Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 9
Opmerkelijk is het, hoe in Duitschland en Oostenrijk de regeeringen van stad en land het Alpinisme steunen. Zoo b.v. bood in het afgeloopen jaar het gemeentebestuur van München genoemde Alpen-vereeniging, ter gelegenheid van haar 35 jarige jubilé het prachtige Isarlust aan. Dit stukje grond, ter grootte van 7000 M2., en met het daaropgeplaatste bouwwerk een waarde vertegenwoordigende van een millioen mark, is bestemd om tot Alpien-museum ingericht te worden.
Ook in ons land wordt de belangstelling voor de Alpen-sport steeds grooter, en de Nederlandsche Alpen-vereeniging mag zich dan ook in een gestadigen vooruitgang verheugen. Het aantal leden klom in het afgeloopen jaar van 132 tot 152.
VREEMDHEID.
Wat veel dingen »vreemd« maakt, dat is onze eigen onwetendheid.
CAOUTCHOUC EN GETAH PERTSJA.
Er zal na Woensdag 16 December j.l. weer een vermindering zijn gekomen in het aantal van diegenen, die geen raad weten met het onderscheid tusschen caoutchouc en getah pertsja of gutta pertjah, want toen heeft Dr. M. Greshoff, de directeur van het Koloniaal Museum voor de leden van de Maatschappij van Nijverheid, departement 's-Gravenhage, een lezing over dat onderwerp gehouden, aan het slot door zeer mooie lichtbeelden gerecapituleerd.
Onder de tropische boomsoorten, die in hun melksap zulk een bruikbare stof leveren, staan de caoutchoucleveraars, Hevea brasiliensis en Ficus elastica bovenaan, de eerste in Zuid-Amerika tehuis en ook wel Pararubberboom genoemd, en de laatste meer speciaal een zoon van Nederl.-Indië, en ook wel als eenvoudig gomboom bekend. Dat caoutchouc is de stof, die de grootste beteekenis heeft op het oogenblik in den wereldhandel, want daarvan wordt gemiddeld op aarde 70 millioen kilo per jaar gebruikt tegen maar 2, hoogstens 3 millioen kilo gutta, terwijl de balata uit West-Indië ernaast staat met een gebruik van 1 millioen kilo.
Ons Indië heeft een mooie toekomst, als de aanplant van de gomboomen krachtig ter hand wordt genomen; het zal door de hoogstaande bevolking en het goed ontwikkelde plantagebedrijf de concurrentie op dit gebied gemakkelijker dan eenig ander cultuurland kunnen volhouden. Eerst bepaalde men zich tot het inzamelen van de door in het wild groeiende boomen afgescheiden sappen, maar daar de prijzen daarbij steeds aan groote schommelingen waren onderworpen en men door roofbouw uitputting van de bosschen vreesde, is men ongeveer een 20 jaar geleden, op Ceylon en op Malakka en later ook in Ned.-Indië begonnen om caoutchoucboomen te kweeken, en wel met dit resultaat dat nu reeds een 2 millioen K.G. geteelde rubber aan de markt komen. En als 't zoo doorgaat, kan wel voorspeld worden dat in 1915 de Ceylonsche rubberbosschen zullen opleveren 15 millioen K.G., Malakka een zelfde hoeveelheid en Ned.-Indië ongeveer 12 millioen.
Eén industriëele toepassing van de rubber is nu nog gering, maar zal wel belangrijker worden zoodra de prijs gaat dalen: dat is haar gebruik voor plaveisel, voor den Londenaar zou het stofvrije caoutchouc-plaveisel de ideale bestrating zijn, maar er valt niet aan te denken, omdat de eisch van een absoluut vlakke onderlaag zoodanige bestrating vooralsnog te duur maakt. Op mailbooten en op kantoren maakt men reeds veel gebruik van deze onslijtbare, absoluut stofvrije en elastische bevloering. Dr. Greshoff noemde het ook geschikt voor beurslokalen, al was het alleen om de door de koersen teleurgestelde heeren in staat te stellen, de zalen met elastischen tred te verlaten.
Op de rubbertentoonstelling, in 1908 in Londen gehouden, kwam ons land zoo goed voor den dag, dat men van een anglo-dutch exhibition heeft gesproken.
Als grondstof voor wielen van fietsen en automobielen is caoutchouc onovertroffen, en dat gebruik heeft het succes van de caoutchoucindustrie zoo goed als geheel alleen veroorzaakt.
Voor getah pertsja, een hardere, meer houtachtige, niet elastische stof, melksap van de getah pertsjaboomen, ging in 1843 een licht op, toen zijn geschiktheid voor het isoleeren van kabels bleek. Ideaalstof voor kabels was het, omdat ze niet enkel de electriciteit niet geleidt, maar daaraan ook een enormen weerstand biedt. De brief, dien in het genoemde jaar Sir William Siemens aan zijn broer Werner te Berlijn schreef over het onderwerp, is inderdaad geweldig geweest in zijn gevolgen, want zoo belangrijk is de gutta p. geweest voor deze industriëele toepassing, dat sedert deze ontdekking al wat van het product aan de markt komt, als isolatiemateriaal naar den bodem der zee verhuist.
KLEIN-AZIË EN DE BAGDADSPOORWEG.
Klein-Azië en de Bagdadspoorweg. Indrukken van een verkenningstocht door Klein-Azië door J. H. Cohen Stuart. Amsterdam. J. H. de Bussy, 1909.
Welk tijdschrift het is, zegt de schrijver niet, maar er is een tijdschrift geweest, dat den auteur plaatsing van zijn actueel artikel toezegde, maar daarna het manuscript een vol jaar in portefeuille hield. Dat was natuurlijk alleronaangenaamst voor den schrijver, wiens werk om weer volkomen up to date te worden, moest worden aangevuld, toen hij dan maar besloot tot de uitgave als afzonderlijk boekje. Intusschen is er wel kans, dat het in dezen vorm meer lezers zal vinden dan wanneer het broederlijk met veel stukken van anderen aard door de portefeuilles van leesgezelschappen wandelde, een graf, waarin de artikelen ongelezen rusten, zooals Heyermans meent in zijn praatje met Brusse, met wien hij weet, de eer te deelen van wèl te worden gelezen.
Het is een belangwekkend geschrift over een gedeelte van het Turksche Rijk, dat voortdurend meer de aandacht zal trekken. Zijn belangstelling in den Bagdadspoorweg deed den heer Cohen Stuart besluiten op zijn verlofreis van Calcutta naar Nederland den weg in te slaan, die door Klein-Azië leidt, en daarbij, voor zoo ver dat mogelijk is, gebruik te maken van den Bagdadspoorweg. Een duidelijk kaartje achterin het boekje wijst de route aan, die gevolgd werd en waarbij het eind tusschen Mersina, even ten westen van de golf van Alexandrette of Iskanderoen, en Adana per spoor, dat van Adana in noordwestelijke richting naar Eregli per turkschen reiswagen of araba in drie dagen werd afgelegd, en dat van Eregli weer noordwestelijk naar Haidar Pacha tegenover Konstantinopel weer per spoor kon worden gedaan.
Maar comfortabel was het reizen in den trein al evenmin als dat per araba, en gemakkelijk waren de plaatselijke autoriteiten ook al niet. Eén passagierstrein rijdt per dag in elke richting op den Anatolischen spoorweg, en van nachttreinen en restauratiewagens is nog geen sprake, zoodat de reizigers te Konia en te Eskesjir moeten logeeren in door de spoorwegmaatschappij gebouwde hotels.
De vooruitzichten voor den Bagdadspoorweg en zijn verhouding tot de andere lijnen in Klein-Azië, die in engelsche en fransche handen zijn, worden door den schrijver uitvoerig uiteengezet. Omdat men Duitschland wel eens ervan heeft verdacht van »expansie« te zoeken in Klein-Azië, deed de heer Cohen Stuart er zeker goed aan, erop te wijzen, dat deze duitsche spoorweg overal fransche en turksche opschriften heeft; dat de spoorwegambtenaren haast zonder uitzondering Fransch sprekende Grieken, Italianen of Levantijnen zijn; dat zelfs de ingenieurs en inspecteurs voor een deel Franschen en Zwitsers zijn en dat het spoorhotel te Konia door een Franschman beheerd en men er door grieksch personeel bediend wordt.
Voorloopig eindstation van den Bagdadspoorweg is de halte Boelgoerloe, een eenzame en verlaten post, station zonder stationschef of personeel of materiëel, zoodat niets er doet denken aan een spoedige voortzetting van het werk. Een uur ten westen van Boelgoerloe is het feitelijke eindpunt bij het stadje Eregli, maar daar het voor den concessionaris van financiëel belang was, de eerste sectie van den spoorweg ook inderdaad geheel te voltooien, heeft men de rails nog een eind de steppe in gelegd. Zelfs laat de maatschappij dagelijks een trein zonder een enkelen passagier of een enkel stuk goed tusschen Eregli en Boelgoerloe loopen, om de 4500 francs »exploitatiekosten« te kunnen declareeren.
NOG EENS SPITSBERGEN.
In aansluiting aan onze opmerkingen over Spitsbergen in het vorig nommer, moeten wij nog vermelden, dat, naar Petermann's Mittheilungen, Noorwegen zich thans opmaakt voor een groote wetenschappelijke expeditie naar Spitsbergen, als om op te komen tegen Zwedens bewering, dat het profiteert van anderer werk in die streken. Gunnar Isachsen, indertijd deelnemer aan de expeditie van Sverdrup naar Groenland met de Fram en eveneens deelnemer aan de onderzoekingen van den vorst van Monaco in het Noordwesten van Spitsbergen in den winter 1906-7, is nu samen met veel noorsche geleerden aan het op touw zetten bezig van een groote wetenschappelijke noorsche expeditie naar Spitsbergen.
Terecht wijst Isachsen erop, dat de zeekaarten van Spitsbergen voor het meerendeel zeer onvoldoende zijn, zoodat de scheepvaart er met groote moeilijkheden alleen reeds daarom te kampen heeft. Hij acht het zijn voornaamste taak, een nauwkeurige trigonometrische en photogrammetische opmeting te verrichten vooral van het noordwestelijke deel der groep, maar ook gelijktijdig aan het topografisch en geologisch onderzoek van het binnenland te beginnen. Zijn expeditie zal bestaan uit drie topografische groepen van elk drie personen, een ijsgeoloog, een palaeontoloog met twee helpers en een geoloog met twee helpers. Men hoopt met het onderzoek nog in 1909 te beginnen en het in 1910 te kunnen voortzetten.
OP DEN UITKIJK.
ZUIDAFRIKAANSCHE STRUISVOGELTEELT.
Tijdens de reis van staatssecretaris Dernburg naar de duitsche koloniën in 1908 schreef de particuliere correspondent van de Deutsche Kolonialzeitung, Dr. Oskar Bongard, die Dernburg vergezelde, uit East-London o.a. over de struisvogelteelt in Zuid-Afrika. Hij wees erop, hoe de struisveeren een der voornaamste uitvoerartikelen uit Zuid-Afrika zijn. Voor 37 millioen mark werd in 1907 uitgevoerd. Het district Oudtshoorn in de Kleine Karroo ver in het Zuiden der Kaapkolonie is als het middelpunt der teelt te beschouwen. Het aantal der daar gehouden vogels komt de honderd duizend nabij. Over Mosselbaai zijn in 1907 voor 16 millioen mark uitgevoerd, die voor het grootste deel uit Oudtshoorn afkomstig waren. Daarbij komen nog de veeren, die over Port Elisabeth, den hoofdzetel van den struisveerenhandel, naar Londen gingen.
In Duitsch Zuidwest-Afrika was men voordat de opstand uitbrak, met struisvogelteelt begonnen, daar de vogel er in het wild voorkomt en de toestanden sterk met die van Britsch Zuid-Afrika overeenkomen; maar de oorlog heeft aan dat werk een einde gemaakt. Tegenwoordig begint men weer opnieuw, zoodat de Duitscher het niet ondienstig vond, Oudtshoorn te gaan bezoeken. Hij vond er uitgestrekte vlakten door draad afgezet, waarbinnen de dieren aan het weiden waren. In kleinere vakken waren ze naar den leeftijd gescheiden.
De dieren maken een indruk van belachelijkheid, als ze met hun grooten snavel en de groote oogen, die in den kleinen kop haast geen ruimte laten voor de hersens, trots draaiend rondstappen.
De mannetjes zijn vaak kwaadaardig, en dan moet men op zijn hoede wezen; vooral in den paartijd leveren ze gevaar op voor wie te dicht bij hen komt. Oudtshoorn beleeft thans zijn tweede periode van bloei der struisvogelteelt. In 1880 was de eerste gunstige tijd, waarbij in de Kaapkolonie reuzensommen ermee werden verdiend. Velen werden toen beoefenaars van het eenvoudige bedrijf; maar twee jaren later sloeg de mode om; de dames gaven de voorkeur aan andere hoedversieringen, en men had overproductie.
In Oudtshoorn wendde men zich weer tot den tabaksbouw, waar veel aan werd gedaan vóór de hausse in de struisveeren. Eerst tien jaren later begon men de teelt der groote vogels weer ijveriger te beoefenen. Een crisis, als men in dien tijd beleefde, is thans niet weer te verwachten, want terwijl men in die dagen de veeren enkel als hoedversiering bezigde, worden ze nu ook gebruikt voor boa's, waaiers en garneering van gekleede japonnen. De veeren zijn ook door de tegenwoordige behandeling zoo mooi geworden, dat ze wel nooit geheel uit de mode zullen raken.
Bij de teelt wordt er veel aandacht aan geschonken, dat alleen de vogels met de beste veeren voor de voortteling worden gebruikt. Daardoor en door geschikte voedering is men tot veredeling der struisen gekomen en heeft men mooie resultaten bereikt. Terwijl een gewone struisvogel kan gekocht worden voor zestig tot honderd mark, kost tegenwoordig een paar goede struisen voor de teelt 3000 tot 4000 mark. De voedering is natuurlijk een zaak van belang, en zij kan enkel daar goed geschieden, waar water aanwezig is. Lucerne wordt op alle struisenhoeven verbouwd, en de vogels weiden erin, waarna het hooi in den drogen tijd, als de vogels geen voedsel meer vinden, als voeder wordt gegeven. Ook maïs en twee soorten van cactussen worden voor hetzelfde doel gebruikt.
Het is in Oudtshoorn duidelijk te merken, dat water de eerste voorwaarde is voor de struisenteelt, want langs de Olifantsrivier staat de eene farm naast de andere, alle met aanleg van waterleidingen, door de rivier gevoed, en als men er een oogenblik vertoeft, krijgt men duizenden vogels te zien. Voor het land daar worden de hoogste prijzen betaald. Aan de hoeven grenzend, ligt aan den rechterkant van de rivier een golvend terrein, waar men tot nog toe geen water heeft geboord. Het ligt verlaten en ongebruikt en is voor den verkoop waardeloos. De boeren, die de teelt ter hand hebben genomen, zijn bijna allen rijk geworden.
Gemiddeld worden de vogels alle zeven of acht maanden geplukt. Ze worden in een hoek gedrongen, tot ze zich niet meer bewegen kunnen; dan wordt hun een soort van kous over den kop getrokken en het plukken der staart- en buikveeren kan gebeuren. Daar men de veeren goed laat uitrijpen, zitten ze betrekkelijk los. De vleugelveeren echter laat men niet rijp worden, daar de vleugels dan te stevig zouden worden, en de vogel, als hij zich neerzet, de stijve veeren aan de punten zou beschadigen. Ze worden daarom halfrijp afgesneden.
Van het tweede jaar af draagt de mannelijke struisvogel zijn zwart en wit kleed, terwijl het wijfje grijs blijft. Tot op dien leeftijd zijn de dieren teer en gevoelig en er sterven veel jonge dieren. Gemiddeld worden de vogels twintig jaar; van het tweede jaar af is de waarde der veeren, die van een goeden vogel bij elk plukken worden verkregen, 80 tot 100 mark, dus ongeveer 140 mark per jaar. Port-Elisabeth, dat men van Oudtshoorn uit met den spoorweg in achttien uren bereikt, is de grootste uitvoerhaven van veeren en wol.
Bij het koopen van struisveeren moet men erop letten, dat de veeren mooi breed zijn en van boven niet te spits toeloopen. Goede veeren moeten aan den top breed wezen en daar zich iets naar beneden buigen. Als er lichte strepen door de veeren loopen, zijn ze beschadigd en de afzonderlijke veertjes zullen op die plaatsen licht afbreken.
De kiel mag niet te dik, maar moet wel veerkrachtig zijn, en de afzonderlijke veertjes moeten dicht naast elkaar langs de kiel staan en met dicht dons zijn bedekt. Ook op den graad van witheid moet bij de veeren worden gelet. Grijze veeren zijn gemiddeld half zooveel waard als witte van dezelfde qualiteit.
In het groot worden de veeren alleen naar het gewicht verkocht. Voor een veer op een dameshoed, zooals ze wordt gedragen, gebruikt men gewoonlijk twee veeren. De prijs in het groot is twaalf tot vijftien mark per stuk, maar van tweede qualiteit, die ook nog zeer mooi zijn, worden voor zeven of acht mark verkocht. Uit Gobabis in Duitsch Zuidwest-Afrika worden veeren van wilde struisen naar Port-Elisabeth geleverd.
In den laatsten tijd is de prijs der veeren sterk gedaald evenals met de wolmarkt het geval is. De amerikaansche geldcrisis moet er de oorzaak van wezen; in alle werelddeelen bespeurt men de gevolgen. De duitsche schrijver wijst er aan het slot van zijn artikel op, dat men in de duitsche kolonie alleen daar de teelt met succes zal kunnen beginnen, waar voldoende water ter beschikking is, en dat men er vooral geen te groote verwachtingen van moet hebben.
Het verbruik van struisveeren is beperkt en is afhankelijk van de mode. Drie vierden der consumptie wordt nu al gedekt door de engelsche koloniën in Zuid-Afrika en de overproductie evenals wisseling in de mode zullen altijd van tijd tot tijd dalingen van de prijzen bewerken. De struisenteelt is zoo eenvoudig, dat ze zich onwillekeurig steeds uitbreidt, zoolang de markt goed is, wat ten slotte spoedig tot overproductie leidt.
HET NIEUWE PLAN VAN AMUNDSEN.
Het oorspronkelijke plan van Nansen, van de Beringstraat uit zich met het ijs, dat zich in de richting beweegt naar de Noordpool te laten meedrijven, wordt nu door kapitein Amundsen opgenomen. Met het schip van de expeditie van Nansen, die tusschen 1893 en 1896 plaats had, de Fram die, naar men weet, met bijzondere zorg op het punt van den ijsdruk is gemaakt door een knappen noorschen scheepsbouwer, en waarmee Sverdrup in 1905 den tocht naar West-Groenland en de poolzee maakte, wil Amundsen in het begin van het volgend jaar, 1910, naar de Beringstraat gaan, om in Augustus van Point Barrow uit naar het Noorden vooruit te schuiven en zich, zoodra hij op pakijs stuit, daardoor te laten insluiten en, net als de Jeannette, in 1878 zich naar het Noorden te laten drijven.
Kapitein Amundsen verwacht van de strooming, die naar de ervaringen met de Jeannette naar het Noordwesten voert, dat ze hem in staat zal stellen, in vier of vijf jaren het onbekende bekken van de Noordelijke IJszee door te komen. Het schip wordt voor zeven jaren van levensmiddelen en andere benoodigdheden voorzien. Als hoofddoel van zijn werk duidt Amundsen niet het bereiken van de Noordpool aan, maar het wetenschappelijk onderzoek van den toestand der Poolzee, haar bodemverhoudingen en haar oceanografischen aard.
OVER EEN HOEKJE VAN NIEUW-NEDERLAND.
Nu onze kolonisatie in Noord-Amerika in de 17de eeuw dit jaar sterk de aandacht tot zich zal trekken, daar het driehonderd jaar geleden is, dat Hudson de naar hem genoemde rivier opvoer, en groote feesten den gedenkdag zullen vieren, is het artikel van den heer R. P. J. Tutein Nolthenius in de Gids van Januari al dadelijk door actualiteit belangwekkend, maar het zou ook zonder dien glans der toevallige aansluiting bij het heden een zeer interessant artikel wezen.
Het behandelt een engelsch werk, waarin oude papieren en bescheiden zijn herdrukt, betrekking hebbende op een landbouwkolonie in de buurt van Nieuw-Amsterdam, het latere New-York. Na de oprichting der West-Indische Compagnie werden namelijk in het te kolonizeeren Noord-Amerika groote stukken land uitgegeven aan kapitalisten, die er een kolonie mochten stichten en er bestuursrechten mochten uitoefenen. Over de jaren 1630 tot 1643 nu loopen de thans uitgegeven papieren, de »Rensselaer Bowier manuscripts", betrekking hebbend op de kolonie Rensselaerswyck, waarvan de amsterdamsche juwelier Kiliaen van Rensselaer, wonend aan de Keizersgracht tusschen Harte- en Wolvenstraat, »Patroon« was, zooals de landondernemers werden genoemd.
De ondernemer is nooit in zijn kolonie geweest, maar bestuurde van uit Amsterdam het geheel met angstvallige zorg, alles tot in kleinigheden regelend. Tot de kolonisten behoorden menschen van allerlei nationaliteit. Zoo waren in de eerste groep twee Noren, een Zweed, twee Nijkerkers, twee Soestenaars en een Amersfoorter; het volgend jaar gingen drie Noren, een Deen, een Pommeraan, twee Zeeuwen, een Fries en een Gelderschman.
Als vertegenwoordiger van den Patroon trad er op Arent van Corlaer, diens neef, die eerst heen ging als achttienjarig assistent van den vertegenwoordiger. Aardig is het, te lezen, dat die Arent zich zoo gezien maakte bij de Indianen, dat aan zijn geslachtsnaam dezelfde eer te beurt viel als aan Caesar, naar wien alle keizers zich noemen, want langen tijd werden alle gouverneurs van New-York door de Indianen met den titel »Corlaer« aangeduid. De documenten zijn in het Engelsch uitgegeven door den heer A. J. F. van Laer, delftsch ingenieur, thans oudheidkundige en archivaris aan de New-Yorksche Staatsbibliotheek. Deze hoorde er van in 1902, toen de schrijfster Ruth Putnam erover schreef in een amerikaansch blad, »The Biographer«, waar ze meedeelde, dat er diefstal was gepleegd met de belangrijke historische papieren.
Het is wel opmerkelijk, dat die schrijfster, die zoo goed onze historie kent, ook hier de helpende hand heeft geboden, want door haar bericht kwam de heer Van Laer de documenten op het spoor, die door misbruik van vertrouwen in verkeerde handen geraakt waren. Ze hadden te voren reeds een punt van onderzoek uitgemaakt voor onzen amsterdamschen archivaris Nicolaas de Roever, wien ze ter hand waren gesteld door den vice-admiraal, jhr. M. W. van Rensselaer-Bowier, wiens moeder als laatste nederlandsche van Rensselaer ze bezat. In »Oud-Holland« heeft de heer de Roever er nog de aandacht op gevestigd, maar andere werkzaamheden en zijn spoedig daarop gevolgde dood verhinderden de voltooiing van den arbeid.
Dat ze nu uitgegeven zijn, die copieën van brieven, contracten en andere op de kolonie Rensselaerswyck betrekking hebbende stukken, maakt het ons mogelijk, een aardig kijkje te krijgen in het uit zeer bescheiden begin zich tot een bloeiende kolonie ontwikkelende stuk land, dat grooter was dan de provincie Drente en zich langs de Hudson uitstrekte 45 kilometer ver, van New-York zoo ver verwijderd als Keulen van Rotterdam; een vruchtbaar, waterrijk land van bosschen en heuvels met een vreedzame inlandsche bevolking.
Omtrent de verhouding van de Patroons tot de Compagnie, van wie ze oorspronkelijk de gelegenheid hadden gekregen, om geld in landbouwondernemingen te steken, geven de documenten velerlei wetenswaardigs, waarop de heer Tutein Nolthenius niet nalaat de aandacht te vestigen, evenals op de latere historie der kolonie, die eindigde met den overgang van het land in engelsche handen tijdens het patroonschap van een der zoons van Kiliaen, Jeremias van Rensselaer.
WAT ZAL DE HOOFDSTAD VAN AUSTRALIË ZIJN?
De federatie van australische staten is het nog niet eens geworden over de keus van de hoofdstad. Een vroegere stemming had Dalgety aangewezen op de grenzen van Nieuw Zuid-Wales en Victoria. Maar die keus is bij nadere en algemeener stemming niet bekrachtigd.
De parlementaire geschiedenis van de commonwealth is sinds de tien jaren, dat de gefedereerde republiek bestaat, slechts een meer of minder openlijke strijd geweest tusschen Sydney en Melbourne om den voorrang en juist die kamp is de reden, dat men naar een andere hoofdstad omziet.
Sydney had geëischt, dat die zou liggen in Nieuw Zuid-Wales, waarop Melbourne den eisch had gesteld, dat er minstens tusschen haar mededingster en den zetel der centrale regeering een afstand van 180 kilometer moest wezen. De Melbourners behaalden een voorloopig groot succes, want ze wisten door te drijven, dat hun eigen stad de tijdelijke zetel zou worden van de federale autoriteiten.
Geen zitting van het parlement is sedert dien tijd verstreken, zonder dat de quaestie over de plaats der definitieve hoofdstad ter sprake is gekomen. Leden van Kamer en Senaat gingen op kosten van den staat reizen maken, om over de respectieve voordeelen van de voorgestelde plaatsen en hun districten te oordeelen, en nieuwgekozen leden konden geen beslissing nemen, zonder dat ze ook met eigen oogen hadden gezien.
Intusschen begonnen de kiezers ongeduldig te worden; er moest worden beslist. Die van Victoria dreven de keus van Dalgety door; maar het plaatselijk parlement van Sydney verklaarde, dat het nooit Dalgety zou erkennen, en bood een andere plaats aan, het tot nu toe onbekende Canberra.