Op Eigen Wieken

Chapter 11

Chapter 113,989 wordsPublic domain

"Laten wij er hem niets van zeggen, voordat het plan vastgesteld is; en dan zal ik verdwenen zijn, eer hij zijn gedachten bij elkander heeft en tragisch kan worden. Betsy moet in den waan blijven, dat ik voor mijn eigen plezier ga, want ik kan met haar niet over Laurie spreken; maar zij kan hem opbeuren en vertroosten als ik weg ben, en hem zoodoende die sentimenteele gedachten uit het hoofd jagen. Hij heeft al verscheiden van die kleine beproevingen achter den rug; hij is er aan gewoon, en zal zijn 'liefdesmart' dus wel gauw te boven komen."

Jo sprak hoopvol, maar zij kon de vrees niet wegredeneeren, dat _deze_ "kleine beproeving" zwaarder zou blijken, dan de vorige, en dat Laurie niet zoo gemakkelijk als tot nog toe zijn "liefdesmart" te boven zou komen.

Het plan werd in den familieraad besproken en goedgekeurd, want mevrouw Kirke was zeer ingenomen met Jo's aanbod, en beloofde haar een aangenaam tehuis.

Haar salaris was voldoende om haar onafhankelijk te doen zijn, en den vrijen tijd, dien zij over had, kon zij aan schrijven besteden; bovendien zou de verandering van tooneel en omgeving zoowel nuttig als aangenaam voor haar wezen. Jo verheugde zich in het vooruitzicht en verlangde weg te komen, want het ouderlijk huis werd te eng voor haar rustelooze natuur en avontuurlijken geest. Toen alles bepaald was, vertelde zij het onder vreezen en beven aan Laurie; maar, tot haar verwondering, nam hij het heel kalm op. Hij was in den laatsten tijd ernstiger dan gewoonlijk geweest, maar "heel genoeglijk," vond Jo, en wanneer ze hem in scherts vroeg of hij een nieuw blaadje had omgeslagen, antwoordde hij rustig: "Dat heb ik, en ik ben van plan dit omgeslagen te laten blijven."

Jo was bizonder in haar schik, dat nu juist een zijner deugdzame buien over hem gekomen was, en maakte haar toebereidselen met een verruimd gemoed--want Betsy scheen wat vroolijker--en zij hoopte, dat wat zij ondernam werkelijk voor allen het beste zou blijken.

"Voor één ding hoop ik, dat je bizonder zorg zult dragen, Bets," zei zij den avond voor haar vertrek.

"Voor je papieren?" vroeg Betsy.

"Neen--voor mijn jongen. Wees heel lief voor hem--wil je?"

"Natuurlijk, ik zal 't probeeren; maar ik kan jouw plaats niet vervullen, en hij zal je erg missen."

"Dat zal hem geen kwaad doen; onthoud dus, dat ik hem in jouw speciale zorg achterlaat, om hem te plagen, te bederven en in 't rechte spoor te houden."

"Ik zal mijn best doen," beloofde Betsy, verwonderd dat Jo haar zoo vreemd aankeek.

Toen Laurie afscheid kwam nemen, fluisterde hij veelbeteekenend: "'t Zal geen zier helpen, Jo. Mijn oog is op jou gevestigd, bedenk dus wel wat je doet, of ik kom je op een goeien dag naar huis halen."

HOOFDSTUK X.

JO'S DAGBOEK.

New-York, Nov.

_Lieve Moeder en Betsy_.

Ik ben van plan een boekdeel te schrijven, want ik heb een massa te vertellen, hoewel ik geen deftige dame ben, die een reis op het vasteland maakt. Toen ik Vaders lief oud gezicht uit het oog verloor, was ik wel wat aan den grond en zou zeker een paar zilte droppels geplengd hebben, als eene Iersche dame met vier kleine kinderen, die allen meer of min huilden, mijn aandacht niet afgeleid had; want ik amuseerde mij met chocolaadjes over de bank te laten rollen, zoodra zij hun mond opendeden om te schreeuwen.

Al gauw kwam de zon door; ik nam dit aan als een gunstig voorteeken, klaarde eveneens op, en genoot van ganscher harte van mijn reis.

Mevrouw Kirke verwelkomde mij zoo hartelijk, dat ik mij op eens thuis gevoelde, zelfs in dat groote huis vol vreemden. Zij gaf mij een grappig klein kamertje hoog in de lucht--het eenige, dat zij had, maar er staat een kachel en een flinke tafel voor een zonnig raam, zoodat ik hier altijd kan gaan zitten schrijven, wanneer ik wil. Een heerlijk uitzicht met een kerktoren in het verschiet is een vergoeding voor de vele trappen, en mijn nieuw hokje beviel mij dadelijk uitstekend. De kinderkamer, waar ik les geven en naaien moet, is een heel plezierige kamer, naast die van mevrouw Kirke, en de twee kleine meisjes zijn lieve kinderen--een beetje bedorven, dunkt me, maar ik stal hun hart door het verhaal van "De zeven Geitjes," en ik twijfel er niet aan, of ik zal eene model-gouvernante zijn.

Als ik liever niet aan de algemeene tafel kom, kan ik met de kinderen eten, en voor 't oogenblik geef ik daaraan de voorkeur, want ik ben _heusch_ verlegen, al wil niemand het gelooven.

"Nu kindlief, doe alsof je thuis bent," zei mevrouw Kirke op echt moederlijke manier, "ik ben van den morgen tot den avond op de been, zooals je kunt denken met zoo'n huishouden; maar het zal een pak van mijn hart zijn, nu ik weet, dat de kinderen veilig en wel bij jou zitten. Mijn kamers staan altijd voor je open, en de jouwe zal ik zoo gemakkelijk inrichten, als mij mogelijk is. Er zijn een paar heel aardige menschen hier in huis, als je gezelschap verlangt, en je avonden heb je altijd vrij. Kom bij mij als er iets verkeerd gaat, en tracht zoo gelukkig mogelijk te zijn. Daar gaat de theebel, ik moet gauw een andere japon aanschieten!" en weg draafde zij, en liet mij alleen om in mijn nieuw ooievaarsnest op orde te komen.

Toen ik naar beneden ging, zag ik een aardig staaltje van echte goedhartigheid. De trappen zijn erg hoog in dit groote huis, en toen ik op de derde verdieping stond te wachten, tot een klein dienstmeisje naar boven zou zijn gestrompeld, zag ik een wonderlijk soort van heer achter haar aankomen, haar den zwaren kolenemmer uit de hand nemen, dien geheel naar boven dragen, bij de eerste deur neerzetten, en toen bedaard wegstappen, terwijl hij met een knikje en een vreemd accent zei:

"Dat gaat beter zoo. Dat ruggetje is te jong voor zulke zware vrachten."

Was dat niet vriendelijk? Ik houd van zulke dingen; want, zooals Vader zegt, kleinigheden doen het karakter uitkomen. Toen ik het aan mevrouw Kirke vertelde, lachte zij en zei:

"Dat moet professor Bhaer geweest zijn; die doet altijd zulk soort van dingen."

Mevrouw K. vertelde mij, dat hij uit Berlijn kwam, hij moet heel geleerd en goed zijn, maar zoo arm als een kerkrat, en hij geeft hier lessen om in het onderhoud te voorzien van zichzelf en twee weezen, de zoontjes van zijn zuster, die met een Amerikaan getrouwd was geweest, en daarom verlangde, dat haar kinderen in Amerika zouden opgevoed worden. Het is geen erg romantische geschiedenis, maar zij interesseerde mij, en het deed me plezier te hooren, dat mevrouw Kirke hem haar zitkamer leent, om daar aan sommige van zijn leerlingen les te geven. Er is een glazen deur tusschen die kamer en de kinderkamer, en ik ben van plan hem eens te begluren, dan kan ik u vertellen, hoe hij er uit ziet. Hij is om en bij de veertig, dus het kan geen kwaad, Moedertje! Na de thee en een stoeipartijtje onder het uitkleeden met de kleine meisjes, viel ik aan op de groote werkmand en had een rustig avondpraatje met mijn nieuwe vriendin. Ik zal een dagboek schrijven, en het eens in de week zenden; goeden nacht dus, morgen meer.

Dinsdagavond.

Ik had het van morgen druk in mijn schooltje, want de kinderen leken wel op Tijl Uilenspiegel, en op éen oogenblik kreeg ik werkelijk lust om ze eens flink door elkander te schudden. De een of andere goede engel blies mij in, ze een les in kamergymnastiek te geven, en ik hield ze er zoolang mee bezig, tot zij dol blij waren weer rustig te mogen gaan zitten. Na de koffie ging de kindermeid met hen wandelen, en trok ik met een gewillig hart aan mijn naaiwerk.

Ik was juist bezig mijn goeden genius te danken, dat ik netjes knoopsgaten had leeren maken, toen de deur der voorkamer open en dicht ging, en iemand als een groote bromvlieg

"Kennst du das Land".

begon te neuriën. Ik weet wel, dat het vreeselijk ongepast was, maar ik kon de verzoeking niet weerstaan; en een tipje van het gordijn voor de glazen deur oplichtende, gluurde ik naar binnen. Daar was professor Bhaer, en terwijl hij zijn boeken in orde bracht, nam ik hem eens goed op. Een echte Duitscher--nog al gezet, met bruin haar, een ruigen baard, een wonderlijken neus, de vriendelijkste oogen, die ik ooit gezien heb, en een heerlijke diepe stem, die iemands hart goeddoet, na ons scherp of valsch Amerikaansch gekrijsch. Zijn kleeren waren ouderwetsch, zijn handen groot en hij had geen enkelen echt zuiveren trek in zijn gezicht, alleen zijn tanden waren mooi; toch beviel hij mij, want hij heeft een goedgevormd hoofd, zijn linnen was hagelwit, en hij zag er uit als een gentleman, al had hij ook twee knoopen van zijn jas verloren, en een gelapte laars. Hij keek heel ernstig, hoewel hij neuriede, totdat hij naar het raam ging, de hyacinthenbollen in de zon zette en de kat streelde, die hem als een oud vriend ontving. Toen glimlachte hij, en toen er zacht aan de deur getikt werd, riep hij met een luide, heldere stem:

"Herein!"

Ik was juist van plan te verdwijnen, toen mijn oog op een klein dreumesje viel met een groot boek in de armen, en dit deed mij nog even wachten.

"Ik zoek mijn Beertje," zei het alikruikje, haar boek met een slag op den grond gooiend en op hem toeloopende.

"Gij zult uw Beertje hebben, kom maar, en laat hij u maar eens hartelijk pakken, mijn Tina," zei de professor, haar met een hartelijken lach opbeurende en zoo hoog boven zijn hoofd houdende, dat zij haar gezichtje bukken moest om hem te kussen.

"Nou moet Tina les leeren," ging het kleine, grappige ding voort; hij zette haar dus aan de tafel, opende de groote dictionnaire, die zij had meegebracht, gaf haar papier en potlood, en zij krabbelde ijverig voort, terwijl zij nu en dan een blad omsloeg, en met haar klein, dik vingertje de bladzijde langs ging, alsof zij een woord opzocht, en dat alles zoo ernstig, dat ik mij bijna door een luiden lach had verraden, terwijl mijnheer Bhaer haar krulkopje streelde en zoo vaderlijk op haar neerzag, alsof zij zijn dochtertje was, hoewel zij eerder op een Fransch dan op een Duitsch kind leek.

Weer werd er geklopt, en de komst van twee jonge dames deed mij tot mijn werk terugkeeren, waar ik heel deugdzaam mee voortging, ondanks al het leven en het gepraat, dat in de andere kamer in vollen gang was. Een van de meisjes lachte heel geaffecteerd en riep telkens op coquetten toon: "Neen, maar professor!" en de andere sprak haar Duitsch met zoo'n potsierlijk accent, dat hij moeite moet gehad hebben er ernstig onder te blijven.

Beiden schenen zijn geduld bizonder op de proef te stellen, want meer dan eens hoorde ik hem op levendigen toon uitroepen: "Neen, neen, zoo is het _niet_, u luistert niet half naar wat ik zeg." En eens klonk er een harden slag, alsof hij met een boek op de tafel sloeg, gevolgd door den wanhopigen uitroep: "Potztausend, dat gaat alles verkeerd vandaag!"

De arme man! ik had medelijden met hem, en toen de meisjes weg waren, nam ik nog eens even een kijkje om te zien hoe hij het overleefde. Hij scheen uitgeput in zijn stoel neergevallen te zijn, en zat daar met gesloten oogen, totdat de klok twee uur sloeg; toen sprong hij op, stak zijn boeken in zijn zak, alsof hij weer les moest gaan geven, en de kleine Tina, die op de sofa in slaap gevallen was, in zijn armen nemende, droeg hij haar zachtjes weg. Ik geloof, dat hij een zwaar leven heeft.

Mevrouw Kirke vroeg mij of ik om zes uur niet mee aan tafel wilde dineeren. Ronduit gezegd voelde ik me erg heimweeachtig en ik dacht, misschien zal 't mij goed doen eens te kijken, wat voor menschen met mij onder hetzelfde dak wonen. Ik knapte me dus wat op en trachtte achter mevrouw Kirke binnen te sluipen; maar daar zij klein is, en ik lang ben, bleek deze poging vruchteloos. Zij liet mij naast haar zitten, en na een poosje raapte ik al mijn moed bijeen, en keek eens rond. De lange tafel was totaal vol, en ieder scheen enkel aan zijn middagmaal te denken, vooral de heeren, die op de minuut af schenen te eten, want zij _schrokten_ in den vollen zin van 't woord, en verdwenen zoodra zij klaar waren. Het gewone genre jongelui, verdiept in hun eigen belangrijke persoonlijkheid was aanwezig; verder jonge paren, verdiept in elkander, getrouwde dames, verdiept in hun kinderen, en oude heeren, verdiept in de politiek. Ik geloof niet, dat ik met een van hen zou verlangen in aanraking te komen, behalve met een vriendelijke, ongetrouwde, jonge dame, die er uitziet of zij iets meer dan alledaagsch is.

Heel aan het uiteinde van de tafel zat de professor, aan den eenen kant zoo hard hij kon antwoorden uitschreeuwende op de vragen van een zeer weetgierig doof, oud heer, en aan den anderen kant met een Franschman een gesprek voerende over philosophie. Wanneer Amy hier geweest was, zou zij hem voor goed den rug hebben toegekeerd, want, o, treurige waarheid! hij had een goeden eetlust, en werkte zijn middagmaal naar binnen op een manier, die "Hare Hoogheid" ten zeerste geërgerd zou hebben. Het hinderde mij niets, want "ik zie graag menschen smakelijk eten," zooals Hanna zegt, en de goeie man had waarlijk wel wat voedsel noodig, na zoo'n heelen dag lesgeven aan idioten.

Toen ik na het eten naar boven ging, waren twee jongeheeren bezig hun bonte mutsen voor den spiegel in de gang op te zetten, en ik hoorde den een tot den ander fluisteren: "Wie was die nieuweling?"

"Een gouvernante of zooiets."

"Wat drommel, waarom zit die dan bij ons aan tafel?"

"Een vriendin van de oude vrouw."

"Een flink gezicht, maar zonder eenige gratie."

"Neen, geen zier. Geef me een vlammetje en laten we opstappen."

Eerst was ik verontwaardigd, maar toen zette ik het van mij af, want een gouvernante is evengoed als een kantoorklerk, en bezit ik dan ook al geen gratie, ik heb gezond verstand, en dat is meer dan sommigen bezitten, ten minste te oordeelen naar de opmerkingen van die verwaande wezens, die als rookende schoorsteenen wegstapten. Ik heb een hekel aan alledaagsche menschen!

Donderdag.

De dag van gisteren ging heel rustig voorbij met les geven, naaien, en schrijven in mijn kamertje, dat er met vuur en licht bizonder gezellig uitziet. Ik hoorde een paar nieuwtjes, en werd aan den professor voorgesteld. Het schijnt dat Tina het kind is van een Fransche vrouw, die hier in de wachtkamer het fijne goed strijkt.

Het kleine ding heeft haar hartje geheel aan mijnheer Bhaer verloren, en volgt hem, als hij thuis is, overal als een hondje, wat hem veel genoegen doet, daar hij, hoewel een oud vrijer, zeldzaam veel van kinderen houdt. Kitty en Minnie Kirke houden ook erg veel van hem, en vertellen gedurig van de spelletjes die hij verzint, de cadeautjes, die hij meebrengt, en de _prachtige_ verhalen, die hij kan doen. De jongelui schijnen hem wat te bespotten, noemen hem "ouwe Frits", "de groote Beer", en maken allerlei grappen over zijn naam. Maar mevrouw Kirke zegt, dat hij er zich als een jongen mee amuseert, en het zoo goedhartig opneemt, dat zij allemaal van hem houden, ondanks zijn wonderlijke manieren.

De ongetrouwde jonge dame heet juffrouw Norton; zij is rijk, beschaafd en vriendelijk. Zij sprak mij vandaag aan tafel aan, (ik ging weer naar beneden, want het is zoo grappig de menschen te zien) en verzocht mij haar eens in haar kamer te komen opzoeken. Zij heeft mooie boeken en platen, kent interessante personen, en schijnt vriendschappelijk gezind; ik zal mij dus "aangenaam zien te maken," want ik verlang wel degelijk in goede kringen te komen, al versta ik daaronder iets anders dan Amy.

Gisterenavond zat ik in onze zitkamer, toen professor Bhaer binnenkwam met een paar couranten voor mevrouw Kirke. Zij was uit, maar Minnie, die een grappig, klein oud vrouwtje is, stelde mij heel aardig voor: "Dit is mama's vriendin, juffrouw March."

"Ja, en ze is erg aardig, en we houden erg veel van haar," voegde Kitty, een echt "enfant terrible" er bij.

Wij bogen beiden en glimlachten toen, want de deftige voorstelling en de ongebruikelijke bijvoeging vormden nog al een contrast.

"Ach, ja; ik zie wel, dat deze schelmpjes u zullen kwellen, Fräulein March. Als het weer zoo is, roep mij, en ik kom," zei hij met een dreigenden blik, die de kleine deugnieten deed juichen.

Ik beloofde het en hij vertrok; maar het schijnt mijn noodlot te zijn, dat ik hem dikwijls moet zien, want toen ik vandaag uitging en zijn deur voorbijkwam, stootte ik er bij ongeluk met mijn parapluie tegen. De deur sprong open en daar stond hij in zijn wijde chambercloack, met eene groote blauwe sok in de eene hand en een stopnaald in de andere; hij scheen er in het geheel niet verlegen mee, want toen ik excuses maakte en voorbij stoof, wuifde hij mij na met sok en al, terwijl hij op zijn luiden, opgeruimden toon riep:

"Gij heeft schoon weder foor uwe Spaziergang. Bon voyage, mademoiselle."

Ik lachte, terwijl ik naar beneden ging; maar het was toch aandoenlijk, dat die arme man zelf zijn kleeren moest verstellen. Ik heb wel eens gehoord, dat Duitsche heeren tapisseriewerk doen, maar kousenstoppen is heel wat anders, en lang zoo aardig niet.

Zaterdag.

Er is niets beschrijvenswaardigs voorgevallen, behalve een bezoek bij juffrouw Norton, die haar kamer vol mooie, smaakvolle dingen heeft, en allerbeminnelijkst was, want zij toonde mij al haar schatten, en vroeg mij, of ik tot haar gezelschap, nu en dan met haar naar lezingen of concerten wilde gaan, als ik er tenminste plezier in had. Zij deed het voorkomen, alsof ik haar daarmee een dienst deed, maar ik ben overtuigd, dat mevrouw Kirke haar over ons gesproken heeft, en dat zij het uit vriendelijkheid voor mij doet. Al ben ik ook zoo trotsch als Lucifer, toch bezwaren mij zulke gunstbewijzen van zulke menschen volstrekt niet, en ik nam het voorstel dankbaar aan.

Toen ik in de kinderkamer terugkwam, was er zoo'n lawaai in de voorkamer, dat ik even naar binnen keek, en daar kroop Herr Bhaer op handen en knieën rond, met Tina op zijn rug, terwijl Kitty hem aan een springtouw voortsjorde, en Minnie de beide kleine jongens, die in van stoelen gebouwde hokken brulden en rondsprongen, met koekjes voederde.

"Wij spelen _menazerie_," legde Kitty uit.

"Dit is mijn olevant," voegde Tina er bij, terwijl zij zich aan het haar van den professor vast hield.

"Als Franz en Emil 's Zaterdags komen, mogen we altijd doen wat wij willen, is 't niet, mijnheer Bhaer?" vroeg Minnie.

De "olevant", die het spel even ernstig opnam als de anderen, kwam overeind en zei:

"Ik geef mijn woord, dat het zoo is. Als wij te groot lawaai maken, zegt gij slechts 'st!' tot ons, en wij gaan zachter."

Ik beloofde dat te zullen doen, maar liet de deur open, en genoot niet minder van de pret dan zij--want vroolijker spel heb ik nooit bijgewoond. Zij speelden wolf en schaap, en soldaatje, dansten en zongen, en toen het donker begon te worden, nestelden zij zich allen rondom den professor op de sofa, terwijl hij allerliefste sprookjes vertelde van ooievaars op de schoorsteenen en van de kleine kobolds, die op de dwarrelende sneeuwvlokken rijden. Ik wou dat Amerikanen net zoo natuurlijk en eenvoudig waren als Duitschers!

Ik vind dit geschrijf zoo plezierig, dat ik wel altijd voort zou kunnen gaan, als de zuinigheid mij niet gebood op te houden; want hoewel ik dun papier heb gebruikt en zoo dicht in elkander heb geschreven als ik maar kon, sidder ik bij de gedachte aan al de postzegels, die deze lange brief zal kosten. Stuurt u mij Amy's brieven, zoodra u ze gelezen hebt? Mijn onbeteekenende nieuwtjes zullen wel wat afvallen na haar heerlijkheden, maar ik weet, dat u allen ze toch graag zult lezen. Is Teddy zóó hard aan de studie, dat hij geen tijd kan vinden eens aan zijn vrienden te schrijven? Beloof mij goed voor hem te zorgen, Bets, en vertel mij alles van de kinderen, en groet allen hartelijk van

Uw ouwe trouwe

Jo.

P.S. Nu ik mijn brief overlees, komt hij mij erg "Bhaerachtig" voor, maar ik stel altijd belang in bizondere menschen, en had werkelijk niets anders om over te schrijven. Mijn zegen!

Dec.

_Mijn allerliefste Bets_,

Daar dit een krabbel-brief zal worden, adresseer ik hem aan jou, omdat hij je denkelijk amuseeren zal, en je een denkbeeld kan geven van mijn leventje hier; want al is het rustig, het is toch nog al amusant--en daarom, o, verheug je met mij! Na, wat Amy vroeger "Herculanumsche" pogingen noemde, op 't gebied van geestelijke en zedelijke "agricultuur", beginnen mijn paedagogische begrippen zich te ontwikkelen, en mijn kleine pleegkinderen zich naar mijn wensch te buigen. Ik stel niet zooveel belang in hen als in Tina en de jongens, maar ik doe mijn plicht jegens hen, en zij houden van mij. Franz en Emil zijn aardige kleine guiten, jongens naar mijn hart; de vermenging van den Duitschen en Amerikaanschen geest houdt hen in een toestand van voortdurende beweeglijkheid. De Zaterdagmiddagen zijn tijden van oproer, hetzij binnen- of buitenshuis, want op mooie dagen gaan ze allen als een kostschool uit wandelen, met den professor en mij, om de orde te bewaren; je weet niet, hoe 'n pret we dan hebben!

Wij zijn nu groote vrienden, en ik ben begonnen les bij hem te nemen. Ik kon er heusch niets tegen doen, en het kwam op zoo'n grappige manier, dat ik het je even vertellen moet. Ik zal bij het begin beginnen. Op een morgen riep mevrouw Kirke mij, toen ik mijnheer Bhaer's kamer voorbijging, waar zij aan het rondscharrelen was.

"Heb je ooit zoo'n hol gezien, kindlief? Help me eens even deze boeken op hun plaats zetten, want ik heb alles ondersteboven gehaald om te weten te komen, wat hij met die zes nieuwe zakdoeken gedaan heeft, die ik hem niet lang geleden gegeven heb."

Ik ging naar binnen, en terwijl wij bezig waren, keek ik eens rond, want het was wezenlijk een "hol." Overal boeken en papier; een gebroken meerschuim pijp en een oude fluit, beiden afgedankt en op den schoorsteenmantel geworpen; een oud dier van een vogel, zonder staart, tjilpte in de eene vensterbank, de andere was versierd met een stolp met witte muizen; half voltooide bootjes en eindjes touw lagen tusschen de papieren, vuile kinderlaarsjes stonden voor 't vuur te drogen, en sporen van de hartelijk geliefde jongens waren overal in de kamer te zien. Na een eindeloos geschommel kwamen drie van de verloren schapen voor den dag--één hing over de vogelkooi, één zat vol inkt en één vol geschroeide plekken, blijkbaar gebruikt om er een gloeiende pook mee aan te vatten.

"Wat een man!" lachte de goedhartige mevrouw K., terwijl zij de overblijfselen in de prullemand stopte.

"Ik denk, dat de andere verscheurd zijn voor zeilen van booten, verbanden voor gewonde vingers, en staarten voor vliegers. Het is verschrikkelijk, maar ik kan er hem niet hard over vallen; hij is zoo verstrooid en goedhartig, hij laat die jongens heelemaal den baas over hem spelen. Ik ben met hem overeengekomen, dat ik voor zijn wasch en verstelgoed zou zorgen, maar hij vergeet zijn dingen te geven, en ik vergeet ze na te zien, en zoo raakt hij soms geducht in verlegenheid."

"Laat ik het verstelwerk maar op me nemen," stelde ik voor, "ik geef er niet om, en hij hoeft het niet te weten. Ik zou het met plezier doen; hij is altijd zoo vriendelijk voor mij om mijn brieven weg te brengen, en mij boeken te leenen."