Chapter 13
Mijnheer Bhaer had haar in een hunner gesprekken aangeraden, eenvoudige, ware en aantrekkelijke karakters te bestudeeren, als de beste oefening voor een schrijfster; Jo hield hem aan zijn woord door hemzelf tot het voorwerp van haar studie te maken--een handelwijze die hem ten hoogste verbaasd zou hebben, als hij het geweten had, want de waardige professor dacht zeer nederig over zijn eigen verdiensten.
De vraag, waarom ieder van hem hield, trok eerst Jo's aandacht. Noch rijk, noch aanzienlijk, noch jong, noch knap van uiterlijk--volstrekt niet wat men begaafd, indrukwekkend, of schitterend noemt, bezat hij het aantrekkelijke van een helder brandend vuur, en het scheen even natuurlijk, dat de menschen zich om hem verzamelden als om een warmte uitstralenden haard. Hij was arm, maar scheen toch altijd iets te kunnen weggeven; hij was een vreemdeling, maar ieders vriend; hij was niet jong meer, maar zoo vroolijk als een schooljongen; niet knap en wat vreemd van uiterlijk,--en toch scheen zijn gelaat velen schoon toe, en vergaf ieder hem gaarne zijn eigenaardigheden. Jo sloeg hem dikwijls gade, om uit te vinden wàt het toch was, dat allen zoo aantrok, en ten laatste kwam zij tot het besluit, dat zijn groote welwillendheid dit wonder teweegbracht. Indien hij eenig verdriet mocht hebben, dat hem drukte, dan hield hij dit zorvuldig verborgen, en keerde hij de wereld alleen zijn zonnigen kant toe. Er waren rimpels op zijn voorhoofd; maar de Tijd scheen hem vriendelijk te behandelen, gedachtig aan zijn vriendelijkheid jegens anderen. De welwillende lijnen rondom zijn mond waren de sporen van vele vriendschappelijke woorden en opwekkende glimlachjes, zijn oogen keken nooit koud of ongevoelig, en zijn groote hand gaf een stevigen, warmen druk, die welsprekender was dan woorden.
Zelfs zijn kleederen schenen iets van de gastvrije natuur van hun eigenaar te hebben overgenomen. Zij zagen er uit, alsof zij op hun gemak waren en hem gaarne op zijn gemak deden zijn; zijn wijd vest deed denken aan het ruime hart, dat er onder klopte; zijn oude jas had iets gezelligs, en de diepe zakken toonden duidelijk aan, dat kleine handjes er dikwijls ledig ingingen en vol weer uitkwamen; zelfs zijn laarzen waren rond goedhartig, en zijn boorden nooit stijf en schrijnend, zooals die van anderen dikwijls.
"Dat is het," zei Jo tot zichzelf, toen zij ten laatste ontdekte, dat hartelijke welwillendheid jegens zijn medemenschen, zelfs een gezetten Duitschen leeraar, die zijn middagmaal gretig verorberde, zelf zijn kousen stopte, en den afschuwelijken naam van Bhaer droeg, in elks oogen schoon en waardig kon doen schijnen.
Jo stelde goedheid wel op hoogen prijs, maar ze bezat ook een echt vrouwelijken eerbied voor kennis, en een kleine ontdekking die zij omtrent den professor deed, verhoogde sterk haar achting voor hem.
Hij sprak nooit over zich zelf, en niemand wist, dat hij in zijn geboortestad algemeen geacht en geëerd was om zijn geleerdheid en rechtschapenheid, totdat een zijner landslieden hem eens kwam opzoeken en in een gesprek met juffrouw Norton dit feit aan den dag bracht. Jo vernam het van haar, en was er des te meer mee ingenomen, omdat mijnheer Bhaer er nimmer van gesproken had. Zij was er trotsch op, dat hij, hoewel in Amerika slechts een arm taalonderwijzer, in Berlijn een geacht professor was, en zijn nederig werkzaam leven ontleende aan deze ontdekking een lichtglans van schoonheid en poëzie.
En nog een betere gave dan intellect openbaarde zich op de meest onverwachte wijze. Juffrouw Norton was lid van een letterkundigen kring, waar Jo zonder haar nooit toegang zou hebben gehad. Zij stelde belang in het werkzame jonge meisje, en overlaadde Jo, zoowel als den professor, met vele gunstbewijzen van dien aard. Op zekeren avond nam zij beiden mee naar een deftig diner, dat ter eere van verscheiden beroemde geleerden gegeven werd.
Jo ging er heen in een stemming van nederig ontzag en aanbidding voor de sterren, die zij met jeugdig vuur van verre vereerd had. Maar haar eerbied voor het genie onderging dien avond een gevoeligen schok, en eerst na langen tijd kon zij bekomen van de ontdekking, dat die verheven schepselen bij slot van rekening toch slechts gewone stervelingen waren. Toen zij het waagde een beschroomd bewonderenden blik te werpen op den dichter, wiens regelen deden denken aan een wezen, gevoed met hemelsch vuur, dauw en ambrozijn, zag zij hem, o bittere ontgoocheling! de verschillende gerechten verslinden met een gretigheid en haast, die zijn intellectuëele wangen deden gloeien. Gegriefd wendde ze zich van hem af als van een gevallen godheid, om weldra tot andere ontdekkingen te komen, die haar romantische illusies in rook deden opgaan. De groote romanschrijver bewoog zich tusschen twee wijnflesschen, met de regelmatigheid van een slinger; de beroemde godgeleerde maakte openlijk het hof aan een der madame de Staëls van die dagen, die met oogen als messen een tweede Corinne gadesloeg, welke haar op de lieftalligste manier bespotte, nadat zij haar de loef had afgestoken in het betooveren van den diepzinnigen philosoof, die nu wijsgeerig thee zat te drinken, en naar allen schijn begon te dommelen--daar de spraakzaamheid der dame hem het antwoorden onmogelijk maakte. De wetenschappelijke celebriteiten vergaten hun schelpdieren en ijsperioden, en spraken over kunst, terwijl zij zich van ganscher harte wijdden aan oesters en ijsdranken; de jonge musicus, die als een tweede Orpheus de gansche stad in verrukking bracht, praatte over paarden, en de eenige daar aanwezige vertegenwoordiger van den Britschen adel was bij ongeluk de meest alledaagsche persoonlijkheid van de geheele partij.
Eer de avond half om was, gevoelde Jo zich zoo gedésillusioneerd, dat zij in een hoekje ging zitten om wat te bekomen. Prof. Bhaer, die ook eenigszins uit zijn element scheen te zijn, voegde zich spoedig bij haar, en weldra kwamen verscheiden wijsgeeren, ieder op zijn bizonder stokpaardje, aandraven, om in dit afgezonderd hoekje een intellectueel steekspel te houden. Het gesprek ging Jo's begrip mijlen ver te boven; toch boeide het haar, hoewel Kant en Hegel vrijwel onbekende godheden, en het Subjective en Objective onverstaanbare termen voor haar waren, en het eenige, wat uit "haar innerlijk bewustzijn evolveerde", een vreeselijke hoofdpijn was, toen alles was afgeloopen. Langzamerhand werd het haar duidelijk, dat het heelal aan stukken was geplukt, en, volgens de sprekers, naar oneindig beter grondregelen weer in elkander gezet; dat het zoo goed als uitgemaakt was, dat godsdienst niets beteekende, en het verstand de eenige God moest zijn. Jo wist niets van philosophie of metaphysica, maar zij geraakte in een half aangename, half pijnlijke opwinding, en had een gevoel alsof zij in het oneindige rondzweefde, als een losgelaten luchtballonnetje.
Zij keek eens naar den professor, om te zien, hoe het hem beviel en bemerkte, dat hij haar zoo grimmig aanstaarde, als zij hem nog nooit had zien kijken. Hij schudde het hoofd, en wenkte haar om met hem mee te gaan, maar zij was zoo verbaasd over de vrijheid van de speculatieve philosophie, dat zij bleef zitten, om zoo mogelijk te weten te komen, waaraan die wijze heeren van plan waren zich vast te houden, nadat zij al de oude geloofs-overtuigingen hadden weggecijferd.
Nu was mijnheer Bhaer een bescheiden man, die niet spoedig met zijn eigen meeningen voor den dag kwam; niet omdat hij ze niet bezat, maar omdat zij hem te ernstig en te heilig waren, om er lichtvaardig over te spreken. Toen hij zag, hoe Jo en verscheiden andere jongelieden aangetrokken werden door dit schitterend intellectueel vuurwerk, fronste hij de wenkbrauwen, brandend van verlangen om te spreken, in zijn vrees dat de een of andere licht ontvlambare jeugdige ziel mocht betooverd worden door de vuurpijlen, om eerst, als het feest was afgeloopen, te ontdekken, dat zij niets overhielden dan een uitgebranden stok en een geschroeide hand.
Hij verdroeg het, zoolang hij kon, maar toen zijn meening gevraagd werd, werd hij warm in eerlijke verontwaardiging en verdedigde den godsdienst met al de welsprekendheid der overtuiging--een welsprekendheid, die zijn gebroken Engelsch welluidend, en zijn alledaagsch gelaat schoon maakte. Hij had een harden strijd, want de wijze heeren redeneerden goed, maar hij liet zich niet afschrikken, wanneer hij geslagen was, en verdedigde zijn vaandel als een man.
Terwijl hij sprak schoof alles weer op de rechte plaats voor Jo's geestesoog; en het oude geloof, dat reeds zoolang had stand gehouden, scheen haar beter toe dan het nieuwe. God was geen blinde kracht, en onsterfelijkheid geen aardig sprookje, maar een gezegende werkelijkheid. Het was haar, alsof zij weer vasten grond onder de voeten kreeg; en toen mijnheer Bhaer eindelijk ophield, tot zwijgen gebracht, maar geen haarbreed overtuigd, had Jo wel in haar handen willen klappen en hem bedanken.
Zij deed geen van beide; doch zij onthield het gehoorde, en gevoelde de diepste achting voor den professor, want zij wist, hoeveel moeite het hem had gekost daar te spreken, maar dat zijn geweten hem verboden had te zwijgen. Zij begon in te zien, dat een vast karakter beter is dan geld, aanzien, verstand of schoonheid; en te gevoelen, dat indien grootheid, volgens de verklaring van een wijs man, bestaat uit "oprechtheid, eerbied en welwillendheid"--haar vriend Friedrich Bhaer niet alleen goed, maar groot was.
En deze overtuiging werd dagelijks sterker. Zij stelde prijs op zijn achting, wenschte vurig, dat hij een goede opinie van haar mocht hebben, en verlangde zijn vriendschap waard te worden; doch juist toen die wensch het toppunt bereikt had, liep Jo gevaar alles te verliezen. Het was het ongelukkig gevolg van een papieren steek. Op zekeren avond kwam de professor namelijk binnen om Jo les te geven, met een papieren soldatenmuts op het hoofd, die Tina hem had opgezet, en die hij vergeten had af te nemen.
"Het is duidelijk, dat hij niet in den spiegel kijkt, eer hij naar beneden komt," dacht Jo met een glimlach, terwijl hij "Guten Abend" zei, en bedaard ging zitten, zonder te weten hoe 'n belachelijk contrast er was tusschen zijn hoofddeksel en zijn onderwerp, want hij begon haar "De Dood van Wallenstein" voor te lezen.
Ze zei eerst niets, want zij hoorde hem zoo graag in zijn hartelijken lach uitbarsten, wanneer er iets grappigs voorviel, daarom wachtte zij, tot hij het zou bemerken, en dacht er op het laatst zelf niet meer aan, want een Duitscher Schiller te hooren voordragen is iets, dat den hoorder geheel boeit. Op het lezen volgde een bizonder levendige les, want Jo was dien avond in een vroolijke bui, en de papieren muts deed haar oogen van pret glinsteren. De professor wist niet, wat hij van haar denken moest, en hield eindelijk op, terwijl hij met een onweerstaanbaar zachtzinnige verbazing vroeg: "Fräulein March, waarom lacht gij uwen leeraar in zijn gezicht uit? Hebt gij geen respect voor mij, dat gij zoo doet?"
"Hoe kan ik respect voor u hebben, mijnheer, als u vergeet uw hoed af te nemen?" antwoordde Jo.
De afgetrokken professor bracht ernstig de hand naar het hoofd, voelde den steek en nam dien af, keek Jo een oogenblik verbaasd aan, wierp toen zijn hoofd achterover, en lachte als een vroolijke bas-viool.
"Ach, ik zie hem nu; dat is die ondeugd, Tina, die mij er zoo gek doet uitzien met mijn muts. Wel, het is niets, maar ziet gij, als deze les niet goed gaat, zult _gij_ hem ook dragen."
Maar de les ging gedurende eenige minuten in het geheel niet, want zijn aandacht werd afgeleid door een plaatje op de muts; en terwijl hij het papier openvouwde, zei hij met diepen afkeer:
"Ik wenschte, dat deze tijdschriften niet in het huis kwamen; zij zijn niet goed voor kinderen om te zien, en voor jonge lieden om te lezen. Het is niet goed, en ik heb geen geduld met hen, die kwaad veroorzaken."
Jo keek naar het papier en zag een bekoorlijk plaatje van een waanzinnige, een lijk, een moordenaar en een adder. Ze kon het niet bewonderen, doch het gevoel, dat haar het blad deed omslaan was geen afkeer, maar vrees, want voor een oogenblik meende zij, dat het een exemplaar van "De Vulkaan" was. Gelukkig bleek dit niet het geval, en haar schrik bedaarde, toen zij zich herinnerde, dat, al had haar eigen verhaal er ingestaan, het haar toch niet kon verraden, daar het niet onderteekend was. Maar zij had zichzelve al verraden door haar schuldig gezicht, want hoewel de professor verstrooid heette, zag hij meer dan de meeste menschen wel dachten.
Hij wist, dat Jo schreef, en hij was haar meer dan eens tegengekomen bij de uitgevers-kantoren; maar daar zij er nooit van sprak, vroeg hij er ook nooit naar, hoewel hij erg verlangend was haar werk eens te zien. Nu viel het hem in, dat zij er zich mogelijk voor schaamde, en dat deed hem leed. Hij zei niet tot zichzelf: "Het gaat mij niet aan; ik heb geen recht er mij mee te bemoeien," zooals vele menschen zouden gedaan hebben; hij bedacht alleen, dat zij jong en arm was, ver van de beschermende liefde harer moeder en de zorg haars vaders; en even snel en spontaan als hij zijn hand uitgestoken zou hebben om een kind van den rand eener sloot terug te trekken, trachtte hij haar te hulp te komen. Dit alles vloog door zijn ziel, maar hij verried het door geen enkelen trek van zijn gelaat; en toen de courant was omgekeerd, en Jo den draad in haar naald had gestoken, zei hij op heel natuurlijken toon, maar heel ernstig:
"Ja, u heeft recht, dat u het wegschuift. Ik moet er niet aan denken, dat goede jonge meisjes zulke dingen lezen. Zij mogen sommigen bevallen, maar ik zou mijn jongens liever buskruit geven om mede te spelen dan zulk ontuig."
"Misschien is niet alles slecht--alleen maar dwaas en onbeduidend; en wanneer er vraag naar is, zie ik er geen kwaad in daaraan te voldoen. Veel respectabele menschen maken een goed inkomen uit wat men sensatie-romans noemt," antwoordde Jo, haar inhaalsel zoo stevig inkrassende, dat haar speld overal kleine sleetjes achterliet.
"Er is ook vraag naar jenever, maar ik denk toch niet, dat u of ik dien zou willen verkoopen. Als die respectabele menschen wisten, hoeveel kwaad zij deden, zouden zij hun inkomen niet goed noemen. Zij hebben geen recht, om vergif in de suikerboonen te doen, en ze door kinderen te laten opeten. Neen, zij behoorden een oogenblikje er over te denken, en liever de straat te gaan vegen, eer zij dit deden!"
Mijnheer Bhaer sprak met nadruk, en liep naar de kachel, terwijl hij de courant in zijn hand verfrommelde. Jo zat onbeweeglijk, maar zag er uit alsof het vuur uit haar gezicht sprong, en haar wangen gloeiden nog, lang nadat de papieren muts in rook was opgegaan.
"Ik zou graag al de rest denzelfden weg opjagen," zei de professor, terugkeerende met een gezicht, alsof hem een pak van het hart was genomen.
Jo bedacht hoe 'n groote brandstapel gemaakt zou kunnen worden van al de exemplaren, die zij op haar kamer bewaarde, en haar zuur verdiend geld woog haar gedurende eenige oogenblikken zwaar op het hart. Toen troostte zij zich met de gedachte: "Mijn verhalen zijn niet zooals dat; zij zijn alleen maar onbeduidend, nooit slecht; ik hoef er dus niet langer over te tobben," en haar boek opnemende vroeg zij heel ijverig:
"Zullen wij voortgaan, mijnheer? Ik zal nu goed oppassen."
"Dat wil ik hopen," was al wat hij antwoordde, maar hij bedoelde meer dan zij dacht, en de ernstig vriendelijke blik, waarmee hij haar aankeek, gaf haar een gevoel, alsof de woorden "Wekelijksche Vulkaan" met groote letters op haar voorhoofd gedrukt stonden.
Zoodra zij in haar kamer kwam, haalde zij de couranten voor den dag en las zorgvuldig al haar verhalen over. Daar mijnheer Bhaer wat zwak van gezicht was, gebruikte hij soms een lorgnet. Jo had het eens geprobeerd en met een glimlach gezien, hoe sterk het den fijnen druk van haar boek vergrootte; nu scheen zij ook den geestelijken of den zedelijken bril van den professor opgezet te hebben, want de gebreken van haar ongelukkige verhalen staarden haar grijnzend aan, en vervulden haar met verslagenheid.
"Zij _zijn_ 'ontuig' en zij zullen gauw nog iets ergers worden, als ik er mee voortga, want het een is al schokkender dan het ander. Ik ben blindelings voortgegaan, en heb, alleen om het geld, mijzelve en anderen kwaad gedaan;--ik weet, dat het zoo is--want ik kan dat prulwerk niet in koelen bloede lezen, zonder er mij gruwelijk over te schamen; en wat zou ik beginnen, als zij ze thuis eens lazen of mijnheer Bhaer ze in handen kreeg?"
Bij die gedachte werd Jo vuurrood, en stopte het heele pak in den haard, op gevaar af van door den fellen gloed brand in den schoorsteen te veroorzaken.
"Ja, dat is de beste plaats voor zulken ontvlambaren onzin! Ik geloof, dat ik nog beter deed met het huis in brand te steken, dan toe te laten dat anderen door mijn buskruit in de lucht vliegen," dacht Jo, terwijl zij "De Demon van den Jura" als een klein zwart hoopje met vurige oogen zag wegschrompelen.
Maar toen van al haar werk der drie laatste maanden niets was overgebleven dan een hoop asch en het geld in haar beurs, bleef Jo met een triest gezicht op den grond zitten, onzeker wat zij met haar honorarium moest beginnen.
"Ik denk, dat ik _tot nog toe_ niet veel kwaad heb uitgericht, en dat ik het dus wel mag houden als een vergoeding voor mijn tijdverlies," besloot zij na lang nadenken, terwijl zij er ongeduldig bijvoegde: "Ik zou haast wenschen maar geen geweten te hebben, het is zoo lastig! Als ik er niet om gaf, of ik goed handelde, en geen spijt had als ik iets verkeerds deed, zou ik heerlijk vooruit komen. Ik wou soms, dat Vader en Moeder niet altijd zoo verschrikkelijk precies op zulke dingen waren geweest."
Jo schreef geen sensatie-verhalen meer, overtuigd dat het geld, wat zij er mee verdiende, niet opwoog tegen het kwaad, dat zij stichtte; maar verviel nu, zooals meer het geval is met menschen van haar karakter, in een ander uiterste. Zij bestudeerde de werken van langdradige, degelijke ouderwetsche schrijfsters, en schreef toen een verhaal, dat eigenlijk eerder een verhandeling of een preek mocht heeten, zoo vreeselijk zedekundig was het. Van het begin af aan was ze er niet bizonder gerust op; want haar levendig temperament en rijke phantasie gevoelden zich in dien nieuwen trant even weinig thuis, als zij zelf zich op een gemaskerd bal thuis zou voelen, in het stijve en lastige kostuum uit een vorige eeuw. Dit juweel van leerzame braafheid bracht zij op verscheiden plaatsen ter markt, zonder een kooper te vinden; zoodat zij er toe neigde, met den heer Dashwood te verklaren, dat zedepreeken niet verkocht worden. Toen probeerde zij een kinderverhaal, dat zij had kunnen plaatsen, als zij niet zoo geldzuchtig was geweest, om er een goede som voor te willen maken. De eenige uitgever, die haar genoeg bood, om het haar der moeite waard te doen zijn, in deze richting verder te gaan, was een waardig heer, die zich geroepen voelde de heele wereld tot zijn bizonder geloof te bekeeren. Maar hoe graag Jo ook voor kinderen schreef, kon zij er niet in toestemmen, al haar ondeugende jongens door beren te laten opeten, of door woedende stieren te laten verscheuren; evenmin om al de brave Hendrikken te beloonen met allerlei soort van zegeningen; van vergulde suikerboonen af tot een engelenwacht toe, als zij, met psalmen of gezangen op hun stamelende lipjes, dit leven verlieten. Deze proefnemingen liepen dus op niets uit, en Jo schoof haar inktkoker terzijde, en zei in een aanval van gezonde nederigheid:
"Ik weet niets, ik zal dus dienen te wachten, tot ik een gelukkige ingeving krijg en onderwijl 'de straat vegen' als ik niets beter doen kan; dat is in ieder geval 'eerlijk' werk; en dit besluit was een duidelijk bewijs, dat haar tweede tuimeling van den boonenstaak haar goed had gedaan."
Terwijl deze innerlijke omwentelingen plaats grepen was haar uitwendig leven even bezig en kalm als te voren, en wanneer zij soms ernstig en neerslachtig keek, was er niemand, die het opmerkte, dan professor Bhaer. Hij deed het zoo stil, dat Jo volstrekt niet gewaar werd, dat hij haar gadesloeg om te zien, of zij met zijn vermaning haar voordeel gedaan had; maar zij stond de proef door, en hij was voldaan, want hoewel er geen woord tusschen hen over gewisseld werd, begreep hij zeer goed, dat zij het schrijven er aan gegeven had. Hij giste het niet alleen uit het feit, dat haar rechtermiddenvinger niet langer een en al inkt was, maar zij bracht haar avonden beneden door, vertoonde zich niet meer in de buurt der uitgeverskantoren, en studeerde met een volharding en een geduld, die hem bewezen, dat zij van plan was haar geest, zij het al niet met aangename, dan ten minste met nuttige dingen bezig te houden.
Hij hielp haar op allerlei manieren, betoonde zich een waar vriend, en Jo was gelukkig; want terwijl zij haar pen liet rusten, leerde zij nog wat anders behalve Duitsch, en legde ze den grondslag tot den sensatie-roman van haar eigen leven.
Het was een prettige en een lange winter, want zij bleef tot Juni bij mevrouw Kirke. Iedereen was bedroefd toen die tijd aanbrak; de kinderen waren ontroostbaar, en al het haar van mijnheer Bhaer stond recht overeind, daar hij het altoos naar alle kanten opstreek, wanneer hem iets hinderde.
"Gij gaat nu naar huis? Ach, gij zijt gelukkig, dat gij een tehuis hebt om heen te gaan," zei hij, toen zij het hem vertelde, en verder zat hij zwijgend in een hoekje aan zijn baard te plukken, terwijl zij dien laatsten avond haar kleine receptie hield.
Zij zou vroeg in den morgen vertrekken; daarom nam zij des avonds van allen afscheid, en toen zijn beurt kwam, zei zij hartelijk:
"Nu, mijnheer Bhaer, vergeet niet, wanneer gij ooit onzen kant uitkomt, ons te komen bezoeken. Ik zou het u nooit vergeven, als u het niet deed, want ik hoop, dat allen thuis mijn vriend zullen leeren kennen."
"Waarlijk? zal ik komen?" vroeg hij, terwijl hij haar met een verlangenden blik aanzag, dien zij echter niet opmerkte.
"Ja, toe, komt u in de volgende maand; dan promoveert Laurie, en het zou wel aardig voor u zijn, eens een Amerikaansche promotie bij te wonen."
"Dat is uw beste vriend, van wien gij spreekt?" vroeg hij op veranderden toon.
"Ja, mijn jongen, Teddy; ik ben heel trotsch op hem, en zou erg graag willen, dat u hem zag."
Bij deze woorden keek Jo op, zonder aan iets anders te denken dan aan haar eigen genoegen, wanneer zij hen aan elkander zou voorstellen.
Een zeker iets in de oogen van prof. Bhaer deed haar plotseling bedenken, dat zij mogelijk in Laurie iets meer dan een besten vriend zou vinden, en juist omdat zij wenschte niets bizonders te laten blijken, begon zij te blozen, en hoe meer zij probeerde dit niet te doen, hoe rooder zij werd. Als zij Tina niet op schoot had gehad, zou zij niet geweten hebben wat te beginnen. Gelukkig kreeg het kind den inval om haar te kussen, waardoor zij haar gezicht een oogenblik verbergen kon, in de hoop, dat de professor het niet zou zien. Maar hij zag het, en de voorbijgaande uitdrukking van smart op zijn gelaat maakte weer voor de gewone kalmte plaats, terwijl hij hartelijk zeide:
"Ik vrees, dat ik daarvoor geen tijd zal vinden, maar ik wensch den vriend veel succes, en u alle mogelijk geluk; God zegene u!" en hiermee drukte hij haar hartelijk de hand, nam Tina op den schouder, en ging heen.
Toen de jongens naar bed waren, zat hij nog lang voor het vuur, met een pijnlijken trek om zijn mond, en een drukkend gevoel van heimwee in het hart. Eén oogenblik, toen hij zich Jo weer voorstelde zooals zij daar zat, met het kind op haar schoot, en die ongewoon zachte uitdrukking in de oogen, verborg hij zijn gezicht in de handen, en dwaalde toen door de kamer, alsof hij iets zocht, wat hij niet vinden kon.