Op Eigen Wieken

Chapter 23

Chapter 234,122 wordsPublic domain

Laurie scheen Jo voor een oogenblik te vergeten, en Jo verheugde zich er over; want het feit, dat hij haar al deze dingen zoo vrij en natuurlijk vertelde, bewees haar dat hij volkomen vergeven en vergeten had. Zij zocht haar hand weg te trekken; maar alsof Laurie raadde welke gedachte haar aanspoorde tot die half onwillekeurige beweging, hield hij ze vast, en zei met een manlijken ernst, dien zij nog nooit in hem had opgemerkt: "Jolief, ik wou je graag één ding zeggen, en dan zullen wij die zaak voor goed laten rusten. Zooals ik al in mijn brief schreef, toen ik vertelde, hoe lief Amy voor me geweest was, ik zal nooit ophouden jou ook lief te hebben; maar de liefde is veranderd, en ik heb leeren inzien, dat het beter is, zooals het is. Amy en jij veranderen van plaats in mijn hart, dat is al. Ik geloof, dat het zoo beschikt was, en zou dat zeker ook wel van zelf hebben leeren inzien, als ik gewacht had volgens jouw raad; maar ik kon niet geduldig zijn en werd dus wanhopig. Ik was toen een jongen, koppig en heftig, en ik had een harde les noodig om mijn vergissing te leeren inzien. Want het wás een vergissing, Jo, zooals jij ook zei, en ik merkte het, nadat ik mij als een gek had aangesteld. Ik raakte daarna zoo in de war, dat ik zelf niet wist, wie ik het meest liefhad--jou of Amy, en mijn best deed beiden even lief te hebben, maar dat kon ik niet, en toen ik haar in Zwitserland terug zag, scheen alles op eens tot klaarheid te komen. Je nam beiden je rechte plaats in, en ik wist zeker, dat de oude liefde afgedaan was, voordat de nieuwe begon te leven; dat ik mijn hart eerlijk kon deelen tusschen zuster Jo en vrouw Amy, en ze beiden hartelijk liefhebben. Wil je dat gelooven en terugkeeren naar den gelukkigen ouden tijd, toen wij elkander pas leerden kennen?"

"Ik wil het van ganscher harte gelooven; maar Teddy, wij kunnen nooit weer jongen en meisje zijn--de gelukkige oude tijd kan nooit terugkomen, en wij moeten dat ook niet verwachten. Wij zijn nu volwassen man en volwassen vrouw, hebben ernstig werk te doen, want de speeltijd is over, en mogen niet langer gekheid maken. Ik geloof, dat jij dat ook wel voelt; ik zie de verandering in jou, en jij zult die in mij zien; ik zal 'mijn jongen' missen, maar ik zal den man even goed liefhebben en hem méér bewonderen, omdat hij zich voorneemt te zijn, wat ik hoopte, dat hij worden zou. We kunnen niet langer speelkameraden wezen, maar wij zullen broer en zuster zijn, om elkaar ons leven lang lief te hebben en te helpen; zullen we niet, Laurie?"

Hij antwoordde niet, maar nam de hand, die zij hem aanbood, en legde er zijn gezicht voor een oogenblik op, gevoelende, dat uit het graf van een jongenshartstocht een schoone sterke vriendschap was verrezen, die hun beiden tot zegen zou zijn. Toen hernam Jo vroolijk, want zij wilde niet, dat zijn thuiskomst droevig zou worden: "Ik kan het mij nog maar niet begrijpen, dat jullie kinderen werkelijk getrouwd zijn en een huishouden gaan opzetten. Het lijkt mij net, of het pas gisteren was, dat ik Amy's boezelaar vastmaakte, en jou aan 't haar trok, als je mij plaagde. Och, och, wat vliegt de tijd toch om!"

"Daar een van de 'kinderen' ouder is dan jijzelf, behoef je niet zoo grootmoederachtig te praten. Ik vlei mij, dat ik nu wel 'een opgeschoten meneer' ben, zooals Peggotty zei van David; [13] en als je Amy ziet zul je haar wel een bizonder voorspoedig kind vinden," zei Laurie, lachende om haar moederlijken toon.

"Jij mag wat ouder zijn in jaren, maar ik ben zooveel ouder in mijn gevoel, Teddy. Dat zijn vrouwen altijd, en dit laatste jaar is zoo moeilijk geweest, dat ik mij wel veertig jaar voel."

"Arme Jo, we lieten het jou ook maar alleen dragen, terwijl wij plezier maakten. Je bent werkelijk ouder geworden; hier is een diepe rimpel, en daar nog een; behalve wanneer je glimlacht, staan je oogen droevig, en toen ik straks het kussen aanraakte, voelde ik er een traan op. Je hebt veel verdriet gehad en stond er alleen voor; wat ben ik een zelfzuchtig wezen geweest!" en Laurie trok met een berouwvol gezicht aan zijn haar.

Maar Jo keerde het verraderlijke kussen om, en antwoordde op een toon, dien zij zoo vroolijk mogelijk deed klinken: "Neen, ik had Vader en Moeder om mij te helpen, en de kleintjes om mij te troosten, en de gedachte, dat jij en Amy gezond en gelukkig waren, deed mij de moeilijkheden hier gemakkelijker dragen. Ik voel mij soms eenzaam, maar ik geloof, dat dat wel goed voor mij is, en--"

"Je zult het nooit weer zijn," viel Laurie haar in de rede, en sloeg zijn arm om haar heen, alsof hij alle mogelijke kwaad van haar wilde weren. "Amy en ik kunnen niet buiten jouw hulp; jij moet 'de kinderen' leeren huishouden, en in alles deelen, zooals vroeger, en toelaten, dat we je vertroetelen, dan zullen we allemaal óvergelukkig zijn."

"Als ik niet overcompleet ben, zou ik het heel prettig vinden. Ik begin mij nu al verjongd te voelen; want toen jij kwam, schenen al mijn zorgen op de een of andere manier weg te vliegen. Jij bent mij altijd een troost geweest, Teddy," en Jo leunde met haar hoofd op zijn schouder, zooals zij dat jaren geleden gedaan had, toen Betsy ziek was, en Laurie haar zeide, dat zij maar op hem moest steunen.

Hij keek haar aan om te zien, of zij aan die dagen terugdacht, maar Jo glimlachte, alsof haar zorgen werkelijk bij zijn komst waren weggevlogen.

"Je bent nog altijd dezelfde, Jo, het eene oogenblik schreien, het volgende lachen. Nu kijk je wel wat ondeugend; waar denkt u aan, Grootma?"

"Ik peinsde er over, hoe jij en Amy met elkander zouden omgaan."

"Als engelen!"

"Ja natuurlijk, in het begin--maar wie is de baas?"

"Ik heb er geen bezwaar tegen, je te vertellen, dat zij op 't oogenblik het meest in te brengen heeft; ik laat haar ten minste in dien waan,--zij vindt dat plezierig, weet je. Maar we zullen daar gauw verandering in brengen, want zij zeggen, dat het huwelijk iemands rechten halveert en iemands plichten verdubbelt."

"Je zult voortgaan, zooals je begonnen bent, en Amy zal je al je levensdagen regeeren."

"Nu, zij doet het zoo onmerkbaar, dat ik niet denk, dat het mij veel zal kunnen schelen. Amy is een vrouw, die de kunst van regeeren goed verstaat; ik vind het, om je de waarheid te zeggen, zelfs wel aardig, want zij draait iemand zoo zacht en netjes om den vinger, alsof hij een strengetje zij was, en intusschen geeft ze je 't idee, dat ze je een gunst bewijst."

"Dat ik dát nog beleven moet, jou onder den pantoffel te zien, terwijl je het nog aardig vindt op den koop toe!" riep Jo, de handen in elkaar slaande.

Het was aardig om te zien, hoe Laurie de borst vooruitzette, en met mannelijken trots om die insinuatie lachte, terwijl hij "met zijn hooghartig air" antwoordde: "Amy is te wel opgevoed om zooiets te doen, en ik behoor niet tot de soort van mannen die zich daaraan onderwerpen. Mijn vrouw en ik hebben te veel achting voor ons zelven en voor elkaar, om ooit over elkander te heerschen, of met elkaar te kibbelen."

Dat beviel Jo, en zij vond, dat de nieuwe waardigheid hem heel goed stond, maar de knaap scheen met reuzenschreden in een man te veranderen, en weemoed vermengde zich met haar blijdschap.

"Dat geloof ik graag; Amy en jij kibbelden nooit, zooals wij samen. Zij is de zon, en ik ben de wind uit de fabel, en de zon maakte het meest van den man, zooals je je herinnert."

"Zij kan hem zoowel wat 'opblazen' als 't noodig is, als hem beschijnen," verzekerde Laurie lachend. "Als ik nog aan de vermaning denk, die ik te Nice kreeg! Ik verzeker je, dat die nog vrij wat erger was, dan jij me ooit gegeven hebt. Die klonk als een klok; ik zal je er bij gelegenheid wel eens alles van vertellen,--_zij_ zal het nooit doen, omdat zij--nadat zij mij gezegd had, dat zij mij verachtte en zich over mij schaamde--haar hart kwijt raakte aan dien verachtelijken persoon en den nietswaardige trouwde."

"Hoe karakterloos! Maar mocht zij het soms te bont maken, kom dan maar bij mij, dan zal ik je wel verdedigen."

"Ik zie er wel uit, of ik dat noodig had, hè?" vroeg Laurie, opstaande en een gebiedende houding aannemende, die plotseling in ongeveinsde verrukking overging, toen hij Amy hoorde roepen:

"Waar zit zij? Waar is mijn lieve, oude Jo?"

Daar kwam de heele familie binnen marcheeren, en allen kusten en pakten elkander nog eens weer van voren af aan, en eindelijk mochten de drie reizigers in vrede gaan zitten, en kon ieder zich ongestoord "aan hun aanblik vergasten." Mijnheer Laurence, gezond en flink als altijd, was door zijn buitenlandsche reis even zeer verkwikt als de anderen,--zijn barschheid scheen nagenoeg geheel verdwenen en de ouderwetsche hoffelijkheid had een kleine verfijning ondergaan, die haar aantrekkelijker maakte dan ooit. Het deed iemand goed op te merken, hoe hij "mijn kinderen", zooals hij het jonge paar noemde, toelachte; nog aardiger was het te zien, hoe Amy hem haar kinderlijke liefde bewees, waardoor zij zijn oud hart geheel en al won; en het best van alles was het Laurie gade te slaan, zooals hij om die twee heendraaide, alsof hij zich niet verzadigen kon aan het liefelijke tafreel.

Meta had bij den eersten oogopslag dadelijk ontdekt, dat Amy er heel anders uitzag dan zijzelve, dat haar eigen japon niet de Parijsche "coupe" had en dat de jonge mevrouw Moffat geheel in de schaduw zou worden gesteld door de jonge mevrouw Laurence, die een echt elegante, gracieuse vrouw was geworden. Jo dacht, toen zij het paar nauwkeurig opnam: "wat komen ze toch goed bij elkander! Ik had gelijk, en Laurie heeft 'het mooie begaafde meisje' gevonden, dat zijn huis meer tot sieraad zal strekken dan de lompe oude Jo; zij zal zijn trots en niet zijn plaag zijn." Mevrouw March en haar echtgenoot glimlachten en knikten elkaar met een verheugd gezicht toe, want zij zagen, dat het hun jongste dochter naar wensch was gegaan, niet alleen in wereldsche dingen, maar dat ook het betere goed: liefde, vertrouwen en geluk haar deel was geworden.

Want Amy's gelaat droeg die uitdrukking van zachte blijmoedigheid, die van vrede des harten spreekt, haar stem had een nieuwen teederen klank, en de koele, stijve houding was overgegaan in een zachte waardigheid, zoowel vrouwelijk als innemend. De indruk werd niet verstoord door kleine gemaaktheden, en haar hartelijke, lieve manieren waren nog bekoorlijker dan de nieuwe schoonheid of haar vroegere bevalligheid, en leverden het onmiskenbare bewijs, dat zij de echte "edelvrouw" was, die zij eens gehoopt had te zullen worden.

"Liefde heeft veel gedaan voor ons dochtertje," zie de moeder zacht.

"Zij heeft haar heele leven door altijd een goed voorbeeld gehad, mijn beste," fluisterde mijnheer March, terwijl hij zijn oogen vol liefde liet rusten op het vervallen gelaat en de vergrijsde haren naast zich.

Daisy kon haar oogen maar niet afhouden van de mooie tante, en haar handjes niet van de kostbare châtelaine, die zooveel onbekende heerlijkheden bevatte. Demi moest eerst nog eens nadenken over de vreemde familieleden, eer hij zich liet vangen, door het ondoordacht aannemen van een geschenk, in den verleidelijken vorm van een familie houten beertjes uit Bern. Een zijwaartsche beweging van Laurie deed hem echter tot een onvoorwaardelijke overgave besluiten; de nieuwe oom wist blijkbaar, hoe hij het moest aanleggen. "Jongmensch, toen ik voor het eerst de eer had kennis met je te maken, gaf je me een slag in 't gezicht: nu eisch ik voldoening!" en daarmee pakte de lange oom het kleine neefje op, zwaaide hem in de lucht en hield hem boven zijn hoofd, op een manier, die zijn waardigheid evenzeer benadeelde als ze zijn jongenshart verblijdde.

"Wel, heb ik van me leven, as ze niet van 't hoofd tot de voeten in 't zij steekt! 't Doet men ouwe oogen goed, as ik haar daar zoo mooi en lief zie zitten en as ze onze kleine Amy mevrouw Laurence noemen!" mompelde oude Hanna, die niet nalaten kon af en toe door een reetje van de deur te gluren, terwijl zij bezig was de tafel te dekken, en alles vrij wel door elkander opzette.

Wat werd er druk geredeneerd! eerst de een, dan de ander, dan allen tegelijk,--want ze wilden allemaal de geschiedenis van drie jaren in een half uurtje vertellen. Het was een geluk dat het tijd werd om thee te drinken, zoodat er een kleine pauze intrad en ze zich wat verkwikken konden,--want zij zouden heesch en flauw geworden zijn, als zij nog langer zoo hadden doorgepraat! Wel was dat een gelukkige optocht, die later naar de kleine eetkamer trok! Mijnheer March geleidde met trots mevrouw Laurence; mevrouw March leunde even trots op den arm van "mijn zoon", de oude heer bood Jo den arm met een zacht en hartelijk: "Nu moet jij mijn meisje zijn," en een blik naar het ledige hoekje bij den haard, die Jo noopte met bevende lippen te fluisteren: "Ik doe mijn best haar plaats te vervullen, mijnheer."

De tweelingen huppelden achteraan, in het idee, dat de gouden eeuw was aangebroken, want iedereen bleek zoo vervuld van de nieuw aangekomenen, dat zij zich naar hartelust vrij konden vermaken, en zij wisten van de gelegenheid zooveel mogelijk partij te trekken. Namen zij niet ongemerkt een teugje uit de verschillende kopjes, snoepten zij niet ad libitum van de koekjes, bemachtigden zij niet ieder een sneetje toast, en wisten zij niet, om alles de kroon op te zetten, ieder een verrukkelijk taartje weg te moffelen in hun kleine zakken, om daar verraderlijke sporen van kleverige kruimels achter te laten, hetgeen hun leeren kon, dat zoowel de menschelijke natuur als een taartje zwak is? Bezwaard door hun schuldig geweten en vreezende dat Dodo's scherpe oogen door den dunnen scheidsmuur van katoen en merinos, die den buit aan 't gezicht onttrok, zouden dringen, volgden de kleine zondaars "Opa" als zijn schaduw, daar hij zijn bril niet ophad. Amy, die van den een aan den ander werd overgedaan, alsof zij een schoteltje ververschingen was, keerde naar de zitkamer terug aan den arm van Vader Laurence; de anderen volgden twee aan twee als te voren, en deze schikking was oorzaak, dat Jo alleen overschoot. Op het oogenblik zelf gaf zij er niet om, want zij bleef even achter om Hanna's vraag te beantwoorden: "Zou juffrouw Amy nou in der eigen coupé rijden, en al dat mooie zilveren gerei gaan gebruiken, dat nou nog allemaal in de kasten staat in het groote huis?"

"Het zou mij niets verwonderen, als zij met zes witte paarden reed, van gouden borden at, en elken dag juweelen en echte kant droeg. Teddy vindt niets te goed voor haar," antwoordde Jo met groote voldoening.

"Dat is 't ook warempel niet!--Wilt u gehakt of visch voor 't ontbijt hebben?" liet Hanna er op volgen, die wijselijk poëzie met proza vermengde.

"'t Is mij hetzelfde," en Jo deed de deur dicht, alsof het bedenken van eten op het oogenblik een al te triviaal onderwerp was. Zij keek even het verdwijnend gezelschap na, en toen Demi's korte beentjes de laatste tree der trap opklauterden, overviel haar plotseling een gevoel van eenzaamheid, zóó sterk, dat zij met betraande oogen rondzag, alsof zij iets zocht om op te steunen,--want zelfs Teddy had haar in den steek gelaten. Had zij geweten welk verjaarsgeschenk met iedere minuut nader en nader kwam, dan zou zij niet tot zichzelf gezegd hebben: "Ik zal in mijn bed wel een deuntje huilen, het zou nu al heel saai zijn, als ik treurig was." Toen veegde zij met de hand over haar oogen,--want een van haar jongensgebreken was nog, dat ze nooit haar zakdoek kon vinden--en was er juist in geslaagd een glimlach te voorschijn te roepen, toen er gebeld werd.

Met gastvrijen haast deed ze gauw zelf even open en schrikte, alsof een tweede geest haar verrast had,--want daar stond een heer met bruinen baard, die haar in den donkeren avond zoo vriendelijk toelachte als een warme namiddagzon.

"O, mijnheer Bhaer, wat ben ik blij u te zien!" riep Jo, en greep hem bij de hand, alsof zij vreesde, dat de nacht hem verzwelgen zou, eer zij hem nog in huis had gehaald.

"En ik om juffrouw March weer te zien,--maar neen, u hebt een partijtje," en de professor stond stil, toen hij het geluid hoorde van zooveel stemmen en het getrappel van dansende voeten.

"Neen, neen, alleen mijn familie. Mijn broer en zuster zijn juist thuis gekomen, en dat stemt ons allemaal zoo gelukkig. Komt u binnen en voeg u bij ons."

Hoewel hij erg van de gezelligheid hield, zou mijnheer Bhaer stellig heel behoorlijk zijn heengegaan en op een anderen dag teruggekomen; maar hoe kon hij, nu Jo de deur achter hem sloot en hem zijn hoed afnam? Misschien had haar gezicht er ook een beetje schuld aan, want zij vergat haar vreugde over het weerzien te verbergen en toonde het met een oprechtheid, die onweerstaanbaar bleek voor den eenzamen man, wiens welkom zijn stoutste verwachtingen had overtroffen.

"Als ik niet _Monsieur de Trop_ zal wezen, wil ik zeer gaarne allen zien. Gij zijt ziek geweest, mijn waarde vriendin?"

Hij deed die vraag eensklaps, want toen Jo zijn jas ophing, viel het licht op haar gezicht en zag hij er een verandering in.

"Niet ziek, maar vermoeid en bedroefd; wij hebben veel verdriet gehad, sedert ik u het laatst sprak."

"Ach ja, dat weet ik. Mijn hart leed om uwentwil, toen ik dat hoorde," en hij schudde nogmaals haar hand met zoo'n medelijdend gezicht, dat Jo bij zichzelf dacht, dat niets haar zoo troosten kon, als de blik dier vriendelijke oogen, de druk van die groote, warme hand.

"Vader, Moeder, hier is mijn vriend, professor Bhaer," stelde Jo hem voor, met een gezicht en op een toon, die zoo duidelijk trots en innige blijdschap te kennen gaven, dat zij even goed de trompet had kunnen blazen en de deur met een zwaai had kunnen opendoen.

Indien de vreemdeling eenigen twijfel gekoesterd had omtrent zijn ontvangst, werd die hem al zeer spoedig benomen door het hartelijk onthaal, dat hij vond. Allen begroetten hem even vriendelijk, ter wille van Jo, maar heel spoedig hielden zij van hem om zijns zelfswil. Zij konden het niet laten, want hij droeg den talisman bij zich, die alle harten opent, en de eenvoudige Marches schonken hem dadelijk hun genegenheid, en voelden zich bijna nog vriendschappelijker gestemd, omdat hij arm was,--want armoede verrijkt diegenen, die door hun leven toonen er boven verheven te zijn, en is een zeker paspoort tot waarlijk gastvrije gemoederen. Mijnheer Bhaer zat te glimlachen als een reiziger, die aan een vreemde deur heeft geklopt, en toen zij openging opeens bemerkte, dat hij thuis is. De kinderen voelden zich tot hem aangetrokken als de bijen naar de honig, klommen op zijn knie, en stalen zijn hart door zijn zakken te doorzoeken, aan zijn baard te trekken, en zijn horloge te bekijken met kinderlijke vrijmoedigheid. De dames telegrafeerden hun ingenomenheid naar elkander, en mijnheer March zag dadelijk in, dat hij een verwanten geest had gevonden, en opende de kostbare schatkamers van zijn geest ten bate van zijn gast, terwijl de niet zeer spraakzame John luisterde en genoot, hoewel hij geen woord zei, en mijnheer Laurence er niet aan dacht een middagslaapje te houden.

Als Jo het niet te druk had gehad met andere zaken, zou Laurie's gedrag haar vermaakt hebben; want een aanvechting, niet van jaloezie, maar van iets, dat op argwaan geleek, drong hem, zich wat terug te trekken en den nieuw aangekomene met omzichtigheid gade te slaan. Maar het duurde niet lang; hij begon zijns ondanks belang te stellen in hetgeen er verhandeld werd, en was, eer hij het wist, meegetrokken in het discours, want mijnheer Bhaer sprak goed in dit hem sympathieke gezelschap, en kwam er volkomen tot zijn recht. Hij praatte weinig met Laurie, maar keek hem des te meer aan, en dan trok er een schaduw over zijn gezicht, alsof hij zijn eigen verloren jeugd betreurde, bij het aanschouwen van dien jongen man in de kracht zijns levens. Daarna dwaalde zijn oog soms zoo veelzeggend naar Jo, dat zij ongetwijfeld die stomme vraag zou beantwoord hebben, als zij het maar gezien had; maar Jo moest oppassen voor haar eigen oogen, en daar zij voelde, dat die niet te vertrouwen waren, hield zij ze voorzichtig gevestigd op het kleine kousje, dat zij, als een modeltante, zat te breien.

Een steelsche blik nu en dan, verkwikte haar, als een teug frisch water na een stoffige wandeling, want die vluchtige kijkjes deden haar verscheiden gunstige verschijnselen opmerken. Mijnheer Bhaer's gezicht had zijn afgetrokken uitdrukking verloren en tintelde van leven en belangstelling; hij zag er wezenlijk jong en knap uit, vond zij, en ze vergat totaal, hem met Laurie te vergelijken, zooals zij gewoonlijk vreemde heeren--zeer in hun nadeel--deed. Daarbij scheen hij als meegesleept door zijn onderwerp, hoewel de begrafenis-gewoonten der ouden, waarheen het gesprek afgedwaald was, nu niet juist beschouwd kon worden als een opvroolijkend thema. Jo gloeide van voldoening, toen Teddy met een krachtig argument werd doodgeslagen, en dacht bij zichzelf, toen zij haar vaders bezield gelaat zag: "Wat zou het heerlijk voor hem zijn, als hij eens iemand als mijn professor had om elken dag mee te praten!" En om alles de kroon op te zetten, had mijnheer Bhaer een fonkelnieuw pak aan, waardoor hij er echt als een "gentleman" uitzag. Zijn zwaar haar was geknipt en netjes geborsteld, hoewel het niet lang in orde bleef, want in opgewonden oogenblikken streek hij het ouder gewoonte in de hoogte, en Jo gaf de voorkeur aan dien rechtovereindstaanden bos, boven de gladde lokken, omdat zij meende, dat zijn welgevormd voorhoofd dan iets Jupiter-achtigs kreeg. Arme Jo, wat verheerlijkte zij dien doodgewonen man, terwijl zij daar zoo kalmpjes zat te breien en toch niets aan haar oog liet ontsnappen--zelfs niet het feit, dat mijnheer Bhaer gouden manchetknoopen droeg in zijn smettelooze manchetten.

"Die goede professor, hij had zich niet met meer zorg kunnen kleeden, als hij op een liefdesavontuur uitging," zei Jo bij zichzelf, waarop een plotseling invallende gedachte, uit die woorden voortgekomen, haar zoo'n vreeselijke kleur aanjoeg, dat zij haar kluwen moest laten vallen en bukken om het op te rapen, en zoo haar gezicht te kunnen verbergen.

Die manoeuvre gelukte haar echter niet zoo goed, als zij wel hoopte; want hoewel de professor juist op het punt was een doodenbrandstapel aan te steken, liet hij zijn toorts, figuurlijk gesproken, vallen en dook naar het kleine, blauwe kluwen. Natuurlijk bonsden hun hoofden terdege tegen elkander, zoodat zij er sterretjes van voor de oogen kregen, en beiden kwamen weer boven, lachend en verlegen, zonder het kluwen, en namen hun plaatsen weer in, met den heimelijken wensch, dat zij die maar niet verlaten hadden.

Niemand begreep, waar de tijd bleef, want Hanna wist de kinderen zeer behendig nog al bijtijds uit de kamer te lokken; ze knikkebolden dan ook als twee roode papavers, en mijnheer Laurence ging naar huis om uit te rusten. De anderen zaten om het vuur te praten en dachten er niet aan, dat de uren verstreken, totdat Meta, wier moederlijk hart tot de vaste overtuiging kwam, dat Daisy uit bed zou gevallen zijn, en Demi zijn nachtjaponnetje in brand zou steken, bij het bestudeeren van de samenstelling van lucifers, opstond om heen te gaan.

"Laten wij van avond weer eens als vanouds zingen, nu wij weer voor het eerst allen bij elkaar zijn," stelde Jo voor, meenende, dat zij door een van harte gezongen lied veilig lucht zou kunnen geven aan de juichende stemming van haar ziel.

Zij waren er niet _allen_, maar niemand vond de woorden gedachtenloos of onwaar, want Betsy leefde nog in hun midden--een vreedzame tegenwoordigheid--onzichtbaar, maar dierbaarder dan ooit, daar de dood den innigen band, door hechte liefde gesmeed, niet kon verbreken. De kleine stoel stond op zijn oude plaats; het nette werkmandje nog op dezelfde plank, met het laatste werkje, dat zij onder handen had, toen de naald zoo zwaar werd; de geliefde piano, nu zoo zelden bespeeld, was nooit verzet, en daarboven keek Betsy's gezichtje op hen neer, dat vreedzaam en glimlachend als in vroeger dagen scheen te zeggen: "Weest gelukkig, ik ben bij jullie."