Op Eigen Wieken

Chapter 14

Chapter 144,190 wordsPublic domain

"Het is niet voor mij; ik moet er niet meer op hopen," zei hij tot zichzelf met een zucht, die bijna een kreun mocht heeten; toen, alsof hij zich berispte over het verlangen, dat hij niet kon bedwingen, ging hij zacht de slaapkamer binnen, kuste de twee krulkopjes, haalde zijn zelden gebruikten meerschuimer voor den dag, en opende zijn Plato.

Hij deed manmoedig zijn best; maar ik geloof niet, dat hij in een paar wilde jongens, een pijp, of zelfs in den goddelijken Plato, een voldoende vergoeding vond voor een vrouw, een kind en een eigen tehuis.

Hoe vroeg het ook was, ging hij den volgenden morgen naar het station om Jo te zien vertrekken; en aan hem had zij het te danken, dat zij haar reis begon, met de herinnering aan een vriendelijk gelaat, dat haar een vaarwel toeknikte, met een bosje viooltjes om haar gezelschap te houden, en bovenal met de blijde gedachte in het hart: "Zie zoo, de winter is voorbij; ik heb geen boeken geschreven, geen fortuin gemaakt, maar ik heb een goed vriend gevonden, en ik zal mijn best doen hem levenslang te behouden."

HOOFDSTUK XII.

HARTELEED.

Wat Laurie's beweegreden ook mocht geweest zijn, het "pompen" van het laatste jaar bleek niet tevergeefs, want hij promoveerde met lof, en sprak zijn Latijnsche oratie uit "met de bevalligheid van een Philippo en de welsprekendheid van een Demosthenes," zooals zijn vrienden zeiden. Zij waren allen tegenwoordig--zijn grootvader, zoo trotsch en gelukkig! mijnheer en mevrouw March, John en Meta, Jo en Betsy, en allen verheugden zich over hem, met die oprechte bewondering, waarover jongelui op het oogenblik zelf zoo luchtig denken, maar die hun bij latere triomfen in de wereld niet licht te beurt valt.

"Ik moet voor dat vervelende souper hier blijven, maar ik kom morgenavond vroeg thuis. Loopen jullie mij als naar gewoonte tegemoet, meisjes?" vroeg Laurie, toen hij 's avonds van dien blijden dag de zusters in het rijtuig hielp.

Hij zei "meisjes" maar hij meende Jo,--want zij was de eenige die nog aan de oude gewoonte getrouw bleef; zij had het hart niet om haar knappen, gelauwerden jongen iets te weigeren, en antwoordde hartelijk:

"Ik zal komen, Teddy, weer of geen weer, en voor je uit wandelen om 'Ziet, hij komt, met eer gekroond' te spelen op een Davids-harp."

Laurie dankte haar met een blik, die haar met een plotselingen schrik deed denken: "O, hemel! Ik vrees, dat hij iets zal zeggen, en wat moet ik dan beginnen?"

Een avond-overdenking en een drukke morgen deden haar angst wat bedaren, en na zich onder het oog te hebben gebracht, dat zij niet zoo ijdel moest zijn te verwachten, dat menschen haar liefdesverklaringen zouden gaan doen, als zij hun alle reden gegeven had om te begrijpen, wat haar antwoord zou wezen, ging zij op den bepaalden tijd van huis, in de hoop, dat Teddy haar niet zou noodzaken zijn ongelukkige gevoelens te kwetsen. Een bezoek bij Meta en een verkwikkende omhelzing van Daisy en Demi-John, gaven haar nieuwe kracht voor het tête-à-tête, maar toen zij een rijzige gedaante in de verte zag aankomen, gevoelde zij toch een sterke begeerte om terug te keeren en weg te loopen.

"Waar is de Davids-harp, Jo?" riep Laurie haar toe, zoodra hij dicht genoeg genaderd was om zich te doen verstaan.

"Vergeten!" en Jo schepte nieuwen moed, want die begroeting kon moeilijk verliefd genoemd worden.

Bij zulke bizondere gelegenheden als deze, nam ze vroeger altijd heel zusterlijk zijn arm, maar dezen keer deed zij het niet, en hij maakte er geen aanmerking over--wat een "veeg" teeken was--maar praatte gejaagd voort over allerlei gezochte onderwerpen, tot zij aan het smalle paadje kwamen, dat door het boschje naar huis leidde. Toen begon hij langzamer te loopen, verloor zijn welbespraaktheid, en trad er nu en dan een drukkende pauze in. Om de conversatie van een nieuwe bezwijming te redden, begon Jo haastig:

"Nu mag je wel eens een flinke, lange vacantie nemen."

"Dat ben ik ook van plan."

Een zeker iets in zijn beslisten toon deed Jo haastig opzien, en bemerken dat zijn blik op haar rustte met een uitdrukking, die haar duidelijk aantoonde, dat het gevreesde oogenblik genaderd was. Zij hief de handen smeekend op en zei:

"Neen, Teddy, _alsjeblieft_ niet!"

"Ik wil het zeggen, en je _moet_ mij aanhooren. Het geeft niets, Jo; wij moeten er over spreken, en hoe eerder wij het doen, hoe beter het voor ons beiden is," antwoordde hij, plotseling aangedaan en opgewonden wordende.

"Zeg dan maar wat je wilt; ik zal luisteren," zei Jo met wanhopige onderwerping.

Laurie was nog een jeugdig minnaar, maar hij meende het ernstig, en hij was vast besloten het nu "uit te maken," al moest hij het ook met den dood bekoopen; daarom stortte hij zich met de hem eigene onstuimigheid in zijn onderwerp, en vervolgde met een bevende stem, die hij te vergeefs met alle macht in bedwang trachtte te houden:

"Ik heb je altijd liefgehad, zoolang ik je gekend heb, Jo--ik kon er niets tegen doen, je bent zoo goed voor mij geweest; ik heb getracht het je te toonen, maar je wou het niet toelaten. Maar nu moet je naar mij luisteren, en mij antwoord geven, want ik _kan_ niet langer zoo voortleven!"

"Ik had je dit zoo graag willen besparen; ik dacht, dat je wel zou begrijpen--" begon Jo, die het antwoorden nog moeilijker vond, dan zij gevreesd had.

"Dat weet ik wel; maar meisjes zijn zoo wonderlijk, dat je nooit recht kunt weten, wat zij willen. Zij zeggen 'neen,' als zij 'ja' meenen, en zijn in staat iemand alleen voor de grap buiten zichzelf te brengen," antwoordde Laurie, zich achter een onloochenbaar feit verschuilende.

"_Ik_ niet. Ik heb niets gedaan om je zoo van mij te doen houden, en ik ben weggegaan om dit, zoo mogelijk, te voorkomen."

"Dat dacht ik wel; het was net iets voor jou, maar 't heeft niets geholpen. Ik kreeg er je des te liever om, en deed al mijn best om 't je naar den zin te maken; ik gaf er het biljarten aan en alles waar jij maar iets tegen hadt, en wachtte, en klaagde nooit, omdat ik hoopte, dat je mij nog wel zou lief krijgen, hoewel ik niet half goed genoeg ben"--hier volgde een snik, die niet bedwongen had kunnen worden; daarom sloeg hij boterbloempjes stuk met zijn wandelstok, tot dat "drommelsche brok" in zijn keel wat gezakt zou wezen.

"Ja, dat ben je wel, je bent veel te goed voor mij, en ik ben je zoo dankbaar, en zoo trotsch op je, en ik houd zooveel van je! 'k Begrijp eigenlijk niet, waarom ik je niet zoo lief kan hebben, als je verlangt. Ik heb mijn best gedaan, maar ik kan mijn gevoel niet veranderen, en het zou een leugen zijn, als ik zei, dat ik het deed, terwijl het niet zoo is."

"_Wezenlijk_, Jo?"

Hij stond stil en nam bij deze vraag haar beide handen in de zijne, met een blik, dien zij niet spoedig zou vergeten.

"_Wezenlijk_, Teddylief."

Zij waren nu in het boschje--dicht bij het hek: en toen de laatste woorden met moeite over Jo's lippen waren gekomen, liet Laurie haar handen los, en keerde zich om, alsof hij verder wilde gaan, maar voor de eerste maal in zijn leven was een teleurstelling hem te machtig; hij verborg zijn gezicht tegen den met mos begroeiden paal en stond zoo stil, dat het Jo angstig om 't hart werd.

"O Teddy, het spijt mij zoo, het spijt mij zoo vrééselijk; ik zou mij zelf wel willen doodsteken, als dat iets helpen kon. Ik wou, dat je het niet zoo hoog opnam, ik kan het niet helpen; je weet, dat liefde zich niet dwingen laat!" riep Jo, bedroefd en berouwvol, terwijl zij hem zachtjes de hand op den schouder legde en aan dien lang verleden morgen dacht, toen hij haar zoo vertroost had.

"Soms lukt het, als je 't probeert," klonk een gesmoorde stem van den paal.

"Ik geloof niet, dat het dan de rechte soort van liefde is, en ik zou het liever niet probeeren," was het vastbesloten antwoord.

Toen volgde een lange pauze, waarin de distelvink vroolijk zong en het lange gras in den wind ritselde. Daarna begon Jo zeer ernstig, terwijl zij ging zitten op een steen bij het hek.

"Laurie, ik moet je iets zeggen."

Hij schrikte, alsof hij door een schot getroffen werd, wierp het hoofd achterover en riep op woesten toon:

"Vertel me _dat_ niet, Jo; ik zou het niet kunnen verdragen!"

"Wat niet?" vroeg zij verbaasd over zijn heftigheid.

"Dat je dien ouden man liefhebt."

"Welken ouden man?" vroeg Jo, die dacht, dat hij zijn grootvader op het oog had.

"Dien beroerden professor, waar je altijd over schreef. Als je zegt, dat je hem liefhebt, doe ik iets wanhopigs," en hij zag er uit, alsof hij zijn woord zou houden, toen hij met van woede glinsterende oogen zijn vuist balde.

Jo was op het punt te lachen, maar bedwong zich en zei met warmte, want zij werd door al die emoties ook opgewonden:

"Vloek niet, Teddy! hij is niet oud, of wat ook; alleen maar goed en vriendelijk, en de beste vriend, dien ik heb--na jou. Word nu als'tjeblieft niet driftig; ik wil niets onaardigs zeggen, maar ik wéét, dat ik boos zal worden, als je iets ten nadeele van mijn professor zegt. Ik heb niets geen plan om op hem of op iemand anders verliefd te raken."

"Maar dat zul je na een poosje toch, en wat moet er dan van mij worden!"

"Jij zult als een verstandige jongen, ook wel van iemand anders gaan houden, en al deze akeligheid vergeten."

"Ik _kan_ niemand anders liefhebben, en ik zal jou nooit vergeten, Jo, nooit!" riep hij, op den grond stampend om zijn hartstochtelijke woorden kracht bij te zetten.

"Wat _moet_ ik met hem beginnen?" zuchtte Jo, ziende dat gevoelszaken moeilijker te behandelen waren, dan zij gedacht had. "Je hebt nog niet gehoord, wat ik je wou vertellen. Toe, ga nu eens zitten en luister naar me, want ik wil werkelijk doen, wat het beste is en je gelukkig maken," zei zij, in de hoop hem door een verstandig woordje tot kalmte te brengen,--wat duidelijk bewees, dat zij niet het minste begrip had van liefde.

Laurie, die een straal van hoop in de laatste toespraak meende te ontdekken, wierp zich op het gras aan haar voeten, leunde met zijn hoofd op zijn arm en keek vol verwachting naar haar op. Die schikking was echter, wat Jo betreft, niet bevorderlijk voor een kalm gesprek of de helderheid van haar geest; want hoe _kon_ zij harde dingen zeggen tegen haar jongen, als hij haar zoo met oogen vol liefde lag aan te kijken, terwijl zijn wimpers nog vochtig waren van de bittere tranen, die de hardheid haars harten hem ontperst had? Zij keerde zacht zijn hoofd af en zei, terwijl zij het krulhaar streelde, dat om harentwil had mogen groeien--wat de aandoenlijkheid van alles nog verhoogde!--"Ik ben het met Moeder eens, dat jij en ik niet bij elkander passen, omdat ons opvliegend temperament en onze vaste wil ons waarschijnlijk diep ongelukkig zouden maken, als wij zoo dwaas waren van te--" Jo zweeg een oogenblik, eer zij het laatste woord uitsprak, maar Laurie noemde het met de grootste verrukking: "trouwen,--neen dat zouden wij niet! Als jij me lief hadt, Jo, zou ik een volmaakte heilige worden,--want jij kunt van me maken, wat je wilt!"

"Neen, dat kan ik niet. Ik heb het geprobeerd, en het is mislukt, en ik wil ons geluk niet wagen aan zoo'n ernstige proefneming. Wij passen niet bij elkaar, en zullen dat wel nooit doen; laat ons levenslang vrienden blijven, maar geen dwaasheid begaan."

"Jawel, als wij er maar kans toezien," prevelde Laurie, tegenspartelend.

"Kom, wees nu niet onredelijk, en beschouw de zaak verstandig," smeekte Jo, bijna ten einde raad.

"Ik wil onredelijk zijn; ik verlang de zaak niet verstandig te beschouwen; het kan mij niet helpen en het maakt jou maar kouder. Ik geloof niet, dat je een hart hebt."

"Ik wou dat het waar was."

Jo's stem beefde, en Laurie, die dit een goed teeken vond, keerde zich om en wendde al zijn overredingskracht aan, terwijl hij op zijn vleienden toon (nog nooit had die zoo gevaarlijk vleiend geklonken) zei:

"Kom, lieveling, stel ons niet te leur: ze verwachten het allemaal. Grootvader heeft er zijn hart op gezet;--je familie vindt het goed, en ik kan niet zonder je leven. Zeg nu maar, dat je wilt, en laat ons gelukkig zijn! Toe, doe het maar!"

Eerst vele maanden later begreep Jo, hoe zij genoeg geestkracht had gehad om trouw te blijven aan haar besluit, toen zij verklaarde, dat zij haar jongen niet beminde en het ook nooit zou kunnen. Het was een zware taak, maar zij volbracht die, wel wetende, dat uitstel zoowel noodeloos als wreed zou wezen.

"Ik kan niet van harte ja zeggen, daarom zeg ik het ook stellig niet. Je zult na een poosje wel inzien, dat ik gelijk heb, en er mij dankbaar voor zijn," begon zij plechtig.

"Dat zal lang duren!" en Laurie vloog overeind, gloeiend van verontwaardiging bij de enkele gedachte.

"Ja, dat zul je toch wel!" begon Jo weer; "je zult er je na een poosje mee verzoenen, en een lief knap meisje vinden, dat je zult aanbidden, en die een mooie châtelaine voor je mooi huis zal zijn. Dat zou ik toch niet wezen; ik ben alledaagsch en onhandig, en raar en oud, en je zou je maar over mij schamen, en wij zouden kibbelen. Zelfs nu kunnen wij het al niet laten, zooals je ziet, en ik zou niet van deftig gezelschap houden, en jij wel, en jij zou een hekel hebben aan mijn gekrabbel, en ik zou er niet buiten kunnen, en wij zouden dood ongelukkig zijn en wenschen dat wij het maar niet gedaan hadden, en het zou een verschrikkelijk leven worden!"

"Nog meer?" vroeg Laurie, die het moeilijk vond geduldig te luisteren naar deze profetische uitbarsting.

"Niet meer, behalve dat ik niet geloof, dat ik ooit zal trouwen; ik ben gelukkig zooals ik ben, en heb mijn vrijheid te lief, dan dat ik me zou haasten die op te geven voor eenig sterfelijk man!

"Dat weet ik wel beter!" viel Laurie uit. "Nu denk je zoo, maar er zal een tijd komen, wanneer ie wél van iemand zult houden, en dan zul je hem geweldig liefhebben en voor hem leven en sterven. Ik weet zeker, dat het zoo zijn zal, 't is net iets voor je, en dan zal ik mogen toekijken!" En de ongelukkige minnaar wierp zijn hoed op den grond met een gebaar, dat comisch zou geweest zijn, als zijn gezicht niet zoo droevig had gestaan.

"Ja, ik _zal_ voor hem leven en sterven, als hij ooit komt en mij dwingt hem lief te hebben, tegen wil en dank, en jij moet zien er je doorheen te slaan!" riep Jo, die haar geduld verloor met den armen Teddy. "Ik heb gedaan wat ik kon, maar jij _wilt_ niet naar rede luisteren, en het is zelfzuchtig van je, te blijven vragen om iets, dat ik niet geven kan. Ik zal altijd veel van je houden, heel veel, als een vriendin, maar ik kan nooit met je trouwen; en hoe eer je dat gelooft, hoe beter voor ons beiden--dus--"

Die toespraak werkte als vuur bij buskruit. Laurie keek haar een oogenblik aan, alsof hij niet recht wist, wat met zichzelven te doen, keerde zich toen eensklaps om en zei op wanhopigen toon: "Dit zal je eenmaal spijten, Jo!"

"O, waar ga je heen?" riep zij, want de uitdrukking in zijn oogen maakte haar angstig.

"Naar den duivel!" was het troostvol antwoord.

Jo's hart stond een oogenblik stil, toen hij met een sprong den oever der rivier bereikte, maar er is veel dwaasheid, zonde of ellende noodig om een jongeman tot zelfmoord te brengen, en Laurie behoorde niet tot de zwakke soort, die zich gewonnen geeft na een enkele bittere teleurstelling. Hij dacht niet aan een tragische onderdompeling, maar een blind instinkt dreef hem om hoed en jas in zijn boot te werpen en uit alle macht weg te roeien, waarbij hij mooier tijd maakte dan bij menigen wedstrijd. Jo haalde diep adem, en liet haar armen langs haar lijf vallen, terwijl zij "haar jongen" nastaarde, die zijn verdriet trachtte te beheerschen.

"Dat zal hem goed doen! Maar hij zal in zoo'n teeder berouwvolle stemming thuis komen, dat ik hem niet onder de oogen zal durven komen," voegde zij er bij, terwijl zij langzaam naar huis ging, met een gevoel, alsof zij een onschuldig wezentje vermoord en onder de bladeren begraven had.

"Nu moet ik het maar aan mijnheer Laurence gaan zeggen, dan kan hij wat vriendelijk tegen mijn armen jongen zijn. Ik wou dat hij van Bets hield; misschien zal hij dat mettertijd wel gaan doen, maar ik geloof, dat ik mij op dat punt in haar vergist heb. Hoe is het toch mogelijk, dat meisjes het prettig vinden aanbidders te hebben, en ze dan af te wijzen? Ik vind het iets verschrikkelijkst."

Overtuigd dat niemand er beter voor geschikt was dan zijzelve, ging zij regelrecht naar mijnheer Laurence, vertelde manmoedig de heele geschiedenis, en begon toen zoo wanhopig over haar eigen ongevoeligheid te schreien, dat de vriendelijke oude heer er niets tegen in wist te brengen, hoewel hij bitter teleurgesteld was. Hij kon maar niet begrijpen hoe een meisje laten kon Laurie lief te hebben, en hoopte, dat zij nog van gedachten veranderen zou, maar hij wist, zelfs nog beter dan Jo, dat liefde niet gedwongen kan worden; daarom schudde hij stilbedroefd het hoofd en besloot zijn kleinzoon buiten gevaar te brengen, want de afscheidswoorden van den jongen driftkop tegen Jo beangstigden hem meer, dan hij wilde bekennen.

Toen Laurie doodmoe, maar heel bedaard thuis kwam, ontving zijn grootvader hem, alsof hij van niets wist, en hield gedurende een paar uren den schijn met goed gevolg op. Maar toen zij samen in de schemering zaten, dat uurtje, waarvan zij anders zoo genoten, viel het den ouden man zwaar als naar gewoonte door te praten, en den jongen man nóg zwaarder, te luisteren naar de loftuitingen over den goeden uitslag van het laatste studiejaar, dat hem nu een mislukt liefdewerk toescheen. Hij verdroeg het, zoolang hij kon, ging toen naar de piano en begon te spelen. De ramen stonden open, en Jo, die met Betsy in den tuin wandelde, begreep dezen keer de muziek beter dan haar zuster, want hij speelde de Sonate Pathétique, en speelde haar, zooals hij nog nooit gedaan had.

"Dat is heel mooi, maar droevig genoeg om iemand aan het schreien te maken; speel eens iets vroolijkers, jongenlief," verzocht mijnheer Laurence, wiens vriendelijk oud hart vol was van een medegevoel, dat hij zoo gaarne wilde toonen, maar niet wist hoe.

Laurie begon iets opgewekters, speelde een poosje woest door, en zou het er goed afgebracht hebben, indien hij niet in een kleine pauze mevrouw March had hooren roepen: "Jo, kom even binnen, ik heb je noodig."

Juist wat Laurie zoo sterk voelde, in een anderen zin. Toen hij de woorden hoorde, raakte hij in de war, het spel eindigde met een gebroken akkoord, en de jonge musicus bleef roerloos in de duisternis zitten.

"Dát is me te machtig!" mompelde de oude heer; hij stond op, zocht zijn weg naar de piano, legde zijn handen op Laurie's schouders, en zei, zoo zacht als een vrouw: "Ik weet alles mijn jongen, ik weet alles." Geen antwoord gedurende een oogenblik; toen vroeg Laurie scherp: "Wie heeft het u verteld?"

"Jo zelf."

"Dan is alles uit!" en hij schudde de hand van zijn grootvader met een ongeduldige beweging af; want hoewel hij dankbaar was voor de sympathie, kon toch zijn mannelijke trots het medelijden van een man niet verdragen.

"Niet geheel, ik wou je nog iets zeggen, en dan zal alles uit zijn," antwoordde de oude heer met ongewone zachtheid. "Je hebt nu zeker geen lust om hier te blijven?"

"Ik ben niet van plan voor een meisje weg te loopen. Jo kan mij niet verhinderen haar te zien, en ik zal blijven en dat doen, zoolang ik verkies," antwoordde Laurie op hoogen toon.

"Dat zul je niet, als je een gentlemen bent, waar ik je voor houd. Ik ben ook diep teleurgesteld, maar het meisje kan het niet helpen; en het eenige, wat jou te doen staat, is, voor een poos weg te gaan. Waar wil je heen?"

"Dat is mij 't zelfde, ik geef er niets om, wat er van mij wordt," en Laurie stond op met een onverschilligen lach, die zijn grootvader akelig in de ooren klonk.

"Draag het als een man, en doe in 's hemels naam geen overijlde dingen! Ga buitenslands, en tracht het te vergeten."

"Dat kán ik niet!"

"En je verlangde er zoo naar, en ik had je beloofd, dat je gaan zou, als je promotie achter den rug was."

"O ja! maar ik was niet van plan _alleen_ te gaan!" Laurie liep met groote stappen de kamer op en neer, met een uitdrukking op zijn gezicht, die zijn grootvader gelukkig niet zag.

"Ik verg niet van je, dat je alleen gaat; er is wel iemand die met alle plezier, waarheen dan ook, wil meegaan."

"Wie, Grootvader?" vroeg hij stilstaande.

"Ik zelf."

Laurie keerde zich af, maar draaide even gauw weer om, en zei met een heesche stem, terwijl hij zijn hand uitstak: "Ik ben een ellendige egoïst, maar--u weet--Grootvader,--"

"Ja, mijn jongen, ja, ik weet er alles van, want ik heb dat alles vroeger zelf doorgemaakt in mijne jonge jaren, en later met je vader. Kom, kerel, ga eens rustig hier zitten, en luister naar mijn plan. Het is alles in orde en kan dadelijk uitgevoerd worden," zei de oude heer, zijn kleinzoon vasthoudende, alsof hij bang was, dat deze zich van hem zou losrukken, zooals zijn vader vóor hem gedaan had.

"Nu, Grootvader, wat wilt u dan?" en Laurie liet zich neervallen, zonder eenig blijk van belangstelling in gelaat of stem.

"Er zijn in Londen zaken te vereffenen; ik had gedacht, dat jij dat wel kon doen, maar het is nog beter, dat ik er zelf heen ga, en de boel hier zal heel goed marcheeren nu Brooke er voor kan zorgen. Mijn compagnons doen bijna alles, ik blijf er alleen nog maar in, tot jij in mijn plaats kunt komen, en ik kan er dus ieder oogenblik uittrekken."

"Maar u hebt het land aan reizen, Grootvader; ik kan dat op uw leeftijd niet van u vergen," begon Laurie, die dankbaar was voor het offer, maar veel liever alleen ging, als hij dan toch moest gaan.

De oude heer wist dat zeer goed, doch was vast besloten het te voorkomen, want de stemming waarin zijn kleinzoon verkeerde, bewees hem, dat het niet verstandig zou zijn den jongen aan zijn lot over te laten. Hij onderdrukte dus een opkomenden zucht bij de gedachte aan de huiselijke gemakken, die hij achter moest laten, en zei manmoedig:

"Loop heen, ik ben nog geen oude sukkel! Ik vind het een alleraardigst plan; het zal mij goed doen, en mijn oude ribbekast zal er niets door lijden, want het reizen is tegenwoordig bijna even gemakkelijk, alsof je thuis in je stoel zit."

Een ongeduldige beweging van Laurie gaf te kennen, dat _zijn_ stoel niet gemakkelijk was, en dat hij het voorstel niets aanlokkelijk vond, waarom de oude man er haastig bijvoegde:

"Ik ben niet van plan een spelbreker of een lastpost te zijn; ik ga, omdat ik meen, dat je je gelukkiger zult voelen, dan wanneer je mij alleen achter laat. Ik zal ook niet overal met je rond zwerven, maar laat je vrij om te gaan, waarheen je wilt, terwijl ik me op mijn eigen manier amuseer. Ik heb vrienden in Londen en Parijs, en zou ze graag eens rustig bezoeken; in dien tusschentijd kun jij naar Indië, Duitschland of Zwitserland trekken, waarheen je maar wilt, en naar hartelust genieten van schilderijen, muziek, mooie vergezichten en avonturen."

Nu had Laurie op dit oogenblik, heel begrijpelijk, een gevoel, alsof zijn hart gebroken en de heele wereld een troosteloos-eenzame woestijn was; maar enkele woorden, die de oude man behendig in zijn laatsten zin wist in te lasschen, deden het gebroken hart onverwachts opspringen, en plotseling een paar oasen in die woestijn opdoemen. Hij zuchtte en antwoordde toen op lusteloozen toon:

"Zooals u wilt, Grootvader; het komt er niet op aan, waar ik heen ga, of wat ik doe."

"Voor mij wel, onthoud dat mijn jongen; ik geef je volkomen vrijheid, maar ik reken er op, dat je die vrijheid goed zult gebruiken. Beloof mij dat, Laurie."

"Alles wat u maar verlangt, Grootvader."

"Goed!" dacht de oude heer, "hij geeft er nu niet om, maar de tijd zal eenmaal komen, dat die belofte hem voor veel kwaad kan bewaren, tenzij ik mij deerlijk vergis."

Daar mijnheer Laurence een energieke natuur bezat, smeedde hij het ijzer, terwijl het heet was; en eer de geknakte geest zich in zooverre hersteld had, dat hij zich tegen iets kon verzetten, waren zij vertrokken.