Chapter 21
Fred Vaughn was teruggekomen en had haar de vraag gedaan, waarop zij vroeger besloten had "ja" te antwoorden; maar nu zei zij "neen", wel vriendelijk, maar toch vast besloten, want toen het oogenblik daar was, ontzonk haar de moed, en bemerkte zij, dat er iets meer noodig was dan geld en een goede positie, om het nieuwe verlangen te bevredigen, dat haar hart met zooveel teedere hoop en vrees vervulde. De woorden "Fred is een goeie jongen, maar volstrekt niet de man, dien ik dacht, dat jij kiezen zou," en Laurie's gezicht, toen hij dat zei, kwamen met dezelfde hardnekkigheid voor haar geest als haar eigene, toen zij met blikken, zooal niet met woorden, gezegd had: "Ik ben van plan te trouwen om geld." Het hinderde haar nu; ze wou, dat zij ze terug kon nemen; ze klonken zoo onvrouwelijk, en ze wilde niet, dat Laurie haar zou houden voor een gevoelloos, wereldsch schepsel. Nu verlangde zij er veel meer naar om een beminnelijke vrouw te zijn dan te schitteren in de maatschappij; zij was zoo blij, dat hij haar den rug niet had toegekeerd, na al de vreeselijke dingen, die zij gezegd had, maar alles zoo goed opnam, en vriendelijker was dan ooit. Zijn brieven waren haar tot grooten troost--want de brieven van huis kwamen zoo ongeregeld en gaven niet half zooveel als de zijne, wanneer zij kwamen. Het beantwoorden was niet slechts een genoegen, maar ook een plicht, want de arme jongen voelde zich eenzaam, en moest wat afgeleid worden, nu Jo hardvochtig bleef. Zij had toch eens moeten probeeren, of zij hem niet kon liefhebben,--het kon niet zoo heel moeilijk zijn--menigeen zou trotsch en blij wezen, als zoo'n aardige jongeman van haar hield; maar Jo deed nu eenmaal nooit als andere meisjes, en dus schoot er niets over, dan maar heel vriendelijk te zijn en hem te behandelen als een broer.
Als alle broers even lief behandeld werden als Laurie van nu af aan, zouden zij er veel gelukkiger aan toe wezen, dan zij nu zijn. Amy las hem nu nooit de les; zij vroeg zijn gevoelen op alle punten, stelde belang in al wat hij deed, maakte allerliefste cadeautjes voor hem, zond hem twee brieven per week, vol van allerlei levendige beschrijvingen, zusterlijk vertrouwelijke mededeelingen, en bekoorlijke schetsjes van al het moois, dat zij zag. Daar weinig broers zoo door hun zusters vereerd worden, dat ze hun brieven bij zich dragen om die telkens te lezen en te herlezen, die epistels hun tranen ontlokken, als zij kort, maar gekust worden, wanneer zij lang zijn, en als schatten bewaard worden, willen wij zelfs niet het vermoeden wekken, alsof Amy iets van die dwaze, teerhartige dingen deed. Maar zooveel is zeker, zij werd in dit voorjaar wel wat bleek en afgetrokken, verloor veel van haar lust voor allerlei uitgangetjes en ging dikwijls alleen schetsen. Zij had nooit veel te vertoonen bij haar tehuiskomst, maar bestudeerde vermoedelijk de natuur, als zij soms uren lang met gevouwen handen op het terras te Valrosa zat, of, zonder het zelf te weten, alles schetste wat haar voor den geest kwam--een dapper ridder op een graftombe, een jonge man slapend op het gras, met zijn hoed over de oogen getrokken, of een meisje met krulhaar, in een wit japonnetje, een balzaal doorwandelende, geleund op den arm van een lang heer, terwijl beider gezicht onherkenbaar was gemaakt door een groote vlek, hetgeen wel heel veilig, maar niet bepaald bevredigend kon genoemd worden.
Haar tante dacht, dat zij berouw had over haar antwoord aan Fred, en toen Amy bevond, dat ontkenningen niets baatten, en open kaart spelen ondoenlijk was, liet zij haar denken, wat zij verkoos, maar droeg intusschen zorg, Laurie te doen weten, dat Fred naar Egypte was vertrokken. Dat was alles; maar hij begreep het en voelde zich verlucht, terwijl hij met een heel gewichtig gezicht tot zich zelf zei:
"Ik wist wel, dat zij zich bedenken zou. Arme jongen, ik heb het ook doorgemaakt, en kan dus met hem meevoelen."
Toen slaakte hij een diepen zucht, en alsof hij daarmee zijn plicht jegens het verledene vervuld had, vlijde hij zich gemakkelijk op de sofa, en genoot volop van Amy's brief.
Terwijl deze veranderingen plaats vonden in het buitenland, had droefheid de achtergeblevenen thuis bezocht; maar den brief die Amy meldde, dat Bets achteruit ging, kreeg zij nooit in handen; en toen zij den volgenden ontving, was het gras reeds groen boven het graf harer zuster. Het droevig nieuws bereikte haar te Vevey, want de warmte had hen in Mei uit Nice verdreven, en zij hadden langzaam doorgereisd naar Zwitserland, over Genua en de Italiaansche meren. Zij droeg het gelaten, en onderwierp zich zonder tegenspraak aan den wensch der familie, dat zij haar bezoek niet zou bekorten, want nu het toch te laat was om afscheid te nemen van Bets, deed zij beter met te blijven, waar zij was, en door tijd en afwezigheid haar droefheid te laten verzachten. Maar ze voelde zich gedrukt, verlangde erg naar huis, en liet haar blikken elken dag over het meer gaan, of zij Laurie nog niet zag aankomen om haar te troosten. Hij kwam dan ook weldra; want dezelfde mail bracht brieven aan beiden, maar hij was toen in Duitschland, en er verliepen een paar dagen, eer hij den zijne kreeg. Zoodra hij dien gelezen had, pakte hij zijn valies, nam afscheid van zijn mede-voetreizigers, en ging op weg om zijn belofte te vervullen, het hart vol vreugde en droefheid, hoop en spanning.
Hij was te Vevey goed bekend, en zoodra de boot had aangelegd, haastte hij zich langs het meer naar La Tour, waar de Carrols _en pension_ waren. Het speet den knecht zeer, dat de heele familie een roeitochtje was gaan maken op het meer--maar neen, de blonde _mademoiselle_ was misschien in den tuin. Als mijnheer zich de moeite wilde geven, zoolang te gaan zitten, zou hij haar in een oogwenk roepen. Maar mijnheer kon zelfs geen oogwenk wachten en liep midden in een volzin weg, ten einde _mademoiselle_ zelf op te zoeken.
't Was een mooie, oude tuin, aan den oever van het heerlijke meer, met zware kastanjeboomen en overal klimop, terwijl de toren zijn schaduw ver over het zonnig watervlak wierp. Aan den eenen hoek van den breeden lagen muur was een bank, en hier ging Amy dikwijls heen om te lezen of te werken, of zich te troosten met de schoonheid der haar omringende natuur. Nu zat zij daar weer, het hoofd op de hand geleund, met een bezwaard, naar huis verlangend hart en droeve oogen, mijmerend over Betsy, en zich afvragend waarom Laurie nog niet kwam. Zij hoorde niet hoe hij de plaats overstak, en zag niet hoe hij stil bleef staan onder de poort, die naar den tuin voerde. Hij stond daar een oogenblik en beschouwde haar in een nieuw licht, want hij zag, wat niemand nog ooit gezien had--den teederen kant van Amy's karakter. Alles aan haar getuigde van liefde en droefheid; de met tranen bevlekte brieven op haar schoot, de zwarte strik in haar haar, de uitdrukking van smart en geduld op haar bleek gezichtje, zelfs het kleine ivoren kruisje om haar hals scheen tot Laurie's hart te spreken, want hij had het haar gegeven, en zij droeg het als eenig sieraad. Als hij nog eenigen twijfel mocht hebben gekoesterd omtrent de ontvangst, die zij hem zou geven, werd deze weggenomen, zoodra zij opkeek en hem zag; want zij liet alles op den grond vallen, liep naar hem toe, en riep op een toon, die duidelijk haar liefde en verlangen verried:
"O, Laurie, Laurie! Ik wist wel, dat je bij mij komen zou!"
Ik geloof, dat alles toen wel een feit werd, want terwijl zij daar zoo stil bij elkander stonden, en het donkergelokte hoofd zich zoo beschermend boog over het blonde kopje, gevoelde Amy, dat niemand haar zoo goed kon troosten en ondersteunen als Laurie, en Laurie kwam tot de overtuiging, dat Amy de eenige vrouw ter wereld was, die Jo's plaats zou kunnen innemen en hem gelukkig maken. Hij zei het haar wel niet, maar dat stelde haar niet teleur, want beiden gevoelden hoe de zaken stonden, waren tevreden, en lieten met vreugde alles verder aan den tijd over.
Na een oogenblik ging Amy weer naar haar plaats terug, en terwijl zij haar tranen droogde, raapte Laurie de gevallen papieren weer op en vond in het herkennen van verscheiden veel gelezen brieven en verraderlijke schetsjes goede voorteekens voor de toekomst. Toen hij naast haar ging zitten, werd Amy wat verlegen, en bloosde ze bij de herinnering aan haar onstuimige ontvangst.
"Ik kon het niet helpen, ik voelde mij zoo eenzaam en ongelukkig en was zoo ontzettend blij, toen ik je weer zag. Het was zoo'n verrassing, toen ik opkeek en jou zag staan, en dat juist terwijl ik begon te vreezen, dat je niet komen zou," zei zij, zich te vergeefs inspannend om volkomen natuurlijk te spreken.
"Ik kwam, zoodra ik het hoorde. Ik wou, dat ik iets zeggen kon om je te troosten over het verlies van onze lieve Bets, maar ik kan alleen met je mee voelen, en--" hier bleef hij steken, want hij werd ook plotseling verlegen en wist niet recht, wat hij zeggen zou. Liefst zou hij Amy's hoofd op zijn schouder getrokken hebben, om haar eens goed te laten uitschreien, maar hij durfde niet, en bepaalde er zich dus maar toe haar hand te vatten en die hartelijk te drukken, hetgeen beter was dan woorden.
"Je hoeft niets te zeggen,--dit troost mij al," zei zij zacht, "Bets is tot rust en gelukkig, en ik mag haar niet terugwenschen; maar ik zie zoo op tegen het naar huis gaan, hoewel ik toch ook zoo vreeselijk naar allen verlang. We moeten er nu maar niet te veel over spreken, want het maakt mij aan het schreien, en ik wou graag van je genieten, zoolang je hier bent. Je hoeft toch niet dadelijk weer terug te gaan, wel?"
"Niet, als jij mij noodig hebt, kleintje."
"O, zoo erg! Tante en Flo zijn heel lief, maar jij bent toch nog meer dan zij éen van de onzen, en ik zou het zoo heerlijk vinden, als je een poosje hier bleef."
Amy sprak en zag er uit als een bedroefd kind, dat erg naar huis verlangt, zoodat Laurie eensklaps al zijn schroom vergat, en haar gaf, wat zij noodig had, het vertroetelen, waaraan zij gewoon was, en het vertrouwelijk praatje, dat haar opfleurde.
"Arm kleintje, je ziet er uit, of je half ziek bent van verdriet. Ik zal je wel eens verzorgen! Schrei nu maar niet langer, maar kom wat met me op- en neerloopen,--de wind is te schraal om hier stil te zitten," zei hij op den half teederen, half bevelenden toon, dien Amy zoo graag hoorde; daarop zette zij haar hoed op, legde haar hand op zijn arm en begon in den zonneschijn heen en weer te wandelen, onder de uitbottende kastanjeboomen. Hij voelde zich meer op zijn gemak, nu hij zijn lange beenen gebruiken kon, en Amy vond het heerlijk te kunnen steunen op zijn sterken arm, het welbekende gezicht, dat haar zoo opbeurend toelachte, weer te zien, en zijn vriendelijke stem nu eens voor haar alleen zoo hartelijk en gezellig te hooren praten. De oude tuin had al menig paar gelieven geherbergd, en scheen bepaald ten hunnen gerieve aangelegd, daar hij zoo zonnig en rustig was--niemand toch, die hen kon bespieden dan de oude toren en het blauwe meer, dat aan hun voeten zijn kabbelende golfjes deed spelen en de echo hunner woorden wegvoerde. Dit nieuwe paar wandelde en praatte wel een uur lang; soms ook rustten zij eens op het lage muurtje, met volle teugen genietende van de weemoedig-gelukkige indrukken, die zoo'n eigenaardige bekoring bijzetten aan tijd en plaats, en toen een prozaïsche etensbel hen waarschuwde, dat er een eind komt aan alle dingen, had Amy een gevoel alsof zij haar zwaren last van eenzaamheid en droefheid in den ouden tuin achterliet.
Zoodra mevrouw Carrol het opgeklaarde gezichtje zag, viel haar een nieuw denkbeeld in, en zei zij tot zich zelf: "Nu begrijp ik alles; het kind treurde om den jongen Laurence. Wel, wel, dat is nog nooit in mij opgekomen!"
De goede mevrouw hield met lofwaardige bescheidenheid al deze dingen voor zich, gaf door geen enkel teeken te kennen, dat zij iets merkte, maar drong er hartelijk bij Laurie op aan, dat hij zou blijven, en ried Amy toch maar veel van zijn bijzijn te genieten, daar dat haar meer goed zou doen dan die eenzame wandelingen. Amy was een toonbeeld van gehoorzaamheid, en daar haar tante nog al eens met Flo uit moest, liet ze het aan Amy over haar vriend bezig te houden, wat haar buitengewoon goed gelukte.
Te Nice had Laurie zijn tijd verbeuzeld, en Amy moeten knorren; te Vevey was Laurie nooit lui, maar altijd druk bezig met wandelen, rijden, roeien of studeeren, terwijl Amy, al wat hij deed, bewonderde en zijn voorbeeld volgde, voor zoover dat kon. Hij zei, dat die verandering toe te schrijven was aan het klimaat, en zij sprak hem niet tegen, blij hetzelfde excuus te hebben voor haar eigen opgewektheid en herstelde gezondheid.
De versterkende lucht deed beiden goed, en veel beweging bracht gunstige verandering aan, zoowel lichamelijk als geestelijk. Het was alsof zij op de eeuwenoude bergen een duidelijker inzicht kregen in het leven en zijn plichten; de frissche wind verdreef droeve twijfelingen, bedriegelijke inbeeldingen en sombere hersenschimmen. De warme lentezon riep alle mogelijke hoogerstrevende begeerten, teedere verlangens en gelukkige gedachten wakker,--het meer scheen de zorgen van het verleden weg te spoelen, en het was alsof de trotsche oude bergen vriendelijk op hen neerkeken en hun toefluisterden: "Kinderen, hebt elkander lief."
In weerwil van het pas geleden verlies, waren het recht gelukkige dagen,--zoo gelukkig dat Laurie het niet van zich kon verkrijgen ze door een enkel woord te verstoren. Het duurde een poosje, eer hij van zijn verbazing bekwam over het spoedig genezen van zijn eerste, en naar hij stellig geloofd had, laatste en eenige liefde. Hij troostte zich over die schijnbare ontrouw, door de gedachte, dat Jo's zuster bijna op hetzelfde neerkwam als Jo-zelf, en de overtuiging, dat het onmogelijk zou geweest zijn iemand anders dan Amy zoo kort daarna en zoo innig lief te krijgen. Zijn eerste liefde was van stormachtigen aard geweest; hij zag er op terug, en met een gemengd gevoel van medelijden en spijt alsof zij reeds jaren lang achter hem lag. Hij schaamde er zich niet over, maar begroef haar als een der bitter-zoete ondervindingen zijns levens, waarvoor hij dankbaar kon zijn, nu de smart gelenigd was. In zijn tweede liefdesgeschiedenis zou hij zich zoo kalm en eenvoudig mogelijk gedragen, besloot hij; het was niet noodig er veel beweging van te maken, bijna overbodig Amy met ronde woorden te zeggen, dat hij haar liefhad; zij wist het toch wel, en had hem reeds lang haar antwoord gegeven. Alles ging zoo natuurlijk en als vanzelf, dat niemand zich kon beklagen, en hij wist dat iedereen er mee ingenomen zou zijn,--zelfs Jo. Maar als onze eerste liefde onbeantwoord is gebleven, zijn wij zoo licht geneigd voorzichtig en langzaam te werk te gaan, bij het wagen van een tweede poging; daarom liet Laurie de dagen voorbijglijden, genietende van ieder uur, en het aan 't toeval overlatende het woord uit te spreken, dat een eind zou maken aan het eerste en liefelijkste gedeelte van zijn nieuwen roman.
Eigenlijk had hij zich voorgesteld, dat de ontknooping plaats zou vinden in den ouden tuin, bij maanlicht en op de meest poëtische en teedere manier, maar het viel heel anders uit,--want de zaak werd op het meer beslist, op klaarlichten dag, met enkele korte woorden. Zij hadden den ganschen morgen gedobberd op het water, van het sombere St. Gingolf naar het zonnige Montreux, de Savooische Alpen aan de eene, de St. Bernard en de Dent du Midi aan de andere zijde, het liefelijk Vevey in de vallei, en Lausanne in de verte heuvelopwaarts, met een wolkeloozen hemel boven hun hoofd, en het blauwe meer onder hun voeten, bezaaid met de schilderachtige bootjes, die zooveel gelijken op witgevleugelde zeemeeuwen.
Zij hadden gesproken over Bonnivard, toen zij langs Chillon voeren, en over Rousseau, toen zij hun blik lieten gaan over Clarens, waar hij zijn Heloïse schreef. Geen van beiden had het verhaal gelezen, maar zij wisten, dat het een liefdesgeschiedenis was, en in stilte vroegen zij zich af, of die wel half zoo belangwekkend zou wezen als de hunne. Amy had, gedurende een kleine pauze in het gesprek, het water tegen haar hand laten kabbelen, en toen zij opkeek, zat Laurie op zijn riemen te leunen met een uitdrukking in zijn oogen, die haar haastig deed zeggen: (alleen om het stilzwijgen af te breken) "Je zult wel moe zijn; rust een poosje en laat ik eens roeien; het zal mij goed doen, want sedert jij gekomen bent, ben ik veel te lui en te gemakzuchtig geworden."
"Ik ben niet moe, maar je kunt als je wilt, wel een riem krijgen. Er is plaats genoeg, hoewel ik wel bijna in het midden mag zitten, om de boot in evenwicht te houden," antwoordde Laurie, alsof hij die schikking wel aardig vond. Amy nam, ofschoon zij begreep, dat de zaak er niet beter op geworden was, het aangeboden derde gedeelte der bank in, zette haar hoed wat in haar gezicht, en pakte een riem. Zij roeide goed, zooals zij trouwens de meeste dingen goed deed, en hoewel zij beide handen gebruikte en Laurie slechts één, hielden de riemen maat, en gleed de boot zachtkens over het water.
"Wat roeien wij samen gelijk, vind je niet," vroeg Amy, die op dat oogenblik liever geen nieuwe pauze zag intreden.
"Zoo gelijk, dat ik wou, dat wij altijd in hetzelfde schuitje konden varen. Wil je, Amy?" vroeg hij op teederen toon.
"Ja, Laurie!"--heel zachtjes.
Toen lieten beiden de riemen rusten en voegden zonder het zelf te weten, een allerliefst tableau van menschelijke liefde en geluk, bij de weerspiegelingen van het schoone natuurtafereel in het heldere water.
HOOFDSTUK XIX.
ALLEEN.
Het was gemakkelijk de belofte af te leggen, zichzelf te verloochenen, toen de gansche ziel vervuld was van een ander, en hart en gemoed geheiligd werden door een liefelijk voorbeeld; maar toen de moed-in-sprekende stem zweeg, de dagelijksche lessen opgehouden hadden, de beminde zieke was heengegaan, en er niets scheen overgebleven dan droefheid en eenzaamheid, vond Jo het heel moeilijk haar belofte te houden.
Hoe kon zij "Vader en Moeder vertroosten," terwijl haar eigen hart pijn deed van het onophoudelijk verlangen naar haar zuster; hoe kon zij "het huis gezellig maken," nu alle licht en warmte en aantrekkelijkheid er uit geweken waren, nu Betsy haar oude thuis verwisseld had voor een nieuw; en waar ter wereld kon zij "eenig nuttig en aangenaam werk vinden," dat de plaats kon innemen van de liefdediensten, die hun eigen belooning met zich hadden gebracht? Zij trachtte haar plicht te doen, maar 't ging op een troostelooze wijze, in 't blinde weg en kwam er in stilte gedurig tegen in opstand, want het scheen haar zoo onrechtvaardig toe, dat het weinige genot, dat zij had, nog verminderd, haar lasten vermeerderd, en haar leven al moeilijker en moeilijker moest worden. Sommige menschen kregen niets dan zonneschijn, anderen daarentegen niets dan schaduw; het was niet billijk, want zij streefde, meer dan Amy misschien, naar volmaking, maar kreeg nooit een belooning, niets dan teleurstelling, leed en hard werk.
Arme Jo, het waren donkere dagen voor haar, want een gevoel van wanhoop maakte zich van haar meester, als zij zich voorstelde, hoe zij haar leven zou moeten slijten in dat stille huis, opgaande in nietige zorgen, van tijd tot tijd een paar armzalige genoegens, en een plicht vóór zich, die nooit lichter scheen te zullen worden. "Ik kàn het niet, ik ben niet gemaakt voor zoo'n leven, en ik weet dat ik mij nog eens op een goeien dag van alles losruk en iets wanhopigs doe, als de een of ander mij niet komt helpen," zei zij tot zichzelf, toen haar eerste pogingen mislukten en zij in den somberen, ellendigen geestestoestand verviel, die zoo dikwijls intreedt, wanneer een sterke wil zich in het onvermijdelijke moet schikken.
Maar er kwamen wel "iemanden" om haar te helpen, hoewel Jo niet dadelijk oog had voor haar goede engelen, omdat zij haar in zoo welbekenden vorm verschenen, en die eenvoudige middelen gebruikten, die het best geschikt zijn voor ons, arme menschenkinderen. Meermalen schrikte zij 's nachts op, meenende, dat Betsy haar riep, en als het zien van het ledige bed haar met niet te bedwingen droefheid deed uitroepen: "O, Bets! kom terug! kóm terug!" dan strekte zij haar smeekende armen niet te vergeefs uit; want evenmin als de geringste beweging van haar zusje ooit aan haar oor ontsnapt was, ontging een harer droeve klachten aan de moeder, die gereed stond hulp en troost te brengen, niet alleen met woorden, maar ook met de geduldige teederheid, die verzachting aanbrengt door een handdruk; met tranen, die de stomme getuigen waren van nóg dieper smart dan die van Jo, en met fluisterende woordjes, die meer zeiden dan gebeden, omdat hoopvolle onderwerping gepaard ging met natuurlijke droefheid. Onvergetelijke oogenblikken! wanneer zij in de stilte van den nacht van hart tot hart spraken en de droefheid tot een zegen werd, die hun smart heiligde en hun liefde versterkte. Toen Jo dit begon te gevoelen, scheen de last lichter te worden, de voorgeschreven plicht makkelijker te vervullen, en het leven leek minder zwaar te dragen, nu zij het beschouwde van uit de veilige schuilplaats in haar moeders armen.
Toen het gewonde hart eenige vertroosting had gevonden, daagde er ook hulp op voor den afgetobden geest; want op zekeren dag ging zij naar de studeerkamer, sloeg haar arm om het dierbare grijze hoofd, opgeheven om haar met een zachten glimlach te verwelkomen en verzocht ze nederig: "Vader, spreek met mij, zooals u gewoon was met Bets te spreken. Ik heb er meer behoefte aan dan zij, want ik ben niet half zoo goed!"
"Lieve kind, niets kan mij meer goed doen, dan dit," antwoordde hij met bevende stem, en sloeg zijn armen om haar heen, alsof hij ook hulp behoefde en niet aarzelde er om te vragen. Toen zette Jo zich op Betsy's kleine stoeltje dicht bij hem, en vertelde hem al haar bezwaren; hoe zij in opstand was geweest tegen God, hoe zij vruchteloos gestreden had en daardoor ontmoedigd was geworden, hoe klein haar geloof was, en hoe donker het leven haar dus toescheen, en hoe zij geheel en al in de war en bitter wanhopig gestemd raakte. Zij schonk hem haar heele vertrouwen, en hij schonk haar de hulp, die zij noodig had, en beiden vonden troost in die uitstorting des harten; want de tijd was gekomen, dat zij niet alleen samen spraken als vader en dochter, maar als vrienden, in staat elkander te helpen met wederkeerige sympathie en liefde. Dat waren gelukkige, ernstige uren in de oude studeerkamer, door Jo "de kerk voor één gemeentelid" genoemd: zij was daarna dan ook met nieuwen moed vervuld, opgeruimder van geest, en meer onderworpen van gemoed, want de ouders die een hunner kinderen geleerd hadden den dood zonder vrees tegemoet te gaan, deden nu al wat zij konden, om een tweede te leeren het leven te aanvaarden, zonder mismoedigheid of wantrouwen; met dankbaarheid te letten op de lichtzijden, en geen gelegenheid om nuttig te zijn, ongebruikt te laten voorbijgaan.