Chapter 20
Het gebeurde meermalen, dat Jo, als zij 's nachts wakker werd, Betsy vond lezen in haar veel gebruikt boekje, of haar zacht hoorde neuriën om den slapeloozen nacht te bekorten, of zag, hoe zij het hoofd op de handen liet rusten, terwijl menige traan tusschen de doorschijnende vingers neerdroppelde; dan sloeg Jo haar gade, vervuld van allerlei gedachten, te diep voor tranen, daar zij begreep, dat Bets op haar eenvoudige, onzelfzuchtige wijze zichzelve zocht los te maken van het lieve oude leven, en zich voor te bereiden voor het volgende, door het herhalen van heilige troostwoorden, stille gebeden, en de muziek, die zij zoo liefhad.
Dit alles werkte meer uit op Jo, dan de diepzinnigste preeken, de heiligste lofzangen, de hartstochtelijkste gebeden hadden kunnen teweegbrengen; want met oogen, door vele tranen helderziend geworden, en een hart, door de teederste droefheid verzacht, leerde zij de schoonheid beseffen van Betsy's leven--door niets bizonders gekenmerkt, zonder eerzucht, maar vol van die bescheiden deugden, die een liefelijken geur verspreiden, en bloeien in de schaduw, en van die zelfverloochening, welke hen, die op aarde tevreden waren met de minste te wezen, de eersten doet zijn in het koninkrijk der hemelen.
Op zekeren nacht zocht Bets onder de boeken op haar tafeltje naar iets, dat haar de doodelijke vermoeidheid zou kunnen doen vergeten, die bijna even zwaar te dragen viel als pijn; zij doorbladerde haar ouden lieveling "De Reize naar de Eeuwigheid" [10] en vond een stukje, papier door Jo bekrabbeld. Het opschrift trok haar aandacht, en de doorgeloopen letters deden haar zien, dat er tranen op gevallen waren.
"Arme Jo, zij is zoo vast in slaap; ik zal haar dus maar niet wakker maken om het haar te vragen; zij laat mij toch al haar dingen zien, en ik denk niet, dat zij knorrig zal zijn als ik dit lees," dacht Betsy, en wierp een blik naar haar zuster, die op het haardkleed lag te slapen met de tang naast zich, om, zoodra het hout uit elkander viel, bij de hand te zijn.
MIJN BETSY.
Stil, geduldig in de schaduw Uitziend naar het Hemelsch licht, Zit zij rustig af te wachten, 't Vriendelijk oog omhoog gericht. Aardsche hoop en vreugd en droefheid Hebben welhaast afgedaan. Nog maar kort en 't is geleden-- Dan breekt d'eeuwge morgen aan.
Hebt gij bijna uitgestreden, Laat me een deel van uwen geest, Waardoor uw kortstondig leven Zoo aantreklijk is geweest; Van 't geduld dat u bezielde, En u, in de grootste pijn, Altijd vriendlijk en blijmoedig, Hoopvol en getroost deed zijn.
Geef mij--want ik heb 't zoo noodig-- Van uw nooit verflauwden moed, Die den weg der plichtsbetrachting Effen maakte voor uw voet. Geef m'uw onbekrompen liefde Die zoo godd'lijk schoon en vrij 't Kwaad met liefde kon vergeven-- Waar 'k misdeed, vergeef ook mij!
Zoo verliest het afscheid daaglijks Iets van d' al te bittre pijn; Zoo zal, als 'k de les wil leeren, Mijn verlies mijn winste zijn. Droefheid toch zal zachter stemmen Mijn nog ongetemd gemoed; Hooger streven in mij wekken, Streven naar het Hemelsch goed.
Voortaan zie 'k in mijn gedachten, Veilig in het land der rust, U, mijn liev'ling, die mij opwacht, Toewenkt van de zaalge kust. Hoop, geloof, uit smart geboren, Doen mij stil zijn onder 't kruis; En de zuster, die mij voorging, Leidt mij aan haar hand naar huis.
Gevlekt en half uitgewischt, niet uitmuntende door dichterlijke volmaaktheid, riep dit gedichtje toch een uitdrukking van onuitsprekelijke blijdschap op Betsy's gelaat te voorschijn, want het was haar grootste verdriet geweest, dat zij zoo weinig gedaan had, en Jo's versje scheen haar te verzekeren, dat haar leven niet onnut was voorbijgegaan--dat haar dood niet die wanhoop zou veroorzaken, waarvoor zij gevreesd had. Terwijl zij daar zoo zat te peinzen, met het papier in de hand, viel het verkoolde blok hout ineen. Jo schrikte wakker, pookte het vuur eens op, en sloop zachtjes naar het ledikant, in de hoop, dat Bets zou slapen.
"Ik slaap niet, maar ik ben zoo gelukkig, Jo. Kijk's, ik heb dit gevonden en gelezen; ik wist, dat je er niet boos om zou zijn. Ben ik dat alles voor je geweest, Jo?" vroeg zij bescheiden en ernstig.
"O Bets, zooveel, zooveel!" en Jo legde haar hoofd op het kussen naast haar zusje.
"Dan behoef ik niet meer te tobben, dat mijn leven nutteloos is geweest. Ik ben lang niet zoo goed als jij mij voorstelt, Jolief, maar ik _heb_ mijn best gedaan om te doen wat goed is, en nu het te laat is om ook nog maar een begin te maken met het beter aan te vatten, is het mij zoo'n troost te weten, dat er iemand is, die mij innig liefheeft en denkt, dat ik haar in iets tot zegen ben geweest."
"Meer dan iemand ter wereld, Bets. Vroeger dacht ik, dat ik je niet zou kunnen afstaan, maar ik begin in te zien, dat ik je niet verlies; dat je nóg meer voor me zult zijn dan vroeger, en dat de dood ons niet scheiden kan, al lijkt het ook zoo."
"Ik weet, dat hij het niet kan, en ik ben er ook niet bang meer voor, want ik weet zeker, dat ik altijd je eigen Bets zal blijven, en je meer dan ooit zal kunnen liefhebben en helpen. Jij moet mijn plaats innemen, Jo, en alles voor Vader en Moeder zijn, als ik ben heengegaan. Zij zullen alles van jou verwachten; laat het niet tevergeefs zijn; en mocht het je soms moeilijk vallen, dat je zoo alleen moet werken, herinner je dan, dat ik je niet vergeet, en dat je je gelukkiger zult gevoelen, wanneer je Vader en Moeder helpt, dan wanneer je prachtige boeken schrijft, of de wereld rondreist; want liefde is het eenige, wat wij met ons kunnen nemen, wanneer wij van hier gaan, en zij maakt het einde zooveel gemakkelijker."
"Ik zal mijn best doen, Bets," en in dat ernstig oogenblik besloot Jo haar zoo geliefd oud plan op te geven, en zich van nu af aan een nieuw en beter levensdoel voor oogen te stellen, inziende dat de bevrediging van haar eigen wenschen haar toch arm zou laten, en zij den heerlijken troost behoefde van een zich toewijden in liefde.
Zoo kwamen en gingen de lentedagen, de lucht werd helderder, de aarde groener, de bloemen ontplooiden vroegtijdig hun blaadjes, en de vogels kwamen nog bijtijds terug om het vaarwel toe te roepen aan Bets, die als een vermoeid, maar vertrouwend kind zich vastklemde aan de handen, die haar haar gansche leven door geleid hadden--aan Vader en Moeder, die haar teederlijk ondersteunden tot aan de vallei der schaduwen des doods, waar zij haar overgaven aan God.
Zelden, behalve in boeken, spreken stervenden bizonder treffende woorden, zien zij gezichten, of verlaten zij de aarde met verheerlijkt gelaat; en zij die er meermalen getuigen van waren, wanneer een ziel het stoffelijk omhulsel ontvlood, weten, dat voor de meesten het einde zoo natuurlijk en eenvoudig komt als de slaap. Wat Bets gehoopt had, gebeurde: het "getij" verliep zachtkens en rustig, en in het donkere uur, eer nog de schemering was aangebroken, blies zij zacht den laatsten adem uit aan de borst, waar zij het eerst gerust had, zonder eenig vaarwel, dan een laatsten blik vol liefde en een flauw zuchtje.
Met tranen en gebeden en teedere handen maakten moeder en zusters haar gereed voor den langen slaap, die nooit meer door pijn zou gestoord worden--en zagen met dankbare oogen, hoe een liefelijke kalmte nu over de trekken verspreid lag, in plaats van de hartroerende onderworpenheid, die hen zoo lang pijnlijk had aangedaan, en zij gevoelden met innige blijdschap, dat de dood voor hun lieveling een weldoende engel was en niet een koning der verschrikking.
Toen de morgen aanbrak, was voor het eerst sinds vele maanden, het vuur uit, Jo's plaats ledig, en de kamer doodstil. Maar een vogeltje zong lustig op een tak, dicht bij het raam, sneeuwklokjes bloeiden tierig in het kozijn, en de lentezon stroomde naar binnen en deelde van haar glans mede aan het lieve gelaat op het kussen, een gelaat zoo vol van ongestoorden vrede, dat zij, die het zoo teeder liefhadden, door hun tranen heen konden glimlachen, en God danken, dat eindelijk alles wel was met Bets.
HOOFDSTUK XVIII.
Laurie zoekt te vergeten.
Amy's vermaning deed Laurie goed, hoewel hij dat natuurlijk eerst veel later erkende; mannen zijn daar nooit zeer vlug mee. Wanneer de vrouwen een raad geven, nemen de heeren der schepping dien niet aan, tenzij zij zichzelf in den waan gebracht hebben, dat het juist was, wat zij van plan waren te doen; dan handelen zij er naar, en geven, als het goed uitkomt, aan het zwakkere geslacht de helft van de eer; komt het echter verkeerd uit, dan geven zij haar edelmoedig de geheele schuld.
Laurie ging naar zijn grootvader terug, en wijdde zich gedurende verscheiden weken zoo met hart en ziel aan hem, dat de oude heer verklaarde, dat de lucht van Nice hem verwonderlijk veel goed had gedaan, en hij niet beter kon doen, dan er nogeens heen te gaan. Het jongmensch had niets liever gedaan--maar geen macht ter wereld zou hem terug hebben kunnen drijven, na de ontvangen berisping; zijn trots verbood het hem,--en werd soms het verlangen zeer sterk, dan verlevendigde hij zijn besluit, door de woorden te herhalen, die den diepsten indruk op hem gemaakt hadden: "Ik veracht je", en, "Ga heen, en doe iets kranigs, dat haar zal _dwingen_ van je te houden."
Laurie keerde de zaak zoo dikwijls in zijn gedachten rond, dat hij weldra tot het inzicht kwam, dat hij werkelijk lui en zelfzuchtig was geweest, maar als een man een leed met zich omdraagt, heeft hij toch immers recht op alle soorten van verzetjes, totdat hij zijn smart is te boven gekomen! Hij voelde, dat zijn verwoeste liefde nu geheel en al dood was, en hoewel hij haar zijn leven trouw beweenen zou, vond hij het toch niet bepaald noodzakelijk zijn rouw zoo openlijk te blijven dragen. Jo wilde hem niet liefhebben, maar hij zou haar toch dwingen hem te achten en te bewonderen, door iets te doen, wat ten bewijze kon strekken, dat het "neen" van een meisje zijn leven niet bedorven had. Hij was altijd van plan geweest het een of ander aan te pakken, Amy's raad kwam dus totaal overbodig. Hij had alleen maar gewacht, totdat bovengenoemde verwoeste liefde behoorlijk begraven zou zijn; zoodra dit gebeurd was, voelde hij zich in staat zijn gewond hart stil in zich om te dragen en den levensstrijd voort te zetten.
Evenals Goethe, wanneer hij vreugde of droefheid ondervond, dit in een lied moest uitstorten, besloot Laurie nu om zijn liefdessmart te verheerlijken in een compositie, en een Requiem te vervaardigen, dat Jo's ziel zou verscheuren, en het hart van ieder die het hoorde, zou doen smelten. Toen dus de oude heer bemerkte, dat hij opnieuw rusteloos en somber begon te worden, en hem raadde de reisstaf weer ter hand te nemen, ging hij naar Weenen, waar hij muzikale vrienden had, en zette zich aan den arbeid, met het vaste plan zich te onderscheiden. Maar, hetzij zijn droefheid te groot was om zich te laten belichamen in muziek, hetzij muziek iets te etherisch is om er menschelijk leed in op te lossen, hij ontdekte weldra, dat het Requiem, ten minste vooralsnog, zijn krachten te boven ging. Ook bleek, dat zijn geest nog niet tot werken geschikt was, en zijn gedachten nog opklaring noodig hadden; want het gebeurde menigmaal, dat hij zich, midden in een droefgeestige passage, op het neuriën van een danswijsje betrapte, en het Kerstmisbal te Nice levendig voor zijn verbeelding trad--vooral die stevige Franschman,--die voor 't oogenblik krachtdadig een einde maakte aan elke tragische compositie.
Toen probeerde hij het eens met een opera, want niets scheen hem in het begin onmogelijk, maar ook hier ontmoette hij allerlei onvoorziene moeilijkheden. Hij wilde Jo tot de heldin maken, en riep zijn geheugen te hulp, om hem eenige liefelijke tooneeltjes en romantische voorstellingen van zijn geliefde te binnen te brengen. Maar zijn geheugen speelde hem parten, en wilde, alsof het door den ondeugenden geest van het meisje zelve bezeten was, alleen Jo's dwaasheden, gebreken en grillen voor hem oproepen; deed hem haar alleen in de bespottelijkste houdingen zien--hoe zij b. v. matten uitklopte, het hoofd omwonden met een bonten zijden doek, of zich verschanste achter het canapékussen, of hem een stortbad toediende om zijn hartstocht te blusschen,--en een niet te bedwingen lach bedierf het aandoenlijke beeld, dat hij trachtte te schilderen. Zijn aangebedene was met geen mogelijkheid tot heldin te maken van een opera, en hij moest het opgeven met een: "Ze is de plaag van mijn leven!" en een ruk aan zijn kuif, zooals een wanhopig componist past.
Toen hij daarna eens omzag naar een minder onhandelbare jonkvrouw, die hij in zijn toondicht zou kunnen vereeuwigen, deed zijn geheugen er hem met de vriendelijkste bereidwilligheid een aan de hand. Dit beeld kreeg telkens verschillende gelaatstrekken, maar het had altijd gouden lokken, was gehuld in eene doorzichtige wolk, en zweefde luchtig voorbij zijn geestesoog, in een liefelijken chaos van rozen, pauwen, witte ponies en blauwe linten. Zonder een naam te geven aan die bekoorlijke schim, maakte hij haar tot zijn heldin, en kreeg haar innig lief, hetgeen niet te verwonderen was, want hij kende haar alle mogelijke gaven en bevalligheden toe, en leidde haar veilig door een reeks van beproevingen heen, die elke andere sterfelijke vrouw zouden vernietigd hebben.
Dank zij deze inspiratie schoot hij geruimen tijd uitstekend op, maar langzamerhand verloor het werk zijn aantrekkelijkheid; hij liet de pen rusten, en bleef zitten mijmeren met het papier voor zich, of dwaalde door de drukke straten, om nieuwe denkbeelden op te doen en zijn geest te verfrisschen, die dezen winter bizonder ongestadig scheen te zijn. Hij deed niet veel, maar hij dacht over velerlei dingen na, en voelde, dat er onwillekeurig de een of andere verandering met hem plaats vond. "Het is misschien het bruisen van het genie--ik zal het laten bruisen, en zien wat er van komt," zei hij, heimelijk vermoedende, dat het geen genie, maar iets anders, veel meer alledaagsch' was. Maar wat het dan ook mocht wezen, het werkte toch iets uit, want hij werd steeds meer ontevreden met zijn onbeteekenend leven, begon te verlangen naar een bepaalde taak, waarin hij zich met hart en ziel kon verdiepen, en kwam eindelijk tot het verstandige inzicht, dat iemand, die veel van muziek houdt, daarom nog geen componist is. Toen hij op zekeren avond terugkwam uit het koninklijk theater, waar een van Mozart's groote opera's prachtig was opgevoerd, keek hij de zijne nog eens in, speelde een paar van de beste eindjes, zat een poosje te staren naar de busten van Mendelssohn, Beethoven en Bach, die op hun beurt welwillend op hem neerkeken; scheurde toen eensklaps al zijn volgeschreven vellen muziekpapier een voor een in stukken, en de laatste snippers wegwerpende, zei hij bedaard tegen zichzelf:
"Zij heeft gelijk! talent is nog geen genie, en je kunt het er niet van maken. Die muziek heeft alle ijdelheid uit mij weggevaagd, evenals Rome haar een openbaring is geweest, en ik wil niet langer zoo dwaas zijn, er mij nog iets van voor te stellen. Ziezoo, wat zal ik nu beginnen?"
Dat scheen een moeilijke vraag om te beantwoorden, en Laurie wenschte bijna, dat hij werken moest om zijn dagelijksch brood te verdienen. Zoo ooit, dan deed zich nu de gelegenheid voor "om naar den duivel te loopen," zooals hij zich eens krachtig had uitgedrukt,--want hij had overvloed van geld, en niets te doen,--en Satan verschaft, zooals iedereen weet, graag bezigheid aan ledige handen.
De arme jongen had verzoekingen genoeg van buiten en van binnen te bestrijden, maar hij weerstond ze vrij wel,--want hoe hoog hij zijn vrijheid ook mocht schatten, hij schatte 't in hem gestelde vertrouwen nog hooger,--en zoo hielden de belofte aan zijn grootvader gedaan, en zijn wensch om de vriendinnen, die hem liefhadden, eerlijk in de oogen te kunnen zien, en te kunnen zeggen: "alles in orde," hem op den goeden weg. Misschien zal de een of andere pessimist zeggen: "Dat geloof ik niet; jongens zijn jongens en jongelui moeten eerst hun wilde haren verliezen. Vrouwen moeten geen wonderen verwachten." Ik laat ieder vrij te gelooven, wat hij wil, maar houd vol, dat het toch waar is. Vrouwen kunnen heel wat wonderen teweegbrengen, en ik ben er van overtuigd, dat zij zelfs het groote wonder kunnen uitwerken: het peil der mannen te doen rijzen, door te weigeren dergelijke gezegden te herhalen. Laat jongens, jongens zijn,--hoe langer hoe beter, en laten de jongemannen hun wilde haren verliezen, maar moeders, zusters en vriendinnen kunnen hun de behulpzame hand reiken in dien moeilijken tijd, door te toonen, dat zij gelooven aan de mogelijkheid van hun trouw aan die deugden, die den man doen rijzen in de schatting van goede vrouwen. Zoo het inbeelding is, laat ons er dan toch van genieten, zoolang wij kunnen, want zonder haar is de schoonheid en poëzie van het leven voor de helft verloren, en droevige voorgevoelens zouden al de hoop vernietigen, die wij koesteren omtrent de flinke, teerhartige kleine jongens, die nog altijd hun moeders liever hebben dan zich zelven, en zich niet schamen dat te bekennen.
Laurie dacht, dat hij gedurende verscheiden jaren alle krachten zou hebben in te spannen om zijn liefde voor Jo te boven te komen; maar hij ontdekte tot zijn groote verbazing, dat het hem met den dag gemakkelijker viel. Hij wilde het in het begin niet gelooven, werd boos op zichzelf, en kon het niet begrijpen; maar onze harten zijn vreemde, tegenstrijdige dingen, en de tijd en de natuur doen het hunne, in weerwil van ons zelven. Laurie's hart _wilde_ geen pijn meer doen; de wond deed haar best om te genezen, met een snelheid die hem verbaasde, en in plaats dat hij alle krachten moest inspannen om te leeren vergeten, ontdekte hij, dat hij zich inspannen moest om er aan te denken. Hij had dezen ommekeer van zaken niet verwacht, en was er niet op voorbereid. Hij kreeg een afschuw van zichzelf, was verwonderd over zijn eigen veranderlijkheid en over het vreemde mengelmoes van teleurstellingen en verruimdheid, waarmee hij zich zoo spoedig kon herstellen van zulk een zwaren slag. Hij rakelde de sintels van zijn verloren liefde met de meeste zorg op, maar zij weigerden in lichte laaie te ontbranden; er kwam niets anders dan een weldadige gloed, die hem verwarmde en goeddeed, zonder hem koortshitte te bezorgen, en hij zag zich, hoewel met tegenzin, genoodzaakt te erkennen, dat de jeugdige hartstocht langzamerhand overging in rustige genegenheid,--zeer teeder, en nog een weinig droevig en gevoelig--maar dat zou met den tijd zeker wel overgaan, en een broederlijke liefde achterlaten, die onveranderlijk zou blijven bestaan tot aan het einde.
Toen hem bij een dezer overpeinzingen het woord "broederlijk" voor den geest kwam, glimlachte hij en keek op naar het portret van Mozart, dat tegenover hem hing.
"Hij was een groot man, en toen hij de eene zuster niet krijgen kon, wendde hij zich tot de andere en was gelukkig."
Laurie zei de woorden niet hardop, dácht ze alleen maar in stilte; en het volgend oogenblik kuste hij het kleine oude ringetje, fluisterend:
"Neen, dat niet! Ik heb het niet vergeten, dat kan ik ook niet. Ik zal het nog eens probeeren, en als het dan weer mislukt, ja, dan--"
Hij eindigde zijn zin niet, maar greep pen en papier en schreef aan Jo, dat hij niet in staat was zich tot iets te bepalen, zoolang er nog de geringste hoop bestond, dat zij van gedachten zou veranderen. Kon zij niet, wou zij niet,--zoodat hij thuis kon komen en gelukkig zijn? Hij voerde, terwijl hij op het antwoord zat te wachten, hoegenaamd niets uit, maar leefde in een koortsachtige spanning. Eindelijk kwam het, en bracht hem zekerheid op één punt,--want Jo schreef zeer bepaald, dat zij niet kon en niet wilde. Zij ging geheel en al op in Bets, en verlangde het woord "liefde" nooit weer te hooren. Daarop verzocht zij hem met iemand anders gelukkig te willen zijn, maar ten allen tijde in zijn hart een klein hoekje open te houden voor zijn liefhebbende zuster Jo. In een naschrift vroeg zij hem niet aan Amy te zeggen, dat Bets erger was; zij zou met het voorjaar thuiskomen, en het was niet noodig de laatste weken van haar verblijf in het buitenland te vergallen. Het zou later tijd genoeg zijn, maar Laurie moest haar maar dikwijls schrijven en zorgen, dat zij zich niet eenzaam of angstig gevoelde, of te veel naar huis verlangde.
"Dat zal ik doen, en wel dadelijk. Arme, kleine meid, het zal eene treurige thuiskomst voor haar zijn, vrees ik," en Laurie opende zijn schrijftafel, alsof een brief aan Amy het passend slot was van den volzin, dien hij eenige weken geleden onvoltooid had gelaten.
Maar hij schreef toch niet dien dag; want toen hij naar zijn mooiste papier zocht, kwam hij iets tegen, dat hem van gedachte deed veranderen. Tusschen rekeningen en papieren van allerlei aard zwierven verscheiden brieven van Jo rond, en in een ander vakje van zijn schrijftafel lagen de briefjes van Amy, zorgvuldig saamgebonden met een van haar blauwe linten, dat herinneringen wekte aan de verwelkte roosjes, die er bij bewaard waren gebleven. Met een half berouwvollen, half lachenden blik, legde Laurie al de brieven van Jo bij elkander, streek ze glad, vouwde ze toe, en borg ze netjes in een klein laatje van zijn lessenaar, draaide een oogenblik in gedachten verzonken het ringetje in de rondte, deed het langzaam af, legde het bij de brieven, sloot het laatje, en ging toen naar de Kathedraal om de Hoogmis te hooren uitvoeren, met een gevoel, alsof er een begrafenis plaats had; en hoewel hij niet overstelpt was door droefheid, scheen dit toch een geschikter manier om het overige van den dag door te brengen, dan het correspondeeren met bekoorlijke jonge dames.
De brief werd echter toch gauw geschreven en aanstonds beantwoord, want Amy _had_ heimwee, en bekende hem dat met zeer vleiende vertrouwelijkheid. De briefwisseling bloeide ongeloofelijk, en de brieven vlogen die geheele lente door, met nooit missende regelmatigheid, heen en weer. Laurie verkocht zijn busten, stak met de proeven van zijn opera zijn sigarettes aan, en ging naar Parijs terug, in de hoop, dat zeker iemand daar ook zou komen. Hij zou dolgraag naar Nice zijn gegaan, maar wilde niet, tenzij hij uitgenoodigd werd; en Amy wilde het hem niet vragen, want zij deed juist op dat oogenblik een kleine ondervinding op, die de oorzaak was, dat zij de onderzoekende oogen van "onzen jongen" eigenlijk vreesde.