Chapter 24
"Speel eens iets, Amy; laat hun eens hooren, hoe je bent vooruitgegaan," verzocht Laurie, met vergeeflijken trots op zijn veelbelovende leerling.
Maar Amy fluisterde met oogen vol tranen, terwijl zij het oude krukje opdraaide: "Niet van avond, Laurie, ik kan van avond geen kunsten vertoonen."
Maar zij deed beter dan dat, want zij zong Betsy's liederen, met een teeder pathos, dat de beste meester haar niet kon geleerd hebben, en roerde de harten der hoorders door die liefelijke macht, die slechts zuivere bezieling verleent. Het was doodstil in de kamer, toen de heldere stem eensklaps beefde en zweeg bij den laatsten regel van Betsy's lievelingsgezang. Het was zoo moeilijk te zeggen:
"Geen smart op aarde, of 't geloof kan haar verzachten."
En Amy leunde het hoofd tegen haar man, die achter haar stond, diep gevoelende, dat haar welkom-thuis niet volmaakt was, zonder Betsy's kus.
"Nu moeten wij eindigen met Mignon's lied, want dat zingt mijnheer Bhaer," zei Jo, voordat de pauze pijnlijk werd, en de professor kuchte eens en ging toen naar den hoek, waar Jo stond, zeggende: "Gij wilt wel met mij zingen; wij gaan bizonder goed tezamen." Dat was, in het voorbijgaan gezegd, pure verbeelding, want Jo had niet veel meer begrip van muziek dan een sprinkhaan; maar zij zou zijn voorstel aangenomen hebben, al had hij haar gevraagd een heele opera met hem te zingen, en kweelde er op los, zich in haar geluk niet om maat of toon bekommerend. Het kwam er niet veel op aan, want professor Bhaer zong als een echt Duitscher, flink, uit volle borst, en Jo verviel weldra in een zacht geneurie, om des te beter te kunnen luisteren naar de welluidende stem, die voor haar alleen scheen te zingen.
"Kennst du das Land, wo die Zitronen blühen,"
placht de lievelingsregel van den professor te zijn; want 'das Land' was voor hem Duitschland; maar nu scheen het wel, alsof hij met buitengewone warmte en aandrang de woorden herhaalde:
....dahin, dahin! Möcht ich mit dir, o, mein Geliebte ziehn!
en één toehoorster werd zoo geroerd door die teedere uitnoodiging, dat zij hem gaarne had willen toeroepen, dat zij het land kende, en er vol vreugde wilde heentrekken, wanneer hij maar verkoos.
Het lied werd met grooten bijval ontvangen, en de zanger trok zich verlegen terug, overdekt met roem en eer. Maar een paar minuten later vergat hij zichzelf totaal en keek zijn oogen uit, toen Amy haar hoed opzette om heen te gaan, want zij was alleen maar aan hem voorgesteld als "mijn zuster," en niemand had haar nog bij haar nieuwen naam genoemd. Hij vergat zich nog meer, toen Laurie bij het afscheid nemen op hartelijken en beleefden toon tegen hem zei: "Mijn vrouw en ik zijn heel blij, u ontmoet te hebben, mijnheer Bhaer. U zoudt ons groot genoegen doen, met ons eens op te komen zoeken; wees overtuigd dat u altijd hartelijk welkom zult wezen."
Toen dankte de professor hem zoo hartelijk, en zijn gezicht werd plotseling zoo verhelderd en opgetogen, dat Laurie hem den aardigsten, openhartigsten ouden heer vond, dien hij ooit gezien had.
"Ik wil nu ook gaan, doch ik wil gaarne weerkomen, wanneer u het veroorlooft, lieve mevrouw, want ik heb hier eenige zaken te doen, en zal hier een paar dagen moeten blijven."
Hij sprak tegen mevrouw March, maar keek Jo aan; en de stem der moeder gaf een even welgemeende toestemming, als de oogen der dochter; want mevrouw March was niet zoo blind voor het welzijn harer kinderen, als mevrouw Moffat dacht.
"Ik geloof, dat dat een wijs man is," zei mijnheer March, uiterst voldaan voor den schoorsteen staande, nadat de laatste gast vertrokken was.
"Ik weet, dat hij een _goed_ man is," antwoordde mevrouw March beslist, terwijl ze de klok opwond.
"Ik dacht wel, dat u van hem zoudt houden," was alles, wat Jo zei, terwijl zij hen goeden nacht wenschte en naar haar kamer ging.
Zij peinsde er over, wat toch wel die zaken konden zijn, die mijnheer Bhaer naar de stad riepen, en kwam eindelijk tot het besluit, dat hij de een of andere eervolle benoeming moest hebben ontvangen, maar te bescheiden was om dat zelf te vertellen. Had zij zijn gezicht kunnen zien, toen hij veilig op zijn kamer, het portret bekeek van een strenge, ernstige jonge dame met een massa haar, die met donkeren blik de toekomst scheen te willen doorboren, dan zou dit haar misschien eenig licht hebben gegeven, vooral toen hij het gas uitdraaide, en het portret in de duisternis kuste.
HOOFDSTUK XXI.
MIJNHEER EN MEVROUW.
"Madame Mère, kunt u mij als 't u belieft mijn vrouw ook een half uurtje afstaan? Het goed is gekomen, en ik heb Amy's Parijsche fraaiigheden wel wat door elkander gerommeld, want ik zocht iets, wat ik noodig heb," zei Laurie den volgenden dag, toen hij de huiskamer binnenstapte, en mevrouw Laurence op haar moeder's schoot zag zitten, alsof zij nog "het kleintje" was.
"Zeker, ga maar gauw, kindlief. Ik vergeet, dat je nog een ander thuis hebt dan dit," en mevrouw March drukte de kleine hand, waaraan de trouwring prijkte, alsof zij vergiffenis vroeg voor haar moederlijke begeerigheid.
"Ik zou haar niet zijn komen halen, als ik het had kunnen laten, maar ik kan evenmin buiten mijn vrouw als een--"
"Weerhaan zonder wind kan," vulde Jo aan, toen hij zweeg om een vergelijking te vinden. Jo was weer even dwaas als vroeger, sinds Teddy's terugkomst.
"Juist, want Amy zorgt er voor, dat ik meestal West wijs met nu en dan een streekje Zuid; ik heb nog geen oogenblik naar het Oosten gewezen, sinds ik getrouwd ben, weet zelfs niet wat het Noorden is, maar ben altijd even koel en zacht--niet waar, mevrouw?"
"Allerliefst weer tot nu toe; ik weet niet hoelang het zal duren, maar ik ben niet erg bang voor stormen, want ik weet al wel een beetje hoe ik mijn schip moet besturen. Ga nu maar mee naar huis, dan zal ik wel eens naar je laarzentrekker zoeken; ik denk, dat je daarvoor mijn goed zoo overhoop hebt gehaald. Mannen zijn toch _zoo_ hulpbehoevend, Moeder," zei Amy beschermend, tot groot vermaak van haar echtgenoot.
"Wat zijn jullie van plan te gaan doen, als alles op orde is?" vroeg Jo, terwijl ze Amy's mantel dichtknoopte, zooals zij het vroeger haar boezelaars deed.
"Wij hebben wel plannen gemaakt, maar zullen er voorloopig maar niet over spreken, omdat wij nog zulke nieuwe bezems zijn, maar wij zijn niet van zins te gaan luieren. Ik zal mij met zooveel ijver aan de zaken wijden, dat Grootvader in verrukking komt, en hem eens bewijzen, dat ik niet bedorven ben. Ik heb genoeg van 't leegloopen, en ben van plan aan het werk te gaan als een man."
"En wat gaat Amy doen?" informeerde mevrouw March, verheugd over Laurie's beslistheid en de energie, waarmee hij sprak.
"Na overal beleefdheidsbezoeken te hebben afgelegd en onze elegante toiletten gelucht te hebben, zullen wij uw verbazing wekken door de ongedwongen gastvrijheid van ons huis, het schitterend gezelschap, dat wij om ons zullen verzamelen, en den weldadigen invloed, dien wij rechts en links zullen uitoefenen. Dat was immers _uw_ voornemen, madame Récamier?" vroeg Laurie met schijnbaren ernst naar Amy ziende.
"De tijd zal het leeren. Kom maar mee, brutale plaaggeest en erger mijn familie maar niet door mij in hun bijzijn belachelijk te maken," antwoordde Amy, vast besloten, dat zij een goede _huis_vrouw zou zijn, eer zij als _gast_vrouw haar salons opende.
"Wat schijnen die kinderen samen gelukkig te wezen!" zei mijnheer March, wien het moeilijk viel, zich na het vertrek van het jonge paar weer te verdiepen in zijn Aristoteles.
"Ja, en ik geloof, dat het duurzaam zal zijn," voegde mevrouw March er bij, met het rustige gevoel van een loods, die een schip veilig de haven heeft binnengeleid.
"Daar ben ik zeker van. Gelukkige Amy!" zuchtte Jo, maar ze glimlachte vroolijk, toen professor Bhaer even later met een ongeduldigen ruk het hek openstootte.
Later op den avond, toen zijn geest gerustgesteld was over den laarzentrekker, riep Laurie eensklaps zijn vrouw toe, die heen en weer liep om haar nieuwe kunstschatten te schikken:
"Mevrouw Laurence."
"Mylord?"
"Die man is van plan onze Jo te trouwen."
"Ik hoop het; jij ook niet?"
"Wel, vrouwtje, ik vind hem 'een juweel' in den vollen zin des woords, maar ik wou dat hij wat jonger en flink wat rijker was."
"Kom, Laurie, wees niet al te kieschkeurig en wereldschgezind. Als zij elkander liefhebben komt het er volstrekt niet op aan, hoe oud of hoe arm hij is. Vrouwen moeten _nooit_ om geld trouw--" hier hield Amy plotseling op en zag haar man aan, die plagend zei:
"Zeker niet, hoewel heel aardige meisjes soms beweren, dat zij het _vast_ van plan zijn. Als mijn geheugen mij niet bedriegt, beschouwde jij het eenmaal je plicht een rijk huwelijk te doen; dat verklaart misschien, hoe het komt, dat je een nietswaardige als mij hebt genomen."
"O, mijn liefste man, denk dat toch als 't je blieft niet! Ik vergat heelemaal dat je rijk was, toen ik 'ja' zei. Ik zou met je getrouwd zijn, al had je geen cent bezeten, en soms zou ik wel willen, dat je arm was, om je te kunnen toonen, hoe lief ik je heb," en Amy, die zich heel waardig gedroeg in gezelschap, maar heel teeder was, wanneer niemand het zag, gaf hem een overtuigend bewijs van de oprechtheid harer woorden.
"Je gelooft toch niet _wezenlijk_, dat ik zoo'n geldzuchtig schepsel ben, als ik vroeger meende te zijn, wel? Het zou mijn hart breken, als je niet gelooven wou, dat ik even graag met je in 't zelfde bootje zou varen, al moest je je kost verdienen met roeier te zijn op het meer."
"Neen, zoo'n idioot ben ik niet! Hoe zou ik dat kunnen denken, terwijl je een rijker man om mijnentwil afgewezen hebt, en mij niet toe wilt staan, je de helft te koopen van wat ik wel zou willen, nu ik er het recht toe heb? Meisjes doen het elken dag, arme stakkerds! en leeren in hun jeugd dikwijls al, dat het een uitkomst voor hen is, maar jij hadt beter onderwijs gehad, en hoewel ik wel eens voor je gebeefd heb, werd ik toch niet teleurgesteld,--want de dochter deed de opvoeding van haar moeder eer aan. Toen ik dat gisteren tegen Moeder zei, keek ze zoo blij en dankbaar, alsof ik haar een wissel van een millioen had gegeven, voor een liefdadig doel. Zeg, je luistert heelemaal niet naar mijn zedekundige opmerkingen, mevrouw Laurence,"--en Laurie zweeg, want Amy was blijkbaar afgetrokken, hoewel zij hem strak aanzag.
"Jawel, en ik bewonder meteen het kuiltje in je kin. Ik wil je niet ijdel maken, maar ik moet bekennen, dat ik trotscher ben op mijn knappen echtgenoot, dan op al zijn geld. Lach niet--maar je neus is mij zoo'n groote troost," en Amy liefkoosde het welbesneden lichaamsdeel met een gevoel van artistieke voldoening.
Laurie had al menig compliment gekregen in zijn leven, maar nooit een, dat zoo naar zijn genoegen was, zooals hij met daden toonde, hoewel hij om den bizonderen smaak van zijn vrouw lachte, terwijl ze langzaam vervolgde:
"Mag ik je eens iets vragen, man?"
"Natuurlijk wel."
"Zou je het naar vinden, als Jo met mijnheer Bhaer trouwde?"
"O, zit daar de knoop? Ik dacht wel, dat er iets in dat kuiltje was, wat je niet beviel. Daar ik de zon best in 't water kan zien schijnen en de gelukkigste kerel ter wereld ben, kan ik je eerlijk verklaren, dat ik op Jo's bruiloft zal dansen, met een hart zoo licht als een veertje. Twijfel je er aan, _mon mie_?"
Amy keek hem aan en was voldaan; het laatste zweempje van naijverige vrees verdween voor altijd, en zij dankte hem met een van liefde en vertrouwen stralend gezicht.
"Ik wou, dat wij iets konden doen voor dien besten, ouden professor. Zouden wij niet een rijk bloedverwant kunnen verzinnen, die wel zoo goed wou zijn om in Duitschland te sterven, en hem een aardig fortuintje naliet?" bedacht Laurie, toen het tweetal arm in arm de lange zitkamer op en neer wandelde, zooals zij zoo graag deden, in herinnering aan den ouden tuin te Vevey.
"Jo zou er achter komen en alles bederven; zij is heel trotsch op hem, en zei gisteren, dat zij armoede iets moois vond."
"Die lieve ziel, maar zij zal wel anders denken, als zij een geleerden echtvriend en een dozijn kleine professortjes of professorinnetjes heeft te onderhouden. Wij zullen ons er dan maar niet mee bemoeien, maar een goede kans afwachten, en ze een dienst bewijzen, zonder dat zij het weten. Ik heb aan Jo een deel van mijn opvoeding te danken, en zij vertrouwt altijd, dat menschen hun schulden eerlijk betalen; daar zal ik haar dus mee vangen."
"Wat heerlijk toch, als je anderen kunt helpen! Dat was altijd een van mijn illusies: de macht te hebben om vrij te kunnen geven, en ik heb het aan jou te danken, dat die illusie werkelijkheid geworden is."
"O, wij zullen een massa goed doen, hè, meisje? Er is een bepaalde soort van armoede, die ik bizonder graag help. De bedelaars op straat worden wel geholpen, maar arme, fatsoenlijke lui hebben het kwaad, omdat zij niet willen vragen en men hun niets durft aanbieden; toch zijn er wel duizend manieren om hen te helpen, als men het maar zoo kiesch weet te doen, dat ze er niet door beleedigd worden. Ik moet bekennen, dat ik liever een gentlemen help, die in 't achterschip is geraakt, dan een bedelenden mooiprater, hoewel het eerste veel moeilijker is."
"Omdat je zelf een gentlemen zijn moet om het te kunnen doen," antwoordde het andere lid van de huiselijke bewonderings-vereeniging.
"Dank je, maar ik vrees, dat ik dat aardige complimentje niet verdien. Maar ik wou nog zeggen, dat ik, toen ik in het buitenland mijn tijd zoo verbeuzelde, veel talentvolle jongelui heb ontmoet, die zich alle mogelijke opofferingen getroostten en zware ontberingen verduurden, om eenmaal hun droomen verwezenlijkt te kunnen zien. Prachtige jongens waren sommige, die werkten als helden; zij waren wel arm en zonder vrienden, maar zoo vol moed, geduld en ambitie, dat ik mij over mezelf schaamde, en niets liever had gedaan dan ze eens goed voorthelpen. Zulke menschen te helpen is een genot, want hebben zij werkelijk talent, dan is het een eer ze te mogen steunen, opdat hun gaven niet verloren gaan, of uitdoven bij gebrek aan brandstof om het vuur levendig te houden; hebben zij het niet, dan nog is het een genot de arme jongens op te beuren, en ze, als zij het leeren inzien, voor wanhoop te bewaren."
"Ja zeker; en er is nog een andere soort, die niet kan vragen, en in stilte lijdt; ik weet er iets van door ondervinding, want ik behoorde er toe, voordat jij me prinses maakte, zooals de koning in het sprookje het bedelmeisje. Eerzuchtige arme meisjes hebben een moeilijk leven, Laurie, en moeten dikwijls jeugd, gezondheid, en kostbare gelegenheden zien voorbijgaan, alleen omdat niemand ze helpt op het juiste oogenblik. De menschen zijn voor mij heel vriendelijk geweest, en als ik ooit meisjes zie tobben, zooals wij hebben moeten doen, zou ik graag mijn hand uitsteken en ze helpen, zooals ik geholpen ben."
"Dat zul je, lieveling!" riep Laurie, en hij nam zich in 't vuur van zijn menschlievenden ijver voor om een inrichting te stichten, uitsluitend ten voordeele van jonge meisjes met kunstenaarsaanleg. "Rijke menschen hebben geen recht om rustig neer te zitten en te genieten, of hun geld op te stapelen, om het later door hun erfgenamen te laten verkwisten. Het is niet half zoo verstandig een reeks legaten te vermaken na je dood, als het geld nuttig te gebruiken bij je leven, en het genot te hebben er je medemenschen gelukkig door te maken. Wij zullen een prettig leven hebben, en een extraatje voegen bij ons eigen geluk, door anderen ook een proefje te geven. Wil jij een kleine Dorcas zijn en rondgaan met een groote mand vol verkwikkingen, die je ronddeelt, en ze doen volgen door je goede daden?"
"Niets liever dan dat, als jij St. Maarten wilt zijn en ridderlijk je mantel deelen met den bedelaar."
"Afgesproken! en wij zullen er zelf 't meest bij winnen."
Het jonge paar gaf elkander er de hand op en wandelde voort in het bewustzijn, dat hun gelukkig tehuis nog gelukkiger zou zijn, omdat zij andere huisgezinnen in hun overvloed wilden doen deelen, vol vertrouwen, dat hun eigen voeten vaster zouden voortgaan op het met bloemen bestrooide pad vóór hen, als zij oneffen paden voor anderen effenden, en overtuigd, dat hun harten steeds nauwer vereenigd zouden worden door een liefde, die met medelijden kon denken aan hen, die minder bevoorrecht waren dan zij.
HOOFDSTUK XXII.
DAISY EN DEMI.
Ik vind niet, dat ik mijn plicht heb gedaan als nederig geschiedschrijfster van de familie March, als ik niet ten minste één hoofdstuk gewijd heb aan de twee kostbaarste en belangrijkste leden. Daisy en Demi hadden nu de jaren des onderscheids bereikt, want in dezen vluggen tijd staan kinderen van drie of vier jaar reeds op hun recht, en handhaven het ook, hetgeen meer is, dan menig ouder mensen kan.
Indien ooit een tweelingpaar gevaar liep van bedorven te worden, waren het wel deze twee babbelende Brookesjes. Natuurlijk waren zij de merkwaardigste kinderen, die ooit geboren werden; hetgeen wel daaruit blijkt, dat zij liepen, toen zij acht maanden oud waren, vloeiend spraken, toen zij hun eerste jaar voltooid hadden, en op tweejarigen leeftijd hun plaats aan tafel innamen, en zich zoo ordentelijk gedroegen, dat allen, die het zagen, er verbaasd over stonden.
Daisy vroeg toen zij drie jaar oud was reeds om een "naaiertje" en maakte met vier steken een zakje; ook begon zij een huishouding in 't buffet, en sprong zoo behendig om met een microscopisch kookkacheltje, dat Hanna's oogen zich vulden met tranen van trots en vreugde, terwijl Demi zijn letters leerde bij zijn grootvader, die een nieuwe methode had uitgevonden, om hem het alphabet te onderwijzen, en wel door de letters te vormen met zijn armen en beenen,--een vereeniging dus van hoofd- en lichaamsgymnastiek. De jongen ontwikkelde vroeg een werktuigkundig genie, dat zijn vader verrukte, en zijn moeder veel zorg veroorzaakte, want hij trachtte elke machine, die hij zag, na te bootsen, en hield de kinderkamer in een chaotische verwarring met zijn "naaimasine," een geheimzinnig samenstel van touwen, stoelen, spelden en klosjes, die de wieltjes moesten voorstellen. Een anderen keer hing hij een mand over den rug van een leuningstoel, waarin hij tevergeefs zijn al te goedhartig zusje trachtte op te hijschen, dat zich met vrouwelijke devotie op haar hoofdje liet stompen, totdat zij door haar moeder bevrijd werd, waarop de jonge uitvinder verontwaardigd riep: "Maar Moes, dat is mijn takel, en ik hijsch haar op."
Hoewel de tweelingen zeer van karakter verschilden, konden zij toch uitmuntend met elkander overweg, en kibbelden zelden meer dan driemaal per dag. Natuurlijk speelde Demi den baas over Daisy en verdedigde haar ridderlijk tegen elken anderen aanrander, terwijl Daisy zich de rol van galeislaaf getroostte en haar broertje aanbad, als het eenig volmaakte schepsel ter wereld. Een rooskleurig, mollig, blijhartig zieltje was Daisy, die den weg vond tot ieders hart, en zich daar een plaatsje wist te veroveren. Een van die innemende kinderen, die gemaakt schijnen, om gekust en geknuffeld, als kleine afgodjes vereerd, en bij alle feestelijke gelegenheden tot ieders bewondering vertoond te worden. Haar kleine deugden waren zoo allerliefst, dat zij heusch engelachtig zou zijn geweest, zoo zij niet door een paar stoute trekjes nu en dan getoond had een echt natuurlijk menschenkind te zijn. In haar wereld was het altijd mooi weer, en elken morgen huppelde zij in haar nachtjaponnetje naar het raam om naar buiten te zien, en riep dan onveranderlijk, of het regende of de zon scheen: "Hoed! na buiten! na buiten!" Ieder, dien zij zag, beschouwde zij als vriend, en zij bood vreemden zoo vertrouwend een kusje, dat de meest hardnekkige oude vrijer verteederd werd, en kindervrienden volslagen kinderaanbidders werden.
"Itte hou van ajjemaai," zei zij eens, en stak de armpjes uit, met haar lepel in de eene en haar kroesje in de andere hand, alsof zij de gansche wereld wilde omarmen en aan haar hartje drukken.
Toen zij grooter werd, gevoelde haar moeder, dat de "Duiventil" bizonder gezegend was in het bezit van een kleine bewoonster, even opgeruimd en liefhebbend als die, welke zooveel zonneschijn in het ouderlijk huis had verspreid, en haar vurig gebed was, dat haar een verlies mocht bespaard worden als dat, hetwelk hen onlangs had leeren inzien, dat zij onwetend een engel geherbergd hadden. Haar grootvader noemde haar meermalen "Bets" en haar grootmoeder waakte over haar met een onvermoeide zorg, alsof zij eenig vroeger verzuim had goed te maken, dat geen ander oog dan het hare kon ontdekken.
Demi was als een echt Yankee van onderzoekenden aard; hij verlangde alles te weten, en werd dikwijls boos, omdat hij niet altijd een voldoend antwoord kon krijgen op zijn aanhoudend: "Waarom?"
Ook bleek hij min of meer philosophisch "aangelegd", tot groote vreugd van zijn grootvader, die socratische gesprekken met hem hield, waarbij het wijze ventje van tijd tot tijd vragen deed, die de vrouwelijke familieleden in de uiterste verbazing brachten.
"Wat maakt mijn beenen aan het loopen, Opa?" vroeg de jonge wijsgeer, en bekeek op zekeren avond na een laatste stoeipartij met een peinzend gezicht die beweeglijke lichaamsdeelen.
"Je kleine wilsvermogen, Demi," antwoordde de wijze, oude heer, het blonde kopje liefkoozend.
"Wat is klein wilsvermogen?"
"Dat is iets, dat je lichaam in beweging brengt, evenals de veer de radertjes in mijn horloge doet loopen, zooals ik je laatst gewezen heb."
"Doe me eens open; ik wou me eens zien opwinden."
"Dat kan ik niet, evenmin als jij het horloge kon openmaken. God windt je op, en je blijft in beweging, totdat hij je doet stilstaan."
"Wat aardig!" en Demi's bruine oogen werden grooter en helderder bij die nieuwe gedachte: "Word ik opgewonden, net als je horloge."
"Ja, maar ik kan je niet wijzen hoe; want dat is gebeurd, zonder dat iemand het kon zien."
Demi betastte zijn rug, alsof hij verwachtte, dat die op een horlogekast zou gelijken, en zei toen ernstig: "Ik denk dat God het doet, als ik slaap."
Hierop volgde een uiteenzetting, waar hij zoo aandachtig naar luisterde, dat zijn bezorgde grootmoeder waarschuwde:
"Zeg eens man, vind je het wel verstandig over zulke dingen te spreken met zoo'n klein kind? Hij krijgt rimpels boven zijn oogen, en gaat de meest onmogelijke vragen doen."
"Als hij oud genoeg is om de vragen te doen, is hij ook oud genoeg om er goede antwoorden op te krijgen. Ik breng hem de gedachten niet in het hoofd, maar tracht de denkbeelden die er in zijn, voor hem op te klaren. Die kinderen zijn wijzer dan wij, en ik twijfel er niet aan, of de jongen begrijpt ieder woord, dat ik hem gezegd heb. Zeg mij eens, Demi, waar zit je wilsvermogen?"
Had de jongen evenals Alcibiades geantwoord: "Bij de goden, Socrates, ik kan het u niet zeggen," dan zou zijn grootvader niet verwonderd zijn geweest; maar toen hij, na een oogenblik op éen been gestaan te hebben als een peinzende jonge ooievaar, op een toon van vaste overtuiging antwoordde: "In mijn buikje," kon de oude heer niet anders doen dan hartelijk met Grootmama lachen, en een eind maken aan het onderwijs in de metaphysica.
Er zou reden geweest zijn voor moederlijke bezorgdheid, zoo Demi niet overtuigende bewijzen had gegeven van zijn echten jongensaard, zoowel als van een philosophischen geest; want het gebeurde wel eens na een gesprek, (hetgeen Hanna met een bedenkelijk hoofdschudden deed profeteeren: "Dat kind is niet lang voor deze aarde,") dat hij een wilde bui kreeg, en haar vrees tot rust bracht, door een paar van die guitenstreken, waarmee lieve, vuile, ondeugende, kleine bengels het hart hunner ouders vervroolijken.