Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 8
De momentsluiting wordt door een lepelvormigen hefboom opgelicht, waarvan de holte door een met samengedrukte lucht gevulden elastieken bal naar buiten wordt gedrukt. Bij het langzaam ontwijken der lucht valt de bal samen en deelt aan den hefboom een beweging mee, waardoor de momentsluiting losgaat. De belichting geschiedt dus op een zeer nauwkeurig te bepalen oogenblik. Bij een anderen vorm van het apparaat is er slechts een enkele lens en een film aangebracht, waarop door middel van een gummiballetje en een uurwerkje in gegeven tusschenruimten van tijd een gansche reeks opnamen plaats hebben.
Daar de postduif na haar opvliegen eerst een spiraal beschrijft, is het gemakkelijk, een aantal opnamen van hetzelfde kijkje in verschillende richtingen te erlangen. Als de duif dan de ligging van haar doel heeft vastgesteld, en ze kan haar thuis op meer dan 30 kilometer afstands terugvinden, vliegt ze er met de vaart van een sneltrein heen in rechte lijn. Dus heeft men het in zijn macht, de te photografeeren streek vooruit te bepalen.
Het ligt voor de hand, dat de photografeerende postduiven in de eerste plaats voor strategische bedoelingen nuttig zullen blijken. Van belegerde plaatsen uit zou men bij voorbeeld met hun hulp den stand der belegerende afdeelingen van het vijandelijke leger bepalen en op dergelijke manier zou de vijand ingelicht kunnen worden over de hulpmiddelen der vesting. Dr. Neubronner heeft voor deze oorlogswerkzaamheid van zijn duiven verplaatsbare duiventillen vervaardigd, die op torenhoogte kunnen worden aangebracht.
Het duitsche legerbestuur heeft haar belangstelling in deze zaak daardoor getoond, dat het den uitvinder uitgenoodigd heeft, naar Tegel te komen, om in gemeenschap met de afdeeling voor luchtscheepvaart proeven te doen met zijn toestellen. Samen met bestuurbare luchtschepen zou men de duiven zóó kunnen gebruiken, dat het luchtschip uit veilige hoogte de duiven loslaat en dat deze dan op een reeds voor het luchtschip gevaarlijke hoogte de opnamen verrichten. Voor eenige weken hield de uitvinder een voordracht in Cronberg en illustreerde die met lichtbeelden, gemaakt naar photografieën, die zijn duiven hadden meegebracht van het voor iedereen gesloten park van het slot Friedrichshof. Wat in tijd van vrede in een gesloten, welbewaakten tuin mogelijk is, zou ook kunnen gebeuren in oorlogstijden bij een belegerde en verdedigde stad, en hoe klein ook de plaatjes mogen zijn, ze zullen voor het deskundig oog, toch allerlei duidelijk maken aangaande de stellingen der artillerie, de kampen en de uitwerking der beschietingen.
DE MAMBÈRAMO.
In de jongste aflevering van het Tijdschrift v/h. Aard. Gen. trekt vooral de aandacht het artikel van den afgetreden secretaris, den heer G. P. Rouffaer, over de rivier de Mambèramo op Nieuw-Guinea, die aan de noordkust uitmondt. De opvaringen van 1884, 1900 en 1906 worden er in behandeld aan de hand van rapporten en bescheiden van deelnemers aan die expedities, en aan het slot wordt de hoop uitgesproken, dat er niet lang meer worde gewacht met een ernstig onderzoek van den bovenloop, waar men op moeilijkheden stuit, die waard zijn, met kracht en macht te worden overwonnen.
De eerste bevaring en verkenning had plaats in 1884 door het gouv.-stoomschip Havik met den resident van Ternate van Braam Morris aan boord; voor de tweede maal geschiedde een verkenning in 1900 door het s.s. Camphuys van de Paketvaart en eindelijk in 1906 door het gouv. s.s. Brak met den resident Roos en kapitein Colijn aan boord. Ieder maal echter stuitte een verder onderzoek van de rivier af op de groote snelheid van den stroom, die boven een bepaald punt, Havik-eiland, de pogingen om haar op te varen verijdelde.
De merkwaardige rivier doet ten volle haar naam Mambèramo of "Grootwater" eer aan. Ondanks het vrij sterke verval en de massa water, die zij aanvoert, wijzigt zij zich, in tegenstelling met andere groote indische rivieren, al zeer weinig. Een tweede belangrijk punt is, dat de stroombedding in hoofdzaak bestaat uit grint of hard zwart zand; de Mambèramo is geen modderrivier zooals de meeste stroomen, die naar de Z.-kust afvloeien, en slib is afwezig. De stoffen, die van boven worden aangevoerd, zijn niet sterk verweerd, en pleiten voor kristallijne moedergesteenten. Een onderzoek door een geoloog van dit door den stroom medegesleurde materiaal is dringend noodig, opdat men ten minste vooraf eenigszins wete wat er, zuidelijker op, verwacht kan worden als formatie.
De stroom zelf is snelvlietend en beheerscht zoozeer met zijn zoet water zijn eigen bedding, dat tot dicht bij den mond geen brak water voorkomt; vandaar de sago-bosschen, die geen zilt kunnen velen, tot dicht bij zee.
Bij het verst bereikte punt loopt de stroom met een snelheid van circa 4-1/2 mijl in het uur. Zoo sterk was hij, dat de barkas der Camphuys alleen als ze voor een oogenblik goed stoom had, iets vooruitkwam; zakte de stroom maar even, dan bleef de barkas op dezelfde plaats. Met de Brak gebeurde hetzelfde.
De heer Rouffaer komt door samenvoeging der verschillende bestaande gegevens tot de conclusie, dat de overgroote hoeveelheid regen en sneeuwwater van het Sneeuwgebergte niet naar de Zuidkust afvloeit, maar om de Noord en wel door den eenigen grooten stroom aldaar, de Mambèramo. Deze is een zéér groote constante stroom, de "Rijn" der Centrale Nieuw-Guineesche Alpen. Het heele jaar door gaat een constante hoeveelheid water door een in hoofdzaak steenachtig bed. Neemt men verder de breedte van de rivier in aanmerking, welke bij de monding 800 M. en bij het verst bereikte punt nog 400 à 500 M. bedraagt, dan begrijpt men, dat de Mambèramo op zich zelf het ideale "groote water" is om tot in het binnenland door te dringen.
Bij vele belangrijke voordeelen biedt het opvaren der Mambèramo echter ook zeer ernstige nadeelen. Fnuikend op den lust om langs dien waterweg te reizen, werkt het gevaar voor malaria en beri-beri, want de streek is boven mate ongezond en alle drie de expedities hadden zeer veel van deze ziekten te lijden. Zoo kreeg de kapitein der Camphuys er beide ziekten, evenals de meeste inlandsche opvarenden, terwijl ook stuurman en machinisten alle moesten worden vervangen, het schip moest worden gedesinfecteerd. Ook de Brak deed soortgelijke ondervindingen op, zoodat van de 27 man equipage er slechts 13 geschikt bleven, om den dienst waar te nemen. De ongezondheid der streek schijnt ook te blijken uit de buitengewone schaarschte der bevolking, welke laatste gedurig afneemt.
SVEN HEDIN.
In aansluiting aan het op de vorige bladzijde voorkomende bericht over Sven Hedin, deelen wij nog mede dat het met de triomfen is blijven voortgaan in de laatste weken, ook tijdens Sven Hedin's verblijf te Londen, waar hij den 6en Febr. de gast was van de Savage Club, en een rede uitsprak, die in alle bladen uitvoerig werd »verslagen«. Twee dagen later hield de Thibetreiziger zijn groote voordracht voor de leden der Royal Geographical Society. Zijn werken, zijn ontdekking van de bronnen van Brahmapoetra en Indus vinden nu wel ten volle waardeering.
SPITSBERGEN.
Spitsbergen wordt bepaald een toeristenland, zoo sterk neemt jaar op jaar in den zomer het aantal bezoekers toe, die het vermaak der wintergenoegens daar in den zomer komen zoeken. Er worden bovendien zelfs in den winter jachtexpedities heen ondernomen, die te water en te land de pelsdieren achtervolgen, en daar men het ook ernstig gaat meenen met den bergbouw, waar reeds een begin mee is gemaakt, wordt het langzamerhand zeer wenschelijk, dat er een regeling plaats vinde van de volkenrechtelijke positie der tot nu toe niet aan eenige mogendheid toebehoorende eilandengroep.
Noorwegen heeft al bij sommige gelegenheden bij de andere mogendheden daar een balletje van opgeworpen, want dat land stelt veel belang in de toestanden, die op Spitsbergen heerschen, daar het grootste deel der industriëele ondernemingen van jacht, vischvangst en bergbouw wordt uitgeoefend door onderdanen van het jonge koninkrijk Noorwegen. Ook door zijn ligging schijnt Noorwegen in de eerste plaats geroepen, het oppertoezicht op Spitsbergen uit te oefenen, hoewel het land zich tot nu toe van alle mogendheden de minste opofferingen heeft getroost voor het onderzoek der groep, maar wel de resultaten van het werk der anderen, vooral van Zweden, zich heeft ten nutte gemaakt.
Door Zweden is dan ook ernstig bezwaar gemaakt tegen de opperhoogheid van Noorwegen over den Spitsbergen-archipel, en dus is het te verwachten, dat op de aanstaande conferentie van de bij Spitsbergen belang hebbende mogendheden Noorwegen slechts met het politietoezicht zal worden belast.
Het zou wel wenschelijk wezen, als dan meteen door de aanstaande conferentie een andere vraag wordt opgeworpen, die voor alle wetenschappelijke poolexpedities van groote beteekenis is. Men moest namelijk aan de conferentie de gelegenheid geven, aan het doelloos slachten van het wild door jachtexpedities in arctische streken een eind te maken. Aan zulk een moord in massa is waarschijnlijk het verongelukken van Dr. Mylius Erichsen en zijn beide tochtgenooten toe te schrijven, toen ze in Oost-Groenland waren, daar in die buurt door engelsche en amerikaansche jachtgezelschappen in de laatste jaren de walrussen en de muskusossen zoo sterk verminderd zijn, dat de Deensche expeditie onmogelijk genoeg hondenvoer kon krijgen.
In Augustus van het jaar 1908 is een engelsche jachtonderneming van den bekenden sportliefhebber C. V. H. Peel, waaraan ook enkele duitsche jagers deelnamen, van Frans-Jozefsland teruggekeerd, waar ze in weinige dagen niet minder dan 20 ijsberen, 39 zeehonden en een groot aantal poolvossen hadden neergelegd. Het onderzoek van het onbekende Noorden heeft bij zulke slachtingen al even weinig belang als de natuurwetenschap.
QUANT À MOI VAN CHINEEZEN EN INLANDERS.
Henri Borel heeft een paar mooie foto's aan »De Week« van 30 Januari gestuurd met een kort bijschrift. Ze betreffen een liefdadigheidsvoorstelling te Soerabaya, waar chineesche dames uit de kringen der notabelen dansten en zongen en een operette opvoerden. De schrijver ziet terecht in het optreden van die »Chineezinnetjes« een bewijs van den snel ontwakenden emancipatiegeest onder de bloem der chineesche vrouwenwereld.
Dat ook de heeren langstaarten, en niet alleen de dames, zich meer en meer gaan voelen en in de indische maatschappij van hun beteekenis en hun invloed blijk geven ook tegenover de blanke bevolking, wordt op gevoelige manier den hollandschen koopman en industriëel aan het verstand gebracht door den boycot, dien de chineezen tegen enkele in hun oogen verkeerd handelende firma's in toepassing brengen.
Die boycot wordt als zoo nadeelig beschouwd, dat men reeds aan de regeering om tusschenkomst heeft gevraagd, maar natuurlijk zonder succes. Het zou ook te dwaas zijn, als van bovenaf werd ingegrepen, nu dit economische verschijnsel, dat langs natuurlijken weg zijn verloop moet hebben, toevallig enkele invloedrijke personen benadeelt. Aaneensluiting van de zijde der tegenpartij zal het uit den aard der zaak voortvloeiend verweer moeten zijn.
Het is een lastige tijd voor ons daarginds. Een curieus staaltje van verhoudingen en opvattingen, waar wij nog aan moeten wennen, lijkt ook de meening, in een circulaire van de inlandsche vereeniging Boedi Oetomo uitgesproken, dat de inlanders toch om vooruit te komen, wat meer aan handel en industrie moeten doen, niet zoo met trotsche minachting op koopmanschap moeten neerzien. De kooplieden moeten in deftige kringen worden opgenomen, net als bij de Europeanen het geval is, 't is een verkeerde trots, den neus op te halen voor den koopmanstand, dat moeten de inlanders begrijpen. Ze kunnen het van de Europeanen leeren!
EEN BATAK-SPIEGEL.
Te Leiden is op 30 Sept. j.l. opgericht een "Bataksch Instituut", een vereeniging, die zich de bestudeering der Bataklanden ten doel stelt, het groote gebied op Sumatra, dat een eigenaardige volksbeschaving heeft en waar de Islam nog zoo goed als niet is doorgedrongen.
Een der eerste werken van de jonge vereeniging zal de uitgave zijn van een schetsbeschrijving der Bataklanden, waaraan ze den naam van een Batakspiegel geeft in navolging van het gebruik van het oude woord »spiegel«, zooals het voorkomt in Spieghel-Historiael, in Saksenspiegel, Zwabenspiegel enz.
Van zulke schetsbeschrijvingen maken de Engelschen in Voor-Indië al van 1841 af gebruik ter oriënteering vooral van de ambtenaren. Ze noemen ze gazetteers, dus »nieuwstijdingen«, ook wel manual, guide of directory, dus handboek, gids of leidraad.
Tegen het eind van 1909 hoopt het Bataksch Instituut met zijn Batakspiegel klaar te wezen.
Intusschen is nu reeds als No. 1 van de uitgaven verschenen »Hygiënische Misstanden in het Karoland« door M. Joustra, den oprichter van de vereeniging.
TRAM TUSSCHEN GENUA EN MILAAN.
Er zal een nieuwe electrische tramlijn worden aangelegd, die zoowel om haar lengte als om de verbazende moeilijkheden, bij den aanleg te overwinnen, de algemeene aandacht trekt. De ondernemers zullen voor deze tram, waarvan de lengte 136 kilometer zal bedragen, 230 millioen francs moeten uitgeven. Die kolossale som wordt verklaard door de hinderpalen, die uit den weg zullen moeten worden geruimd, een breede stroom, veel kleinere rivieren en de Apennijnen zullen moeten worden overgetrokken! Er zijn in het tracé negentien tunnels ontworpen, waarvan de langste bijna twintig kilometer lang zal wezen, en 372 bruggen zijn er noodig. Men denkt zes jaar voor het reuzenwerk noodig te hebben.
De lijn zal een dubbel spoor hebben, en er zullen twintig treinen per dag rijden, elk van drie wagens met respectievelijk vijftig plaatsen. Zoo zal men 6000 passagiers dagelijks kunnen vervoeren. Er zullen expresstreinen rijden, die enkel de belangrijkste plaatsen aandoen, en omnibustreinen. Men hoopt op die manier de economische ontwikkeling van de Lombardijsche vlakte te bevorderen, doordat veel kleine steden en dorpen, die tot hier toe elk middel van snelle gemeenschap ontberen, rechtstreeks verbonden zullen zijn met twee groote steden, van welke één zeehaven van den eersten rang is, zoodat ze hun producten gemakkelijk van de hand zullen kunnen zetten.
GEDENKDAGEN IN 1909.
Geboortedag van Darwin 12 Februari 1809. " " Gladstone 29 December 1809. " " Lincoln 12 Februari 1809. " " Mendelssohn 3 Februari 1809. " " Tennyson 6 Augustus 1809. " " Poe 19 Januari 1809. " " Chopin 1 Maart 1809. " " Braille 4 Januari 1809. " " Wendell Holmes 29 Augustus 1809. " " Dr. J. P. Heije 1 Maart 1809.
OP DEN UITKIJK.
HET TEGENWOORDIGE SERVIË.
Fritz Mielert, die in het jaar 1907 een reis door Servië deed, spreekt in zijn reisverhaal van den grooten droom der Serviërs, om het oude Servische czarenrijk uit de Middeleeuwen te herstellen. Den nooit vergeten heldenkeizer, czar Stephan Doesjan, halen zij zich daarbij voor den geest, den dappere, die van de twisten in Byzantium gebruik maakte, om Zuid-Macedonië, Thessalië, Albanië en Epirus te veroveren en die van 1331 tot 1355 regeerde. Een zoo uitgestrekt gebied, als Servië toen besloeg, zouden de Serviërs weer het hunne willen zien, en daarom is het hun een gruwel, dat de Donau-monarchie Bosnië en Herzegowina nu wel voor goed in bezit heeft gekregen. Maar de nationale eerzucht van het volk houdt in het geheel geen gelijken tred met hun ontwikkeling, en er is weinig kans, dat de volksdroom ooit zal worden verwezenlijkt.
Toch is de beweging voor een groot zuid-slavisch rijk in den allerlaatsten tijd weer veel levendiger geworden en de propaganda ervoor is met kracht ter hand genomen in alle landen, die voor een vereeniging tot zoo'n groot geheel in aanmerking komen, dat zijn de streken, waar veel Serviërs wonen, namelijk niet alleen Servië, maar ook Bosnië, Herzegowina, Montenegro, Dalmatië, Kroatië en Slavonië. Op den 15den Januari van dit jaar is zelfs een proces wegens hoogverraad begonnen tegen 55 aangeklaagden, voor welk proces niet minder dan 276 getuigen zijn opgeroepen. De aangeklaagden worden beschuldigd van zoowel in het openbaar als in het geheim te hebben getracht, door middel van een burgeroorlog of een omwenteling de koninkrijken Kroatië, Slavonië en Dalmatië en de provincies Bosnië en Herzegowina uit het verband der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie los te maken, zoodat ze schuldig staan aan hoogverraad.
De Groot-Servische propaganda heeft den steun van kerk en school in Servië. Zij schijnt zich te vereenzelvigen met het Grieksch-Katholicisme, heeft de pers op haar hand en vindt geen geringen steun bij het hof, zoodat door dit alles de zaak voor Oostenrijk er niet rooskleurig uitziet. Door boeken en kleinere geschriften en door lezingen maakt de vereeniging »Het Slavische Zuiden« in de genoemde oostenrijksche provincies propaganda voor de stichting van een nieuw groot servisch rijk en voor verjaging van de Oostenrijkers.
Het omvangrijke bewijsmateriaal maakt, dat het proces waarschijnlijk lang zal duren, en de openbare behandeling voor de rechtbank zal eerst recht de aandacht van Europa op deze oostersche quaestie vestigen.
Intusschen mag Servië zelf wel ijverig zich inspannen, opdat de beweging dat land niet over het hoofd groeie, want met Bulgarije en Roemenië vergeleken, is Servië nog wel veertig of vijftig jaren ten achteren, eigenlijk op alle gebieden. Het is op Montenegro na het aan spoorwegen armste land van het Balkanschiereiland. Het is gebleven bij de hoofdlijn Belgrado-Vranja-Konstantinopel met den zijtak naar Ristovatz-Saloniki en de beide noordelijke lijntjes Lapovo-Kragoejewats van 30 en Palanka-Semendria van 40 kilometer. Nog altijd blijven de kleine harige paardjes en de zware, schrikkelijk knarsende ossenkarren het eenige vervoermiddel voor groote vrachten. Personen worden door huurrijtuigen of door de ouderwetsche wagentjes zonder veêren van de Serviërs vervoerd.
Toch zijn er genoeg vruchtbare streken, die de openstelling door spoorwegen waard zouden zijn; maar voorloopig moet men het met gewone wegen en dan nog wel gebrekkige stellen. Industrie en handel beteekenen zeer weinig, en zoo maakt het een dwazen indruk, dat de trotsche Serviërs zoo vaak schouderophalend van die »domme Duitschers« spreken, terwijl ze voor zoo'n groot deel van den invoer uit Duitschland en Oostenrijk afhankelijk zijn. Voor het handwerk trekt de echte Serviër den neus op en veel handwerkers behooren tot andere volksstammen, zoo zijn er de metselaars allen Roemeniërs, de smeden Zigeuners en zoo meer.
Wat de kleederdrachten aangaat, wordt men meer modern, vooral in de hoogere standen en de rol, die de vrouwen in huishouding en staat spelen, wordt ook minder turksch dan tot voor korten tijd nog het geval was en krijgt, zooals trouwens ook in Konstantinopel, meer een europeesch karakter.
Ook de landbouw is in Servië achterlijk, en de steden met de slecht geplaveide straten en de lage huizen maken een indruk van groote achterlijkheid. De dorpen munten daarentegen vaak uit door schilderachtigheid met hun witgekalkte huisjes, de op palen staande voorraadsschuren, de vele vruchtentuinen en de kerkjes in het groen.
In het bergland kan men stuiten op prachtige ruïnen van de burchten uit den heldentijd, op oude en nieuwe kloosters te midden van heerlijke bosschen en op de verrukkelijkste natuurtooneelen. Het dal van de Idar is daarvoor niet ten onrechte beroemd. Van de kloosters is Studenitza bekend, waar de groote czar der Serviërs, Stephan, Doesjan, in een zilveren sarcophaag rust, en Zica, waar de czaren werden gekroond. Thans wonen in die kloosters eenige monniken, die den roem van hun gastvrijheid en van hun uitstekende pittige dranken, die ze zelf bereiden, handhaven.
AMERIKAANSCHE EEKHORENTJES NAAR EUROPA.
Toen een flink vooruitziend gemeentebestuur in New York groote terreinen afzonderde voor de toekomstige geslachten van New Yorksche burgers en er de bestemming aan gaf van openbare parken in een tijd, dat de stad zich nog niet verder uitbreidde dan tot de vijftigste straat, toen legde de gemeente de hand op een groote uitgestrektheid gronds in het midden van Manhattaneiland, dat aldus onttrokken werd aan de speculatie der grondspeculanten.
In de boschjes, die daar groeiden, huisden allerlei dieren, ook in grooten overvloed het amerikaansche eekhorentje, dat iets grooter is dan het onze en langs den Atlantischen Oceaan aangetroffen wordt zoowel in de Vereenigde Staten als in Canada.
Daar werd het Central Park aangelegd en vanwege de gemeente moest er toen opruiming worden gehouden onder de wilde bewoners. Hazen en konijnen werden onverbiddelijk opgeofferd, maar de eekhoorns hadden zich al in zoo sterke mate de vriendschap der menschen weten te verwerven; zij vonden in de buurt zooveel bewonderaars, die des Zondags in den vorm van noten en andere versnaperingen hun hulde aan de vroolijke boschgasten kwamen bewijzen, dat er een monsterpetitie naar het gemeentebestuur kon worden gezonden, om toch de eekhorens te sparen.
Het verzoek vond een gunstig onthaal, alleen werd het voorbehoud gemaakt, dat de oppassers van het Park het recht zouden hebben, nu en dan als het noodig werd, doordat de knagertjes schadelijk werden voor het jonge hout, onder de dieren een opruiming te houden.
Die overeenkomst heeft de gunstigste resultaten opgeleverd. Zoowel in Brooklynpark als in Central Park zijn nog altijd de eekhoorns een aantrekkelijkheid en een vermaak voor de wandelaars, die de vlugge, sierlijke diertjes van de boomen naar beneden zien klauteren en die tot allerlei vertrouwelijkheden overgaan. Als ge u op een wat afgelegen bank hebt neergezet, komt er al gauw een nieuwsgierig beestje van een boom naar onderen klauteren en kijkt u onderzoekend aan en als ge in passieve houding volhardt, komt het op den grond naar u toe en zoekt toenadering. Verdwijnt uw hand in een uwer zakken, dan vermoedt het, dat die daar op de zoek is naar de een of andere lekkernij en het zal spoedig den sprong bij u op de bank wagen. Het neemt uit uw hand wat lekkers aan en durft, als het bespeurt welkom te wezen, tegen uw kleêren op te klimmen.
In 1906 was echter de toeneming der eekhorentjes zoo sterk geworden, dat de autoriteiten het gewenscht oordeelden, een slachting onder hen te houden; maar toen kwam men van uit Europa te hulp. Er werd door het bestuur van den Zoological Garden in Londen aanvraag gedaan, om toezending der overtollige eekhoorns en per eerstvolgende stoomboot werd er een bezending ingescheept. Zij kwamen in den besten welstand over en na druk en levendig in de Zoo hun spelletjes te hebben gespeeld, mochten ze het terrein hunner werkzaamheid uitbreiden ook tot Regents Park, waar de aardige emigranten al spoedig vrienden wonnen.
Sinds een paar eeuwen levert Engeland zulk een groot aantal nieuwe bewoners aan het westelijk halfrond, dat dit laatste den tijd gekomen schijnt te achten, met gelijke beleefdheid te antwoorden; maar deze emigratie van aardige knaagdiertjes is een luxe-emigratie en weelde drong menschen zelden tot landverhuizing.
BLOEIENDE ALPENVEREENIGINGEN.
Uit de jaarverslagen van verschillende Alpen-vereenigingen blijkt, dat de bergsport zich in een steeds toenemende belangstelling mag verheugen. De bekende Deutscher und Oesterreichischer Alpen Verein heeft in 1908 haar 80.000ste lid mogen boeken. In de algemeene vergadering van deze vereeniging werd 155,432 mark subsidie toegestaan aan de onderafdeelingen ten behoeve van huttenbouw en weg-aanleg in de Oost alpen, terwijl alleen voor het Zeitschrift en de Mitteilungen, die de leden gratis ontvangen, een som van 242.259 mark werd uitgetrokken.