Chapter 25
Meta hield er een opvoedingsstelsel op na en trachtte er zich aan te houden; maar welke moeder was ooit bestand tegen de lieve glimlachjes, de schrandere uitvluchten, of de kalme brutaliteit van miniatuur-mannetjes en -vrouwtjes, die zoo vroeg reeds toonen, dat zij slimme rotjes zijn? "Geen rozijnen meer, Demi, je zoudt er ziek van worden," zei Mama tot het kereltje, dat met onverdroten ijver zijn diensten in de keuken aanbood, telkens wanneer er een plumpudding gemaakt moest worden.
"Ik ben wel graag ziek."
"Ja, maar ik ben er niets op gesteld; ga dus maar in den tuin, en help Daisy zandtaartjes maken."
Hij vertrok met tegenzin, maar zijn grieven bleven hem kwellen, en toen er na een poosje gelegenheid was om ze te verhelpen, was hij Mama te slim af door een wel overlegd plan.
"Ziezoo, nu zijn jullie zoete kinderen geweest, en zal ik met je spelen, wat je maar wilt," zei Meta, haar kleine helpers mee naar boven troonend, toen de pudding veilig in den ketel danste.
"Heusch, Moes?" vroeg Demi met een heerlijke, invallende gedachte.
"Ja, heusch, wat je maar wilt," antwoordde de kortzichtige moeder, terwijl zij zich gereed maakte "Drie jonge Eendjes" een keer of zes te zingen, of met het tweetal koekjes te gaan koopen, ondanks den harden wind. Maar Demi dreef haar in 't nauw door het kalme antwoord: "Dan zullen wij nu al de rozijnen gaan opeten."
Tante Dodo was de geliefkoosde speelkameraad en vertrouwde der twee kinderen, en het drietal keerde het kleine huisje dikwijls onderste boven.
Tante Amy was nog slechts een naam voor hen; van tante Betsy behielden zij een vriendelijke herinnering, maar tante Dodo was de levende werkelijkheid, en haar toonden ze een zeldzame aanhankelijkheid,--voor welke eer zij hun hoogst dankbaar was.
Maar wanneer mijnheer Bhaer een bezoek bracht, verwaarloosde Jo haar speelmakkertjes, zoodat droefheid en teleurstelling hun kleine harten dan vervulden. Daisy, die het liefst speelde, dat zij zoentjes aan het gezelschap verkocht, verloor nu hare beste klant, en sloeg bankroet; Demi ontdekte weldra met kinderlijke scherpzinnigheid, dat Dodo veel liever "speelde" met den "beereman" dan met hem; maar hoe gegriefd ook, verborg hij zijn smart, want hij kon het niet over zich verkrijgen een mededinger te beleedigen, die zoo'n grooten voorraad chocola in zijn jaszak verborgen hield, en ook een horloge bezat, dat uit de buitenste kast genomen en door vurige bewonderaars vrij geschud mocht worden.
Sommige menschen zouden deze heerlijke privilegiën als omkooping beschouwd hebben, maar Demi zag het niet in dat licht, en bleef met peinzende vriendelijkheid in de nabijheid van den "beereman", terwijl Daisy reeds bij zijn derde bezoek haar klein hartje voor hem opende, zijn schouder als haar troon, zijn arm als haar toevlucht, en zijn geschenken als schatten van onberekenbare waarde beschouwde.
Somtijds worden heeren wel eens vervuld met een plotselinge bewondering voor de jeugdige familieleden van dames, die zij met hun opmerkzaamheid vereeren; maar die voorgewende vriendschap gaat hun niet natuurlijk af, en brengt niemand op het dwaalspoor. Mijnheer Bhaer's hartelijkheid evenwel was oprecht zoowel als doeltreffend,--want eerlijkheid duurt het langst, zoowel in liefdes- als in rechtszaken. Hij was een van die menschen, die zich dadelijk thuis gevoelen met kinderen, en zag er op zijn best uit, wanneer de kleine gezichtjes een aardig contrast vormden met zijn mannelijke trekken. Zijn bezigheden, welke die ook zijn mochten, hielden hem overdag vast, maar zelden ging de avond voorbij zonder dat hij aankwam,--en dan vroeg hij altijd naar mijnheer March; dus geloof ik wel, dat de oude heer de aantrekkingskracht moest wezen. Die voortreffelijke vader verbeeldde zich tenminste, dat hij het was, en genoot van lange discussies met den verwanten geest, totdat een toevallig gezegde van zijn scherper opmerkenden kleinzoon hem plotseling beter inlichtte.
Op zekeren avond bleef mijnheer Bhaer verbaasd staan op den drempel van de huiskamer, door het onverwachte schouwspel, dat zich aan zijn oog vertoonde. Op den grond uitgestrekt, stak mijnheer March de eerbiedwaardige beenen in de lucht, en naast hem, eveneens op zijn rugje, lag Demi, dezelfde houding nabootsende, met zijn dikke, stevige kuiten, beide zoo ernstig verdiept, dat zij niets van hun toeschouwers bemerkten, totdat mijnheer Bhaer zijn welluidenden lach deed hooren, en Jo met een beschaamd gezicht uitriep: "Vader, Vader, hier is de professor!" De zwarte beenen gingen naar omlaag, en het grijze hoofd kwam boven, terwijl de onderwijzer met onverstoorbare waardigheid zei:
"Goeien avond, mijnheer Bhaer. Excuseer mij voor een oogenblik; wij eindigen juist onze les. Nu, Demi, maak de letter, en noem hem eens."
"Ik weet het!" en na eenige stuipachtige pogingen, namen de bruine beenen den vorm van een passer aan, en riep de schrandere leerling op zegevierenden toon: "'t is een V, Opa, 't is een V!"
"Hij is een geboren Weller [14]," lachte Jo, terwijl haar vader overeind kwam, en haar neefje op zijn hoofd trachtte te gaan staan, als de eenige wijze, waarop hij zijn blijdschap kon uitdrukken, dat de les was afgeloopen.
"Wat hebt gij vandaag gedaan, Bübchen?" vroeg mijnheer Bhaer, terwijl hij den buitelaar van den grond opnam.
"Ikke ben na Marietje geweest."
"En wat deed jij daar?"
"Ik heb haar een zoentje gegeeft," vertelde Demi, met ongekunstelde openhartigheid.
"Prut! jij vangt daarmede vroeg aan. Wat zeide het kleine Marietje daarvan?" informeerde mijnheer Bhaer, voortgaande den jeugdigen zondaar ter verantwoording te roepen, terwijl deze op zijn knie stond en zijn binnenzak doorzocht.
"O, zij vond het best, en zoende mij ook, en ik vond het ook prettig. Kleine jongens houden wel veel van kleine meisjes!" betuigde Demi, met een vollen mond en een gezicht, dat de grootste voldoening teekende.
"O, jou wijs aapje, wie heeft dat in je hoofd gebracht?" riep Jo, die over deze kinderlijke mededeeling even hartelijk lachte als de professor.
"'t Is niet in mijn hoofd, 't is in mijn mond," antwoordde Demi, en stak zijn tong uit, waarop een chocolaadje lag,--in de meening, dat zij lekkernijen in plaats van gedachten bedoelde.
"Jij moet iets voor jouw vriendinnetje bewaren; zoetigheid is voor meisjes, kereltje," en mijnheer Bhaer presenteerde Jo ook een paar flikken met een blik, die haar deed bepeinzen, of chocolade niet de nektar was geweest, dien de goden dronken. Demi zag dien vriendelijken blik ook, werd er blijkbaar door getroffen, en vroeg onschuldig:
"Houden gróóte jongens ook van gróóte meisjes, 'fessor?"
Evenmin als de jonge Washington, kon mijnheer Bhaer een onwaarheid zeggen; daarom gaf hij het eenigszins vage antwoord, dat hij wel geloofde, dat zij het somtijds deden; op een toon, die mijnheer March den kleerborstel deed wegleggen, hem naar Jo's afgewend gezicht deed kijken, en toen in zijn stoel neervallen; zoodat het er veel van had, alsof "het wijze aapje" in "Opa's" hoofd een gedachte had doen opkomen, die zoowel zoet als zuur was.
Waarom Dodo, toen zij hem een half uur later in de provisiekast vond, hem bijna dooddrukte in een teedere omhelzing, in plaats van te knorren over die ongehoorzaamheid, en waarom zij deze nieuwe wijze van behandeling voortzette door de onverwachte gift van een beschuit met bessengelei, was een van de raadsels, waarover Demi's klein verstand bleef suffen, doch dat hij onopgelost moest laten.
HOOFDSTUK XXIII.
ONDER DE PARAPLUIE.
Terwijl Laurie en Amy echtelijke wandelingen deden over fluweelige tapijten, hun huis in orde brachten, en een heerlijke toekomst bespraken, genoten mijnheer Bhaer en Jo wandelingen van een anderen aard, langs modderige wegen en doorweekte velden.
"Ik doe altijd een loopje na het eten, en ik weet niet, waarom ik daarmee zou ophouden, alleen omdat ik zoo dikwijls toevallig den professor tegenkom," zei Jo bij zichzelven, na twee of drie ontmoetingen; want ofschoon zij langs twee verschillende wegen naar Meta kon gaan, was zij toch zeker hem, welken weg zij ook nam, in het gaan of in het terugkomen, te zullen ontmoeten. Hij liep altijd bizonder hard en scheen haar nooit te zien, voordat zij vlak bij was, waarna hij zich hield, alsof zijn kortzichtige oogen de naderende dame eerst op het laatste oogenblik herkend hadden. Wanneer zij dan naar Meta ging, had hij altijd iets voor de kinderen bij zich; was ze op den terugweg, dan had hij maar even een wandeling langs de rivier gedaan, en was hij juist op het punt om te keeren, en even bij hen te rusten, wanneer zijn vele visites hen tenminste niet verveelden.
Wat kon Jo onder die omstandigheden anders doen, dan hem beleefd begroeten en verzoeken binnen te komen. Indien zijn bezoeken haar verveelden, wist zij haar ongeduld met volmaakten tact te verbergen; ook droeg ze altijd zorg dat er koffie was, "want Friedrich--ik wil zeggen mijnheer Bhaer--houdt niet van thee."
Aan het einde der tweede week wist iedereen heel goed, wat er aan de hand was; toch hield iedereen zich alsof hij stekeblind was voor de veranderingen op Jo's gezicht--niemand vroeg waarom zij onder haar werk zong, driemaal daags haar haar opmaakte, en zoo blozend van haar avondwandeling terugkeerde; en het scheen in niemands ziel op te komen, dat mijnheer Bhaer, terwijl hij philosophische gesprekken met den vader hield, aan de dochter een lesje in de liefde gaf.
Jo kon haar hart zelfs niet met het noodige decorum verliezen, maar trachtte toch ernstig haar gevoelens te onderdrukken; en toen haar dat mislukte, leidde zij een erg onrustig leven. Zij was doodelijk bang uitgelachen te zullen worden over haar overgave, na haar herhaalde en heftige betuigingen van onafhankelijkheid. Voor Laurie zat zij het meest in angst, maar dank zij "mevrouw Laurence" gedroeg hij zich met lofwaardige ingetogenheid, noemde nooit in gezelschap mijnheer Bhaer "een leuke baas", zinspeelde nooit in de verste verte op Jo's bloeiend voorkomen, of toonde de geringste verwondering, wanneer hij bijna elken avond den hoed van den professor aan den kapstok van de familie March zag hangen. Maar inwendig juichte hij er over, en verlangde hij naar het oogenblik, dat hij Jo een zeker zilveren tafelornament zou kunnen geven, waarop, zeer toepasselijk, een beer met een knoestigen stok gegraveerd was.
Gedurende veertien dagen kwam en ging de professor met de regelmatigheid van een minnaar; toen bleef hij drie geheele dagen weg en liet niets van zich hooren--een wijze van handelen, die iedereen ernstig deed kijken en Jo eerst peinzend, en toen--bizonder onromantisch--erg knorrig maakte.
"Hij heeft er genoeg van, wil ik wedden, en is naar huis gegaan, even plotseling als hij gekomen is. Het kan mij natuurlijk niet schelen; maar ik had toch gedacht, dat hij wel zoo beleefd zou zijn geweest om behoorlijk afscheid te nemen!" zei zij, met een wanhopigen blik naar buiten, terwijl zij op zekeren somberen namiddag zich aankleedde voor de gewone wandeling.
"Je moest liever een parapluie meenemen, lieve kind; het ziet er uit, alsof het zal gaan regenen," zei haar moeder, die zag dat zij haar nieuwen hoed opzette, maar er wijselijk geen aanmerking op maakte.
"Ja, Moeder; hebt u iets uit de stad noodig? Ik moet papier gaan koopen," antwoordde Jo, haar hoed voor den spiegel vaststekende, als een excuus om haar moeder niet aan te kijken.
"Ja, ik moet linnen keper hebben, een pakje naalden van nommer negen, en twee el smal bruin lint. Heb je je dikke laarzen aangedaan en iets warms onder je mantel?"
"Ik geloof het wel," antwoordde Jo afgetrokken.
"Wanneer je soms toevallig mijnheer Bhaer tegenkomt, brengt hem dan mee op de thee; ik verlang bepaald den goeden man eens weer te zien," voegde mevrouw March er bij.
Jo hoorde dat laatste heel goed, maar gaf geen antwoord, behalve dat zij haar moeder kuste, en haastig heenging, terwijl zij, niettegenstaande de pijn in haar hart, met een warm gevoel van dankbaarheid dacht: "Wat is Moeder toch lief voor me! Och, wat beginnen meisjes toch, die geen moeder hebben om hen in verdrietelijkheden te helpen?"
De manufactuurwinkels waren niet te vinden tusschen de verschillende kantoren en groote pakhuizen, waar meest heeren in- en uitgaan, maar Jo liep, alsof ze op iemand wachtte, in dat stadsgedeelte rond, eer zij een enkele van haar boodschappen gedaan had, en bezichtigde met zeer onvrouwelijke belangstelling eerst allerlei instrumenten voor het eene raam en toen monsters van schapewol voor het andere. Zij viel haast over vaten, werd half begraven onder neerdalende balen goed, en zonder plichtpleging op zijde geduwd door haastige mannen, die haar aanzagen, alsof zij dachten: "Wat heeft die hier te maken!" Een regendroppel op haar wang bracht haar gedachten van teleurgestelde hoop op bedorven lint, want er volgden nog meer regendroppels, en daar zij, hoewel in liefde ontstoken, toch vrouw bleef, begreep zij, dat zij haar hoed nog redden kon, hoewel het voor haar hart reeds te laat was. Nu eerst herinnerde zij zich de parapluie, die zij in haar jacht om weg te komen, vergeten had; maar 't berouw kwam te laat, en zij had de keus tusschen er een leenen of zich laten nat regenen. Zij keek eens naar de dreigende lucht, toen in een ruit naar het roode lint, dat reeds hier en daar vlekken vertoonde, daarna de morsige straat af; wierp eindelijk nog een laatsten, langen blik naar een zeker vuil pakhuis, waarboven met groote letters "Hoffman, Swartz & Co." te lezen stond, en zei ernstig verwijtend tot zichzelve:
"Net een goede straf! waarvoor moest ik mijn beste goed aandoen en hier komen rondslenteren, in de hoop den professor te zien? Jo, ik schaam me over je! Neen, je zult daar géén parapluie gaan leenen, of van zijn vrienden trachten te weten te komen, waar hij is. Je zult voortbaggeren, en je boodschappen in den regen doen; en als je jezelf een ziekte op den hals haalt en je hoed bederft, is het niets meer dan je verdiende loon! Dit zeggende stak zij de straat zoo driftig over, dat zij bijna onder de wielen van een voorbijgaanden vrachtwagen kwam, en toen tegen een deftig oud heer aanbonsde, die hoogst beleedigd keek, en 'pardon!' zei. Wel wat geschrikt stond Jo nog even stil, maar alle verzoeking weerstand biedende, haastte zij zich eindelijk voort, terwijl haar laarzen meer en meer doorweekt werden, en de druipende parapluies boven en om haar steeds toenamen. Op eens werd haar aandacht getrokken door het feit, dat een oud vaal exemplaar voortdurend boven haar onbeschutten hoed bleef zweven, en opziende keek zij in de oogen van mijnheer Bhaer.
"Ik voelde, dat ik die energieke jonge dame kende, die zoo dapper tusschen de paarden doorloopt en zoo haastig door de modder stapt, Wat doet gij hier, lieve vriendin?"
"Ik doe boodschappen."
Mijnheer Bhaer glimlachte en keek van een zeilmakerij aan den eenen kant, naar een huidenhandel aan de andere zijde der straat; maar hij zei slechts beleefd:
"Gij hebt geen parapluie; mag ik mee gaan en de pakjes voor u dragen?"
Jo's wangen waren zoo rood als haar linten, en zij zou wel eens hebben willen weten, wat hij wel van haar dacht; maar het volgend oogenblik liet het haar al onverschillig, want arm in arm wandelde zij met haar professor verder, en het scheen haar toe, dat de zon plotseling met buitengewonen glans was doorgebroken, dat alles weer terecht was gekomen, en dat een volmaakt gelukkige vrouw dien dag door de straten baggerde.
"Wij dachten, dat u al weg was," begon ze zenuwachtig, want zij wist, dat hij haar aankeek. Haar hoed was niet groot genoeg om haar gezicht te bedekken, en zij was bang, dat hij de vreugde, die er op te lezen stond, onvrouwelijk zou vinden.
"Dacht u, dat ik heen zou gaan, zonder vaarwel te zeggen aan hen, die zoo vriendelijk voor mij geweest zijn?" vroeg hij zoo verwijtend, dat zij een gevoel kreeg, alsof zij hem door die veronderstelling beleedigd had, en ze antwoordde dus op hartelijken toon:
"Neen, ik dacht het eigenlijk niet; ik wist, dat u het druk had met uw eigen zaken, maar wij misten u wel een beetje,--Vader en Moeder vooral."
"En u?"
"Ik ben altijd blij u te zien, mijnheer Bhaer."
In haar streven om haar stem volkomen kalm te houden, sprak Jo op koelen toon, en het min of meer plechtige slot scheen den professor te doen bevriezen, want zijn glimlach verdween, toen hij er ernstig op liet volgen:
"Dank u, ik kom nog eenmaal, voor ik heenga."
"Gaat u dan werkelijk weg?"
"Ik heb niet langer eenige bezigheid hier; zij is afgedaan."
"Naar uw zin, hoop ik?" vroeg Jo, want dat korte antwoord verried een bittere teleurstelling.
"Ik moest dat zoo vinden, want ik zie mij een weg geopend, waardoor ik mijn brood kan verdienen en mijn jongens veel hulp kan geven."
"Hoe dan? vertelt u 't mij eens, ik zou graag alles willen weten van--de jongens," zei Jo met warmte.
"Dat is heel vriendelijk, ik wil u graag alles vertellen. Mijne vrienden hebben eene plaats voor mij gevonden aan een gymnasium, waar ik onderwijs kan geven, zooals ik dat thuis deed, en genoeg verdien om voor Franz en Emil te zorgen. Hiervoor moet ik dankbaar zijn, niet waar?"
"Zeker! Wat heerlijk zal het wezen, als u doen kunt, wat u prettig vindt, en wij u en de jongens dikwijls kunnen zien--" riep Jo, zich verschuilende achter de jongens, als een excuus voor de vreugde, die zij niet goed kon verbergen.
"Ja, maar wij zullen elkander niet dikwijls zien, vrees ik; deze plaats is in het Westen."
"Zóó ver weg!" en Jo liet haar japon aan haar lot over, alsof het er nu niet meer op aan kwam, wat er van haar of haar kleeren werd.
Mijnheer Bhaer kon verscheiden talen lezen, maar hij had nog niet geleerd een meisjesgezicht te ontraadselen. Hij vleide zich, dat hij Jo tamelijk goed kende, en was daarom zeer verbaasd door de tegenstrijdigheden van stem, uitdrukking en manieren, die zij dien middag in snelle opvolging vertoonde,--want zij doorliep zes verschillende stemmingen in den loop van een half uur. Toen zij hem ontmoette keek zij verwonderd, hoewel hij toch niet kon nalaten te vermoeden, dat zij met dat bepaalde doel daar gekomen was. Toen hij haar zijn arm aanbood, nam zij dien aan, met een blik, die zijn hart met vreugde vervulde; maar toen hij vroeg, of zij hem miste, gaf zij zoo'n koel deftig antwoord, dat zijn blijdschap wel voor wanhoop wijken moest. Toen zij van zijn aanstelling vernam, klapte zij bijna in de handen; was die blijdschap alleen om de jongens? Toen zij daarna de plaats van zijn bestemming hoorde, riep zij: "Zóó ver weg!" met zooveel teleurstelling in haar stem, dat zijn hoop haar toppunt bereikte, maar het volgend oogenblik deed zij die in duigen vallen, door, alsof zij over niets anders dacht, te zeggen:
"Hier moet ik zijn; wilt u er even inkomen? 't Zal u niet lang ophouden."
Jo was tamelijk trotsch op haar handigheid in het doen van boodschappen, en wenschte nu een gunstigen indruk op haar geleider te maken door de netheid en vlugheid, waarmee zij haar zaakjes behandelde. Maar alles ging verkeerd, omdat zij geagiteerd was; zij liet de doos met naalden omvallen, vergat dat het linnen gekeperd moest zijn, en herinnerde zich die eisch eerst, toen het al afgesneden was, gaf verkeerd geld terug, en bloosde ten laatste van ergernis, toen zij aan de toonbank voor katoentjes naar bruin lint vroeg. De heer Bhaer stond er bij en lette op haar blozen en stotteren; en toen hij dit zag, scheen zijn eigen verlegenheid te wijken, want nu eerst begon hij in te zien, dat bij sommige gelegenheden vrouwen niet altijd doen, wat men zou verwachten, en dat men hun gedragingen dikwijls, evenals droomen juist andersom moet uitleggen. Toen zij verder gingen, nam hij met een vroolijker gezicht het pakje onder den arm, en stapte door de plassen, alsof hij over 't geheel genomen de excursie nogal plezierig vond.
"Zouden wij ook niet het een of ander voor de kinderen koopen, en van avond een afscheidsfeestje hebben, omdat ik nu voor het laatst in uw zeer aangenaam thuis een bezoek breng?" stelde hij voor en bleef stilstaan voor een winkel met bloemen en vruchten.
"Wat zullen wij koopen?" vroeg Jo, niet lettende op zijn laatste woorden, en de verschillende geuren bij het binnentreden opsnuivende met voorgewende verrukking.
"Mogen zij sinaasappelen en vijgen hebben?" vroeg mijnheer Bhaer vaderlijk.
"Die eten zij, als zij ze maar krijgen kunnen."
"Houdt u van hazelnoten?"
"Als een eekhoorn."
"Duitsche druiven--ja, zulke zullen wij op het welzijn van mijn vaderland kunnen eten."
Jo fronste de wenkbrauwen over zoo'n buitensporigheid, en vroeg, waarom hij niet een pond gedroogde pruimen, een kistje rozijnen, en een zakje amandelen nam; dat was meer dan genoeg; waarop mijnheer Bhaer haar beurs in beslag nam, de zijne voor den dag haalde, en tot besluit een paar pond druiven, een pot roode madeliefjes, en een aardig fleschje honing kocht, het laatste tot een bizonder geschenk voor Demi bestemmende. Toen vulde hij zijn zakken met de knobbelige pakjes, verzocht Jo de bloemen te dragen, en stak de oude parapluie weer op, om de reis te vervolgen.
"Juffrouw March, ik heb u een groote gunst te vragen," begon de professor, nadat zij eenige stappen waren voortgegaan.
"Ja, mijnheer?" en Jo's hart bonsde zoo luid, dat zij bang was, dat hij het zou hooren.
"Ik neem de vrijheid het u te vragen, niettegenstaande den regen, omdat mij nog slechts zoo weinig tijd overblijft."
"Ja, mijnheer," en Jo vermorzelde het bloempotje bijna door de plotselinge kracht, waarmee zij het aan haar hart drukte.
"Ik wilde een jurk voor mijn kleine Tina koopen, en ik ben te dom om dat alleen te doen. Wilt u zoo vriendelijk zijn mij met raad en daad te helpen?"
"Jawel, mijnheer," en Jo werd plotseling zoo koel en kalm, alsof zij een stortbad gekregen had.
"Misschien zou ook een doek voor Tina's moeder wel goed zijn, zij is zoo ziek en arm, en haar man is een groote zorg voor haar,--ja, ja, een dikke, warme doek zou een goed geschenk zijn voor die brave vrouw."
"Ik wil u met genoegen helpen, mijnheer Bhaer." ("Daar ga ik, en met de minuut moet ik meer van hem houden,") voegde zij er bij zichzelve bij; toen vermande ze zich en pakte de zaak met hart en ziel aan.
Mijnheer Bhaer liet het geheel aan haar over; zij zocht dus een aardig jurkje voor Tina uit, en vroeg toen naar omslagdoeken. De bediende, die een getrouwd man was, begon belang te stellen in het paar, dat klaarblijkelijk inkoopen voor de familie deed.
"Mevrouw zal dezen misschien verkiezen; 't is een mooie stof, een nette kleur, eenvoudig en gedistingeerd," en met deze woorden ontvouwde hij een warmen, grijzen doek, en wierp dien over Jo's schouders.
"Hoe bevalt deze u, mijnheer Bhaer?" vroeg zij, hem haar rug toedraaiende, meer dan dankbaar voor deze gelegenheid om haar gezicht te kunnen verbergen.
"Uitmuntend, wij zullen dien nemen," antwoordde de professor, bij zich zelf glimlachende, toen hij er voor betaalde, en Jo ondertusschen den boel op de toonbank doorsnuffelde, alsof haar geluk er van afhing een koopje te doen.
"Zullen wij nu naar huis gaan?" vroeg hij, alsof die woorden een aangenamen klank voor hem hadden.
"Ja, 't is laat, en ik ben heel moe." Jo's stem was hartroerend, meer dan zij zelve wist, want nu scheen voor haar de zon weer plotseling onder te gaan; de wereld werd weer modderig en eenzaam, en nu eerst ontdekte zij, dat haar voeten nat waren, haar hoofd pijn deed, en haar hart kouder dan de eerste en pijnlijker dan het laatste was. Professor Bhaer ging weg; hij voelde slechts vriendschap voor haar; zij had zich vergist, en hoe eerder alles nu voorbij was, hoe beter. Met deze gedachte in het hoofd wenkte zij een naderenden omnibus, met zoo'n haastige beweging, dat de madeliefjes uit den pot vlogen en erg beschadigd werden.
"Dat is niet onze omniboes," zei de professor, liet den vollen wagen doorrijden en bleef even staan om de bloemen op te rapen.