Chapter 19
De kalme beslistheid, waarmee dit korte gezegde geuit werd, was in vreemd contrast met de jonge spreekster. Laurie gevoelde dit instinctmatig, en ging weer liggen, met een gevoel van teleurstelling, waarvan hij geen verklaring kon geven. Zijn blik en stilzwijgen, gevoegd bij zekere inwendige zelfbeschuldiging, hinderden Amy, en deden haar het besluit opvatten, hem zonder uitstel de les te lezen.
"Ik wou, dat je je eens wat aanpakte en je best deed wat levendiger te zijn," viel zij scherp uit.
"Probeer jij me dan eens wakker te schudden, als een beste meid."
"Ik zou het best kunnen, als ik wou," en zij zag er uit, alsof zij het op de kortste en bondigste manier zou willen aanpakken.
"Probeer het maar gerust, ik geef mijn toestemming," antwoordde Laurie, die het heerlijk vond eens te kunnen plagen, nadat hij zich dat prettig tijdverdrijf zoo lang had moeten ontzeggen.
"Je zou binnen vijf minuten boos zijn."
"Ik ben nooit boos op jou. Om vuur te slaan zijn er twee vuursteenen noodig; jij bent zoo koel en zacht als sneeuw."
"Je weet niet, wat ik doen kan--als sneeuw goed toegepast wordt, doet zij iemand gloeien en tintelen. Je onverschilligheid is voor de helft aanstellerij; en als je maar eens ferm door elkaar geschud werd, zou je zien dat ik gelijk had."
"Schud mij dan eens ferm door elkaar! 't Zal mij geen pijn doen, en het is voor jou nog eens een pleziertje, zooals de reus zei, toen zijn kleine vrouw hem sloeg. Beschouw mij maar als een echtgenoot of een karpet, en sla, tot je er zelf moe van bent, als die soort van lichaamsoefening je goed doet."
Daar zij nu werkelijk tot het uiterste geprikkeld was, en er hartelijk naar verlangde, dat hij die traagheid en onverschilligheid, die hem zoo totaal veranderd hadden, zou afschudden, scherpte Amy zoowel haar toon als haar potlood en begon:
"Flo en ik hebben een nieuwen naam voor je bedacht: 'luie Laurence', hoe bevalt je die?" Zij dacht, dat het hem onaangenaam zou aandoen, maar hij sloeg zijn handen boven zijn hoofd in elkander en zei onverstoord:
"Niet kwaad, ik dank de dames wel."
"Wil ik je eens zeggen, hoe ik in alle oprechtheid over je denk?"
"Ik smacht er naar het te hooren."
"Nu, ik veràcht je."
Al had zij gezegd: "Ik haat je," op een kregeligen of coquetten toon, hij zou gelachen en het wel aardig gevonden hebben; maar haar ernstige, bijna droevige stem deed hem de oogen opslaan en kortaf vragen:
"Waarom, als ik 't weten mag?"
"Omdat jij, met alle kansen om goed, nuttig en gelukkig te zijn, aan je gebreken toegeeft en lui en karakterloos bent."
"Krachtige taal, mejuffrouw."
"Als 't je bevalt, zal ik voortgaan."
"Alstjeblieft, het is hoogst interessant."
"Ik dacht wel, dat je er zoo over zou denken; zelfzuchtige menschen praten altijd graag over zichzelf."
"Ben _ik_ zelfzuchtig?" de vraag ontsnapte hem onwillekeurig en werd op verwonderden toon gedaan, want de enkele deugd waarop hij aanspraak meende te mogen maken, was grootmoedigheid.
"Ja, vreeselijk zelfzuchtig," antwoordde Amy op een kalmen, koelen toon, die op dat oogenblik tweemaal zooveel indruk maakte als een heftige. "Ik zal het je bewijzen, want ik heb je bestudeerd, terwijl wij onzen tijd zoo prettig doorbrachten, en ik ben volstrekt niet tevreden over je. Je bent nu bijna zes maanden op reis, en hebt niets uitgevoerd dan tijd en geld verspillen en je vrienden teleurstellen."
"Mag iemand dan niet eens plezier maken, na vier jaren lang hard gewerkt te hebben?"
"Je ziet er niet naar uit, of je veel plezier gehad hebt; in elk geval heeft het je, voor zoover ik kan nagaan, niet veel goed gedaan. Toen wij elkander voor het eerst zagen, zei ik, dat je er op vooruit was gegaan, maar nu neem ik dat terug, want ik vind je niet half zoo aardig, als toen ik van huis ging. Je bent verschrikkelijk lui geworden, houdt van babbelen, en verbeuzelt je tijd met onbeteekenende dingen. Je vindt het prettig je door nietsbeduidende menschen te laten fêteeren en bewonderen, in plaats van door verstandige menschen bemind en geacht te willen worden. Met geld, talent, een goede positie, gezondheid en schoonheid,--dat hoor je natuurlijk graag, ijdeltuit die je bent! maar het is de waarheid en dus moet ik het wel zeggen,--in 't bezit en 't genot van al die schatten, kun je geen andere bezigheid vinden dan lanterfanten, en in plaats van de man te zijn, dien je kon en moest zijn, ben je--" hier zweeg zij, met een blik, waarin zoowel teleurstelling als medelijden te lezen stonden.
"De heilige Laurentius op een rooster," voegde Laurie er bij, den zin kalm voltooiend. Maar de vermaning bleef toch niet zonder uitwerking, want zijn oogen stonden nu klaar en wakker en begonnen te glinsteren, en een half knorrige, half beleedigde uitdrukking nam de plaats in van de vroegere onverschilligheid.
"Ik dacht wel, dat je 't zoo zou opnemen. Jullie mannen vertelt ons, dat wij engelen zijn, en álles van jullie maken kunnen, wat wij maar willen; maar niet zoodra trachten wij je in alle oprechtheid van dienst te zijn, of jullie lacht ons uit en wilt niet luisteren. Wel een bewijs hoeveel die vleierij waard is!" Amy sprak bitter en draaide den ongelukkigen martelaar aan haar voeten den rug toe.
Een oogenblik later kwam er een hand op haar papier, zoodat zij niet kon teekenen, en Laurie riep, met grappige nabootsing van een berouwvol kinderstemmetje:
"Ik zal zoet zijn, héél zoet!"
Maar Amy lachte niet, want zij meende het ernstig, en terwijl ze met haar potlood een tikje gaf op de hand die voor haar lag, zei zij strak:
"Schaam je je niet over zoo'n hand? Zij is zoo zacht en wit als die van een vrouw, en ziet er uit, alsof zij nooit iets anders uitvoert, dan Jouvin's fijnste handschoenen dragen en bloemen voor dames plukken. Je bent, den hemel zij dank, geen fat, dus ben ik tenminste nog blij, dat er geen diamanten of groote zegelringen aan schitteren, alleen maar dat kleine oude ringetje, dat Jo je jaren geleden eens gaf. O, ik wou, dat zij hier was om mij te helpen."
"Dàt wou ik ook!"
De hand verdween even plotseling als zij gekomen was, en het vuur, waarmee hij met haar wensch instemde, voldeed zelfs Amy. Terwijl ze op hem neerkeek, viel haar een nieuwe gedachte in--maar hij had zijn hoed half over zijn gezicht getrokken, als om het te verbergen, en zijn knevel bedekte zijn mond. Zij zag alleen, hoe zijn borst op en neer ging door een diepe ademhaling, die wel een zucht had kunnen zijn, en de hand, die het ringetje droeg, woelde in het gras, alsof zij iets verbergen moest, dat te kostbaar of te teeder was om besproken te worden. In een oogwenk kregen verschillende zinspelingen en kleinigheden vorm en beteekenis in Amy's hoofd, en vertelden haar, wat haar zuster haar nooit had toevertrouwd. Zij herinnerde zich, dat Laurie nooit uit eigen beweging over Jo sprak; zij dacht aan de schaduw, die zooeven over zijn gezicht getrokken was, aan de verandering in zijn karakter, en het dragen van dat kleine oude ringetje--geen sieraad aan een flinke hand. Meisjes zijn vlug in het lezen van zulke teekenen en voelen, hoeveel zij zeggen. Daarbij had Amy zich al eens verbeeld, dat wellicht een liefdeshistorie de oorzaak was van die verandering, en nu was zij er zeker van; haar heldere oogen vulden zich met tranen, en toen zij weer sprak, was het op een zachten, vriendelijken toon.
"Ik weet wel, dat ik geen recht heb zoo tot je te spreken, Laurie; en als je niet de best gehumeurde jongen van de wereld was, zou je woedend op mij worden. Maar we zijn allemaal trotsch op je en houden zóóveel van je, dat ik niet goed velen kan, dat zij thuis even teleurgesteld in je zouden zijn, als ik het ben geweest--hoewel zij daar de verandering misschien beter zouden begrijpen."
"Dat denk ik zeker," klonk het van onder den hoed, op een grimmigen toon, maar die even roerend was als een half gesmoorde zou geweest zijn.
"Zij hadden 't mij moeten schrijven, dan had ik je niet zoo hard toegesproken, terwijl ik juist meer dan ooit vriendelijk en geduldig had moeten zijn. Ik heb nooit van die juffrouw Randal gehouden, en nu haat ik haar!" zei slimme Amy, die zeker van haar zaak wilde zijn.
"Juffrouw Randal?!" Laurie gaf een duw aan zijn hoed, zoodat hij van zijn gezicht vloog, met een uitdrukking, die geen twijfel overliet aangaande zijn gevoelens jegens die jonge dame.
"O, neem me niet kwalijk, ik dacht--" hier zweeg zij diplomatisch.
"Niet waar! dat dacht je _niet_! Je wist heel goed, dat ik nooit om iemand gegeven heb, dan om Jo." Laurie uitte dit op zijn ouden heftigen toon, zijn gezicht afkeerend terwijl hij sprak.
"Dat dacht ik eerst ook wel, maar omdat zij er nooit iets over schreven, en jij op reis ging, meende ik, dat ik mij vergist had. En wou Jo niet? Hé, ik heb altijd gedacht, dat zij vreeselijk veel van je hield!"
"Zij _houdt_ ook wel van me, maar niet op de manier, die ik verlang; en 't is maar gelukkig voor haar, dat zij mij niet liefhad, als ik dan toch zoo'n nietsbeteekenend, karakterloos wezen ben, als waarvoor jij me houdt. Maar dat is háár schuld, en dat kun je haar gerust vertellen."
De harde, bittere uitdrukking kwam weer terug, toen hij dat zei, en het hinderde Amy, want zij wist niet welken balsem op de wond te leggen.
"Ik had ongelijk; ik wist het niet, en het spijt mij erg, dat ik me zoo boos op je gemaakt heb; maar ik wou tóch dat je het beter droeg, Teddy."
"Noem me niet zoo! dat is háár naam voor me," en Laurie hief de hand op, met een haastige beweging, om de woorden, op Jo's half vriendelijken, half verwijtenden toon gesproken, tegen te houden. "Wacht tot je 't zelf ondervonden hebt," voegde hij er zachtjes bij, handenvol gras uittrekkende.
"Ik zou het manmoedig dragen, en mij in elk geval geacht maken, als ik niet bemind kon worden," riep Amy, met de beslistheid van iemand, die er niets van af weet.
Nu vleide Laurie zich, dat hij het bizonder goed gedragen _had_,--hij had niet geklaagd, geen medelijden zoeken op te wekken, en was met zijn smart de wereld ingegaan, om die alléén de baas te worden. Amy's woorden stelden de zaak in een nieuw licht, en hij zag voor de eerste maal in, dat het zwak en zelfzuchtig was, bij de eerste groote teleurstelling reeds den moed te verliezen, en zich over te geven aan sombere onverschilligheid. Hij had een gevoel, alsof hij plotseling uit een droom werd wakker geschud en onmogelijk den slaap weer kon vatten. Na een poosje kwam hij overeind, en vroeg langzaam:
"Denk je, dat Jo mij ook zou verachten?"
"Ja, als zij je nu zag, zou zij dat zeker. Zij heeft een afkeer van luie menschen. Waarom doe je niet iets kranigs, en _dwing_ je haar niet, je lief te hebben?"
"Ik heb mijn best gedaan, maar 't hielp niet."
"Door te promoveeren, bedoel je? Dat was niets meer dan je plicht tegenover je grootvader. Het zou een schande zijn geweest, als je niet geslaagd was, na zooveel tijd en geld verspild te hebben, en terwijl iedereen wist, hoe goed je werken _kon_!"
"Ik bén niet geslaagd; je kunt zeggen wat je wilt, want Jo wou mij niet liefhebben," begon Laurie, en liet mismoedig het hoofd op de hand rusten.
"Dat ben je wel, en dat zul je later zelf moeten erkennen,--want het deed je goed, en bewees, dat je, als je 't maar probeerde, best iets ten uitvoer kon brengen. Als je je nu maar iets anders tot taak wou stellen, zou je gauw weer even opgewekt en gelukkig zijn als vroeger, en je verdriet vergeten."
"Dat is onmogelijk!"
"Probeer het eerst en zie dan eens. Je hoeft de schouders niet op te trekken en te denken: 'Wat weet zij van die dingen.' Ik doe mij niets wijzer voor dan ik ben, maar ik let goed op, en ik zie vrij wat meer, dan je je kunt voorstellen. Ik stel altijd veel belang in de ondervindingen en de veranderlijkheid van andere menschen, en al kan ik er dikwijls geen verklaring van geven, onthoud en gebruik ik ze toch tot mijn eigen nut. Heb Jo je leven lang lief, als je daar lust in hebt,--maar laat je er niet door ten onder brengen,--want het is slecht om zoo veel goede gaven te veronachtzamen, omdat je de eene, waarop je je zinnen gezet hebt, niet krijgen kunt. Maar kom--ik zal je niet langer de les lezen, want ik weet, dat je je zult aangrijpen, en een man zijn, in weerwil van die hardvochtige Jo!"
Beiden zwegen een poosje. Laurie draaide het ringetje aan zijn vinger rond, en Amy legde de laatste hand aan de vluchtige schets, die zij al pratende gemaakt had. Daarna schoof zij die op zijn knie met de woorden:
"Hoe vind je dit?"
Hij keek en glimlachte--wat hij moeilijk laten kon, want het was uitstekend gedaan. De lange, luie gedaante op het gras, met het onverschillige gezicht, de half gesloten oogen, terwijl de eene hand een sigarette vasthield, waaruit een wolkje opsteeg, dat het hoofd van den droomer in rook hulde.
"Wat teeken je toch goed!" riep hij uit, met ongeveinsde verbazing en bewondering over haar bekwaamheid, en voegde er toen half lachend bij:
"Ja, dat bén ik."
"Zooals je _nu_ bent--dit is, zooals je wás," en Amy legde een andere schets naast degene, die hij in de hand hield.
Zij was niet half zoo goed gelukt, maar er zat leven en geest in, wat menige fout goed maakte, en zij riep het verleden zoo levendig in de herinnering terug, dat het gezicht van den jongen man plotseling veranderde, toen hij de teekening bekeek. Het was niets dan een ruwe schets, voorstellende, hoe Laurie een paard temde; hoed en jas waren neergeworpen, en iedere lijn van de vlugge gestalte, de vastgesloten mond en de bevelende houding, gaven wilskracht en durf te kennen. Het mooie dier, juist overwonnen, boog zijn nek onder de sterk aangehaalde teugels, krabde met den eenen poot den grond op, en stak de ooren op, alsof het luisterde naar de stem van zijn meester. De verwarde manen van het paard en de strakke houding van den ruiter spraken van een plotseling stilhouden, na snelle beweging; van kracht en moed, jeugdig vuur, hetgeen een scherpe tegenstelling vormde met de achtelooze bevalligheid van de "Dolce far niente"-schets. Laurie zei niets, maar Amy zag, hoe hij van de eene teekening naar de andere keek, kleurde, en zijn lippen op elkander klemde, alsof hij de les, die zij hem gegeven had, begreep en aannam. Dat voldeed haar; en zonder een antwoord af te wachten, zei zij op haar gewonen, levendigen toon:
"Herinner je je dien dag nog, toen je het paard zou temmen, en wij er allemaal naar keken? Meta en Bets waren angstig, maar Jo danste, en klapte in de handen, en ik zat op het hek, en nam er een schets van. Ik vond die schets een paar dagen geleden in mijn portefeuille, werkte ze wat op, en bewaarde haar om ze je te laten zien."
"Zeer verplicht! Je bent enorm veel vooruitgegaan, sedert dien tijd, en ik wensch er je geluk mee. Mag ik zoo vrij zijn je in dit 'paradijs' te herinneren, dat men om zes uren dineert in je hôtel?"
Dit zeggende stond Laurie op, gaf de teekeningen terug met een glimlach en een buiging, en keek op zijn horloge, als om haar te beduiden, dat er zelfs aan zedelessen een einde moet komen. Hij trachtte zijn vroegere trage, onverschillige houding weer aan te nemen, maar nu _was_ het "aanstellerij",--want de vermaning had meer uitgewerkt, dan hij zelf wilde erkennen. Amy gevoelde een zekere koelheid in zijn manieren, en zei tot zich zelve: "Nu heb ik hem beleedigd. Enfin, als 't hem goed doet, ben ik er heel blij om; als hij nu 't land aan me krijgt, spijt het mij; maar het was de waarheid, en ik kan er geen woord van terugnemen."
Zij lachten en keuvelden den geheelen weg over naar huis; en de kleine Baptiste, die op het achterbankje zat, vond, dat _monsieur_ en _mademoiselle_ bizonder goed gehumeurd waren. Maar geen van beiden voelde zich recht op zijn gemak; de vriendschappelijke, openhartige toon was verstoord, er lag een schaduw over den zonneschijn, en er heerschte in beider hart een geheime ontstemming, in spijt van hun schijnbare vroolijkheid. "Zullen wij je van avond zien, _mon frère_?" vroeg Amy, toen zij aan de kamerdeur van haar tante afscheid namen.
"Ik heb ongelukkig een afspraak. _Au revoir, mademoiselle_," en Laurie boog zich als om haar de hand te kussen op Fransche manier, hetgeen hem beter afging dan menig ander. Maar een zeker iets in zijn gezicht dwong Amy haastig te zeggen:
"Neen, Laurie, wees gewoon tegen me, en neem op de goede oude manier afscheid van me. Ik krijg liever één hartelijken Engelschen handdruk, dan al die flauwe, sentimenteele Fransche complimenten."
"Dag, Amy," en met deze woorden, gesproken op den toon dien zij graag hoorde, verliet Laurie haar, na een handdruk, bijna pijnlijk van hartelijkheid.
Den volgenden morgen ontving ze, in plaats van het gewone bezoek, een briefje, dat haar bij den aanvang deed glimlachen, maar bij het einde zuchten:
_Mijn lieve Mentor!_
Wees zoo goed je tante van mij goeden dag te zeggen, en verheug je, want "luie Laurence" is naar zijn grootvader gegaan, zooals een braven jongen betaamt. Heb een plezierigen winter, en mogen de goden je gezegende wittebroodsweken geven te Valrosa. Ik denk, dat het Fred ook goed zou doen, als hij eens wakker geschud werd. Zeg hem dat, met mijn gelukwenschen.
Steeds de uwe
TELEMACHUS.
"Beste jongen! Ik ben blij, dat hij gegaan is," zei Amy met een goedkeurenden glimlach, maar het volgende oogenblik betrok haar gezicht, toen zij de leege kamer rondkeek, en voegde zij er met een onwillekeurigen zucht bij:
"Ja, ik _ben_ blij, maar wat zál ik hem missen!"
HOOFDSTUK XVII.
DE VALLEI DER SCHADUWEN DES DOODS.
Toen de eerste bitterheid voorbij was, nam de familie March het onvermijdelijke aan en trachtte het blijmoedig te dragen, elkander steunende door die innige liefde, die gewoonlijk in tijden van druk, huisgenooten nauwer verbindt. Zij maakten het elkaar niet zwaarder door nuttelooze klachten, en ieder deed zijn best om dat laatste jaar nog een betrekkelijk gelukkig jaar te doen zijn.
De vroolijkste kamer werd voor Bets in orde gemaakt, en alles daar bijeen gebracht, waar zij het meest zwak op had--bloemen, platen, haar piano, het kleine werktafeltje en de geliefde katjes. Vaders mooiste boeken vonden hun weg daarheen, en zoo ook Moeders gemakkelijke stoel, Jo's schrijftafel, Amy's beste schetsen; en elken dag bracht Meta haar kleintjes even, om een zonnestraaltje te werpen in de kamer van "Tante Bets". John legde, zonder iets te zeggen, een sommetje ter zijde, om de zieke van tijd tot tijd wat vruchten of andere versnaperingen te kunnen zenden, waarvan zij veel hield en waarnaar ze dikwijls verlangde; de oude Hanna werd nooit moede in het bedenken van nieuwe schoteltjes, om haar grilligen eetlust te prikkelen, en stortte onder het bereiden menigen traan; en van over de zee kwamen allerlei verrassinkjes en opgeruimde brieven, die weldadige warmte en liefelijke geuren schenen mee te brengen uit streken, waar men geen winter kent.
Vereerd als een huisgod in zijn nis, zat Betsy, rustig en bezig als altijd, want niets kon haar lieve onzelfzuchtige natuur veranderen, en nu zelfs, nu zij op het punt stond uit dit leven te scheiden, trachtte zij het zoo gelukkig mogelijk te maken voor degenen, die achter zouden blijven. De zwakke vingers waren nooit ledig, en een van haar liefste bezigheden was, kleine presentjes te maken voor de schoolkinderen, die dagelijks voorbij gingen; om b.v. een paar wantjes uit het raam te laten vallen voor een paar verkleumde handjes, een naaldenboekje voor een kleine poppen-moeder, aardige inktlappen voor jeugdige schrijvers, die zich met moeite een weg baanden door dichte bosschen van hanepooten, of kleine plakboekjes voor kunstlievende oogen, en alle mogelijke, andere, aardige verzinsels, zoodat het jonge volkje, dat eigenlijk met tegenzin de ladder der geleerdheid beklom, zijn weg als het ware met bloemen bestrooid vond, en de lieve geefster ging beschouwen, als een soort van goede fee, die van haar troon allerlei gaven voor hun voeten strooide, gaven, die op wonderbare wijze juist beantwoordden aan hun smaak en hun behoeften. Indien Betsy eenige belooning verlangde, vond zij die in de vroolijke gezichtjes, die steeds naar haar venster opkeken, haar toeknikten en toelachten, en in de grappige, kleine briefjes, vol vlekken en dankbaarheid, die zij van hen kreeg.
De eerste maanden waren werkelijk gelukkig, en Betsy keek gedurig om zich heen en zeide dan: "Wat is alles heerlijk!" als zij zoo gezellig bij elkander zaten in haar vroolijke kamer, de kinderen kraaiend en spelend op den grond, Moeder en de zusters bij het raam aan het werk, terwijl Vader met zijn welluidende stem iets voorlas uit de wijze oude boeken, die zoo rijk schenen aan goede, troostrijke woorden, en nog evenzeer van toepassing waren nu, als toen zij eeuwen geleden geschreven werden--een kleine tempel, waar een vaderlijk priester zijn kuddeke de harde lessen leerde, die allen moesten leeren; hen trachtte te doen inzien, dat hoop troost kan storten in liefhebbende harten, en dat geloof berusting mogelijk maakt. Het waren eenvoudige preeken, die dadelijk den weg vonden naar de harten der toehoordsters; want het hart des vaders sprak uit den godsdienst des leeraars, en de aandoening, meermalen merkbaar in het trillen zijner stem, zette dubbele welsprekendheid bij aan de woorden, die hij sprak of las.
Het deed allen goed, dat deze rustige tijd hun gegeven was, als een voorbereiding voor de droevige uren, die komen zouden, want na een poosje klaagde Bets, dat de naald "zoo zwaar" werd, en legde zij haar voor altijd neer; praten vermoeide haar, het zien van verschillende menschen maakte haar onrustig, de pijn overmeesterde haar, en de vrede harer ziel werd droevig verstoord door het lijden, dat haar zwak lichaam teisterde. Ach! hoe moeilijk waren de dagen, hoe lang de nachten, hoe innig de smeekbeden, die de verslagen harten opzonden, wanneer zij, die haar zoo ziels liefhadden het moesten aanzien, hoe zij de uitgeteerde handen naar hen uitstak, met den hartroerenden kreet: "Help mij, o, toe help mij!" en zij geen hulp konden aanbrengen. Een donkere wolk over de kalme helderheid der ziel, een zware strijd tusschen het jonge leven en den dood, maar beide waren gelukkig van korten duur, en toen het zoo natuurlijk verzet plaats had gemaakt voor onderworpenheid, keerde de oude vrede lieflijker dan ooit terug. Naarmate het zwakke lichaam afnam in kracht, nam de ziel toe in sterkte, en hoewel Betsy weinig sprak, gevoelden allen in haar omgeving, dat zij zich gereed hield en zagen zij dat de pelgrim, die het eerst opgeroepen werd, ook het meest geschikt en het meest bereid was om te sterven.
Jo verliet haar geen oogenblik, sedert Bets had gezegd: "Ik voel mij sterker, wanneer jij bij mij bent." Zij sliep op een rustbank in de kamer, stond dikwijls op om naar het vuur te zien, of om het geduldige schepseltje dat zoo zelden om iets vroeg, en haar best deed "om niemand tot last te zijn", te laven, goed te leggen, of eens toe te spreken. Den ganschen dag bleef zij in de kamer, naijverig op andere ziekenverpleegsters en trotscher op de voorkeur haar gegeven, dan zij in later tijd ooit was op eenige eer, die haar te beurt viel. Het waren voor Jo kostbare en nuttige uren, want haar hart doorliep een moeilijke school; lessen in geduld werden haar op zoo liefelijke wijze gegeven, dat het niet anders kon, of zij moest ze ter harte nemen; lessen in liefde tot alles; die zachte stemming, die onvriendelijkheid kan vergeven en waarlijk vergeten; het getrouw vervullen zelfs van den moeilijksten plicht, en het innige geloof, dat niets vreest, maar onwankelbaar vertrouwt.