Op Eigen Wieken

Chapter 12

Chapter 124,039 wordsPublic domain

Zoo heb ik dan zijn goed in orde gebracht en in twee paar sokken hielen gebreid, want zij waren heelemaal uit het fatsoen geraakt door zijn wonderlijke stoppen. Er werd geen woord van gerept, en ik hoopte, dat hij het niet zou gewaar worden, maar verleden week betrapte hij mij op zekeren dag. Daar ik hem altijd zijn lessen hoorde geven, begon ik er plezier in te krijgen, en besloot mijn best te doen mee te leeren; want Tina loopt in en uit, en laat de deur open, zoodat ik alles kon verstaan. Ik was dicht bij de deur gaan zitten, en bezig de laatste sok af te maken, terwijl ik mijn best deed te verstaan, wat hij tot een nieuwe leerling zei, die even dom is in 't Duitsch als ik. Het meisje was weg en ik dacht dat hij ook weg was, want ik hoorde niets meer, en begon hardop een werkwoord op te zeggen, waarbij ik als een dwaas heen en weer zat te wiegelen, toen een zacht gegrinnik mij deed schrikken, en daar stond Herr Bhaer bedaard te kijken en te lachen, terwijl hij Tina wenkte hem niet te verraden.

"Zoo," zei hij, terwijl ik ophield en hem als een gans aanstaarde. "U begluurt mij en ik begluur u, maar dat kan geen kwaad; maar zie, ik maak geen grap, als ik zeg: hebt gij lust Duitsch te leeren?"

"Ja, maar u hebt het veel te druk, en ik ben te dom om te leeren," stamelde ik, zoo rood als een pioen.

"Wij zullen den tijd maken en het verstand wel vinden. In den avond zal ik u gaarne een klein uur geven, want zie, Fräulein March, ik heb deze rekening te betalen," terwijl hij op mijn werk wees. "Ja, zij zeggen tot een ander, deze lieve dames: hij is een domme oude kerel, hij zal niet zien, wat wij doen, hij zal nooit merken, dat zijn sokken niet meer zoo kapot gaan; hij zal denken, dat zijn knoopen weer aangroeien, als zij afgevallen zijn, en gelooven, dat banden zich zelf vastnaaien. Ach, maar ik heb een oog, en ik zie veel. Ik heb een hart, en ik voel den dank. Kom nu en dan een uur, of geen goede fee mag meer aan 't werk voor mij en het mijne."

Natuurlijk kon ik niets meer zeggen, en daar het werkelijk een pracht-gelegenheid is, nam ik het aanbod aan, en wij begonnen. Ik kreeg vier lessen en bleef toen in een grammaticale moeilijkheid steken. De professor was uiterst geduldig met mij, maar het moet een ware kwelling voor hem geweest zijn, want hij keek mij met zoo'n uitdrukking van kalme wanhoop aan, dat ik niet wist of ik zou lachen of schreien. Ik viel van het eene uiterste in het andere, en toen het kwam tot een zacht gesnuf van schaamte en wanhoop, smeet hij de spraakkunst op den grond en stormde de kamer uit. Ik voelde mij voor altijd onteerd en verlaten, maar gaf hem volkomen gelijk, en was juist bezig om mijn paperassen bij elkaar te grabbelen met het plan naar boven te vluchten en mij zelf eens duchtig onder handen te nemen, toen hij naar binnen stapte, zoo vroolijk en vriendelijk, alsof ik mijn naam met roem had overladen.

"Nu zullen wij een andere manier probeeren. Gij en ik zullen te zamen deze aardige Märchen lezen en niet meer in dat droge boek graven, dat in den hoek gaat, omdat het ons treurig en boos gemaakt heeft."

Hij sprak zoo vriendelijk en sloeg Andersen's sprookjes zoo uitlokkend voor mij open, dat ik meer dan ooit beschaamd was, en aan het werk toog met een gevoel van "overwinnen of sterven," dat hem ontzaglijk scheen te amuseeren. Ik vergat mijn heele verlegenheid en viel er uit alle macht op aan, strompelde over lange woorden, sprak ze maar uit volgens de inspiratie van het oogenblik, en deed mijn uiterste best. Toen ik aan het einde van de eerste bladzijde was gekomen, en ophield om adem te scheppen, klapte hij in de handen, en riep op zijn hartelijke manier uit: "Das ist gut! Nu gaan wij goed!--Mijn beurt. Ik doe hem in Duitsch, geef mij uw oor!" En daar ging hij, terwijl hij met zijn heldere stem de lange woorden met zoo'n genot uitgalmde, dat het iemand goed deed hem te zien en te hooren. Gelukkig lazen wij de geschiedenis van het "Tinnen Soldaatje," die, zooals je weet, grappig is, zoodat ik lachen kon, wat ik ook telkens deed, hoewel ik de helft niet begreep van wat hij las; maar ik kon het niet helpen, hij was zoo in heiligen ernst, ik zoo opgewonden, en het geheel zoo onweerstaanbaar komisch.

Naderhand schoten wij harder op, en nu lees ik mijn Duitsch al redelijk goed; want zijn manier van les geven bevalt mij best, en ik zie wel, dat hij de spraakkunst in de sprookjes en verzen verstopt, net als pillen in gelei. Ik vind het erg prettig, en het schijnt hem nog niet te vervelen; erg goedig van hem, hè? Ik ben van plan hem met Kerstmis iets te geven, want geld durf ik hem niet aanbieden. Doe mij eens iets aardigs aan de hand, Moeder!

Wat ben ik blij, dat Laurie zoo opgewekt en druk aan 't werk schijnt te zijn, en dat hij niet meer rookt, en zijn hart laat groeien. Je ziet, Bets, dat jij beter met hem kunt omspringen dan ik. Ik ben niet jaloersch, hoor; ga je gang maar, als je maar geen heilige van hem maakt. Ik geloof, dat ik niet meer van hem zou houden, als hij geen greintje menschelijke zondigheid meer in zich had. Lees hem eindjes uit mijn brieven voor. Ik heb geen tijd om veel te schrijven, en dat is maar goed ook. Goddank, Betslief, dat je zoo wel blijft.

Jan.

Een gelukkig Nieuwjaar wensch ik mijn heele familie; mijnheer L. en een jongeling, met name Teddy, niet te vergeten! Ik kan u niet zeggen, hoe blij ik was met uw Kerstmispak, want ik kreeg het laat in den avond, en had de hoop al opgegeven. Uw brief kwam 's morgens, maar meldde niets van een pakje om de verrassing niet te bederven; ik was dus wel een beetje teleurgesteld, want ik had een soort van "gevoel" gehad, dat u mij niet zoudt vergeten. Toen ik na de thee alleen in de kamer zat, was ik diep in den put, en toen het groote, vochtige pak bij mij werd gebracht, drukte ik het aan mijn hart en maakte een luchtsprong. Het was zoo _thuis-achtig_ en heerlijk, dat ik er bij op den grond ging zitten en begon te lezen, te bekijken, te eten, te lachen en te schreien, op mijn gewone malle manier alles door elkaar. Het waren juist allemaal dingen, die ik noodig had, en zij leken mij zooveel beter, nu zij gemaakt waren in plaats van gekocht. Betsy's nieuwe "inktboezelaar" was kapitaal, en Hanna's trommeltje met zandkoekjes is een heerlijke traktatie. Zeker zal ik die mooie flanelletjes dragen, Moeder, die u mij gestuurd heeft, en heel zorgvuldig de boeken lezen, die Vader aangeschrapt heeft. Ik dank u allen duizend en duizendmaal!

Van boeken gesproken; in dat opzicht werd ik rijk, want op Nieuwjaarsdag gaf mijnheer Bhaer mij een mooien Shakespeare. Het is een exemplaar dat hij zeer op prijs stelt, en ik heb het dikwijls bewonderd, zooals het daar op de eereplaats stond met zijn Duitschen bijbel, Plato, Homerus en Milton; u kunt dus denken, wat ik voelde, toen hij het zonder den omslag bij mij bracht, en mij mijn naam op het titelblad wees, met daaronder: "Van mijn vriend Friedrich Bhaer."

"Gij zegt dikwijls, gij wenscht een bibliotheek; hier geef ik u een: want tusschen deze twee wanden (hij meende den band) zijn vele boeken in éen. Lees hem wel, en hij zal u veel helpen; want de karakterstudie in dit boek zal u leeren de levende karakters om u heen te verstaan, en ze met uw pen te teekenen."

Ik dankte hem zoo hartelijk als ik kon, en spreek nu over mijn bibliotheek, alsof ik honderd boeken bezit. Ik heb vroeger nooit geweten, dat er zooveel in Shakespeare stak, maar ik had ook vroeger geen Bhaer om hem mij uit te leggen. Neen, lach nu niet om zijn leelijken naam, het is niet Baar en ook niet Beer, zooals de menschen het altijd willen zeggen, maar iets, tusschen beide in, dat alleen Duitschers kunnen weergeven. Ik ben blij, dat wat ik van hem schrijf u bevalt, en ik hoop, dat u hem eens zult leeren kennen; Moeder zou zijn warm hart, en Vader zijn verstandig hoofd bewonderen. Ik bewonder beide, en voel mij heel rijk met mijn nieuwen "vriend Friedrich Bhaer."

Omdat ik niet veel geld had, en niet wist, wat hij graag zou hebben, gaf ik hem een paar kleinigheden, die ik hier en daar in zijn kamer neerzette, waar hij ze onverwachts zou vinden. Zij zijn nuttig, mooi, of grappig: een nieuw kaartenbakje op zijn tafel, een vaasje voor zijn bloem--want hij heeft altijd een bloem of een takje groen in een glas, om hem frisch te houden, zooals hij zegt--en een "aanpakkertje" voor zijn pook, zoodat hij niet meer zijn "mouchoirs" zooals Amy ze noemt, behoeft te verbranden. Ik had het gemaakt volgens Betsy's model--een groote kapel, met een dik lichaam, zwarte en gele vleugels, paardenharen voelsprieten, en glazen oogen. Hij vond het beest erg mooi, en heeft het als een ornament op den schoorsteen gezet, zoodat het per slot van rekening toch nutteloos is. Zoo arm als hij is, vergat hij toch geen enkele dienstbode of geen enkel kind in huis; en geen ziel, van de Fransche strijkster af, tot juffrouw Norton toe, vergat hém. Daar was ik zoo blij om!

Op oudejaarsavond was er een maskerade, en hadden we echt plezier. Ik was eerst niet van plan naar beneden te gaan, omdat ik geen costuum had; maar op het laatste oogenblik bedacht mevrouw Kirke, dat zij nog een ouderwetsche zijden japon had liggen, en juffrouw Norton leende mij kant en veeren; ik tuigde mij dus op als mevrouw Malaprop [6], en zeilde naar binnen met mijn masker voor. Niemand herkende mij, want ik veranderde mijn stem, en niemand droomde, dat die stille, trotsche juffrouw March (want bijna allen denken, dat ik erg stijf en koel ben, en dat ben ik ook tegen uilskuikens) kon dansen, zich verkleeden, of losbarsten in een stortvloed van onzin en dwaasheden. Ik had dolle pret, en toen wij ons ontmaskerden, was het grappig te zien, hoe zij mij aanstaarden. Ik hoorde een van de jongelui tegen een ander zeggen, dat hij altijd wel gedacht had, dat ik een actrice was geweest; en dat hij zich nu wel meende te herinneren, mij in een van de mindere schouwburgen gezien te hebben. Meta zal zich met deze grap kostelijk amuseeren. Herr Bhaer was Nick Bottom [7], en Tina was Titania, in zijn armen werkelijk een allerliefste kleine fee. Hem te zien dansen was "een landschap", om een Teddyisme te gebruiken.

Over 't geheel had ik dus een heel gelukkig Nieuwjaar, en toen ik in mijn kamertje alles nog eens overdacht, voelde ik, dat ik toch vooruitging, in weerwil van al mijn struikelingen, want ik ben nu altijd opgeruimd, werk met lust, en stel meer belang in andere menschen, dan ik vroeger deed, wat toch zeker bevredigend mag genoemd worden. God zegene u allen. Steeds uw liefhebbende

Jo.

HOOFDSTUK XI.

EEN VRIEND.

Hoewel Jo heel gelukkig was in haar gezellige omgeving, en druk met haar dagelijkschen arbeid, waardoor ze haar brood verdiende en kruidde, vond zij toch tijd voor haar letterkundige werkzaamheden. Het doel dat zij najoeg, lag voor de hand voor een arm en eerzuchtig meisje; maar de middelen, die zij in het werk stelde om het te bereiken, waren juist niet de beste. Zij zag, dat geld macht verschaft, en daarom besloot zij geld en macht te verwerven; niet alleen voor zichzelve, maar vooral voor hen, die zij meer dan zichzelve liefhad. De hoop, alles thuis aangenaam en gemakkelijk in te kunnen richten, Betsy alles te geven, wat zij verlangde, van aardbeien in den winter af, tot een serafineorgel in haar kamer toe; zelve op reis te gaan; en altijd _meer_ dan genoeg te hebben, zoodat zij zich het genot van _geven_ kon veroorloven, was jarenlang Jo's geliefkoosd ideaal geweest.

De ondervinding, opgedaan met de bekroonde novelle, scheen haar een weg te hebben geopend, die, na een lange reis en het beklimmen van steile bergen, haar naar dit verrukkelijk luchtkasteel zou voeren. Maar de kwellingen van de roman-critiek hadden haar moed voor een tijdlang gefnuikt, want de publieke opinie is een reus, die wel moediger Jacks op hooger boonenstaken dan de hare, heeft afgeschrikt. Evenals die onsterfelijke held rustte zij wat uit na haar eerste poging, die in een nederploffing, en den minst begeerlijken van des reuzen schatten eindigde, als ik mij wel herinner. Maar de geest van opstaan en opnieuw beproeven, was even sterk in Jo als in Jack; zij klauterde dus dezen keer tegen den schaduwkant op, en behaalde meer buit, maar verloor bijna datgene, wat kostelijker is dan zakken vol goud.

Zij begon sensatie-verhalen te schrijven--want in die duistere tijden las zelfs het volmaakte Amerika bombast. Zij sprak er met niemand over, maar stelde een "treffende geschiedenis" op, en bracht die stoutmoedig zelve naar den heer Dashwood, den uitgever van "De Wekelijksche Vulkaan". Zij had wel nooit Sartor Resartus [8] gelezen, maar haar vrouwelijk instinct leerde haar, dat kleederen dikwijls grooter invloed uitoefenen dan karakterdeugden of de toovermacht van goede manieren. Zij trok dus haar beste pakje aan, en terwijl zij zich trachtte wijs te maken, dat zij noch opgewonden, noch zenuwachtig was, klom zij moedig twee donkere vuile trappen op, en kwam in een wanordelijke kamer vol tabaksrook, en in tegenwoordigheid van drie heeren, wier hielen zich in hooger luchtstreken bevonden dan hun hoeden, welke laatste kleedingstukken door geen van allen bij haar verschijning werden afgenomen. Eenigszins afgeschrikt door deze ontvangst aarzelde Jo op den drempel, en fluisterde erg verlegen:

"Neem me niet kwalijk, ik zocht naar het kantoor van 'De Wekelijksche Vulkaan'; ik wou mijnheer Dashwood graag spreken."

Omlaag kwam het hoogste paar hielen, overeind rees de rookerigste heer, en zorvuldig en liefkoozend zijn sigaar in de hand houdende, naderde hij met een knikje en een gezicht, waarop niets dan slaap te lezen stond. Gevoelende dat zij op de een of andere manier de zaak ten einde moest brengen, haalde Jo haar manuscript voor den dag, en met wangen, die met elken zin rooder en rooder werden, stamelde zij brokstukken van de kleine toespraak, die zij zoo zorgvuldig voor deze gelegenheid had bedacht.

"Een van mijn vriendinnen verzocht mij--u dit verhaal--alleen als een proefneming--aan te bieden--zij wilde graag uw oordeel weten--en als u dit beviel, zou zij wel meer willen schrijven."

Terwijl zij bloosde en stamelde, had de heer Dashwood het manuscript ter hand genomen, en, het met een paar vuile vingers doorbladerend, een critischen blik over de net beschreven bladzijden laten dwalen.

"Dit is geen eerste proefneming, denk ik?" vroeg de uitgever, bemerkende dat de pagina's genommerd, slechts aan éen zijde beschreven en niet met een lint (dat zeker teeken van een eerstbeginnende) waren samengebonden.

"Neen, mijnheer; zij heeft eenige ondervinding, en behaalde al een prijs met een verhaal in de 'Blarneystone Banier.'"

"Ah, zoo?" en de heer Dashwood wierp een haastigen blik langs Jo, die haar, met al wat zij aan had, van het lint op haar hoed, tot de knoopen van haar laarzen toe, scheen op te nemen. "U kunt het hier laten, als u wilt; wij hebben op 't oogenblik meer van dit soort van dingen liggen dan wij kunnen gebruiken, maar ik zal het eens doorloopen, en u de volgende week antwoord geven."

Jo was volstrekt niet geneigd het achter te laten, want mijnheer Dashwood beviel haar in 't geheel niet; maar onder deze omstandigheden kon zij niet anders doen dan buigen en wegwandelen, waarbij zij bizonder lang en statig scheen, zooals gewoonlijk wanneer zij geraakt of verbluft was. Op dit oogenblik was zij beide; want de veelbeteekenende blikken, die de heeren wisselden, hadden haar duidelijk getoond, dat haar kleine draaierij van "de vriendin" als een uitmuntende grap beschouwd werd; en een gelach, veroorzaakt door een onverstaanbare opmerking van den uitgever, terwijl hij de deur sloot, voltooide haar nederlaag. Half besloten hier nooit terug te keeren ging zij naar huis, en joeg haar boosheid op de vlucht, door uit alle macht boezelaars te naaien; en na een paar uur was zij genoeg gekalmeerd, om over het heele tooneel te lachen, en naar de volgende week te verlangen.

Toen zij voor de tweede maal ging, was de heer Dashwood tot haar groote vreugde alleen. Hij scheen ook nu niet zóo verdiept in zijn sigaar, dat hij zijn manieren vergat--zoodat de tweede ontmoeting Jo veel minder zwaar viel dan de eerste.

"Wij zullen het verhaal opnemen (uitgevers spreken nooit van 'ik') als u geen bezwaar hebt tegen eenige veranderingen. Het is te lang, maar wanneer u de plaatsen die ik gemerkt heb, schrapt, zal het juist de vereischte lengte krijgen," zei hij op drogen toon.

Jo herkende nauwelijks haar eigen manuscript, zoo verkreukeld en vol teekentjes waren de bladzijden en volzinnen; maar met een gevoel als van een teedere moeder, die men voorstelt de beentjes van haar zuigeling af te snijden, opdat hij in de nieuwe wieg moge passen, zag ze de aangestreepte passages na, en bemerkte met verbazing, dat al de zedekundige overwegingen, die zij er zoo zorgvuldig--als een tegenwicht voor het al te romantische--tusschen verspreid had, geschrapt waren.

"Maar mijnheer, ik dacht dat ieder verhaal een soort van moreele strekking moest hebben, en daarom zorgde ik, dat ten minste een paar van mijn zondaren berouw kregen."

De ernst, die den uitgever paste, maakte plaats voor een glimlach, want Jo had haar "vriendin" vergeten, en sprak zooals alleen een schrijfster zou kunnen spreken.

"Ja, maar de menschen verlangen geamuseerd, niet bepreekt te worden, weet u. Zedeleer wordt tegenwoordig niet verkocht," hetgeen, tusschen twee haakjes, geen volkomen juiste opmerking was.

"U meent dus, dat het met deze veranderingen bruikbaar zou zijn?"

"Ja, de intrige is nieuw, en vrij aardig uitgewerkt--de stijl en dat is goed," antwoordde mijnheer Dashwood minzaam.

"Wat is--ik meen, wat geeft u--" begon Jo, niet wetende, hoe zij zich 't best zou uitdrukken.

"O, ja,--wel, wij geven van vijf en twintig tot dertig dollar voor dingen van dien aard, en betalen bij verschijning," antwoordde de heer Dashwood, alsof dit punt hem ontgaan was; men zegt, dat zulke kleinigheden dikwijls de aandacht van uitgevers ontsnappen.

"Heel goed, u kunt het plaatsen," zei Jo, voldaan het verhaal teruggevende, want na al haar geschrijf voor een dollar de kolom, scheen zelfs vijf en twintig haar een mooi honorarium toe.

"Mag ik mijn vriendin vertellen, dat u een volgend verhaal ook wel plaatsen wilt, als het beter is dan dit?" vroeg Jo, die haar kleine vergissing niet had bemerkt en stoutmoediger was geworden door haar succes.

"Wel, wij zullen zien; kunnen het niet vast beloven. Zeg haar, dat zij het kort en piquant moet maken, en zich niet om de moraal bekommeren. Welken naam zou uw vriendin er onder willen plaatsen?" Dit laatste op achteloozen toon.

"Geen naam, als 't u blieft; zij verlangt haar eigen naam niet bekend te maken, en zij heeft geen pseudoniem," antwoordde Jo, ondanks zich zelve blozende.

"Zooals zij verkiest natuurlijk. Het verhaal zal de volgende week verschijnen; komt u het geld halen, of zal ik het zenden?" vroeg de uitgever, nieuwsgierig wie zijn nieuwe medewerkster was.

"Ik zal er om komen; goeien morgen, mijnheer."

Toen zij vertrokken was, stak de heer Dashwood de beenen in de lucht, met de vriendelijke opmerking: "arm en trotsch als naar gewoonte, maar zij is bruikbaar."

Volgens de aanwijzingen van haar uitgever stortte Jo zich hals over kop in de troebele zee van sensatieromans, maar dank zij het reddend touw, dat haar door een vriend werd toegeworpen, kwam zij weer boven, en de duikeling deed haar geen kwaad.

Evenals de meeste jonge schrijfsters zocht zij buitenslands naar karakters en tooneelen; bandieten, graven, zigeuners, nonnen en hertoginnen verschenen op haar tooneel, en speelden hun rollen met zooveel durf en bezieling, als de verslinders maar konden verlangen. Op zulke kleinigheden als taal, stijl, interpunctie, en waarschijnlijkheid, letten haar lezers al heel weinig, en mijnheer Dashwood vergunde haar genadig zijn kolommen tegen den laagsten prijs te vullen, het niet noodig keurende haar te vertellen, dat de ware reden van deze gastvrijheid het feit was, dat een zijner gewone werkpaarden, elders beter salaris gevonden en hem in den steek gelaten had.

Weldra begon zij belang in het werk te stellen, want haar plat beursje werd dik en rond, en de kleine schat, die Betsy in staat zou stellen den volgenden zomer naar buiten te gaan, groeide langzaam maar zeker aan.

Slechts één ding belette haar volkomen tevreden te zijn, en wel, dat zij het niet naar huis schreef. Zij vreesde, dat haar vader en moeder het niet zouden goedkeuren--en zij wilde maar liever eerst haar eigen gang gaan, en daarna vergeving vragen. Het was heel gemakkelijk haar geheim te bewaren, want haar verhalen verschenen naamloos; de uitgever had natuurlijk spoedig uitgevonden, wie zij was, maar beloofde te zwijgen; en o wonder, hij hield zijn woord.

Zij meende, dat het haar geen kwaad zou doen, want zij nam zich ernstig voor, niets te schrijven, waarover zij zich zou moeten schamen, en zij stilde al de kloppingen van haar geweten door voorstellingen van het gelukkig oogenblik, waarop zij met haar verdiende schatten voor den dag komen en over haar welbewaard geheim lachen zou.

Maar mijnheer Dashwood keurde alle verhalen af, die niet spannend en sensationeel waren; en daar die sensaties niet veroorzaakt konden worden, zonder de zielen van de lezers zooveel mogelijk te pijnigen, moesten geschiedenis en verdichting, land en zee, wetenschap en kunst, gerechtshoven en krankzinnigen-gestichten, voor dat doel geplunderd worden. Jo bemerkte spoedig, dat haar jeugdige ervaring haar slechts zelden een blik vergund had in de tragische wereld, die de maatschappij ondermijnt; en de zaak uit een materieel oogpunt beschouwende, zette zij zich met den haar eigen ijver aan het werk, om haar tekortkomingen in dezen aan te vullen. In haar vurig verlangen om onderwerpen voor haar verhalen te vinden, en ten minste de intriges oorspronkelijk te doen zijn, al liet dan ook de uitvoering wat te wenschen over, doorsnuffelde zij de dagbladen om ongelukken, wonderlijk-toevallige gebeurtenissen en misdaden op te zoeken; zij wekte de achterdocht op van houders van leesbibliotheken, door daar boeken over vergiften te vragen; zij bestudeerde aandachtig de boevengezichten, die zij op straat tegenkwam, en alle karakters, goede of slechte, die haar omringden; zij dolf van onder het stof der tijden, zulke oude verhalen en feiten op, dat zij even goed als nieuw waren, en zocht, voor zoover haar beperkte gelegenheden het toelieten, aanraking met dwaasheid, zonde en ellende. Hoewel Jo zich verbeeldde het zoo een heel eind te brengen, begon ze onbewust eenige van de meest teedere eigenaardigheden van het vrouwelijk karakter te ontheiligen. Al schrijvende leefde ze in slecht gezelschap, en hoewel dit slechts in haar verbeelding bestond, oefende het toch invloed op haar uit, want zij voedde hart en geest met schadelijk voedsel, en liep gevaar iets van haar reine natuur te verspelen, door een voorbarige kennismaking met de donkere zijde des levens, die maar al te vroeg ons aller deel wordt.

Zij begon dit wel eenigszins te gevoelen zonder het nog helder in te zien, want het veelvuldig beschrijven van de hartstochten en gevoelens van anderen, deed haar haar eigene bestudeeren en ontleden--een ziekelijke gewoonte, waaraan gezonde jonge menschen zich niet licht overgeven. Maar het kwaad straft altijd zich zelf, en Jo's straf kwam juist op het rechte oogenblik.

Ik weet niet, of het de studie van Shakespeare was, die haar een beter inzicht in het menschelijk karakter verschafte, of wel haar natuurlijk vrouwelijk instinct voor wat eerlijk, moedig en krachtig is, maar terwijl Jo haar denkbeeldige helden met alle mogelijke deugden en ondeugden toerustte, begon zij een levenden held te ontdekken, die haar, in weerwil van veel menschelijke onvolmaaktheden, sterk interesseerde.