Chapter 18
Meta, die op de trap zat te wachten, begreep niets van de lange stilte, die op het rumoer volgde, en na zich alle mogelijke ongelukken te hebben voorgesteld, sloop zij zacht de kamer binnen, om te zien, wat er gaande was. Demi lag gerust te slapen, niet in zijn gewone houding als een vliegende arend, maar als een nederig hoopje in de armen zijns vaders, en zijn vaders vinger vast omklemmende, alsof hij gevoelde, dat rechtvaardigheid hier getemperd werd door genade, en hij zich ter ruste had gelegd als een bedroefde maar een wijzer geworden baby. John had, toen hij zich zoo gevangen voelde, met vrouwelijk geduld gewacht, tot de kleine hand van zelf losliet, en was onder het wachten in slaap gevallen, veel meer vermoeid door dien strijd met zijn kleinen jongen dan door zijn arbeid van den geheelen dag.
Toen Meta de twee hoofden op hetzelfde kussen zag, glimlachte zij en verliet zachtjes de kamer, met voldoening tot zichzelf zeggende: "ik hoef nooit te vreezen, dat John te hard zal zijn voor onze kindertjes; hij weet, hoe hij met hen moet omgaan, en zal mij heerlijk kunnen helpen, want Demi _wordt_ me de baas!"
Toen John eindelijk beneden kwam, in de stellige verwachting een peinzende en ontstemde vrouw te zullen vinden, werd hij aangenaam verrast, daar Meta met een opgeruimd gezicht een hoed zat op te maken en dadelijk voor den dag kwam met het verzoek of hij haar, zoo hij ten minste niet te moe was, iets wilde voorlezen over de verkiezingen. John begreep terstond, dat de een of andere ommekeer op handen was, maar liet wijselijk na, er naar te vragen, wel wetende, dat Meta een doorzichtig persoontje was, niet in staat een geheim te bewaren, al kon zij er haar leven ook door redden; hij zou dus den sleutel wel spoedig vinden. Met de grootste bereidwilligheid las hij haar een lang verslag voor, en verklaarde het haar daarna zoo duidelijk mogelijk, terwijl Meta haar best deed om zeer belangstellend te kijken, schrandere vragen te doen, en haar gedachten te bewaren voor een afdwalen van den toestand der natie naar den toestand van haar hoed. In het diepst van haar ziel echter kwam zij tot de overtuiging, dat politiek al even weinig aanlokkend was als wiskunde, en dat het de roeping van staatslieden scheen te zijn, elkander onaangenaamheden te zeggen, maar zij hield die vrouwelijke gedachten voor zichzelve, en toen John even zweeg, schudde zij haar hoofd en zei met wat zij voor diplomatieke dubbelzinnigheid hield:
"Ik begrijp heusch niet, waar het heen moet!"
John lachte en keek haar een oogenblik aan, zooals zij daar een mooien tak bloemen op haar hand heen en weer draaide dien beschouwende, met een belangstelling zoo innig, als zijn redevoering niet bij haar had kunnen wekken.
"Zij doet haar best van politiek te houden om mijnentwil, dus zal ik wat belangstelling toonen in modeartikelen om harentwil--dat is niet meer dan billijk," dacht John, de rechtvaardige, en hij voegde er hardop bij:
"Wat wordt dat voor een fraaiigheidje?"
"Mijn beste man, die bloemen zijn voor op mijn hoed--mijn gekleeden hoed, om mee naar concerten en comedie's te gaan!"
"Neem me niet kwalijk, het lijkt me zoo'n licht ding, dat ik me met eenige onrust afvraag, hoe het op je hoofd blijft vastzitten?"
"Met een paar flinke pennen; kijk, zoo!" en Meta gaf er een illustratie van, door hem op te zetten, en keek haar John daarbij aan, met zoo'n uitdrukking van kalme opgewektheid, dat zij waarlijk onweerstaanbaar was.
"Het is zeker een 'schat' van een hoed, maar ik geef de voorkeur aan het gezichtje er onder, want dat ziet er weer jong en gelukkig uit," en John kuste het lachende gezicht, tot groot gevaar voor de "gekleede" hoofdversiering.
"Ik ben blij, dat je hem netjes vindt, want ik zou zoo graag willen, dat je mij eens meenam naar een van die nieuwe concerten; ik heb wezenlijk wat muziek noodig om weer op streek te komen. Wil je dat eens doen?"
"Zeker wil ik dat! Overal heen, waar je maar wilt. Je bent zoo lang opgesloten geweest, dat het je verbazend veel goed zal doen, en ik vind het prettiger dan iets anders ter wereld. Wat heeft dat in je hoofd gebracht, Mamaatje?"
"Och, ik had voor een paar dagen een gesprek met Moeder, en vertelde haar hoe zenuwachtig, prikkelbaar en onplezierig ik mij voelde, en zij vond dat ik eens een verandering noodig had en 't minder druk moest hebben: nu zal Hanna mij komen helpen met de kinderen, dan kan ik meer over het huishouden gaan, en nu en dan een verzetje zoeken, om niet vóór mijn tijd een kribberige, afgetobde oude vrouw te worden. Het is nog maar een proefneming, John, en ik wil het probeeren, zoowel om jou als om mezelf, want ik heb je in den laatsten tijd schandelijk veronachtzaamd, en ik zal zien, of ik ons thuis niet weer kan maken, wat het vroeger was. Je hebt er toch niets tegen, hoop ik?"
't Doet er niet toe wat John antwoordde, noch hoe weinig er aan scheelde, of de mooie hoed was totaal bedorven geweest; het eenige, wat wij noodig hebben te weten is, dat John geen bezwaren scheen te maken, te oordeelen naar de veranderingen, die langzamerhand plaats grepen in het huis en zijn bewoners. Het werd nog geen paradijs, maar allen bevonden zich beter bij de verdeeling van het werk; de kinderen gedijden onder de vaderlijke tucht, want John met zijn trouw, vast karakter bracht orde en gehoorzaamheid in de kinderkamer, terwijl Meta haar opgeruimdheid herkreeg, en haar zenuwgestel weer tot rust bracht door overvloed van gezonde beweging, af en toe een kleine uitspanning en menig vertrouwelijk gesprek met haar verstandigen echtgenoot. "Thuis" werd weer "thuis" zooals vroeger, en John had geen verlangen om uit te loopen, tenzij Meta meeging. De Scotts kwamen nu de Brookes bezoeken, en iedereen vond "de duiventil" een echt gezellige verblijfplaats, overvloeiend van geluk, tevredenheid en onderlinge liefde; zelfs de wereldsche Sallie Moffat ging er graag heen. "Het is hier altijd zoo rustig en gezellig; dat doet mij goed, Meta," zei ze dikwijls, en keek dan met verlangende blikken in het rond, alsof zij wilde ontdekken, waar dat gezellige eigenlijk in bestond, opdat zij het mocht overbrengen naar haar groote woning, zoo vol van eenzame pracht; want daar waren geen dartele, zonnige kindertjes, en Ned leefde in een eigen wereld, waarin voor haar geen plaats scheen.
Dit huiselijk geluk kwam niet in eens, maar John en Meta hadden er den sleutel toe gevonden, en elk jaar van hun huwelijksleven leerde hen beter, hoe dien te gebruiken, en de schatkamers te ontsluiten van ware onderlinge liefde en hulpvaardigheid, zegeningen die de armste kan bezitten en door den rijkste niet gekocht kunnen worden.
Om dit geluk te veroveren kan iedere jonge vrouw en moeder gerust afstand doen van de zenuwvermoeiende amusementen, die in de "uitgaande kringen" aan de orde zijn. Vinden zij niet trouwe aanbidders in de zoontjes en dochtertjes, die zich aan haar vastklemmen en niet afgeschrikt worden door droefheid, armoede of ouderdom; leggen zij hun levensweg niet af, zoowel bij zonneschijn als bij stormweer, aan de zijde van een trouw vriend, die in den waren zin van het goede oude Saksische woord de "huis-band" [9] is, en leeren zij niet inzien, evenals Meta het leerde inzien, dat het gelukkigste rijk der vrouw haar tehuis is, haar hoogste eer de wijze, waarop zij het bestuurt--niet als een koningin, maar als een wijze echtgenoote en moeder?
HOOFDSTUK XVI.
LUIE LAURENCE.
Laurie ging naar Nice, met het plan er een week te blijven, maar hij bleef er een maand. Hij had genoeg gekregen van het alleen reizen, en de vertrouwelijke omgang met Amy scheen een huiselijke bekoorlijkheid te geven aan de vreemde omgeving, waarvan zij deel uitmaakte. Hij had het eigenlijk gemist, dat er in den laatsten tijd geen werk van hem gemaakt werd, zooals hij gewoon was, en nu kreeg hij er weer een proefje van,--want geen vleierijen van vreemden, hoe aangenaam ook, waren hem half zoo welgevallig als de zusterlijke bewondering van de meisjes thuis. Amy had hem nooit zoo willen "bederven" als de anderen, maar zij was heel blij hem nu te zien, en klampte zich als 't ware aan hem vast, als de vertegenwoordiger van het dierbaar gezin, waarnaar zij meer verlangde, dan zij wel wilde bekennen. Zeer natuurlijk vonden ze troost in elkanders gezelschap en waren ze veel te zamen, reden, wandelden, dansten of verbeuzelden hun tijd--want niemand kan, tijdens het badseizoen te Nice, veel uitvoeren. Maar terwijl zij zich schijnbaar op de meest zorgelooze manier vermaakten, deden zij toch halfbewust allerlei ontdekkingen, en vormden zij een oordeel over elkander. Amy rees dagelijks in de schatting van haar vriend; maar hij daalde in de hare, en beiden gevoelden de waarheid, voordat er nog een woord over was uitgesproken. Amy zocht te behagen en slaagde er in,--want zij was dankbaar voor de vele vriendelijkheden, die hij haar bewees, en beloonde hem met die kleine dienstbewijzen, waaraan vrouwelijke vrouwen zulk een onbeschrijfelijke bekoorlijkheid weten bij te zetten. Laurie spande zich hoegenaamd niet in, maar liet zich zoo gemakkelijk mogelijk met den stroom voortdrijven, terwijl hij zijn best deed om het verleden te vergeten en een gevoel had, alsof alle vrouwen hem een vriendelijk woord schuldig waren, omdat éen meisje koel tegen hem geweest was. Het viel hem niet moeilijk gul te zijn; hij zou Amy graag alle aardigheden uit Nice gegeven hebben, als zij ze had willen aannemen,--maar onderwijl gevoelde hij, dat hij de meening, die zij omtrent hem koesterde, niet kon veranderen, en hij was eigenlijk min of meer bang voor de scherpe blauwe oogen, die hem met een half-droevige, half-verachtelijke verwondering schenen waar te nemen.
"Al de anderen zijn vandaag naar Monaco gegaan, maar ik bleef liever thuis om brieven te schrijven. Ze zijn nu af, en ik ga naar Valrosa, schetsen; ga je soms mee?" vroeg Amy, op een mooien dag, toen Laurie als naar gewoonte tegen den middag aan kwam slenteren.
"Och, ja; maar is het niet te warm voor zoo'n lange wandeling?" antwoordde hij dralend,--want het koele salon zag er uitlokkend uit na den gloeienden zonneschijn daarbuiten.
"Ik was van plan het wagentje te nemen, en Baptiste kan rijden, zoodat je niets te doen zult hebben dan je parasol op te houden en te zorgen dat je handschoenen schoon blijven," antwoordde Amy, met een spottenden blik naar de vlekkelooze glaceetjes, die Laurie's zwakke punt waren.
"Dan ga ik met alle genoegen mee," en hij stak zijn hand uit voor haar schetsboek. Maar zij nam het onder den arm met een scherp: "Vermoei je niet; het is volstrekt niet te zwaar voor mij, maar jij ziet er uit, alsof het je te veel zou zijn."
Laurie trok de wenkbrauwen op en volgde dood op zijn gemak, terwijl zij naar beneden vloog; maar toen zij in het rijtuig zaten, nam hij zelf de teugels, zoodat er voor den kleinen Baptiste niets anders overbleef dan zijn armen over elkander te slaan en op zijn bankje in slaap te vallen.
De twee kibbelden nooit; Amy was "te wel-opgevoed," en Laurie op dit oogenblik te lui; hij gluurde dus na een poosje met een onderzoekenden blik onder den rand van haar hoed; zij antwoordde met een glimlach en zij reden samen voort in de meest vriendschappelijke stemming.
Het was een mooi ritje, langs kronkelende wegen, rijk aan schilderachtige kijkjes, die zoo'n genot zijn voor schoonheidlievende oogen. Hier een oud klooster, waaruit hun het plechtig gezang der monniken tegemoet kwam. Daar een schaapherder, die met een soort van houten schoenen aan, bloote beenen, een puntigen hoed, en zijn buis over den éénen schouder geworpen, op een steen zat fluit te spelen, terwijl zijn geiten tusschen de rotsen huppelden of aan zijn voeten lagen. Muiskleurige ezels, beladen met manden vol verschgesneden gras, trokken hen voorbij, begeleid door een aardig boerenmeisje met een _capaline_ over het hoofd, en gezeten tusschen de groene hoopen, of door een oude vrouw, die al voortgaande met haar spinrokken spon. Bruine, zachtoogige kinderen kwamen naar buiten loopen uit de vreemdsoortige steenen hutten, om hun ruikertjes of oranjeappels met tak en al aan te bieden. Knoestige olijfboomen beschaduwden de heuvels met hun donkergroen gebladerte, gouden vruchten prijkten in de boomgaarden, en groote vuurroode anemonen omzoomden de wegen, terwijl de Zee-Alpen zich, achter groene hellingen en spitse hoogten, scherp en wit afteekenden tegen den blauwen Italiaanschen hemel.
Valrosa verdiende zijn naam wel, want in dat klimaat, waar voortdurend zomerwarmte heerscht, bloeiden de rozen overal. Zij hingen tusschen de staven van het groote ijzeren hek, waar zij den voorbijgangers een liefelijk welkom toeriepen, stonden aan beide zijden van de laan, die zich, tusschen citroenboomen en vederachtige palmen door, een weg baande naar de villa op den heuvel. Ieder schaduwrijk plekje, waar zitplaatsen den wandelaar tot rust uitnoodigden, was schier onder rozen bedolven, in iedere koele grot lachte een marmeren nimf u toe van uit haar bloemenpracht, en elke fontein weerkaatste donkere witte of rozeroode rozen, die zich in het water spiegelden, als verheugden ze zich over hun eigen schoonheid. Rozen bedekten de muren van het huis, versierden de kroonlijsten, slingerden zich om de pilaren, en tierden welig langs de balustrade van het ruime terras, vanwaar men het uitzicht had op de zonnige Middellandsche zee en de met witte muren omgeven stad aan de kust.
"Wat een ideaal plekje, vind je niet? Heb je ooit zulke rozen gezien?" vroeg Amy, en bleef stilstaan op het terras, om van het uitzicht te genieten en den heerlijken bloemengeur, die een zacht windje haar toevoerde, in te ademen.
"Neen, en 'k heb ook nooit zulke doorns gevoeld," antwoordde Laurie, met zijn duim in den mond, na een vergeefsche poging om een eenzame donkerroode roos te bemachtigen, die juist buiten zijn bereik hing.
"Probeer het wat lager, en pluk die, waar geen doorns aan zitten," zei Amy, behendig drie van de roomkleurige roosjes plukkende, die den muur achter haar bedekten. Zij stak ze in zijn knoopsgat als een vredesteeken, en hij bekeek ze een oogenblik met een vreemde uitdrukking op zijn gezicht, want in het Italiaansche deel van zijn natuur leefde een sprankje bijgeloovigheid, en hij bevond zich toen juist in dien staat van half zoete, half bittere melancholie, waarin jonge menschen aan alle mogelijke kleinigheden een diepere beteekenis hechten, en voedsel voor de verbeelding vinden, in al het hun omringende. Bij het grijpen naar de doornachtige roode roos had hij aan Jo gedacht, want levendige kleuren stonden haar goed, en zij had dikwijls zulke rozen gedragen, uit de broeikas thuis. De bleeke rozen, die Amy hem gaf, waren van de soort, die de Italianen in de handen hunner dooden leggen,--nooit in bruidskransen vlechten,--en gedurende een seconde vroeg hij zich af, of het soms een voorteeken voor Jo of voor hemzelf zou wezen. Maar het volgend oogenblik kreeg zijn Amerikaansch gezond verstand de overhand boven zijn sentimentaliteit, en hij lachte hartelijker dan Amy nog van hem gehoord had.
"'t Is een goede raad,--je deed beter hem op te volgen en je vingers te sparen," zei zij, in de veronderstelling, dat hij om haar opmerking lachte.
"Dank je, dat zal ik doen," antwoordde hij in gekheid--en een paar maanden later deed hij het in ernst.
"Laurie, wanneer ga je weer naar je Grootvader?" vroeg ze na een poosje, terwijl ze op een rustieke bank ging zitten.
"Heel gauw."
"Dat heb je in de laatste drie weken al wel twaalf maal gezegd."
"Wel mogelijk; korte antwoorden zijn 't gemakkelijkst."
"Hij verwacht je, en je moest nu heusch eens gaan."
"Bizonder gastvrij. Maar 'k weet wel dat ik gaan moet."
"Waarom doe je 't dan niet?"
"Natuurlijke verdorvenheid, denk ik."
"Natuurlijke luiheid, meen je. Het is werkelijk verschrikkelijk!" en Amy keek verontwaardigd.
"Niet zoo erg als het schijnt, want ik zou hem maar plagen, als ik bij hem was; ik kan dus even goed blijven en jou een beetje langer plagen--jij kunt het beter verdragen, en eigenlijk geloof ik, dat jij het wel prettig vindt!" Waarna Laurie over den breeden rand van de balustrade ging hangen.
Amy schudde het hoofd, en opende haar schetsboek, met een uitdrukking van berusting op haar gezicht, maar nam zich toch voor "dien jongen" de les eens te lezen, en begon na een poosje opnieuw.
"Waar ben je op 't oogenblik mee bezig?"
"Ik kijk naar hagedissen."
"Och neen! Ik bedoel natuurlijk wat heb je voor plannen; wat denk je te gaan doen?"
"Een sigarette te rooken, als jij het toestaat."
"Wat _ben_ je toch vervelend! Ik houd niet van rooken, en ik permitteer het je alleen op voorwaarde, dat ik je in mijn schets mag opnemen; ik heb een figuur noodig."
"Met alle genoegen. Hoe wil je mij hebben? In mijn volle lengte, of drie kwart, op mijn hoofd, of op mijn voeten? Als ik zoo vrij mag zijn je een wenk te geven, zou ik je een liggende houding aanraden; neem er dan jezelf mee in op, en noem de schets 'Dolce far niente.'"
"Blijf maar zoo zitten en ga slapen, als je er lust in hebt. _Ik_ ben van plan hard te werken," antwoordde Amy met den meest mogelijken klem.
"Wat een heerlijk enthousiasme!" en hij leunde tegen een hooge urn, met een uitdrukking van volkomen tevredenheid op zijn gebruind gezicht.
"Wat zou Jo zeggen, als zij je nu zag?" vroeg Amy ongeduldig, in de hoop, dat zij hem zou kunnen wakker schudden door den naam van haar nog energiekere zuster te noemen.
"Als naar gewoonte: 'Ga toch heen, Teddy; ik heb het druk.'" Hij lachte, toen hij dit zei, maar de lach was niet natuurlijk, en er trok een schaduw over zijn gezicht, want het uitspreken van dien geliefden naam, deed de wond schrijnen, die nog niet was geheeld.
Zoowel de toon als de schaduw trof Amy; zij had die reeds vroeger gehoord en gezien, en zij keek op, juist bijtijds om een nieuwe uitdrukking in Laurie's oogen waar te nemen--een harden bitteren blik, vol smart, onvoldaanheid en spijt. De blik was voorbijgegaan, eer zij dien goed kon bestudeeren, en zijn gezicht had weer de gewone onverschillige plooi aangenomen. Zij sloeg hem een oogenblik met kunstenaarsgenot gade, en dacht, hoeveel hij toch van een Italiaan had, zooals hij zich daar in de zon lag te koesteren, met ongedekt hoofd en de oogen zoo droomerig en donker van kleur; want hij scheen haar vergeten te hebben en in gepeins verzonken te zijn.
"Je doet me denken aan de beeltenis van een jong ridder op zijn graftombe," zei zij, zorgvuldig het welbesneden profiel teekenend, dat zoo goed tegen den donkeren steen uitkwam.
"Ik wou, dat ik het was!"
"Dat is een dwaze wensch, tenzij je je leven bedorven hebt. Je bent zoo veranderd, dat ik soms wel eens denk--" hier zweeg Amy, met een half verlegen, half onderzoekenden blik, die meer zeide dan haar onvoltooiden zin.
Laurie zag en begreep de hartelijke bezorgdheid, die zij aarzelde uit te spreken, en haar flink in de oogen ziende, antwoordde hij, zooals hij haar moeder zoo dikwijls geantwoord had:
"Alles in orde, mejuffrouw!"
Dat stelde haar tevreden, en maakte een einde aan de twijfelingen, die haar in den laatsten tijd dikwijls verontrust hadden. Het trof haar, en zij toonde dat, door op hartelijken toon te zeggen:
"Daar ben ik blij om! Ik dacht wel niet, dat je een erge losbol zou zijn geweest, maar ik was bang, dat je veel geld verspeeld zou hebben in dat verdorven Baden-Baden, je hart verloren aan de een of andere mooie getrouwde Fransche vrouw, of een andere dwaasheid begaan had, iets wat jongelui blijkbaar beschouwen als een noodzakelijk onderdeel van een buitenlandsch reisje. Blijf daar niet zoo in de zon hangen, maar kom hier liever op het gras liggen, en 'laten w'eens vertrouwelijk zijn', zooals Jo altijd zei, wanneer wij gezellig in het hoekje van de canapé gingen zitten om geheimen te vertellen."
Laurie wierp zich gehoorzaam in het gras, en begon zich te vermaken met madeliefjes te steken tusschen het lint van Amy's hoed, die op den grond lag.
"Ik ben een en al gehoor voor je geheimen," zei hij met plotselinge belangstelling naar haar opkijkende.
"Ik heb niets te vertellen, jij mag beginnen."
"Het spijt mij, te moeten zeggen, dat ik er geen een rijk ben. Ik dacht, dat jij misschien groot nieuws van huis hadt."
"Ik heb je alles verteld wat er in mijn laatste brieven stond. Krijg jij niet dikwijls bericht? Ik dacht, dat Jo je wel vellen vol zou schrijven."
"Zij heeft het druk; ik ben dan hier en dan daar, dus is het niet mogelijk, geregeld te correspondeeren, zooals je wel kunt begrijpen. Wanneer begin je aan je groot kunstgewrocht, Raphaella?" vroeg hij, eensklaps van onderwerp veranderende, na een korte pauze, waarin hij er over gepeinsd had, of Amy zijn geheim wist en er over verlangde te praten.
"Nooit!" antwoordde zij op droevigen maar beslisten toon. "Rome heeft alle ijdelheid uit mij verdreven, want na de wonderen die ik dáár gezien heb, voel ik mij te onbeteekenend om iets uit te richten, en heb ik in wanhoop al mijn dwaze luchtkasteelen laten varen."
"Waarom; je hebt toch zooveel energie en talent?"
"Dat is juist de reden; omdat talent geen genie is, en de grootst mogelijke hoeveelheid energie het niet tot genie maken kan. Ik wil groot zijn, of niets. Een alledaagsche kladschilderes begeer ik niet te worden, en dus heb ik alle pogingen opgegeven."
"En wat ben je dan van plan verder met jezelf te doen, als ik vragen mag?"
"Mijn andere talenten te polijsten en 'een sieraad van de maatschappij te worden,' als de gelegenheid mij daartoe ooit wordt geboden."
Het was een karakteristiek gezegde en klonk overmoedig; maar vermetelheid hoort bij jonge menschen, en Amy's eerzucht had een goeden grond. Laurie glimlachte, maar hij bewonderde de geestkracht, waarmee zij, nu een lang geliefd plan in duigen viel, zich een nieuw doel voor oogen stelde, en geen tijd verspilde met nutteloos klagen.
"Mooi! en hier komt nu, denk ik, Fred Vaughn in 't spel?"
Amy zweeg bescheiden, maar een zekere uitdrukking op haar afgewend gezicht noopte Laurie te gaan zitten en ernstig te zeggen:
"Nu wou ik eens graag voor broer spelen, en een paar vragen doen. Mag ik?"
"Ik beloof niet, dat ik er op antwoorden zal."
"Dat zal je gezicht wel doen, als je tong weigert. Je bent nog niet genoeg vrouw van de wereld om je gevoelens te verbergen, meisje! Ik heb verleden jaar praatjes gehoord over Fred en jou en ik voor mij geloof, dat, als hij niet zoo plotseling naar huis had moeten gaan, en zoo lang was opgehouden, er wel iets van zou gekomen zijn, is 't niet zoo?"
"Dat kan ik moeilijk beantwoorden," zei Amy stijf; maar haar oogen glinsterden verraderlijk en deden voldoende zien, dat zij haar macht kende en behagen schepte in die wetenschap.
"Je bent toch nog niet geëngageerd, hoop ik?" en Laurie keek eensklaps heel ernstig, zooals een ouderen broeder paste.
"Neen."
"Maar je zult hem aannemen, als hij terugkomt en heel behoorlijk een knieval doet, is 't niet?"
"Best mogelijk!"
"Je houdt dus heel veel van Fred?"
"Ik zou het zeker kunnen doen, als ik het probeerde."
"Maar je bent niet van plan het te probeeren, voordat het geschikte oogenblik is aangebroken? Lieve hemel, wat een bovenaardsche voorzichtigheid! Hij is een goeie jongen, Amy, maar niet de man, dien ik dacht, dat jij zou liefhebben."
"Hij is rijk, een 'gentleman' en heeft bizonder innemende manieren,"--begon Amy en ze trachtte heel koel en waardig te spreken, maar voelde zich toch min of meer beschaamd, in weerwil van de zuiverheid harer bedoelingen.
"Ik begrijp je--schoonheden, die in de wereld willen schitteren, hebben geld noodig, en dus ben je van plan een goed huwelijk te doen en er op die manier te komen? Heel juist en verstandig zeker, in de oogen van 'men', maar het klinkt vreemd uit den mond van een dochter van je moeder."
"'t Is toch zoo!"