Op Eigen Wieken

Chapter 15

Chapter 154,090 wordsPublic domain

Gedurende de dagen, die nog verloopen moesten om de noodige toebereidselen te maken, gedroeg Laurie zich zooals jonge lieden in een dergelijk geval gewoonlijk doen. Hij was afwisselend somber, prikkelbaar en peinzend; verloor zijn eetlust, verwaarloosde zijn kleeding, en bracht een groot gedeelte van zijn tijd door met hartstochtelijk piano te spelen. Hij ontliep Jo, maar stelde zich schadeloos door haar van uit zijn venster te begluren, met zoo'n tragische uitdrukking op zijn gezicht, dat het haar 's nachts in haar droomen vervolgde en overdag een drukkend gevoel van schuld gaf. Anders dan sommige lijders sprak hij nooit over zijn onbeantwoorden hartstocht, en kon hij niet dulden, dat iemand, zelfs niet mevrouw March, hem een woordje van troost zocht toe te voegen of medegevoel toonde. Dit was in sommige opzichten een verlichting voor zijn vrienden, maar de weken voor zijn vertrek waren buitengewoon pijnlijk, en allen verblijdden zich, dat de "beste jongen" wegging om zijn verdriet te vergeten, en weer gelukkig thuis te komen. Hij glimlachte natuurlijk bitter over hun waan, maar liet dien voor wat hij was, met de droevige ongeloovigheid van een, die wist, dat zijn trouw even onveranderlijk was als zijn liefde.

Toen het uur van scheiden aanbrak, wendde hij groote opgewektheid voor om sommige lastige gemoedsbewegingen te verbergen, die geneigd schenen zich te doen gelden. Zijn opgeschroefde vroolijkheid leidde niemand om den tuin, maar zij deden, alsof zij zich lieten verschalken, en hij bracht het er vrij goed af, totdat mevrouw March hem een kus gaf, en hem heel moederlijk iets toefluisterde. Toen voelde hij, dat het uit was met alle zelfbeheersching, en na een haastig afscheid van de anderen, de bedroefde Hanna niet te vergeten, rende hij de trappen af, alsof het zijn leven gold. Jo volgde hem een oogenblik later, om hem nog eens toe te wuiven, als hij soms om mocht kijken. Hij kéék om, kwam terug, sloeg de armen om haar heen, hoewel zij een trede hooger stond dan hij, en zag haar aan met een gezicht, dat zijn korte vraag even welsprekend als aandoenlijk maakte.

"O, Jo, _kun_ je niet?"

"Mijn beste Teddy, ik wou, dat ik kon!"

Dat was alles, behalve een kleine pauze; toen richtte Laurie zich op en zei: "'t Is goed, denk er verder maar niet over," en ging, zonder nog een enkel woord te spreken. Maar het was _niet_ goed, en Jo dacht er wél verder over, want toen, na haar hard antwoord, de krullebol een oogenblik op haar arm rustte, kreeg zij een gevoel, alsof zij haar liefsten vriend doorboord had, en toen hij haar verliet, zonder nog eenmaal naar haar om te zien, wist zij, dat de oude Laurie nooit terug zou komen.

HOOFDSTUK XIII.

Betsy's Geheim.

Toen Jo in 't voorjaar terugkwam, was zij getroffen door de verandering, die er met Betsy was voorgevallen. Niemand sprak er over, of scheen er acht op te slaan, want het was zoo trapsgewijze gekomen, dat diegenen die haar dagelijks zagen, er niet door verontrust werden; maar voor oogen, door afwezigheid gescherpt, was het duidelijk te zien, en een zware last viel op Jo's hart, toen zij het gezichtje van haar zuster waarnam. Het was niet bleeker en maar weinig magerder dan in den herfst; maar er lag een vreemd, doorzichtig waas over verspreid, alsof het sterfelijke zachtkens werd afgeschud, en het onsterfelijke zich met een onbeschrijfelijk roerende schoonheid in het zwakke lichaam openbaarde. Jo zag en gevoelde het, maar zei nog niets, en weldra verloor de eerste indruk zijn kracht, want Bets scheen gelukkig,--niemand scheen er aan te twijfelen, of zij wel beter was--en weldra vergat Jo, te midden van andere zorgen, tenminste voor een tijd haar vrees.

Maar toen Laurie vertrokken, en de rust hersteld was, keerde die onbestemde angst terug en vervolgde haar onophoudelijk. Ze had haar zonden gebiecht en vergeving ontvangen; doch toen zij haar spaarpenningen voor den dag haalde, en voorstelde een uitstapje in de bergen te doen, bedankte Betsy haar hartelijk, maar verzocht vriendelijk niet zoo ver van huis te moeten gaan. Nog eens een poosje rustig aan zee zou haar beter bevallen, en daar "Oma" niet te bewegen was de kleintjes te verlaten, nam Jo Bets met zich naar een rustig plekje, waar zij veel in de open lucht kon zijn, en de frissche zeewind een blos kon tooveren op haar bleeke wangen.

Het was geen mode-badplaats, maar zelfs onder de vriendelijke, eenvoudige bewoners maakten de meisjes slechts weinig kennissen; ze gaven er de voorkeur aan, alleen voor elkander te leven. Bets was te verlegen om veel van gezelschap te houden, en Jo te veel in de zorg voor haar verdiept, dan dat zij om iemand anders zou geven; zij waren dus alles voor elkander, en kwamen en gingen, onbewust van de belangstelling, welke zij aan de personen uit hun omgeving inboezemden, die met medelijden de oogen lieten rusten op de krachtige zoowel als op de zwakke zuster, zoo altijd samen, alsof zij instinctmatig gevoelden, dat een lange scheiding op handen was.

En werkelijk voelden zij dat, hoewel zij er nooit over spraken; want er bestaat dikwijls tusschen ons en hen, die ons het naast en het liefst zijn, een zekere terughoudendheid, die moeilijk te overwinnen is. Jo had een gevoel, alsof er een sluier was neergelaten tusschen haar hart en dat van Betsy; maar als zij haar hand uitstak om dien op te lichten was het haar, alsof de stilte heilig was, en liet zij het aan Betsy over, het eerst het zwijgen te verbreken. Met dankbaarheid verbaasde zij zich, dat haar ouders niet schenen te zien, wat zij zag; en gedurende die rustige weken, toen de sombere schaduw haar steeds duidelijker werd, schreef zij er niets van naar huis, overtuigd, dat zij het zelf wel zouden begrijpen, als Betsy niet aangesterkt thuis kwam. Telkens vroeg ze zich af, of haar zuster de harde waarheid wel besefte, en welke gedachten haar vervulden, gedurende de lange uren, als zij, met het hoofd op Jo's schoot, op een warm plekje lag, terwijl de wind haar verfrisschend tegenwoei, en de zee haar lied zong aan den voet der rotsen.

Op zekeren dag vertelde Betsy het haar. Jo dacht dat zij sliep; zij lag zoo stil, en haar boek wegschuivend beschouwde Jo haar lang en aandachtig, om een straal van hoop te vinden in het flauwe blosje op Betsy's wangen. Maar zij vond niet genoeg om gerust te zijn, want de wangen waren verontrustend ingevallen, en de handen schenen te zwak om ook maar de kleine rose schelpjes, die zij gezocht had, vast te houden. Toen kwam het bitterder dan ooit over haar, dat Betsy langzamerhand wegkwijnde, en haar armen omknelden instinctmatig inniger en vaster den liefsten schat, dien zij bezat. Gedurende een paar minuten werden haar oogen te veel door tranen beneveld om te kunnen zien, en toen zij opgeklaard waren, keek Betsy haar zoo teeder aan, dat haar: "Jo-lief, ik ben toch zóó blij, dat je 't weet; ik heb geprobeerd het je te zeggen, maar ik kón niet," bijna overbodig was.

Er volgde geen ander antwoord, dan dat Jo haar hoofd tegen dat van haar zusje leunde; er kwamen zelfs geen tranen, want als Jo zeer aangedaan was, schreide zij niet. Nu was zij de zwakkere, en Betsy zocht haar te troosten en te ondersteunen, door haar armen om haar heen te slaan, en haar vriendelijke woordjes toe te fluisteren.

"Ik heb het al heel lang geweten, mijn lieve Jo, en nu ik aan de gedachte gewend ben, is het niet zoo hard meer om het te dragen. Probeer het ook zoo in te zien, en kwel je niet om mij, want het is zóó het beste--werkelijk!"

"Was dat het, wat je in 't najaar al zoo ongelukkig maakte, Bets? Je voelde het toen toch niet al en hield het voor jezelf, wel?" vroeg Jo, die niet toe kon geven, dat het zoo het beste was, maar zich toch verlicht voelde, dat Laurie geen deel had gehad aan Betsy's verdriet.

"Ja, ik gaf toen de hoop al op, maar ik wou er liever niet voor uitkomen; ik deed mijn best het voor een ziekelijke inbeelding te houden, en wou niet, dat iemand er verdriet van zou hebben. Maar toen ik jullie allemaal zoo gezond en sterk en zoo vol vroolijke plannen zag, viel het mij hard te moeten denken, dat ik nooit meer kon zijn zooals jullie, en toen voelde ik mij wanhopig, Jo."

"O, Bets, en je hebt het mij niet verteld, heb je niet door mij laten troosten en helpen! Hoe kon je mij zoo buitensluiten en alles zoo alleen dragen?"

Jo's stem klonk teeder verwijtend, en het deed haar hart pijn, toen zij dacht aan den eenzamen strijd, dien Betsy moest hebben gestreden, eer zij had geleerd afstand te doen van gezondheid, liefde en leven, en haar kruis zoo blijmoedig op te nemen.

"Het was misschien verkeerd van me, maar ik trachtte goed te doen; ik was er immers ook niet zeker van; niemand zei iets, en ik hoopte, dat ik mij vergiste. Het zou zoo zelfzuchtig geweest zijn jullie allen zoo'n schrik aan te jagen, vooral daar Moeder zoo bezorgd was over Meta, en Amy weg, en jij zoo gelukkig met Laurie,--ten minste, dat dacht ik toen."

"En ik dacht, dat jij van hem hield, Bets, en ik ging weg, omdat ik hem niet kon liefhebben!" riep Jo, blij, dat zij de geheele waarheid eens kon uitspreken.

Betsy keek zoo verbaasd bij dat denkbeeld, dat Jo in weerwil van haar verdriet moest glimlachen en er zachtjes bijvoegde:

"Dat was dus niet zoo, lieveling? Ik had er zoo'n zorg om en dacht, dat je arm hartje al dien tijd van onbeantwoorde liefde versmachtte."

"Maar Jo, hoe kon dat, terwijl hij zooveel van jou hield?" vroeg Betsy, zoo onschuldig als een kind. "Ik houd heel veel van hem, hij is zoo goed voor mij, dus hoe zou ik het kunnen laten? Maar hij zou nooit iets anders voor mij kunnen zijn dan mijn broer. En ik hoop, dat hij het mettertijd wezenlijk zal worden."

"Niet door mij," zei Jo beslist. "Amy is voor hem weggelegd, en zij zouden heel goed bij elkander passen,--maar ik heb nu geen hart voor zulke dingen. Ik geef er niet om, wat er van iemand wordt, behalve van jou, Bets. Jij _moet_ beter worden."

"Dat zou ik wel willen,--o, Jo zoo graag! Ik doe, wat ik kan, maar ik word elken dag een beetje minder, en voel meer en meer, dat ik mijn krachten nooit terugkrijg. Het is als het getij, wanneer het eb is, Jo, 't gaat langzaam, maar kan niet tegengehouden worden."

"Het _moet_ tegengehouden worden,--jouw getij mág niet zoo gauw verloopen,--negentien is te jong. Bets, ik kan je niet laten gaan! Ik zal werken en bidden en er tegen strijden. Ik zal je behouden, ondanks alles; er moet nog een mogelijkheid zijn,--het kan nog niet te laat wezen! God zal niet zoo wreed zijn om je van mij weg te nemen!" riep de arme Jo weerbarstig,--want haar gemoed was veel minder onderworpen dan dat van Betsy. Eenvoudige, oprechte menschen spreken zelden veel over hun vroomheid; zij openbaart zich in daden meer dan in woorden, en heeft meer invloed dan preeken of betuigingen. Betsy kon geen rekenschap geven van, of veel spreken over het geloof, dat haar moed en geduld gaf om afstand te doen van het leven, en blijmoedig op den dood te wachten. Als een vertrouwend kind, vroeg zij niets, maar liet alles over aan God en de natuur, ons aller vader en moeder, in het vaste geloof, dat zij, en zij alleen, hart en geest konden onderrichten en sterken voor dit leven en het leven hiernamaals. Zij troostte Jo niet met vrome overwegingen, maar had haar des te liever om haar hartstochtelijke genegenheid, en klemde zich des te vaster aan die menschelijke liefde, waarvan onze Vader ons nooit verlangt te spenen, maar waardoor Hij ons dichter tot zichzelf zoekt te brengen. Zij kon niet zeggen: "Ik ben blij, dat ik sterven mag," want het leven scheen haar zoo liefelijk toe; zij kon alleen maar snikkend uitroepen: "Ik zal mijn best doen het goed te vinden," terwijl zij Jo vaster omhelsde, toen de eerste bittere golf van deze groote smart over hen beiden heensloeg.

Toen Betsy na een poos haar bedaardheid herkregen had, vroeg zij:

"Wil jij 't hun zeggen, als we weer thuis zijn?"

"Ik denk, dat zij het wel zonder woorden zullen zien," zuchtte Jo; want nu scheen het haar toe, dat Betsy, met den dag verminderde.

"Misschien niet; ik heb wel eens gehoord, dat de menschen, die iemand het meest liefhebben, dikwijls het blindst zijn voor zulke dingen. Als zij het niet zelf zien, zul jij het hun voor mij zeggen, is 't niet? Ik wil er geen geheim van maken, en het is beter hen voor te bereiden. Meta heeft John en de kinderen om haar te troosten, maar jij moet Vader en Moeder helpen, hè Jo?"

"Als ik kan;--maar Bets, ik geef de hoop nog niet op; ik ben van plan te gaan gelooven, dat het werkelijk maar een ziekelijke inbeelding is, en er je van af zien te brengen," zei Jo, haar best doende om opgeruimd te spreken.

Betsy lag een oogenblik stil in gedachten verzonken, en begon toen op haar gewone, kalme manier:

"Ik weet mij niet goed uit te drukken, en zou het ook anders niet probeeren, dan tegen jou, omdat ik mij nooit tegen iemand kon uiten, behalve tegen mijn eigen Jo. Ik wou alleen maar zeggen, dat ik een gevoel heb, alsof ik nooit bestemd was om lang te leven. Ik ben nooit heelemaal geweest zooals jullie; ik heb nooit plannen gemaakt over wat ik doen zou, als ik groot was; ik heb nooit over trouwen gedacht. 't Was net alsof ik mij zelf nooit anders kon voorstellen dan als de onbeteekenende kleine Bets, die thuis zoowat heen en weer dribbelde, en ook nergens anders op haar plaats was. Ik heb ook nooit verlangd op reis te gaan, en wat mij nu zoo zwaar valt is, dat ik van jullie allen weg moet. Ik ben niet bang, maar ik geloof, dat ik zelfs in den hemel heimwee naar jullie zal hebben."

Jo kon niet spreken; en gedurende verscheiden minuten werd er geen ander geluid gehoord dan het zuchten van den wind en het kabbelen van de golfjes. Een witgevleugelde zeemeeuw vloog voorbij--de zonnestralen beschenen haar zilverige borst; Betsy keek haar na, tot zij uit het gezicht was, en haar oogen namen een droevige uitdrukking aan. Toen kwam een klein grijs vogeltje langzaam aantrippelen, zachtkens tjilpende, alsof het genoot van den zonneschijn en de zee; het wipte tot vlak bij Betsy, keek haar met zijn vriendelijke oogjes aan, zette zich op een warmen steen neer, streek zijn veertjes glad, en kende blijkbaar geen schuwheid. Betsy glimlachte, en voelde zich getroost, want het kleine diertje scheen haar zijn nietige vriendschap aan te bieden, en bracht haar in herinnering, dat er nog veel goeds op de wereld te genieten viel.

"Aardig diertje! kijk eens Jo, hoe mak het is. Ik houd nog meer van die kleine beestjes dan van meeuwen; zij zijn wel niet zoo wild en mooi, maar het lijken zulke vriendelijke, vertrouwelijke diertjes. Verleden zomer noemde ik ze altijd 'mijn vogels'; en Moeder zei, dat zij haar aan mij deden denken--bezige, kwakerachtige schepseltjes, altijd dicht aan de kust, en altijd hun tevreden liedje kweelend. Jij bent een meeuw, Jo, sterk en wild; storm en wind is je element, ver uitvliegen over de zee, en gelukkig in de eenzaamheid. Meta is een tortelduif, en Amy een leeuwerik, die altijd tracht tot in de wolken door te dringen, maar telkens weer in haar nest terug komt. Lieve, beste Amy! Zij is wel eerzuchtig, maar haar hart is goed en zacht, en hoe hoog zij ook vliegen mag, zij zal haar thuis nooit vergeten. Ik hoop, dat ik haar nog terug zal zien, maar zij lijkt me _zoo_ ver weg."

"Zij komt in 't voorjaar thuis, en ik heb mij voorgenomen, dat jij in staat zult zijn haar te zien en van haar te genieten. Ik zal zorgen dat je tegen dien tijd gezond en frisch bent," begon Jo, met een gevoel, alsof van al de veranderingen in Betsy, haar spraakzaamheid de grootste was, want het praten scheen haar nu geen moeite te kosten, en zij dacht hardop, op een manier die heel buitengewoon was voor de verlegen Bets.

"Lieve Jo, hoop niet langer; dat dient tot niets, daar ben ik zeker van. Laten we ons niet van streek maken, maar van elkanders bijzijn genieten en kalm afwachten. Dan kunnen we nog gelukkige dagen hebben, want ik lijd niet veel, en ik geloof, dat het getij zachtjes verloopen zal, als jij mij helpen wilt."

Jo bukte zich om een kus te drukken op het vreedzame gezichtje; en met dien stillen kus wijdde zij zich met ziel en lichaam aan Betsy toe.

Zij had gelijk--toen zij thuis kwamen, waren er geen woorden noodig, want Vader en Moeder zagen nu duidelijk, wat zij zoo gehoopt en gebeden hadden, dat hun bespaard mocht worden. Betsy ging, vermoeid door haar korte reis, dadelijk naar bed en zei telkens, dat zij toch zoo blij was weer thuis te zijn; en toen Jo beneden kwam, zag zij, dat de zware taak om Betsy's geheim te vertellen haar bespaard bleef. Haar vader stond met het hoofd tegen den schoorsteen geleund en keerde zich niet om toen zij binnenkwam; maar haar moeder strekte de armen uit naar haar, als om hulp smeekend, en Jo ging haar troosten, zonder een enkel woord te spreken.

HOOFDSTUK XIV.

NIEUWE INDRUKKEN.

Des namiddags vertoont zich heel de groote wereld te Nice op de Promenade des Anglais--een prachtige, ruime wandelplaats, omzoomd met palmen, bloemen en tropische gewassen, aan de eene zijde door de zee omgeven en aan den anderen kant door den grooten rijweg met hotels en villa's, terwijl men op den achtergrond boomgaarden en heuvelen ziet. Vele natiën zijn daar vertegenwoordigd, vele talen worden er gesproken, de grootste verscheidenheid van toiletten kan men er zien, en op een zonnigen dag is het tooneel, dat zich daar aan het oog vertoont, vroolijk en schitterend als een carnaval. Hooghartige Engelschen, levendige Franschen, eenvoudige Duitschers, knappe Spanjaarden, leelijke Russen, onderdanige Joden, vrije en losse Amerikanen,--allen rijden, zitten of wandelen hier en critiseeren de laatst aangekomen celebriteiten: tooneelspelers of schrijvers, Indische en Europeesche vorsten. De equipages zijn even afwisselend als het gezelschap, en trekken evenzeer de aandacht, vooral die, welke door dames bestuurd worden, met een paar vurige paarden bespannen, en met een onberispelijken kleinen groom achterop!

Eersten Kerstdag wandelde een lang jongmensch deze promenade af, de handen op den rug en met een gezicht, alsof zijn gedachten ver weggedwaald waren. Hij had het donkere type van een Italiaan, was gekleed als een Engelschman, doch had die zekere onafhankelijkheid over zich, waardoor de Amerikaan zich kenmerkt--een combinatie, die de oorzaak was, dat menig vrouwenoog hem bewonderend nakeek, en menige dandy met fijne das, modieuse handschoenen en een kostbare bloem in zijn knoopsgat, noopte de schouders op te trekken, om hem daarna van harte zijn flinke gestalte te benijden. Er waren genoeg lieve gezichtjes te bewonderen, maar de jonge man lette er niet op, tenzij om nu en dan naar een slank blond meisje in 't blauw rond te kijken. Na een poos verliet hij de file en stond een oogenblik bij een kruispunt stil, alsof hij niet besluiten kon wat te doen--luisteren naar de muziek in den Jardin Publique of langs het strand wandelen naar Castle Hill. Het snelle geklikklak van ponyhoeven deed hem omzien naar een klein rijtuigje dat in volle vaart de straat af kwam. Er zat een dame in; zij was jong, blond en in 't blauw. Hij tuurde een oogenblik met alle aandacht; toen leefde zijn gezicht heelemaal op, en als een jongen zijn hoed zwaaiend, stoof hij op haar af om haar te begroeten.

"O, Laurie, ben je 't heusch? Ik dacht, dat je _nooit_ komen zou!" riep Amy, en terwijl ze de teugels losliet, strekte ze beide handen uit, tot groote verontwaardiging van een Fransche mama, die haar stap verhaastte, ter wille van haar dochter, uit vrees, dat deze de ergerlijk vrije manieren zou zien van die "onmogelijke Engelschen."

"Ik werd opgehouden, maar ik beloofde de Kerstdagen bij je door te brengen, en--hier ben ik."

"Hoe gaat het met je grootvader? Wanneer ben je gekomen? Waar logeer je?"

"Heel goed--gisterenavond--bij Chauvain. Ik trachtte je in je hotel op te zoeken, maar jullie waren allemaal uit."

"Mon Dieu! Ik heb zooveel te zeggen, dat ik niet weet, waarmee te beginnen. Rijd mee, dan kunnen wij op ons gemak praten; ik had zoo'n lust om wat te gaan rijden, en verlangde juist naar gezelschap. Flo spaart zich voor vanavond."

"Wat is er dan--een bal?"

"Een kerstpartij in ons hôtel. Daar zijn verscheiden Amerikanen gelogeerd, en zij geven het feest ter eere van den dag. Je gaat zeker wel met ons mee, is 't niet? Tante zou het heel prettig vinden."

"'t Is goed; waar gaan we nu heen?" vroeg Laurie, en leunde achterover met de armen over elkander, een houding, die zeer in Amy's smaak viel, daar zij liefst zelve mende, want haar parasol-zweep en blauwe leidsels kwamen tot haar groote voldoening zoo bizonder mooi uit tegen de witte ponies.

"Ik ga eerst even naar het postkantoor om te kijken of er ook brieven zijn, en dan naar Castle Hill; het uitzicht is er zoo mooi, en ik voer de pauwen zoo graag. Ben je er wel eens geweest?"

"Dikwijls, maar dat is al jaren geleden; ik heb er dus niets tegen om er nog eens heen te gaan."

"Vertel mij nu eens alles van jezelf. Het laatste wat ik van je gehoord heb, is uit een brief van je grootvader, waarin hij schreef, dat hij je uit Berlijn terug verwachtte."

"Ja, daar ben ik een maand geweest, en toen een poosje bij hem in Parijs, waar hij dezen winter denkt te blijven. Hij heeft daar nog al heel veel vrienden, en overvloed van dingen, waarmee hij zich kan bezighouden. Intusschen reis ik heen en weer, en dat gaat zoo uitstekend."

"Prachtig bedacht," zei Amy, die Laurie anders vond dan gewoonlijk, hoewel zij niet kon zeggen, wat er precies aan scheelde.

"Och, zie je, hij houdt niet van reizen, en ik heb een hekel aan stil zitten; we doen dus allebei waar we zin in hebben, en leven zoo in vrede. Ik ben dikwijls bij hem, en hij geniet van mijn avonturen, terwijl ik het een prettig gevoel vind, dat er iemand is, die blij is mij te zien, als ik van mijn zwerftochten terugkeer. Een smerig, oud hol, vind je niet?" voegde hij er met een gebaar van afschuw bij, toen zij langs de boulevard naar de Place Napoleon in de oude stad reden.

"Dat smerige is schilderachtig, en daarom hindert het mij niet. De rivier en de heuvels zijn heerlijk, en die kijkjes in de nauwe dwarsstraatjes vind ik alleraardigst. Nu zullen we even moeten ophouden om die processie te laten passeeren; ze gaat naar de kerk van St. Jean."

Terwijl Laurie met een overschillig gezicht naar den optocht keek van priesters onder hun troonhemels, nonnen met witte sluiers en brandende kaarsen in de hand, en van de een of andere monniksorde in blauwe gewaden, die al voortwandelend plechtig zongen, nam Amy hem eens goed op en gevoelde ze, dat een ongekende verlegenheid zich van haar meester maakte, want haar jeugdvriend was veranderd, en zij kon den vroolijken jongen dien zij verlaten had, niet terugvinden in den somber starenden man naast haar. Hij was veel knapper dan vroeger en er bizonder op vooruitgegaan, vond ze; maar nu de blos van genoegen door de ontmoeting gewekt, weer verdwenen was, zag hij er vermoeid en droefgeestig uit--niet ziek, niet bepaald ongelukkig, maar ouder en ernstiger dan een paar voorspoedige jaren hem moesten gemaakt hebben. Zij begreep het niet en durfde geen vragen doen; hoofdschuddend trok ze dus de teugels aan, daar de processie de Paglionibrug overtrok en in de kerk verdween.

"_Que pensez-vous?_" vroeg zij, haar Fransch eens luchtende, dat sinds haar verblijf in het buitenland veel gewonnen had in quantiteit, al was 't misschien niet in qualiteit.

"Dat mademoiselle een goed gebruik heeft gemaakt van haar tijd, en de uitslag betooverend is," antwoordde Laurie, terwijl hij met de hand op het hart en een bewonderenden blik, een buiging voor haar maakte.