping der vrouw wordt immers verondersteld te bestaan in het drogen van tranen, en het dragen van lasten. Ik moet mijn deel dragen, Friedrich, en ons huis mee helpen verdienen. Tracht je daaraan te onderwerpen, of ik ga geen stap verder," voegde zij er vastbesloten bij, toen hij de pakjes terugeischte.
"Nu, wij zullen zien. Hebt gij geduld om een langen tijd te wachten, Jo? Ik moet weggaan en mijn werk alleen doen; ik moet mijn jongens eerst helpen; want zelfs om uwentwil mag ik mijn belofte aan Minna niet breken. Kunt gij dat vergeven en gelukkig zijn, terwijl wij wachten en hopen?"
"Ja, ik weet, dat ik het kan; want wij hebben elkander lief, en dat maakt al het overige gemakkelijk te dragen. Ik heb ook mijn plichten en mijn werk. Ik zou niet gelukkig kunnen zijn, als ik alles verzuimde, zelfs voor jou,--dus behoeft er geen sprake te wezen van haast of ongeduld. Jij hebt je aangewezen werk--ik moet het mijne hier doen, en tezamen moeten wij geduldig zijn, het beste hopen, en de toekomst nemen, zooals God die ons geeft."
"O, gij spreekt mij hoop en moed in, en ik kan je niets teruggeven dan een vol hart en deze leege handen," riep de professor, geheel overstuur.
Jo zou nooit kunnen leeren zich betamelijk te gedragen; want toen hij dat zei, vlak voor de huisdeur, legde zij haar handen beide in de zijne, en fluisterde teeder: "Nu niet meer leeg;" en op dat gewichtig oogenblik kuste zij haar Friedrich onder de parapluie. Het was hóógst onwelvoegelijk, maar al waren de natte musschen op de tuinheg, menschelijke wezens geweest, dan zou zij het toch gedaan hebben,--want zij was onverschillig voor alles, behalve voor haar geluk.
Ofschoon alles zoo heel eenvoudig toeging, was het volgend oogenblik toch het glanspunt van hun leven; toen Jo de deur achter zich en haar geliefde sloot en ze kou, storm en duisternis daar buiten, voor licht, warmte en rust daarbinnen verwisselden, en beiden werden opgewacht met een hartelijk: "Welkom thuis!"
HOOFDSTUK XXIV.
DE OOGST.
Een jaar ging voorbij, gedurende welken tijd Jo en haar professor werkten en wachtten, hoopten en elkander liefhadden, elkaar een enkele maal zagen, en zulke lange brieven schreven, dat, volgens Laurie, de stijging in den prijs van het papier daaruit verklaard kon worden. Het tweede jaar begon vrij somber, want hun vooruitzichten werden niet schitterender, en tante March stierf plotseling. Toen de eerste droefheid echter voorbij was--want zij hadden de oude tante toch liefgehad, niettegenstaande haar scherpe tong--ontdekten zij, dat zij reden tot blijdschap hadden; zij had n.l. Plumfield aan Jo vermaakt, en hierdoor werden verschillende heerlijke dingen mogelijk.
"'t Is een mooie plaats, die een goede som zal opbrengen, want je bent toch zeker van plan alles te verkoopen?" vroeg Laurie, toen zij eenige dagen later de zaak bespraken.
"Neen, zeker niet," antwoordde Jo beslist, terwijl ze zachtjes den ouden poedel streelde, dien ze had aangenomen, uit piëteit voor zijn overleden meesteres.
"Je bent toch niet van plan daar te gaan wonen?"
"Zeker ben ik dat van plan."
"Maar, beste meid, 't is een onmetelijk groot huis, en je zult een schat van geld moeten hebben, om het in orde te houden. Alleen voor den tuin en den boomgaard heb je twee of drie mannen noodig, en ik voor mij zie in Bhaer geen oeconoom."
"Als ik het hem voorsla, zal hij zich wel op dat vak willen toeleggen."
"En denk je te zullen kunnen leven van de opbrengst van de plaats? Op mijn woord, het klinkt paradijsachtig, maar je zult het ontzettend zwaar werk vinden."
"De oogst, dien wij zullen binnenhalen, zal heel voordeelig blijken te zijn," lachte Jo.
"En waaruit zal die heerlijke oogst bestaan, mevrouw?"
"Uit jongens! Ik wil een school openen voor kleine jongens--een goede, prettige, huiselijke school--ik zal ze verzorgen, en Fritz moet ze leeren."
"Nou, dát is een echt plan à la Jo! Is dat niet net iets voor haar?" riep Laurie uit, en keerde zich tot de familie, die even verbaasd keek als hij.
"Ik vind het een aardig plan," zei mevrouw March terstond.
"Ik ook," voegde haar man er bij, die dit een kostelijke gelegenheid achtte, om de socratische opvoedkunde op hedendaagsche jongens in toepassing te brengen.
"Het zal een ontzettend groote zorg voor Jo zijn," vreesde Meta, en streelde het hoofdje van haar eenigen, zooveel tijd in beslag nemenden, kleinen jongen.
"Jo kan het doen, en zal er gelukkig door wezen. 't Is een prachtig plan, vertel er ons eens alles van," verzocht de oude heer Laurence, die reeds lang verlangd had het paar te helpen, maar wel wist, dat zij toch alle hulp zouden weigeren.
"Ik wist wel, dat u mij zoudt bijvallen, mijnheer. Amy vindt het ook goed, ik lees het in haar oogen, ofschoon zij heel voorzichtig wacht met haar oordeel uit te spreken, tot zij er eens goed over heeft nagedacht."
"Nu, lieve menschen, begrijpt maar eerst, dat dit geen _nieuw_ plan van mij is, maar een, dat ik al lang gekoesterd heb. Voordat ik Fritz ontmoet had, stelde ik mij al dikwijls voor, hoe ik, wanneer ik mijn fortuin gemaakt zou hebben, en niemand mij thuis meer noodig had, een groot huis zou huren, en een paar arme moederlooze jongetjes zou opnemen, om hen het leven plezierig te maken, voordat het te laat was. Ik zie er zooveel, die verongelukken, omdat zij niet op het goede oogenblik geholpen worden; ik zou zoo dolgraag iets voor dergelijke jongens doen; ik weet, wat ze noodig hebben, en ik voel hun moeilijkheden; en o! ik wou zoo graag een moeder voor hen zijn!"
Mevrouw March stak Jo haar hand toe, die deze met tranen in de oogen drukte, terwijl ze met haar vroegere opgewondenheid, die haar vrienden in zoo'n langen tijd niet van haar gezien hadden, voortging:
"Ik sprak Fritz eens over mijn plan, en hij zei dat zooiets ook zijn wensch was, en stemde er in toe het te probeeren, wanneer wij eens rijk zouden zijn. Maar, die goeierd heeft het al zijn leven lang gedaan,--arme jongens helpen, bedoel ik, (niet rijk worden, dát zal hij wel nooit) het geld blijft niet lang genoeg in zijn zak om veel over te kunnen leggen. Maar nu, dank zij mijne goede, oude tante, die meer van mij hield, dan ik ooit verdiende, nu ben ik rijk--ten minste, ik _voel_ mij rijk, en wij kunnen best op Plumfield leven, als onze school een beetje wil opnemen. 't Is juist een geschikte plaats voor jongens--het huis is ruim, en de meubels zijn sterk en eenvoudig. Binnenshuis is overvloed van plaats voor een paar dozijn, en buitenshuis loopen zij elkander ook niet in den weg. Zij zouden in den tuin en den boomgaard kunnen helpen, uitstekend, gezond werk--Fritz zou hen op zijn eigen manier kunnen opvoeden en leeren, en Vader wil hem stellig wel helpen. Ik zal ze eten geven, en oppassen en vertroetelen en beknorren, en daarin zal Moeder mijn steun zijn. Ik heb altijd verlangd naar een massa jongens om me heen, maar heb nooit mijn zin gehad; nu kan ik het huis vol maken, en me aan de kleine bengels wijden, zooveel ik maar wil. Denk eens wat een genot! Plumfield mijn eigendom, en een bende jongens om er met mij van te genieten!"
Toen Jo opgewonden gesticuleerde en een zucht van geluk slaakte, barstte de heele familie in een luid gelach uit, en mijnheer Laurence lachte zóó, dat zij voor een aanval van beroerte begonnen te vreezen.
"Maar ik zie er niets belachelijks in," hernam Jo ernstig, zoodra zij zich verstaanbaar kon maken. "Niets is immers natuurlijker of geschikter voor mijn professor dan een school te openen, en voor mij, dan graag op mijn eigen plaats te willen wonen."
"Kijk, zij neemt al airs aan," riep Laurie, die de zaak als een prachtige grap beschouwde. "Maar mag ik ook vragen, waarvan je van plan bent de inrichting te doen bestaan? Als al de leerlingen landloopertjes zijn, ben ik bang, dat je oogst niet heel voordeelig zal blijken, uit een wereldsch oogpunt beschouwd, mevrouw Bhaer."
"Kom, ontneem mij nu niet mijne illusies, Teddy. Natuurlijk zullen er ook rijke jongens onder zijn; misschien begin ik wel met enkel betalende; als ik dan eenmaal goed op streek ben, kan ik voor mijn speciaal genoegen een paar arme tobbers aannemen. Kinderen van welgestelde menschen hebben dikwijls ook troost en zorg noodig, even goed als van arme. Ik heb meer dan eens gezien, hoe ongelukkige stumpertjes aan dienstboden overgelaten, en achterlijke kindertjes met geweld opgestoomd werden,--werkelijk wreed. Sommige jongens zijn lastig, door een verkeerde behandeling of door verwaarloozing, en anderen verliezen hun moeders al vroeg. Buitendien moeten toch ook de beste de vlegeljaren doormaken, en dat is de tijd, waarin zij het meest behoefte hebben aan geduld en vriendelijkheid. Iedereen lacht ze uit, of schudt ze door elkander, of tracht ze op den achtergrond te houden, en verwacht blijkbaar, dat mooie kindertjes eensklaps in flinke jongens zullen veranderen. Zij klagen niet veel--arme stumperds, maar zij voelen het daarom wel. Ik heb er iets van mee doorgemaakt, en weet er dus al wat van. Ik stel bijzonder veel belang in zulke jonge beertjes, en toon ze zoo graag, hoe ik hun warme, eerlijke, oprechte jongensharten op prijs stel, ondanks hun onhandige armen en beenen en hun slordige hoofden. Ik bezit heusch al wat ondervinding op dat gebied, want is er niet een jongen, dien ik heb opgevoed, en die nu de trots en de roem van zijn familie uitmaakt?"
"Ik zal altijd getuigen, dat je er je best toe gedaan hebt," zei Laurie, haar dankbaar aanziende.
"En ik ben boven verwachting geslaagd; want je bent nu een flink man van zaken, je doet ontzettend veel goed met je geld, en kapitaliseert de zegeningen der armen. Maar je leeft niet alleen voor je zaken, je houdt ook veel van al wat goed en mooi is, geniet er zelf van, en laat anderen mee genieten, zooals je vroeger in den ouden tijd ook deed. Hoor, Teddy, ik ben trotsch op je, want ieder jaar word je beter, en iedereen voelt het, al wil je niet dat iemand het uitspreekt. Ja, als ik later mijn kudde om mij heen heb, zal ik op jou wijzen en zeggen: 'Ziedaar jullie model, jongens!'"
De arme Laurie wist niet, waar zich te bergen, want zoo oud als hij was, kwam nu toch iets van de vroegere verlegenheid over hem, toen na deze uitbundige lofspraak alle gezichten zich goedkeurend tot hem keerden.
"Hoor eens Jo, dat is te veel," begon hij op zijn oude jongensmanier. "Jullie hebben allemaal meer voor mij gedaan, dan ik ooit kan vergelden, behalve door mijn best te doen, om je niet teleur te stellen. Je hebt mij in den laatsten tijd wel wat laten loopen, Jo, maar ik heb gelukkig toch een goede hulp gehad; dus, als ik vooruit ben gegaan, mag je er deze twee voor danken,"--en hij legde de eene hand op die van zijn grootvader en de andere in die van Amy, want die drie zaten altijd dicht bij elkaar.