Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 7

Chapter 73,656 wordsPublic domain

Daar staat tegenover, dat in de steden de ambitie voor onderwijs en ontwikkeling verbazend groot bleek en dat de regeering daarin aanleiding vond tot de oprichting van velerlei inrichtingen van onderwijs, gymnasia, burgerscholen, handelsscholen, technische scholen, boschbouwscholen en bergbouwscholen en zelfs in Serajewo een juristenschool, die jonge Mohammedanen voorbereidt voor hun loopbaan als kadi of rechter. Verder werd er voor het militaire onderwijs en voor dat van meisjes gezorgd, werden ambachtsscholen geopend en stichtingen voor de opleiding van onderwijzers. Veeteelt, ooftcultuur en wijnbouw kregen hun inrichtingen tot opleiding van deskundigen; het kunsthandwerk, dat van oudsher in tapijten en wapens had uitgemunt in het land, kreeg geldelijken steun van den staat en een bosnisch museum werd geopend. Al die beschavingsmiddelen werden door de steedsche bevolking op prijs gesteld en er werd ijverig gebruik van gemaakt; zij hebben niet weinig bijgedragen tot de opleving van het land.

De bonnes marques, die Oostenrijk daar op die wijs heeft verdiend, zullen zeker op de aanstaande conferentie met gratie worden uitgereikt.

VERKEERDE KOST.

De kunst, schadelijke dingen smakelijk te bereiden, verstaan, helaas, niet alleen koks, maar ook schrijvers en dichters.

TECHNIEK.

De kunstenaar smale toch niet op de techniek, al is ze ook nog zoo moeilijk te leeren.

OP DEN UITKIJK.

VAN ANCONA NAAR REGGIO.

Tot aan de Apulische vlakte gaat de spoorweg naar het Zuiden steeds langs de zee. Men heeft aan de landzijde de steile rotskust, die niet bijzonder hoog is, en alle kapen, waar de golven omheen spelen, zijn bekroond met schilderachtige dorpen en stadjes. In de diep ingesneden dalen liggen witte villa's tusschen donkere cypressen en naast olijven- en citroenboomboschjes. Geuren van oranjebloesem komen door de spoorwegraampjes binnen. Een uur ongeveer vóór Castellamare komt dan de lijn in de vlakte. Men krijgt een vrij uitzicht naar het Westen, en de sneeuwtoppen van de Abruzzen duiken op.

Van Pescara af verandert weer het beeld van het landschap, en men krijgt een licht golvend, zandig heuvelland. En dan de Apulische vlakte, die herinnert aan beschrijvingen uit het Oosten. Het is een eindelooze grasvlakte, waar lange heuvelreeksen doorheen loopen. In het Oosten onderscheidt men in het teedere blauw der lucht het van boven geheel vlakke tafelland van den Monte Gargano, de spoor van de italiaansche laars. Van Foggia uit worden dikwijls uitstapjes naar dat bergland ondernomen, naar dien vroeger wereldberoemden bedevaartsberg. Een rit van twee uren door een moerassige vlakte met verspreide gehuchten voert u erheen. Steil daalt het tafelland aan de kanten naar beneden; het lijkt een stuk aarde, uit een ver verleden overgebleven, terwijl het omringende land vlak is geworden.

Een kunstwerk leidt ons naar het hooggelegen San Angelo; maar men kan de plaats ook bereiken langs een steil voetpad met veel kronkelingen. Men passeert dan veel interessante armoedige woningen, die natuurlijke uithollingen zijn in het zachte gesteente. Van voren ziet men de opening, die met een paar planken is dichtgemaakt, door de hooge steenlaag erboven is een gat geboord voor schoorsteen, en klaar is het huis.

Door zijn hooge ligging is San Angelo in het voorjaar lang koud, en in Maart dwarrelt er nog dikwijls sneeuw door de straten. Het is een eigenaardige plaats, hangend tegen de helling van het kalkgebergte, met een zwarten toren oprijzend boven de armelijke huisjes van één verdieping aan de straten, bestaande uit den naakten kalkbodem. Vuil is alles er, en alleen de belangstelling in het oude heiligdom van den aartsengel doet er enkele bezoekers komen. Dat is nog dezelfde grot, waarin reeds de ouden in opgeheven houding met de handen ten hemel hun gebeden opzonden tot den zeeënbeheerschenden Poseidon. De drakendooder, de aartsengel Michaël, wordt overal met voorliefde vereerd op plaatsen, die al in oude tijden heilig waren.

Langs een trap met vijftig treden daalt men in de ruime rotsholte, bij welker ingang de kerk is gelegen. Het gebouw is half in de rots uitgehouwen en heeft alleen het licht van den linkerkant. Rechts heeft men den ingang van de wereldberoemde grot. Het beeld van den aartsengel is een werk uit den tijd der late Renaissance, een marmeren figuur, die iets minder dan levensgroot, den engel voorstelt in het pantser met kroon, vleugels, schild en zwaard.

Zonderling als de stad zagen er ook de bewoners uit. Ze leken opvallend op bekende typen van Afrika's noordkust, en wie weet, of men hier niet te doen heeft met nakomelingen van de Saracenen van Frederik II, die zich in de wildernis hebben teruggetrokken, om veilig te wezen voor den kerkelijken ban en voor het zwaard van Anjou. Naar Manfred, den zoon van keizer Frederik II, heet de door hem op de plek van het oud-romeinsche Sipontum gestichte stad Manfredonia, een onbeduidend stadje nu, aan zee met een door Manfred begonnen en door Karel van Anjou voltooid kasteel, een vierkant met stompe torens en andere vestingwerken, als zooveel in Zuid-Italië alles in diep verval.

Bari en Brindisi steken daarbij gunstig af en van Brindisi naar Reggio wachten den reiziger naar Reggio dan nog 400 kilometer afstands, waarvoor men 26 uren noodig heeft. Dat lijkt zonderling, maar het raadsel wordt opgelost, als men weet, dat de spoorwegmaatschappij tweemaal een oponthoud van vier uren heeft ingeschakeld, te Metapont, waar de reiziger meestal de moeite doet, eenige resten van grieksche zuilen, die aan den horizon verrijzen, te bereiken, en in Catanzaro, een plaatsje, dat ongeveer acht kilometer van het station is verwijderd. Het heeft bij de jongste aardbeving veel geleden, maar wat is de schade, daar aangericht bij de verwoesting, waaraan Reggio is onderworpen geworden. Als men van Cantanzaro naar Reggio spoort, heeft men steeds de heerlijk mooie, diepblauwe zee aan zijn linkerhand en rechts verrijzen de bergen. In tunnels vliegt men door de met hun voet in het schuim der golven staande kapen, stoute bruggen spannen zich over diepe, met rotspuin gevulde dalen. Die allen zijn thans door de vloedgolf, die met de zeebeving gepaard ging gevuld, en wie vroeger, verrukt over de mooie en belangwekkende dingen, die hij had aanschouwd op zijn reis in Zuid-Italië, te Reggio aankwam, vindt nu een stad van ruïnen; de aardige huizen en villa's op de hellingen aan zee zijn weggevaagd, even totaal is er de verwoesting als in het tegenover liggende, alleen door de straat van Messina er van gescheiden Messina, waar dood en verderf als nooit te voren hebben gewoed op dien onzaligen 28sten dag van December 1908.

INTERESSANTE STUDIE OVER JONG-TURKIJE.

Prof. D. Snouck Hurgronje heeft van 25 Juli tot 23 September 1908 gewoond in Konstantinopel, en geeft over zijn verblijf aldaar en over de nieuwe toestanden in het turksche rijk een beschouwing in de Gids van Januari. Hij kwam juist een dag na de afkondiging van de nieuwe grondwet aan in de belangwekkende stad, den juisten observatiepost voor hem, die het leven en denken der huidige Mohammedanen tot voorwerp zijner studie heeft gekozen.

(Tusschen haakjes zij hier even gezegd, dat Dr. Kuyper's boek »Om de oude Wereldzee« een veer van beteekenis moet laten, omdat hij verscheiden onjuiste mededeelingen heeft opgenomen en zich aan vergissingen schuldig maakt, die lang zijn weerlegd door de mannen der wetenschap.)

Onze geleerde kenner van oostersche toestanden kwam wel op een uitgezocht oogenblik in de turksche hoofdstad aan, juist toen de verbijsterende indruk, dien de afkondiging der grondwet maakte, aanleiding werd tot een »kermis der vrijheid«, zoo volkomen in tegenstelling met de oude toestanden. Ongeveer drie weken duurde de opwinding met de vele en velerlei betoogingen. De ministers werden door volksoploopen gedwongen om onder het oog van de leidende demagogen met een plechtigen eed te beloven, liever hun laatsten druppel te zullen plengen, dan ooit mede te werken tot wederafschaffing der grondwet.

Leest men in het Gidsartikel, wat de intellectueele demagogen zich durfden veroorloven, om bij voorbeeld te beletten, dat de staatsdienaren van het oude regime zich met de gestolen millioenen uit de voeten maakten, dan staat men verbaasd over zooveel stoutmoedigheid. De zin voor orde moet intusschen bij de bevolking boven allen lof zijn geweest, en dat terwijl de politie door afwezigheid schitterde, daar men inzag, hoe zij, de uitvoerster der vroegere impopulaire dwang- en geweldmaatregelen, zoozeer den haat en de verachting zich op den hals had gehaald, dat het niet mogelijk zou zijn geweest, de bevolking van uitspattingen te weerhouden, indien ze haar woede op de politie had kunnen koelen.

Vooral was die ordelijkheid verrassend, als men bedenkt, dat in die stad van een millioen inwoners de deuren der gevangenissen waren opengezet zoowel voor de gewone misdadigers als voor de politiek verdachten; maar Jong-Turken, als de wijsgeer-geneeskundige Dr. Riza Tewfik, deden dan ook al het mogelijke, om de zaak in de goede baan te leiden.

Dr. Snouck Hurgronje behandelt in het Gidsartikel den invloed van de gewonnen vrijheid op militairen en schriftgeleerden, dagbladschrijvers en staatsambtenaren. De bevoorrechting van Europeanen in regeeringsbureau's en bij maatschappijen of groote instellingen is, merkwaardig genoeg, door den coup d'état opgeheven, en zoo is een eind gemaakt aan een grief der inheemsche bevolking. De oude regeering was voor die financiëele bevoorrechting steeds te vinden, om toch maar de vreemde mogendheden te vriend te houden.

Het Comité van eenheid en vooruitgang had soms alleen moeilijkheden met de uiteenloopende belangen van de verschillende nationaliteiten, maar het ontzag diepgewortelde vooroordeelen met veel tact en beleid.

Wat de lezers ook zeer zal treffen in het artikel is de opmerking over de openheid van de Turken in hun gesprekken en het weinige standsverschil, dat er gemaakt werd. Wat een kolossale verandering, dat wij het denkbeeld van die gesloten en trotsche Turkennaturen van ons moeten zetten! Hoe verderfelijk heeft daar de druk van boven gewerkt!

De hoopvolle stemming van de jong-turksche leiders strekte zich ook uit over de toekomst, die Armeniërs en Grieken, Arabieren en Koerden en al die andere nationaliteiten aan het nieuwe zouden bereiden, en de nederlandsche geleerde acht hun optimisme haast al te groot. Maar »zonder optimisme komt niets groots tot stand«, en het zou gewaagd zijn, zich aan profetieën te wagen.

Eén vraag bespreekt de schrijver nader, namelijk deze, welke gevolgen de revolutie zal hebben voor het Panislamisme. Dat ideaal is inderdaad een der grootste moeilijkheden voor de europeesche staten, die Mohammedanen onder hun onderdanen tellen. Mooi zijn de weinige bladzijden, aan dat onderwerp gewijd, en duidelijk als het geheele artikel, dat wij heel veel lezers toewenschen.

REISBOEKEN.

In den modernen tijd is het reizen iets heel anders geworden, dan het was in den nog niet in het teeken der machinale voortbeweging staande periode. Men zou verwachten, dat dit verbazende onderscheid tusschen nu en vroeger de belangstelling voor de in vroeger eeuwen ondernomen reizen wakker zou houden. Maar merkwaardig genoeg, heeft men echter in de laatste eeuw voor de ontwikkelingsgeschiedenis van het reizen en voor de buitengewoon waardevolle reisberichten uit vorige eeuwen betrekkelijk weinig belangstelling getoond.

Een duitsche uitgeversfirma, de Gutenberg-Verlag in Hamburg, heeft nu een onderneming op het touw gezet, om tegen dat vergeten in te gaan door de uitgave van een »Bibliotheek van merkwaardige Reizen«. Reizen is op zich zelf niet alleen zeer nuttig en ontwikkelend, maar het lezen erover is dat ook en de klassieke lectuur op dit gebied is het in hooge mate. Vooral zullen de documenten, geschreven door de groote ontdekkers, een voortreffelijke opwekking zijn voor moderne menschen, om hun gedachten eens naar vreemde landen te laten gaan. De jeugd zal er voorbeelden van moed en geestkracht ontmoeten, en wij allen maken erbij kennis met belangwekkende mannen in omstandigheden, die reeds op zichzelf spannend en interessant zijn.

Het eerste deel van deze duitsche verzameling zal de dagboekaanteekeningen en berichten van James Cook bevatten over zijn drie reizen om de wereld. Die beknopte en zakelijke mededeelingen over tochten in onbekende zeeën, uitgevoerd onder allerlei moeiten en bezwaren, hebben eveneens waarde als documenten voor de toestanden bij de scheepvaart in vroeger dagen. De manieren, waardoor Cook zich wist te oriënteeren niet alleen, maar ook de wijze, waarop hij met de menschen omging, met zijn bemanning en met de inboorlingen, dat alles moet belangstelling wekken, en voor den geograaf en den ethnoloog is het werk uit den aard der zaak gewenschte lectuur.

Toevallig, dat deze uitgever thans op een denkbeeld ingaat, dat in onze Linschotenvereeniging reeds in ons land een begin van uitvoering heeft gekregen. Zooals onze lezers weten, zal de nederlandsche vereeniging haar werk aanvangen met de reisboeken van Jan Huygen Van Linschoten, den reiziger van de zeventiende eeuw, peetvader der vereeniging. Wij maken dus een nationaler begin dan de duitsche uitgever, die met een Engelschman aanvangt.

BETERE VERBINDING TUSSCHEN RIJN EN DONAU IN BEIEREN.

Er wordt in Beieren tegenwoordig sterk aangedrongen op een betere verbinding tusschen Rijn en Donau, dan het Ludwigskanaal geeft. Zooals bekend is, vereenigt dat kanaal de beide groote stroomen, doordat het de Altmühl, die in de Donau valt, verbindt met de Regnitz, een zijtak van de Main. Indertijd had men groote verwachtingen van dat kanaal; maar die zijn teleurgesteld.

Toen het werd aangelegd in de jaren van 1836 tot 1845, meende men een goede verbinding tusschen Zwarte Zee en Noordzee in het leven te roepen, maar de vele sluizen, die bovendien niet breed genoeg zijn, bemoeilijken het verkeer op het kanaal, dat ook niet breed en diep genoeg is voor de tegenwoordige scheepvaart, terwijl de concurrentie met de spoorwegen er mede geen goed aan doet. Zoo is men eigenlijk al van 1891 af doende, om verbeteringen aan te brengen, met plannen althans, maar zullen die werkelijkheid worden, dan is er de samenwerking van Beieren en Pruisen voor noodig. Want de bevaarbaarheid van de Main, zoowel als van de Donau, laten te wenschen over in die streken, waar het Ludwigskanaal met beide in verbinding treedt.

Zeker is het, dat thans geen schepen met meer dan 120 tonnen inhoud geregeld in gebruik kunnen zijn op het kanaal, zoodat de handel er bijna alleen plaatselijk is en er van een rechtstreeksch verkeer tusschen de beide groote rivieren geen sprake is, terwijl de kosten voor het personeel zelfs niet door de inkomsten worden gedekt. Vijftien jaar geleden is er te Neuremberg een vereeniging gesticht, die een verbeterd kanaal in studie heeft genomen met gebruik van het tracé van het Ludwigskanaal. Zij concentreert haar werkkracht vooral naar den kant van den Rijn, die voor Beieren van meer beteekenis is dan de Donau.

De Main is reeds geregulariseerd tot Frankfort vanaf de monding van den Rijn en de diepte laat schepen met een inhoud van 1500 ton toe. Er blijven echter tusschen Offenbach en Aschaffenburg over een lengte van 46 kilometer nog uitgebreide werken te verrichten, die een overeenkomst vereischen van de aangrenzende landen, Pruisen en Beieren, het groothertogdom Baden en het groothertogdom Hessen. De onderhandelingen, door Beieren aangevangen, hebben in 1907 geleid tot een ontwerp, dat nog niet tot uitvoering is gekomen.

Pruisen neemt op zich de kanalisatie van de Main tusschen Offenbach en Hanau; het overige deel, tusschen Hanau en Aschaffenburg, is aan Beieren opgedragen.

De kosten der werken worden geschat op 24 millioen mark met inbegrip van de inrichting der haven van Aschaffenburg en de aansluiting aan de spoorwegen, die er samenkomen.

Maar de overeenkomst is tot nu toe een doode letter gebleven, daar de pruisische regeering volgens een wet van 1905, de indiening ervan bij den Landdag moet uitstellen tot de oplossing van de groote vraag der riviertollen. Beieren verzet zich daartegen, zooals men weet, omdat die tollen een groote belemmering zouden zijn voor zijn handel, en zoo blijft ook het doortasten in zake een verbeterd Donau-Rijnkanaal achterwege.

EEN PRINS IN ONZE OOST.

Als Prins Hendrik gevolg geeft aan de door de Indische Groep van het Algemeen Nederlandsch Verbond te Batavia op touw te zetten petitie, om een bezoek aan Indië te brengen, zal hij het tweede lid van ons regeerend vorstenhuis zijn, dat ons Indië met eigen oogen gaat zien.

In 1837 toch ging de toen zeventienjarige Prins Willem Frederik Hendrik der Nederlanden, derde zoon van den lateren Koning Willem II, als luitenant ter zee 2de klasse met het fregat Bellona in Oost-Indië en vertoefde er van 9 Februari tot 29 September van dat jaar.

Eene reis naar en door Oost-Indië met een zeilschip stelde aan den beschikbaren tijd en aan het geduld van den reiziger toenmaals hooge eischen en bracht door gemis aan comfort nadeelen mede, die, vergeleken bij de wijze, waarop tegenwoordig gereisd kan worden, groot waren. Den 17den October 1836 met de Bellona, commandant kapitein ter zee Arriëns, uit Nieuwediep vertrokken, kwam Prins Hendrik den 9den Februari 1837 ter reede van Batavia, na gedurende 14 dagen te Rio de Janeiro te hebben vertoefd. De reis had dus 102 zeedagen geduurd. De Bellona was vergezeld van Z. M. brik Snelheid, onder bevel van den kapitein-luitenant ter zee Ferguson. Deze brik was op de reis van Rio naar Java van de Bellona afgeraakt, doch kwam eenige dagen na het fregat ter reede van Batavia.

Den 23sten Februari d. a. v. verliet de Prins Batavia en ving eene reis aan, waarbij achtereenvolgens Makassar, Menado (Kema), Ternate, Amboina en Banda werden aangedaan en waarna de Bellona 7 Juni ter reede van Soerabaja ankerde. Nu volgde, over Madoera en met oversteken van Soemanap naar Bezoeki, eene landreis over Java, die met 's Prinsen terugkeer te Batavia den 21sten Augustus eindigde. De reis door Indië had dus 6 maanden geduurd. Den 29sten September vertrokken de Bellona en Snelheid voor goed van Batavia. De Prins bezocht nog Riouw, Singapore en Penang en vertrok van daar naar Calcutta. Na een bezoek aan Britsch-Indië werd de thuisreis aanvaard en in Juli 1838 keerde de prins in het vaderland terug.

HET AFRIKA-VRAAGSTUK.

Het Afrika-vraagstuk door Dr. C. M. Kan, oud-hoogleeraar aan de universiteit te Amsterdam. Met een kaart. Haarlem, H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.

Goede wijn behoeft geen krans, en zoo is dit degelijke, doorwrochte werk op de allereenvoudigste wijze uitgegeven, zonder eenigerlei tooi of versiering, zonder afbeeldingen van landschappen of volkstypen, zonder iets, wat de aandacht van den oppervlakkigen lezer (of kijker) boeit. De leerzame inhoud heeft oorspronkelijk de stof geleverd voor de voordrachten, die de oud-hoogleeraar gehouden heeft in de vereeniging »Voor voortgezet Handelsonderwijs«, en op verlangen zijner hoorders is hij ertoe overgegaan, den inhoud der voordrachten in ruimeren kring te verspreiden. De 165 bladzijden, over vijf hoofdstukken verdeeld, vormen een belangwekkende samenvatting van wat er over de verschillende deelen van het werelddeel en over hun exploitatie in de laatste halve eeuw verschenen is in boeken, tijdschriften, brochures en bladen, geordend, geschift en tot een aaneengeschakeld relaas verwerkt.

Vooral van de wetenschappelijke onderzoekingen als voorbereiding voor de practische in-gebruikneming verwacht de schrijver veel en internationale samenwerking is daarbij noodig, zooals door bewijzen en voorbeelden wordt gestaafd. Een zeer groot aantal noten aan den voet der bladzijden verwijzen naar lectuur over de onderdeelen. Voor hen, die de aardrijkskunde-acte voor middelbaar onderwijs nastreven, is het een goudmijn en voor ieder, die zijn kennis omtrent het zwarte werelddeel wenscht uit te breiden, een bruikbare wegwijzer.

OP DEN UITKIJK.

SVEN HEDIN TERUG UIT THIBET.

Op den 16den Januari is Sven Hedin te Stockholm aangekomen van zijn laatste Thibetreis, over welker succes wij aan onze lezers reeds het een en ander meedeelden.

De ontdekkingsreiziger kwam uit een Finsche haven met de stoomboot Bore II. Het Zweedsche marine-vaartuig Vega was de Bore II tegemoet gegaan, en Sven Hedin ging op haar over. Aan boord van de Vega bevonden zich ter verwelkoming de voorzitter van het zweedsche aardrijkskundig en anthropologisch genootschap, prof. Montelius, de verwanten van Sven Hedin e.a. Zondagochtend vond de officieele feestelijke inkomst in de haven van Stockholm plaats.

De ontvangst van Sven Hedin in Stockholm is buitengewoon hartelijk geweest. Zondagmiddag liep het regeeringsvaartuig, met den ontdekkingsreiziger aan boord, de haven binnen. Sven Hedin werd met evenveel eerbewijzen begroet, als plegen te worden gebracht bij de ontvangst van een gekroond hoofd. De regeering, de stedelijke autoriteiten, de besturen van wetenschappelijke genootschappen, leden van het diplomatieke korps, studenten, besturen van sportvereenigingen en tal van anderen waren bijeengekomen om den teruggekeerden reiziger te verwelkomen. Nadat de eerste begroetingen hadden plaatsgevonden, reed Sven Hedin in een galakoets naar het paleis. Aan beide zijden stonden dichte drommen toeschouwers langs den weg geschaard, die Hedin toejuichten.

Op het paleis werd Hedin onmiddellijk bij den Koning gebracht, om wien zich alle leden van het Koninklijk Huis hadden verzameld. De Koning wenschte hem geluk met de bereikte resultaten en decoreerde hem met het grootkruis van de orde van de Noordster.

's Avonds werd Sven Hedin gehuldigd aan een eerediner, dat werd gepresideerd door den Kroonprins.

Twee dagen later werd de zweedsche reiziger door den Czar van Rusland op Tsarskoje Selo ter audiëntie ontvangen.

POSTDUIVEN ALS PHOTOGRAFEN.

Reeds in het midden van de vorige eeuw had een apotheker in Cronberg, ten N.-W. van Frankfort a/d. Main, de heer Neubronner, een duivenpost, om de recepten uit de omliggende dorpen naar zijn apotheek te brengen. Die gedachte is later door den in dezelfde stad gevestigden zoon, Dr. Julius Neubronner, verder uitgewerkt, want hij gebruikte duiven voor de bezorging van kleine hoeveelheden geneesmiddelen. Het onverwachte uitblijven van zulk een gevleugelden bode heeft nu Dr. Neubronner op het denkbeeld gebracht, den weg der duif buiten haar toedoen photografisch op te nemen.

Te dien einde voorzag hij het dier van een miniatuurcamera van minder dan 75 gram gewicht, die door het zelfstandig openen en sluiten van de momentsluiting zeer bruikbare opnamen leverde.

Dit succes gaf hem aanleiding tot het vervaardigen van een eigenaardig photografisch apparaat, waarmee met korte tusschenruimten tot 30 opnamen van 4 bij 4 centimeter kunnen worden gedaan. Het was natuurlijk niet gemakkelijk, een zelfwerkzame camera met een brandpuntsafstand van hoogstens 5 centimeter te maken, waarvan het gewicht met alle toebehooren niet meer dan 75 gram bedraagt, den door een postduif gemakkelijk te transporteeren last. Het apparaat van Neubronner bestaat eigenlijk uit twee zelfstandige camera's, waarvan de lenzen naar voren en naar achteren zijn gekeerd, zoodat men bij elken stand van den vogel altijd minstens één bodemopname krijgt. De beide camera's zitten in een dun aluminiumlijstje, dat met riemen en gummibandjes aan het lijfje van de duif is bevestigd.