Op Eigen Wieken

Chapter 10

Chapter 104,031 wordsPublic domain

"Dat is me zeker een groote troost, Jo; ik voel mij altijd sterk, als jij thuis bent, nu Meta weg is. Bets is te zwak en Amy te jong om op te vertrouwen; maar als het er op aankomt, ben jij altijd klaar."

"Och, u weet dat ik niet veel om een moeilijk karweitje geef, en er moet toch altijd één sloof in de familie zijn. Amy is onverbeterlijk voor fijne werkjes, ik lang niet; maar ik ben in mijn element, als al de kleeden moeten opgenomen worden, of als de heele familie tegelijk ziek is. Amy maakt zich buitenslands beroemd, maar als er thuis iets te doen is, dan ben ik uw man."

"Ik laat Betsy dan maar aan jou over; zij zal haar teeder hartje eerder voor haar Jo, dan voor iemand anders openen. Wees heel vriendelijk voor haar, en laat haar niet denken, dat iemand op haar let of over haar spreekt. Als zij maar weer sterk en vroolijk werd, zou ik niets ter wereld meer te wenschen hebben."

"Gelukkige ziel! Ik wensch zooveel!"

"Wel kind, wat dan?"

"Eerst zal ik Betsy's bezwaren uit den weg zien te ruimen, en dan zal ik u de mijne vertellen. Zij zijn niet erg dringend, dus kan ik ze nog wel een poosje voor mij houden;" en Jo naaide voort met een wijs knikje, dat het hart van haar moeder, voor het oogenblik althans, volkomen omtrent haar geruststelde.

Oogenschijnlijk in haar eigen bezigheden verdiept, hield Jo een oogje op Betsy; en na eenige elkander tegensprekende gissingen, kwam zij eindelijk op iets, dat de verandering volkomen scheen te verklaren.

Een klein voorval gaf haar, naar zij meende, den sleutel van het geheim; en een levendige verbeelding en een liefhebbend hart deden het overige. Op zekeren Zaterdagmiddag toen zij en Betsy alleen bij elkander zaten, deed zij alsof zij geheel verdiept in haar schrijfwerk was; maar terwijl zij voortpende, lette zij telkens op haar zuster, die buitengewoon stil scheen te zijn. Zij zat aan het raam; en dikwijls liet zij haar werk op haar schoot zinken, en leunde in een mismoedige houding met het hoofd in de hand, terwijl haar oogen over het sombere herfstlandschap dwaalden. Plotseling ging iemand beneden voorbij onder het fluiten van een vroolijk operadeuntje, en een stem riep haar toe:

"Alles in orde! Ik kom van avond!"

Betsy schrikte op, leunde uit het venster, glimlachte en knikte, staarde den voorbijganger na, totdat het geluid van zijn vluggen voetstap wegstierf, en zei zachtjes, als tot zich zelve:

"Wat ziet die goede jongen er toch sterk en gezond en gelukkig uit!"

"Hm," kwam Jo, nog steeds aandachtig het gezichtje van haar zuster opnemende, want de blos verdween even spoedig als hij gekomen was, de glimlach stierf weg en een traan glinsterde op het kozijn. Betsy veegde hem af en keek schichtig naar Jo, maar deze krabbelde voort in wanhopige haast, schijnbaar geheel verdiept in "Olympia's Eed." Zoodra Betsy weer naar buiten staarde, sloeg Jo haar opnieuw gade, zag meer dan eens haar hand stilletjes naar haar oogen gaan, en las in haar half afgewend gelaat een onderworpen droefheid, die haar eigen oogen vol tranen deed schieten. Bevreesd zich te verraden sloop zij de kamer uit, iets mompelend over papier dat zij noodig had.

"Lieve hemel, Bets is verliefd op Laurie!" zei zij, terwijl zij op een stoel in haar kamer neerviel, doodsbleek van schrik over de ontdekking, die zij meende gedaan te hebben. "Dat zou ik nooit gedroomd hebben! Wat zal Moeder zeggen! Ik wou wel eens weten of hij--" hier hield Jo op, en werd vuurrood bij een plotseling invallende gedachte. "Als hij haar eens niet liefhad, wat zou dat vreeselijk zijn. Maar hij _moet_, ik zal er hem wel toe dwingen," en zij schudde dreigend het hoofd tegen het portret van den ondeugend glimlachenden jongen aan den muur. "O heden, wat _schieten_ we in eens op! Meta getrouwd en mama, Amy aan het coquetteeren in Parijs, en onze Bets verliefd! Ik ben de eenige, die verstandig genoeg is, om zich niet met die gekheid in te laten." Jo stond een oogenblik in gedachten verzonken het portret aan te staren; toen ontplooide zich haar gefronst voorhoofd, en zei zij met een beslist knikje--"neen, dank u, mijnheer, u bent heel aardig, maar niet standvastiger dan een weerhaan; schrijf dus maar geen aandoenlijke briefjes, en glimlach maar niet zoo dierbaar, want het helpt je niets, en ik wil het niet hebben!"

Ze zuchtte eens diep en verviel in ernstig gepeins, waaruit zij eerst ontwaakte bij het invallen van de vroege schemering. Toen ging ze naar beneden om nieuwe opmerkingen te maken, die haar vermoedens slechts bevestigden. Hoewel Laurie met Amy flirtte, en altijd gekheid maakte met Jo, was zijn gedrag tegenover Betsy steeds bizonder vriendelijk en zacht geweest, maar dat was het geval met iedereen; daarom kwam het in niemand op, dat hij meer om haar zou geven, dan om de anderen. Integendeel, in den laatsten tijd leefde de heele familie onder den indruk, dat "onze jongen" meer dan ooit van Jo ging houden, die evenwel geen woord over dit onderwerp wilde hooren, en hevig uitvoer tegen ieder, die er van durfde gewagen. Als zij iets geweten hadden van al de teedere episoden in het afgeloopen jaar, of liever van de pogingen tot teederheid, die in de kiem verstikt waren, zouden zij allen met innige voldoening hebben kunnen zeggen: "Ik heb het wel voorspeld!" Maar Jo had een hekel aan "sentimenteel gezeur", wilde het niet toestaan, en was altijd klaar met een grap of een snauw, als zij het minste gevaar van dien kant zag naderen.

Toen Laurie pas aan de academie was, raakte hij zoowat elke maand verliefd; maar deze kleine vlammetjes waren even kort als hevig, schaadden niemand, en vermaakten Jo geweldig, die groot belang stelde in al de afwisselingen van hoop, wanhoop en gelatenheid, die haar in hun wekelijksche samenkomsten werden toevertrouwd. Maar er kwam een tijd, dat Laurie ophield met het offeren op verschillende altaren, geheimzinnige wenken gaf aangaande een verterenden hartstocht, en aanvallen had van Byroniaansche somberheid. Daarna vermeed hij het teeder onderwerp geheel en al, schreef wijsgeerige briefjes aan Jo, werkte hard, en verkondigde dat hij aan 't "pompen" ging, om in een stralenkrans van roem te promoveeren. Dit beviel de jonge dame beter dan schemer-avond-confidenties, teedere handdrukken en welsprekende blikken; want bij Jo was het hoofd eerder ontwikkeld dan het hart en zij verkoos denkbeeldige helden boven werkelijke, omdat de eerste, als zij haar verveelden, tot nader order in de blikken poppenkeuken konden opgesloten worden, en de laatste minder handelbaar waren.

Zoo stonden de zaken, toen de groote ontdekking gedaan werd, en Jo nam Laurie dien avond oplettender waar, dan ooit tevoren. Wanneer zij dit nieuwe denkbeeld niet in 't hoofd gekregen had, zou zij niets bizonders gezien hebben in de omstandigheid, dat Betsy heel stil, en Laurie heel vriendelijk jegens haar was. Maar daar zij haar levendige verbeelding den vrijen teugel liet, draafde deze in snellen draf met haar voort, en daar haar gezond verstand wel wat scheen te lijden onder het vele romanschrijven kwam dit haar niet te hulp. Bets lag als naar gewoonte op de sofa; Laurie zat op een laag stoeltje dicht bij en amuseerde haar met allerlei verhalen. Ze verlangde altijd naar haar wekelijksch praatje, en Laurie stelde haar nooit te leur. Maar dien avond verbeeldde Jo zich, dat Betsy's oogen met bizonder welgevallen op het levendige, donkere gezicht naast haar rustten, en dat zij met gespannen aandacht luisterde naar een verhaal van een interessant cricketspel, hoewel de verschillende technische termen even onverstaanbaar voor haar waren als sanscrit. En, daar zij het zoo van harte wenschte, verbeeldde Jo zich ook, dat zij een toenemende innigheid in Laurie's gedrag opmerkte, dat hij nu en dan fluisterde, minder dan gewoonlijk lachte, een beetje afgetrokken was, en gedurig den shawl over Betsy's voeten goed legde, met een bezorgdheid, die werkelijk teeder genoemd kon worden.

"Wie weet! er zijn wel vreemder dingen gebeurd!" dacht Jo, terwijl zij door de kamer drentelde. "Zij zal een engel van hem maken, en wat kan hij voor onze Bets het leven gemakkelijk en aangenaam doen zijn, als zij elkaar liefhebben! Ik zie niet in, hoe hij het zou kunnen laten, en ik geloof, dat hij haar _zeker_ lief zou krijgen, als wij anderen maar uit den weg waren."

Daar iedereen uit den weg _was_, behalve zij zelve, begon Jo te begrijpen, dat zij zich zoo gauw mogelijk uit de voeten moest maken. Maar waar zou zij heengaan? Brandende van verlangen om zich op het altaar van zusterlijke liefde te offeren, zette zij zich neer om dit punt eens ernstig te overdenken.

Nu was de oude sofa een wezenlijke patriarch van een sofa,--lang, breed, vol kussens en laag. Wel wat vaal en versleten, en geen wonder, want als zuigelingen hadden de meisjes er op geslapen en rondgekropen, als kinderen hadden zij over den rug gevischt, op de armen gereden, en menagerie er onder gespeeld, en als jonge meisjes hadden zij hun vermoeide hoofdjes er op neergelegd, droomen gedroomd, of naar teedere woorden geluisterd. Zij hadden allen die oude canapé lief, want zij was een familie-toevluchtsoord, en éen hoekje was altoos Jo's geliefkoosd rustplaatsje geweest. Onder de vele kussens, die de eerwaardige rustbank versierden, was er éen langwerpig rond, met stekelig paardenhaar bekleed, en versierd met een harden knoop aan de uiteinden; dit weinig uitlokkend kussen was haar particulier eigendom en werd door haar gebruikt als verdedigingswapen, barricade, of streng voorbehoedmiddel tegen al te grooten sluimerlust.

Laurie kende dit kussen maar al te goed, en had reden om het met bizonderen afkeer te beschouwen, daar hij er in vroeger dagen, toen stoeien nog geoorloofd was, vaak onbarmhartig mee toegetakeld werd, en het hem nu dikwijls beroofde van het plaatsje, waarop hij het meest gesteld was, naast Jo, in het hoekje van de canapé. Als "de worst", zooals zij het noemden, overeind stond, was dit een teeken, dat hij mocht naderen en rusten, maar wee over man, vrouw en kind, die het durfde verleggen, wanneer het dwars over de sofa lag! Dien avond vergat Jo haar hoekje te barricadeeren, en ze zat nog geen vijf minuten, of een lange gedaante verscheen naast haar, en met beide armen uitgespreid over den rug van de canapé en beide lange beenen voor zich uitgestrekt, riep Laurie, met een zucht van voldoening: "_Dat_ is een tref."

"Geen nonsens, alstjeblieft!" snauwde Jo, haar kussen zwaaiende. Maar het was al te laat, er was geen plaats meer voor; het kwam op den grond te land en verdween op de meest geheimzinnige manier.

"Kom Jo, wees nu niet stekelig! Nadat een mensch zich de heele week tot een geraamte heeft afgesloofd, verdient hij wel eens een beetje verwend te worden."

"Betsy zal je wel verwennen, ik heb het te druk!"

"Neen, ik wil haar niet lastig vallen; maar jij houdt van zoo iets, of je moest er plotseling den smaak voor verloren hebben. Is dat zoo? heb je een hekel aan me gekregen en begeer je me met kussens te verjagen?"

Iets meer verteederends dan deze treffende vraag kon moeilijk bedacht worden, maar Jo trachtte "haar jongen" te vernietigen door hem op het lijf te vallen met de grimmige vraag:

"Hoeveel bouquetten heb je deze week aan juffrouw Randal gezonden?"

"Geen een, op mijn woord. Zij is geëngageerd--dus!"

"Daar ben ik blij om; dat is een van je vele dwaze geldverspillingen, bloemen en prullen te sturen aan meisjes, om wie je geen zier geeft," zei Jo berispend.

"Verstandige meisjes om wie ik _erg_ veel geef, willen niet hebben, dat ik hen 'bloemen en prullen' stuur, en wat moet ik dan doen? Mijn gevoelens _moeten_ een uitweg hebben!"

"Moeder houdt niet van flirten, zelfs niet uit gekheid, en jij flirt vreeselijk, Teddy."

"Ik zou alles willen geven, als ik kon antwoorden: jij ook. Maar nu ik dit niet kan, wil ik alleen maar zeggen, dat ik niets geen kwaad zie in dit vermakelijke spelletje, als beide partijen begrijpen, dat het maar gekheid is."

"Het lijkt wel amusant, maar ik kan het eenvoudig niet leeren. Ik heb het geprobeerd, omdat het zoo stijf staat in gezelschap, als je niet doet zooals ieder ander; maar ik heb het er nog niet ver in gebracht," bekende Jo, haar rol van mentor vergetende.

"Neem les bij Amy; die heeft er goed slag van!"

"Ja, zij doet het handig, en schijnt het nooit te ver te drijven. Ik geloof, dat het sommige menschen natuurlijk afgaat en dat zij zonder eenige moeite kunnen behagen, terwijl andere altijd op verkeerde plaatsen verkeerde dingen zeggen en doen."

"Ik ben blij, dat jij niet kunt flirten; het is zoo'n verkwikking eens een verstandig, openhartig meisje te zien, dat vertrouwelijk en vriendelijk kan zijn, zonder zich gek aan te stellen. Onder ons gezegd, Jo, een paar van de meisjes, die ik ken, gaan er zoo ver mee, dat zij zich moesten schamen. Zij meenen niets kwaads, dat geloof ik wel; maar als zij wisten hoe er later over hen gesproken werd, zouden zij het stellig laten."

"Zij bepraten jullie evengoed; en daar hun tongen het scherpst zijn, zijn jullie, jongens, er het ergst aan toe, want jullie zijn precies even coquet als zij. Wanneer jongelui zich gewoon gedroegen, zouden zij het ook doen; maar omdat zij weten, dat jullie van dien nonsens houdt, gaan ze er mee voort; en dan veroordeel je hen er later om!"

"Je weet er nog niet veel van, jongejuffrouw," zei Laurie, beleerend. "Wij houden niet van die malle coquettes, al nemen wij er soms den schijn van aan. Over lieve, eenvoudige meisjes wordt onder jongelui nooit dan met achting gesproken. Heilige onschuld, als je eens voor een maand in mijn plaats was, zou je dingen hooren, die je stellig zouden verbazen. Op mijn woord, als ik een van die aanstellerige wezens zie, zou ik altijd wel willen zeggen, wat in dat kinderversje staat: 'Schaam u, poedel, schaam u wat!'"

Het was onmogelijk niet te lachen over den potsierlijken strijd tusschen Laurie's ridderlijken afkeer om iets kwaads van het vrouwelijke geslacht te zeggen, en zijn zeer natuurlijke antipathie tegen de onvrouwelijke dwaasheden, waarvan hij in zijn studentenleven zoo menig voorbeeld aantrof. Jo wist, dat "de jonge Laurence" door berekenende moeders als een "hoogst verkieselijke partij" werd beschouwd, dat hun dochters hem toelachten, en dat hij genoeg gevleid werd door vrouwen van allerlei leeftijd, om een zotskap van hem te maken; zij hield dus naijverig de wacht over hem, vreezende, dat hij bedorven zou worden, en zij was nu veel meer verheugd, dan zij wilde toonen, toen zij hoorde, dat hij nog in eenvoudige, natuurlijke meisjes geloofde. Plotseling weer in haar vermanenden toon vervallende zei zij wat zachter: "Als je gevoelens bepaald een uitweg _moeten_ hebben, Teddy, wijd je dan aan een van die 'lieve, eenvoudige meisjes', voor wie je achting voelt, en verbeuzel je tijd niet met die laffe wezens."

"Raad je mij dat in ernst aan?" en Laurie keek haar in de oogen met een dwaze mengeling van onrust en vroolijkheid.

"Ja zeker; maar je zou beter doen met te wachten, tot je gepromoveerd was, en je onderwijl vast een beetje te verbeteren. Je bent niet half goed genoeg voor--nu, voor wie dat 'lieve, eenvoudige meisje' dan ook mag zijn;" en Jo keek ook een beetje eigenaardig want bijna was haar een naam ontsnapt.

"Neen, dat ben ik ook niet," bekende Laurie, met een voor hem geheel nieuwe uitdrukking van nederigheid, terwijl hij de banden van Jo's schortje om zijn vinger wond.

"Lieve hemel, zoo komen wij nooit verder," dacht Jo, en voegde er overluid bij: "Toe, ga eens wat zingen; ik snak naar wat muziek, en ik hoor je altijd zoo graag."

"Ik blijf liever hier zitten, dank je."

"Neen, dat kan niet, er is geen plaats. Kom, maak jezelf nu maar eens verdienstelijk, nu je te groot bent om voor ornament te dienen. Ik dacht, dat jij er zoo'n hekel aan had om aan den boezelaar van een vrouw te hangen," prikkelde Jo, een paar van zijn oproerige woorden aanhalende.

"Dat hangt er heelemaal van af, wie den boezelaar voorheeft;" en Laurie gaf een brutalen ruk aan de banden.

"Ga je haast?" vroeg Jo naar het kussen duikende.

Laurie vloog op, en zoodra het eerste studentenlied weerklonk, sloop zij stil weg, en kwam niet terug, voordat de jonge heer in heftige verontwaardiging verdwenen was.

Jo lag dien nacht lang wakker, en eindelijk, juist op het punt van in te slapen, deed een gesmoorde snik haar op eens naar Betsy's bed vliegen, met de bezorgde vraag: "Wat scheelt er aan, Bets?"

"Ik dacht, dat je al sliep," snikte Betsy.

"Is het de oude pijn, lieveling?"

"Neen, het is iets nieuws, maar ik kan het wel dragen," en Betsy trachtte haar tranen te bedwingen.

"Toe, vertel er mij eens alles van, en laat ik het genezen, zooals ik de andere pijn heb gedaan."

"Dat kun je niet; hier helpt niets voor." Verder kon Betsy niet spreken, maar ze klemde zich aan haar zuster vast en schreide zoo wanhopend, dat Jo er van schrikte.

"Waar zit het? zal ik Moeder gaan roepen?"

Betsy antwoordde niet op de eerste vraag, maar in het donker ging de eene hand onwillekeurig naar haar hart, alsof zij de pijn daar voelde; met de andere hield zij Jo stijf vast, en fluisterde driftig: "Neen, neen, roep Moeder niet, vertel het haar niet! Ik zal wel gauw beter zijn, kom hier bij mij liggen, en strijk met je hand over mijn voorhoofd. Dan zal ik stil zijn en gauw gaan slapen; heusch, ik beloof het je."

Jo gehoorzaamde, maar terwijl haar hand zachtjes heen en weer gleed over Betsy's gloeiend voorhoofd en vochtige oogleden, was haar hart overvol, en verlangde ze innig te mogen spreken. Maar, jong als zij was, zij had geleerd, dat harten, evenmin als bloemen tegen een ruwe behandeling kunnen, en zich van zelf moeten openen; daarom, hoewel zij de reden van Betsy's nieuwe droefheid meende te weten, zei zij enkel op teederen toon: "Is er iets, dat je hindert, Bets?"

"Ja, Jo!" na een lange pauze.

"Zou het je geen troost geven, als je mij vertelde wat het is?"

"Nu niet--nog niet."

"Dan zal ik er niet naar vragen, maar vergeet niet, Betslief, dat Moeder en Jo altijd klaar zijn om naar je te luisteren en je te helpen, als zij kunnen."

"Dat weet ik. Ik zal het je later wel vertellen.

"Is de pijn nu beter?"

"O ja, veel beter; je bent zoo'n goede troost Jo."

"Ga dan maar slapen, lieveling, ik zal bij je blijven."

Zoo vielen zij in elkanders armen in slaap, en den volgenden morgen scheen Betsy weer geheel en al in orde te zijn; want als men achttien jaar is, duurt de pijn in hoofd noch hart lang, en kan een deelnemend woord de meeste kwalen genezen.

Maar Jo had een besluit genomen, en na eenige dagen nadenkens deelde zij het haar moeder mee.

"U vroeg mij laatst, wat mijn wenschen waren," begon zij, toen zij eens alleen bij elkander zaten. "Ik zal er u een van vertellen', Moeder; ik zou dezen winter zoo graag eens voor een verandering ergens heen gaan."

"Waarom, Jo?" en haar Moeder keek plotseling op, alsof zij een verborgen meening in haar woorden zocht.

Met haar oogen op haar werk antwoordde Jo ernstig: "Ik wou eens iets nieuws hebben; ik voel me zoo rusteloos, en verlang meer te zien, te doen en te leeren, dan tot nog toe. Ik denk te veel aan mijn eigen kleine wederwaardigheden, en ik heb een opfrisschinkje noodig; dus nu ik van den winter wel gemist kan worden, zou ik graag eens uitvliegen en op eigen wieken drijven."

"En waar wil je heenvliegen?"

"Naar New-York. Ik kreeg gisteren een gelukkigen inval. U herinnert zich wel, dat mevrouw Kirke u schreef over een beschaafd meisje om de kinderen te leeren en wat te naaien, 't Is moeilijk iets te vinden, dat mij in alle opzichten zou bevallen, maar ik denk dat ik dit wel zou kunnen, als ik mijn best doe."

"Kind, wil je in betrekking gaan in dat groote pension?" en mevrouw March keek verwonderd, maar niet onvriendelijk.

"Het is niet bepaald in betrekking, want mevrouw Kirke is uw vriendin--de vriendelijkste ziel, die ooit geleefd heeft--en zij zou alles zoo aangenaam mogelijk voor mij inrichten. Haar gezin leeft afgezonderd van die vreemde menschen en niemand kent mij daar. En daar zou ik toch ook niet om geven; het is eerlijk werk en ik schaam mij er niet voor."

"Ik ook niet, maar je schrijverij?"

"Daar zal een verandering ook goed voor zijn. Ik zal nieuwe dingen zien en hooren, en nieuwe denkbeelden opdoen, en al heb ik er daar niet veel tijd voor, ik zal overvloed van stof voor mijn verhalen mee naar huis brengen."

"Daar twijfel ik niet aan; maar is dit de eenige reden voor dat plotselinge plan?"

"Neen, moeder."

"Mag ik de andere reden weten?"

Jo keek naar boven en Jo keek naar beneden, bloosde en antwoordde toen zachtjes:

"Misschien is het ijdel of verkeerd van mij, dat ik het zeg, maar--ik ben bang,--dat Laurie te veel van me gaat houden."

"Dus geef jij niet om hem op de manier, waarop hij blijkbaar van jou houdt?" vroeg mevrouw March met een bezorgde uitdrukking op het gelaat.

"O hemel, neen! ik houd evenveel van hem, als ik altijd gedaan heb, en ik ben heel trotsch op hem; maar van een dieper gevoel kan geen sprake zijn."

"Daar ben ik blij om, Jo."

"Waarom?"

"Omdat ik niet geloof, lieve kind, dat jullie bij elkander zoudt passen. Als vrienden kun je het samen best vinden, en jullie telkens terugkeerende kibbelpartijtjes zijn gauw genoeg bijgelegd; maar ik vrees, dat je beiden in opstand zoudt komen als je voor je heele leven verbonden waart. Jullie zijn te veel van dezelfde natuur en te veel op je vrijheid gesteld--om niet eens van jullie opvliegendheid en onbuigzaamheid te spreken--dan dat je tezamen gelukkig zoudt kunnen zijn in een verhouding, die zoowel oneindig geduld en verdraagzaamheid, als liefde vordert."

"Dat is juist, wat ik ook voelde, maar ik kon het niet zoo uitdrukken. Ik ben blij, dat u denkt, dat hij pas begonnen is van mij te houden. Het zou mij erg aan 't hart gaan hem ongelukkig te maken; maar ik kan toch niet alleen uit dankbaarheid en medelijden op den ouwen jongen verliefd worden, wel?"

"Ben je zeker van zijn gevoelens omtrent jou?"

Weer vloog Jo het bloed naar de wangen, en ze antwoordde met een blik van voldoening, trots en medelijden, eigen aan jonge meisjes, als zij van hun eersten aanbidder spreken:

"Ik vrees van ja, Moeder; hij heeft wel niets gezegd met woorden, maar des te meer met zijn oogen. Ik geloof dat het maar beter is heen te gaan, eer het uitgesproken wordt."

"Dat geloof ik ook, en als het geschikt kan worden, mag je gaan."

Jo scheen verlicht en zei na eenige oogenblikken glimlachend:

"Wat zou mevrouw Moffat versteld staan over uw gebrek aan overleg, als zij het wist; en wat zal ze blij zijn, dat Annie nu weer kan hopen."

"Och, Jo, moeders mogen verschillen in de soort van overleg, maar hun begeerte is altijd dezelfde: hun kinderen recht gelukkig te zien. Meta is gelukkig en ik verheug mij daar innig over. Jij moogt je vrijheid genieten, totdat je er genoeg van hebt, want eerst dan zul je kunnen begrijpen, dat er iets nog beters bestaat. Amy veroorzaakt mij op 't oogenblik de meeste zorg, maar haar gezond verstand zal haar wel helpen. Wat Betsy betreft, voor haar durf ik niets hopen, dan dat zij gezond mag worden. Maar, zij scheen wat opgewekter in de laatste dagen. Heb je met haar gesproken?"

"Ja, zij erkende, dat zij iets op het hart had, en beloofde het mij over een poos te zullen vertellen. Ik vroeg niets meer, want ik geloof, dat ik het wel weet," en Jo vertelde haar kleine geschiedenis.

Mevrouw March schudde het hoofd, en beschouwde de zaak niet geheel uit zoo'n romantisch oogpunt, maar zij keek ernstig, en zei nogmaals, dat Jo, terwille van Laurie, maar voor eenigen tijd van huis moest gaan.