Chapter 22
Er waren nog meer dingen, die Jo hielpen: nederige maar heilzame plichten, die er het hunne toe bijbrachten om haar op te wekken, en die zij langzamerhand leerde zien en waardeeren. Stoffer en theedoek konden haar nooit meer afkeer inboezemen zooals vroeger, want Bets had beide gehanteerd, en iets van haar huishoudelijken geest scheen het kleine stoffer- en blikje, dat nooit werd weggeworpen, te omzweven. Als zij ze gebruikte, betrapte Jo er zich op, dat zij soms de liedjes neuriede, die Bets placht te neuriën, en onwillekeurig volgde zij Betsy's ordelijke gewoonten na, en liet ze haar oog gaan over al die kleinigheden, waardoor de kamers er netjes en frisch bleven uitzien, hetgeen een eerste stap was om het in huis wat vriendelijk en gezellig te maken. Ze besefte dit zelve niet, totdat Hanna haar hand eens een hartelijk drukje gaf en zei: "Goed, zorgzaam schepsel! je doet je best, dat we het lieve kind tenminste niet hoeven te missen, wat dat betreft. We zeggen er wel niks van, maar daarom zien we het toch wel, en onze lieve Heer zal je er voor zegenen; je zult zien, dat Hij het doet."
Als zij zoo rustig samen zaten te naaien, merkte Jo telkens op, hoe haar zuster Meta zich ontwikkeld had; hoe degelijk zij kon praten, hoe goed zij thuis was in allerlei dingen, hoe echt vrouwelijk in gedachten en woorden, hoe gelukkig in man en kinderen, en hoeveel zij allen voor elkander waren.
"Het huwelijk is, wel beschouwd, toch een voorbeeldig ding. Ik zou wel eens willen weten, of ik half zoo zou ontluiken, als jij gedaan hebt, wanneer ik het eens probeerde; natuurlijk als de gelegenheid zich aanbood," zei Jo, die een vlieger voor Demi zat te maken in de woelige kinderkamer.
"Dat is juist, wat je noodig zou hebben om den zachten vrouwelijken kant van je karakter te voorschijn te roepen, Jo. Jij hebt veel van een kastanje, stekelig van buiten, maar van binnen zoo zacht als zij, en met een zoete kern, als iemand die maar bereiken kon. Liefde zal je eenmaal wel leeren, je hart te toonen, en dan zal de ruwe borstel er wel afvallen."
"De vorst doet den bolster van de kastanjes barsten, mevrouw Brooke, en er moet heel wat geschud worden, eer ze afvallen. Jongens gaan uit kastanjeplukken, en ik ben er niets op gesteld door hen in een zak gestopt te worden," antwoordde Jo, met ijver voortplakkend aan den vlieger, die door geen wind ter wereld kon opgejaagd worden, want Daisy had er zichzelve bij wijze van staart aan vastgemaakt.
Meta lachte, blij Jo's vroegere opgeruimdheid weer te zien herleven, maar zij achtte het haar plicht, haar meening alle mogelijke kracht bij te zetten; en de zusterlijke gesprekken bleven niet zonder vrucht, vooral daar twee van Meta's meest afdoende argumenten de kinderen waren, die Jo teeder liefhad. Sommige harten worden het best door droefheid ontsloten, en dat van Jo was bijna goed "voor den zak"; nog een beetje zonneschijn om de kastanje volkomen te rijpen en dan zou niet een _jongen_ haar door ongeduldig schudden veroveren, maar een ernstig man de hand uitstrekken om haar zacht te ontdoen van den bolster, en den gaven, zoeten kern te bereiken. Had zij dit kunnen vermoeden, dan zou zij zich zeker teruggetrokken hebben en stekelachtiger dan ooit zijn geweest; gelukkig dacht zij niet veel over zichzelf, en viel ze, toen de tijd daar was, naar beneden.
Was zij de heldin van een zedekundigen roman geweest, dan zou zij in deze periode van haar leven misschien streng vroom zijn geworden, de wereld verzaakt hebben, en goeddoende de huizen langs zijn gegaan, met een eenvoudig hoedje op en haar zak vol tractaatjes. Maar Jo was geen heldin; zij was niets meer dan een gewoon meisje, dat met allerlei moeilijkheden te worstelen had, zooals honderd anderen, en zich, volgens haar natuur, afwisselend droevig, knorrig, lusteloos of vol energie toonde, al naar dat haar stemming meebracht. Jo was zoover gekomen, dat zij haar plichten leerde vervullen, en zich onbevredigd voelde, als zij dit niet deed, maar ze _met blijdschap_ te vervullen--zie, dat was een tweede! Dikwijls had ze gezegd, dat zij "iets grootsch" wenschte te doen, het kwam er niet op aan, hoe moeilijk het ook was; en nu had zij haar wensch bereikt,--want wat was heerlijker dan haar leven te wijden aan Vader en Moeder, en het thuis zoo gelukkig voor hen te maken, als zij het vroeger voor háár gemaakt hadden? En zoo er bezwaren en moeilijkheden noodig waren om de waarde van dat streven te verhoogen, wat was zwaarder voor een rusteloos, eerzuchtig meisje, dan om eigen luchtkasteelen, plannen en wenschen op te geven, en blijmoedig voor anderen te leven?
De Voorzienigheid had haar aan haar woord gehouden; hier was de taak,--niet zooals ze die verwacht had, maar een betere, omdat het eigen ik er geen rol in speelde en--kon zij haar nu vervullen? Zij besloot het te beproeven; en bij haar eerste pogen vond zij al hulp, bij die haar liefhadden. Nog een andere werd haar toegezonden, en zij nam die aan,--niet als een belooning, maar als een vertroosting, zooals Christiaan met dankbaarheid genoot van de verfrissching, die het kleine boschje hem bood, toen hij den heuvel "Moeilijkheid" beklom [11].
"Waarom schrijf je niet eens weer wat? dat deed je toch altijd zoo graag," zei haar moeder eens, toen Jo opnieuw een vlaag van groote moedeloosheid doorworstelde.
"Ik heb geen lust om te schrijven, en al had ik dat, niemand geeft toch iets om mijn verhalen."
"Wij toch wel! Toe, schrijf eens iets voor ons, en bekommer je niet om het verdere publiek. Probeer het eens, mijn kind, ik geloof zeker, dat het je goed zou doen, en _ons_ veel genoegen zou geven."
"Ik geloof niet, dat het zal lukken." Maar Jo haalde toch haar lessenaar voor den dag, om haar half voltooide manuscripten nog eens door te zien.
Een uur later keek haar moeder om het hoekje van de deur, en daar zat zij te schrijven, met haar zwarten boezelaar voor, en zoo geheel en al in haar bezigheid verdiept, dat mevrouw March glimlachte en stilletjes verdween, voldaan over de uitwerking van haar raad. Jo wist zelve niet, hoe het kwam, maar er was iets in het verhaal, dat aanstonds den weg vond tot het hart van hen, die het lazen; en toen de familie er over gelachen en geschreid had, zond haar vader het, zeer tegen haar zin, naar een der meest populaire tijdschriften. Tot haar groote verbazing werd het niet alleen betaald, maar er werd nog meer van haar hand verlangd. Brieven van verscheiden personen, wier lof eer was, volgden weldra; nieuwsbladen namen het verhaal over, en onbekenden zoowel als vrienden bewonderden het. Het maakte bizonder veel opgang voor zoo'n klein dingetje, en Jo was daar veel verbaasder over, dan toen haar roman tegelijkertijd geprezen en veroordeeld werd.
"Ik begrijp het niet; wat steekt er toch in dat eenvoudige geschiedenisje, dat het door de menschen zoo geroemd wordt?" vroeg zij met de grootste verwondering.
"Het bevat waarheid, Jo, dát is het geheim; humor en zuiver gevoel maken het boeiend, en je hebt eindelijk je genre gevonden, mijn kind; je hebt eerst het bittere gehad, nu volgt het zoete; doe je best, en wees even gelukkig over je succes als wij."
"Als er iets goeds en waars is in hetgeen ik schrijf, dan heb ik dat niet uit mijzelf; ik heb het allemaal te danken aan u, en Moeder en Bets," zei Jo, dieper geroerd door haars vaders woorden, dan door eenigen lof van de buitenwereld.
Zoo schreef Jo, geleerd door liefde en droefheid, haar kleine verhalen, en zond ze de wereld in, hopende er vrienden mee te maken voor hen en voor zich zelve. Zij ondervond, dat die bescheiden zwervelingen al heel vriendelijk ontvangen werden; zij werden hartelijk welkom geheeten, en zonden als rechtgeaarde, door de fortuin begunstigde kinderen, menig blijk daarvan aan hun moeder thuis.
Toen Amy en Laurie hun engagement berichtten, vreesde mevrouw March, dat Jo het moeilijk zou vinden er zich in te verblijden, maar haar vrees werd spoedig weggenomen, want hoewel Jo eerst heel ernstig keek, nam zij het heel kalm op, en was reeds vol hoop en plannen voor "de kinderen", nog eer zij den brief tweemaal gelezen had. Het was een soort van geschreven duet, waarin ze elkaar om 't hardst verheerlijkten; grappig om te lezen en aangenaam om te overdenken, want niemand had iets tegen dit verbond.
"U vindt het zeker wel plezierig, hè, Moeder?" vroeg Jo, de fijnbeschreven bladzijden neerleggend, terwijl zij haar moeder aankeek.
"Ja, ik hoopte, dat het zoo zijn zou, van het oogenblik af, waarop Amy schreef dat zij Fred bedankt had. Ik was er toen zeker van, dat iets beters, dan wat jij 'de koopmansgeest' noemt, in haar hart was gekomen, en een uiting hier en daar in haar brieven deed mij vermoeden, dat liefde en Laurie den palm zouden wegdragen."
"Wat ziet u toch scherp, Moeder, en wat kunt u toch goed zwijgen; u hebt er nooit een enkel woord van tegen mij gezegd."
"Moeders hebben scherpe oogen en een bescheiden tong noodig, als zij dochters hebben op te voeden. Ik was half bevreesd je die gedachte in het hoofd te brengen, want je mocht hen eens zijn gaan schrijven, om hen geluk te wenschen, voordat de zaak nog goed en wel in orde was."
"Ik ben niet meer de flap-uit, die ik was; u kunt mij vertrouwen, ik ben nu wel ernstig en verstandig genoeg om iemands confidente te zijn."
"Dat is waar, mijn kind, en ik zou je zeker tot de mijne gemaakt hebben, als ik niet ongerust was geweest, dat het je verdriet zou doen, te hooren, dat je 'Teddy' iemand anders had lief gekregen."
"Maar Moeder, dacht u dan werkelijk, dat ik zoo dwaas en zelfzuchtig zou zijn, nadat ik zijn liefde had afgeslagen, toen die pas ontwaakt, en misschien het zuiverst was?"
"Ik wist, dat je het toen volkomen meende, Jo, maar in den laatsten tijd dacht ik wel eens, dat je hem, als hij terug kwam en je nog eens vroeg, misschien een ander antwoord zou geven. Vergeef het mij, kindlief, ik moet wel zien, dat je je heel eenzaam voelt, en er is soms een verlangende blik in je oogen, die mij tot in de ziel treft; daarom dacht ik, dat Laurie de ledige plaats wellicht zou kunnen vervullen, als hij het nu nog eens beproefde."
"Neen, Moeder, het is beter zoo, en ik ben blij, dat Amy hem heeft leeren liefhebben; maar u hebt in één opzicht gelijk, ik voel mij eenzaam, en zou misschien als Teddy het weer gevraagd had, 'ja' gezegd hebben, niet omdat ik hem meer liefheb, dan toen hij wegging, maar omdat ik er meer om geef bemind te worden, dan toen."
"Dat verheugt me, Jo, want het bewijst, dat je vooruitgaat. Er zijn er genoeg om je lief te hebben; doe dus je best tevreden te zijn met Vader en Moeder, zusters en broers, vrienden en kindertjes, totdat er iemand komt, die je meer dan iemand ter wereld liefheeft en je je belooning zal geven."
"Moeders hebben op de allerbeste manier lief, maar ik wil het mijn moedertje wel in 't oor fluisteren, dat ik ook graag andere soorten zou leeren kennen. Het is heel vreemd, maar hoe meer ik mij tevreden zoek te stellen met alle mogelijke genegenheden, des te meer behoeften schijn ik te krijgen. Ik had nooit gedacht, dat een hart zooveel kon bevatten--het mijne is zoo elastisch; het is nooit te vullen, geloof ik, en ik had vroeger toch volkomen genoeg aan mijn familie; ik begrijp het niet."
"Ik wel," en mevrouw March glimlachte veelbeteekenend, terwijl Jo den brief doorbladerde om nog eens te lezen wat Amy van Laurie schreef.
"Het is zoo'n heerlijk besef, dat iemand je liefheeft zooals Laurie; hij is niet sentimenteel, praat er niet veel over, maar ik zie en voel het in al wat hij zegt en doet, en het maakt mij zoo gelukkig, en zoo klein, dat ik hetzelfde meisje van vroeger niet meer schijn te wezen. Ik wist niet hoe goed en edelmoedig en teeder hij was, maar nu laat hij mij in zijn hart lezen, en zie ik, hoe vol het is van nobele opwellingen en hoop en plannen, en ik ben er toch zóó trotsch op, dat het mij toebehoort! Hij zegt, dat hij een gevoel heeft, alsof hij nu een voorspoedige levensreis zal maken, met mij aan boord als stuurman, en overvloed van liefde tot ballast. Ik bid er om, dat het zoo zijn mag, en doe mijn best, om alles te worden, wat hij denkt dat ik ben, want ik heb mijn 'kapitein' met hart en ziel lief, en zal hem nooit verlaten, zoolang God ons te zamen laat. O, Moeder, ik wist niet, dat de aarde den hemel zoo nabij kon zijn, als twee menschen elkander liefhebben en voor elkander leven!"
"En dat is onze koele, terughoudende, wereldsche Amy! Werkelijk, de liefde doet wonderen. Wat innig gelukkig moeten die twee zijn!" en Jo vouwde den brief met zorg dicht, zooals men een mooien roman zou dichtslaan, die den lezer geboeid heeft tot aan het einde, en hem dan weer alleen laat in de nuchtere werkelijkheid.
Na een oogenblik dwaalde Jo naar boven, want het regende en zij kon niet gaan wandelen. Een rustelooze geest bezielde haar, en het oude droevige gevoel maakte zich weer van haar meester; niet zoo bitter als vroeger, maar zij vroeg zich toch met pijnlijke verwondering af, waarom de eene zuster alles mocht hebben, wat zij maar begeerde, en de andere niets. Het was niet waar; dat wist zij wel, en zij trachtte de opwelling op zij te zetten, maar het natuurlijk verlangen naar liefde was sterk, en Amy's geluk wekte den vurigen wensch in haar op, ook iemand met hart en ziel te kunnen liefhebben en haar leven aan hem te mogen wijden, zoolang God hen te zamen wilde laten.
Op den zolder, waar Jo's doelloos omdwalen tot een einde kwam, stonden vier kleine kisten op een rij, alle geteekend met den naam der eigenares en alle gevuld met reliquien uit de kinder- en meisjesjaren, nu voor allen voorbij. Jo deed ze open en keek er eens in, en toen zij aan de hare kwam, leunde zij met de kin op den rand en staarde afgetrokken op den verwarden rommel, totdat een stapeltje oude leesboeken haar oog trof. Zij haalde ze te voorschijn, keek ze door, en leefde dien prettigen winter bij de vriendelijke mevrouw Kirke nog eens over. Eerst glimlachte ze, daarna keek zij peinzend, en toen zij een klein briefje tegenkwam van de hand van den professor, begonnen haar lippen te beven, de boeken gleden van haar schoot, en zij staarde op de vriendelijke woorden, alsof zij een nieuwe beteekenis voor haar kregen, en een teer plekje in haar hart aanraakten.
"Gij kunt mij verwachten, lieve vriendin, het kan misschien wel wat laat worden, maar ik zal zeker komen."
"O, kwam hij maar, hij was altijd zoo vriendelijk, zoo goed, zoo geduldig met mij; mijn lieve oude Frits, ik heb hem niet half genoeg gewaardeerd toen ik hem had, maar wat zou ik hem nu niet graag eens willen zien, want iedereen schijnt van mij weg te gaan en ik blijf heel alleen."
Zij hield het papiertje vast, alsof het een belofte was, die nog vervuld moest worden, leunde met het hoofd op een groote prullemand en schreide, alsof zij den regen daarbuiten gezelschap wilde houden. Was het alleen uit medelijden met zichzelf, uit verlatenheid, of neerslachtigheid? of was 't het ontwaken van een gevoel, dat zijn tijd had afgewacht, met evenveel geduld als hij, die het inboezemde? Wie zal het zeggen?
HOOFDSTUK XX.
VERRASSINGEN.
Alleen in den schemer op de oude sofa, lag Jo naar het vuur te staren en te peinzen. Dat was haar geliefkoosde manier om het schemeruurtje door te brengen; niemand stoorde haar, en zij lag daar gewoonlijk, op Betsy's klein rood kussen, verhalen te phantaseeren, droomen te droomen, of met teedere liefde te denken aan de zuster, die haar nooit veraf scheen. Zij zag er vermoeid, ernstig en min of meer droevig uit, want morgen was zij jarig, en zij dacht er over hoe oud zij al werd, en hoe weinig zij nog gedaan had. Bijna vijf en twintig, en niets uitgevoerd, dat de moeite waard was!--Daar vergiste Jo zich in; ze had heel wat gedaan, en na een poosje erkende ze dat ook zelf, en was er dankbaar voor.
"Een oude vrijster worden, dat zal mijn lot zijn. Een litteraire oude vrijster, met een pen tot echtgenoot, een hoop verhalen tot kinderen, en over twintig jaar een armzalig beetje roem en fortuin misschien; maar dan ben ik, evenals de arme Johnson, [12] natuurlijk te oud om er van te genieten, en heb ze dus niet meer noodig. Hoe het zij, ik behoef geen zure heilige of zelfzuchtige zondares te wezen; en ik geloof eigenlijk wel, dat oude vrijsters zich heel behagelijk voelen, als ze maar eerst aan den toestand gewend zijn; maar--" en hier zuchtte Jo, alsof het vooruitzicht toch niet uitlokkend was.
Onder haar overpeinzingen scheen Jo in slaap gevallen te zijn, want eensklaps stond Laurie's geest voor haar. 't Was of een lichamelijk levende geest zich over haar heenboog, met denzelfden blik, die in zijn oogen placht te komen, als hij iets diep gevoelde en het liever niet wou toonen.
Een oogenblik lag ze hem verschrikt aan te staren, zonder een enkel woord te zeggen, totdat hij bukte en haar een kus gaf. Toen kende zij hem, en vloog op met den blijden uitroep:
"O, Teddy! O, mijn Teddy!"
"Ben je dus blij mij weer te zien, Jo?"
"Blij! mijn beste jongen, woorden kunnen mijn blijdschap niet uitdrukken. Waar is Amy?"
"Je moeder heeft zich van haar meester gemaakt; zij zijn bij Meta. Wij gingen daar in het voorbijgaan even aan, en ik kon mijn vrouw niet uit hun handen krijgen."
"Je wat?" riep Jo--want Laurie zei deze twee woorden met een onbewusten trots en zelfvoldoening, die hem verrieden.
"Drommels! daar heb ik het nu toch verklapt!" en hij keek meer dan schuldig, terwijl Jo hem het mes op de keel zette.
"Ben je heusch getrouwd?"
"Ja, om u te dienen, maar ik zal het nooit weer doen," en hij viel voor haar op de knieën, de handen smeekend samengevouwen, en zijn gezicht een en al schalkschheid, vroolijkheid en triomf.
"Wezenlijk getrouwd?"
"_Wezenlijk!_"
"Groote goedheid! wat voor verschrikkelijke dingen zul je nu verder uitrichten?" en Jo viel hijgend op haar plaats neer.
"Een karakteristieke, maar niet complimenteuse gelukwensch", merkte Laurie op, nog steeds in zijn nederige houding, maar stralende van voldoening, en uiterst voldaan.
"Wat kun je anders verwachten, als je iemand buiten adem brengt, door als een dief in huis te sluipen, en op die manier een schrik aan te jagen! Sta op, dwaze jongen, en vertel mij er alles van."
"Geen woord, tenzij je mij weer op mijn oude plaats laat zitten, en me belooft, dat je geen barricade zult opwerpen."
Jo begon te lachen, zooals zij in lang niet gelachen had, klopte uitlokkend op de sofa, en zei op hartelijken toon: "Het oude kussen ligt op zolder, wij hebben het nu niet meer noodig; kom dus maar gauw alles opbiechten, Teddy!"
"Wat klinkt dat genoegelijk, je weer 'Teddy' te hooren zeggen; niemand dan jij noemt mij ooit zoo," en Laurie ging met een zeer vergenoegd gezicht zitten.
"Hoe noemt Amy je?"
"Mylord."
"Net iets voor haar!--nu, je ziet er kranig genoeg vooruit," en Jo's oogen zeiden duidelijk, dat zij "haar jongen" knapper vond dan ooit.
Het kussen was er niet meer, maar toch was er een barricade, een natuurlijke--opgeworpen door tijd, afwezigheid en veranderde gemoedsgesteldheid. Beiden gevoelden dit, en zagen elkander een oogenblikje aan, alsof die onzichtbare scheidsmuur een kleine schaduw tusschen hen deed vallen. Dat duurde echter maar een poosje, want Laurie vroeg, met een vergeefsche poging om een waardig gezicht te zetten: "Zie ik er niet uit als een getrouwd man, als het hoofd van een huisgezin?"
"Geen zier, en dat zul je ook nooit. Je bent wat dikker en steviger geworden, maar anders nog dezelfde kwajongen als altijd."
"Hoor eens, Jo, je moest mij met wat meer eerbied behandelen," begon Laurie, die erg van de ontvangst genoot.
"Hoe is dat mogelijk, als het denkbeeld alleen, dat jij getrouwd en gevestigd bent, zoo onweerstaanbaar grappig is, dat ik niet ernstig kan blijven," antwoordde Jo, een en al glimlach, hetgeen zoo aanstekelijk bleek, dat zij samen in lachen uitbarstten, en toen rustig gingen zitten, om een vertrouwelijk praatje te houden op de oude manier.
"Het zou je niets baten, of je al in de kou uitging om Amy te halen, want ze komen straks allemaal hier; ik kon niet langer wachten; ik wou je zoo graag het groote nieuws vertellen, en het bovenste laagje hebben, zooals wij zeiden, als wij over den room kibbelden."
"Natuurlijk wou je dat, en bedierf je alles door met het slot te beginnen. Begin nu eens van voren af aan, en vertel mij _precies_ hoe alles in zijn werk is gegaan. Ik brand van nieuwsgierigheid."
"Nu dan: ik deed het eenvoudig om Amy plezier te doen," begon Laurie met een knipoogje, dat Jo deed uitroepen:
"Leugen nommero een; Amy deed het om jou plezier te doen. Ga voort, maar spreek de waarheid, als ge kunt, mijnheer."
"Nu begint zij mij al dadelijk de les te lezen; is 't niet allergenoeglijkst dat weer eens te hooren?" vroeg Laurie aan het vuur, en de vlammen flikkerden helder op, alsof ze 't er volkomen mee eens waren. "Het komt immers toch alles op hetzelfde neer, is 't niet? nu zij en ik toch één zijn. Wij waren van plan met de Carrols thuis te komen, dat was een maand of wat langer geleden, maar zij veranderden in eens van gedachten, en besloten nog een winter te Parijs te blijven. Maar Grootvader verlangde naar huis; hij was op reis gegaan voor mijn plezier, dus kon ik hem niet alleen laten terugtrekken, maar ik kon toch ook niet van Amy scheiden, en mevrouw Carrol had malle Engelsche ideeën opgedaan over gepast geleide en zulke gekheid meer, en wou Amy niet toestaan met ons mee te gaan. Daarom maakte ik een eind aan de moeilijkheid door te zeggen: 'Laten wij trouwen, dan kunnen wij doen, wat wij willen.'"
"Natuurlijk stelde jij dat voor! Jij richt altijd de dingen in naar je eigen plezier."
"Niet _altijd_!" en iets in Laurie's stem deed Jo haastig vervolgen: "Hoe heb jullie Tante's toestemming gekregen?"
"Dat was wel lastig, maar we wisten haar toch om te praten, want we hadden een massa goede argumenten aan onzen kant. Er was geen tijd meer om te schrijven en toestemming te vragen, maar jullie zoudt het toch allemaal _later_ goed hebben gevonden, en dus: 'we moesten de koe maar bij de horens pakken,' zooals mijn vrouw zegt."
"Wat zijn we trotsch op die twee woorden, en wat vinden wij het prettig om ze te zeggen!" viel Jo hierop in, het vuur op haar beurt toesprekende en met genot den gelukkigen glans waarnemende die het scheen te wekken in de oogen, die zoo droevig en somber hadden gestaan, toen zij ze de laatste maal zag.
"Wel een beetje! Ze is ook zoo'n mooi en lief vrouwtje, dat ik niet laten kan trotsch op haar te zijn. Nu maar--Oom en Tante waren er voor het decorum. We gingen zoo in elkander op, dat wij voor anderen niets waard waren, en deze plezierige schikking zou alles voor iedereen 't gemakkelijkst maken; dus besloten wij er dan ook maar toe."
"Wanneer, waar, hoe?" vroeg Jo, een en al belangstelling, en brandend van nieuwsgierigheid, want zij kon het zich nog maar niet begrijpen.
"Zes weken geleden, in het hôtel van den Amerikaanschen consul te Parijs--een heel rustige trouwerij natuurlijk; want zelfs in ons geluk vergaten wij onze lieve Betsy niet."
Jo legde haar hand in de zijne, toen hij dat zei, en Laurie streek zachtjes over het kleine roode kussen, dat hij zich zoo goed herinnerde.
"Waarom liet jullie 't ons daarna niet weten?" vroeg Jo op bedaarder toon, toen zij een poos heel stil hadden gezeten.
"Wij wilden jullie verrassen; wij dachten eerst, dat wij dadelijk naar huis zouden gaan, maar mijn beste grootvader zag, zoodra we getrouwd waren, plotseling in, dat hij nog wel een maand noodig had, eer hij klaar kon komen, en zond ons weg om onze wittebroodsweken door te brengen, waar wij verkozen. Amy had vroeger eens gezegd, dat Valrosa daar zoo uitstekend voor geschikt was, dus gingen wij daarheen en waren er zoo gelukkig, als menschen maar eenmaal in hun leven zijn kunnen. Dat was daar met recht rozengeur en maneschijn!"