Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 6
1879 Arizona, 7 dagen 8 uren. 1882 Alaska, 6 dagen 22 uur. 1896 Saint-Paul, 6 dagen. 1903 Deutschland, 5 dagen 12 uur. 1906 Kaiser Wilhelm, 5 dagen 8 uur. 1906 Deutschland, 5 dagen 7 uur 38 min. 1907 Lusitania, 4 dagen 25 uur. 1908 Lusitania, 4 dagen 15 uur.
DE NASAMONIANEN.
Sir Clements Markham, de groote engelsche reiziger en ontdekker en aardrijkskundige, wordt den 20sten Juli 1909 79 jaar. Hoe kras en flink hij nog is, blijkt nu weer uit een artikel, dat hij schrijft in het eerste nommer van den eersten jaargang van een nieuw maandblaadje, dat aan "Travel and Exploration" zal gewijd zijn. Laat ons even in herinnering brengen, dat de krasse Engelschman indertijd deelnam aan een der expedities ter opsporing van Franklin, dat hij gereisd heeft in Peru, in Indië en in Abessynië, dat hij een poos secretaris is geweest in het ministerie van koloniën, president van de Hakluyt Society, die even als onze Linschotenvereeniging oude reisbeschrijvingen uitgeeft, secretaris en later president van de Royal Geographical Society, in welke betrekking Leonard Darwin thans zijn opvolger is, en dat hij veel over aardrijkskundige theorieën en over zijn reizen heeft geschreven.
Hij schrijft dan in het genoemde artikel, dat den titel draagt van »The Nasamonians":
»Er is een vreugde, die zich niet in woorden laat uitdrukken en die alleen gekend wordt door hen, die het eerst den voet hebben gezet op grond, nooit tevoren door een beschaafd mensch betreden. Verhalen van diegenen, die deze vreugd hebben gesmaakt, zullen nooit hun aantrekkelijkheid verliezen. De heldenmoed van reizigers en zeevaarders is een voortdurend vloeiende bron van belangstelling voor oud en jong, en is dat door alle eeuwen geweest. Niet ieder wordt geboren met die neiging tot ontdekken; niet ieder is geroepen tot die zending, want het is een roeping, en nog minder groeien op, om te bemerken, dat het hun mogelijk, is, aan de roepstem gehoor te geven. Maar een groot aantal jonge lieden gevoelen er de neiging toe, die moet worden aangemoedigd en, zoo eenigszins mogelijk, bevredigd.
Het verlangen naar het glorieuse gevoel van den ontdekker heeft in alle tijden bestaan. Wij kennen de historie van enkele zeer vroege onderzoekingsreizigers. Er waren eens vijf jonge mannen van een libyschen stam, de Nasamonianen genoemd, die aan de oevers van de Groote Syrte aan de noordkust van Afrika woonden tusschen Carthago en Cyrene. Ze voelden begeerte, meer van de wereld te leeren kennen en moeten zoowel ondernemend als omzichtig geweest zijn, want anders zouden ze niet geslaagd zijn. Ze besloten de woestijnen ten zuiden van hun land te onderzoeken, een tocht, die verschrikkelijke en voor een deel onbekende gevaren meebracht. Vele dagen reisden ze en weken, en schijnen in het Haussaland en aan de oevers van den Niger te zijn aangekomen. Ze keerden ongedeerd terug. Het was een heldendaad. Handelaars uit hun streek verhaalden het feit aan Etearchus, koning der oase Ammon, die de geschiedenis overbracht aan eenige Grieken van Cyrene. De Grieken stelden er Herodotus mee in kennis, die de ontdekkingsreis aan alle volken van alle tijden deed kennen.
De grootste vreugde van de Nasamonianen was de eerste aanblik van den Niger. Laat ons daarom het edele leger der ontdekkers naar hen noemen!"
Zoo schrijft Sir Clements Markham en daarmee is de naam van zijn opschrift, dien wij hierboven plaatsen, verklaard. Hij gaat dan voort, van latere meer bekende ontdekkers te vertellen, en zegt, als Columbus ter sprake komt, dat hij zijn jonge landgenooten verzoekt, niet te denken, dat er op het oogenblik geen Guanahani-strand meer is te ontdekken of dat het werk der Nasamonianen gedaan zou wezen. Er is nog overal ontdekkingswerk te doen. Er worden nog droomen van groote daden in die richting gedroomd en ze kunnen verwezenlijkt worden ook.
Napoleon sprak van den maarschalksstaf, dien ieder soldaat in zijn ransel had. Markham merkt op, dat ieder adspirant-ontdekkingsreiziger, ieder Nasamoniaan de medaille van de Royal Geographical Society in zijn sextantdoos kan hebben.
Een paar persoonlijke herinneringen geeft de schrijver, eenige voorbeelden van grootsche heldendaden van ontdekkers, en Brönlund wordt daarbij niet vergeten, de dappere Eskimo, die bij Mylius Erichsen was en tot zijn laatste oogenblik den plicht voor oogen hield, om de wereld te doen weten, wat er van de anderen was geworden.
COPAL.
De copalboomen lijken wel wat op oude esschen, zooals ze in Oost-Afrika tot veertig meter hoog worden. De latijnsche naam is Trachylobium. Alle deelen van den boom, van den wortel tot den top, bevatten copalhars, een kleverige, dradentrekkende, in de lucht hard wordende vloeistof, een stof, die in de lak- en vernisindustrie bijzondere beteekenis heeft en in de schilderkunst wordt gebruikt. De aanvoer van copal op de markt is niet altijd even groot, is ook niet geregeld en op den duur gewaarborgd, zoodat de prijzen steeds hoog blijven.
Men wint de copal op twee verschillende manieren, namelijk als nieuwe en als fossiele copal. De eerste wordt ingezameld, doordat men den boom wonden toebrengt en de uitvloeiende hars opvangt, hetgeen ten slotte den dood van den boom ten gevolge heeft. Die versche copal is niet zoo waardevol als die, welke een reeks van oxydatieprocessen heeft ondergaan. Onder den grond heeft zich de hars, die aan de wortels van den boom is ontvloeid, veranderd in wat men fossiele copal noemt. De stof blijft er liggen, ook, als de boom in den loop der tijden verdwenen is. Het barnsteen geeft een voorbeeld van een dergelijk ontstaan.
Men graaft de copal in dezen toestand op ter diepte van 0.30 tot 1 meter in zandigen grond, maar men kan er nooit op rekenen, zulke hoeveelheden te vinden, dat de winning van copal voor den Europeaan een winstgevende zaak wordt. Ook de negers doen niet veel moeite, om copal te vinden en op te graven, zoodat de aanvoer zeer wisselvallig blijft. In jaren van droogte en misgewas stijgt de opbrengst, en ze is gering in de tijden van goede oogsten.
Zoowel de fossiele als de nieuwe copal komt meest uit Duitsch Oost-Afrika en draagt den naam Zanzibarcopal of Indische copal, ofschoon die betiteling verkeerd is, daar in Zanzibar in het geheel geen copal wordt gevonden, en Indië wel copal levert, maar mindere soorten, die niet uit den echten copalboom, Trachylobium, maar uit andere harsleverende planten worden gewonnen. De nu eenmaal den naam Zanzibarcopal dragende soort wordt echter al zeldzamer en duurder, want de roofbouw, die de inboorlingen op de boomen uitoefenen, doet hun aantal sterk afnemen.
De echte oostafrikaansche copal is de hardste van alle soorten en gelijkt daarin wel wat op barnsteen. Evenals die stof wordt ze ook wel gebruikt voor draai- en beeldhouwwerk. Copal is geheel reukeloos en heeft ook geen smaak. In het jaar 1906 zijn uit Duitsch Oost-Afrika voor een waarde van 118 duizend mark uitgevoerd, een gewicht van rond honderd duizend kilogram. De voornaamste afnemer was Zanzibar, en slechts geringe hoeveelheden gingen rechtstreeks naar Europa.
Dat de massa naar Zanzibar ten uitvoer gaat naar de overige wereld, verklaart voldoende den naam, die aan het product wordt gegeven.
INTREE IN HET PRACTISCHE LEVEN.
De schooltijd is achter den rug, nu aan het leeren!
OP DEN UITKIJK.
HUDSON-FULTONVIERING EN ONZE HALVE MAAN.
Het zijn mooie en interessante jubilea, die de Engelsch sprekende naties dit jaar zullen vieren. Engeland heeft in 1909 zijn Darwinjaar, waar de heele wereld belang in stelt en Amerika viert het driehonderdste gedenkjaar en tegelijk het honderdste van gebeurtenissen, die eveneens hebben geklonken door alle beschaafde landen van de aarde. In het najaar van 1909 zal in New-York het luisterrijke feest worden gevierd ter herdenking van twee gebeurtenissen: het opvaren van de later naar hem genoemde Hudson-rivier bij Manhattan-eiland, het tegenwoordige New-York, met het schip de Halve Maan, door Henry Hudson op 9 September 1609, en het opvaren van dezelfde rivier, tweehonderd jaren later, door Robert Fulton, voor het eerst met een door stoom gedreven scheepje.
Op den 8en Januari 1609 sloten »de Bewindhebberen van de Oost-Indische Compagnie, van de Camer van Amsterdam« een nog aanwezig contract, met last aan »Henry Hudson, Engelschman«, om, op een hem te verstrekken »scheepken of jacht« een doortocht naar China op te sporen ten Noordoosten, bij Nova-Zembla heen. Van dien last heeft Hudson zich, naar te begrijpen was, niet kunnen kwijten. Op 4 April 1609 te Amsterdam met »de Halve Maan« onder zeil gegaan en geen doortocht vindende, wendde hij echter zijn koers naar het Westen, en voer op 9 September daaraanvolgende bij Manhattaneiland, het tegenwoordige New-York, den stroom op, die naar hem de Hudson-rivier genoemd werd.
Kennisneming van de plannen tot feestviering in de Vereenigde Staten deed hier te lande het plan ontstaan om aan deze feesten deel te nemen, en de commissie, die zich voor dit doel vormde, kwam tot het besluit, die deelneming te doen bestaan in het doen binnenzeilen in September 1909 in New-York's haven van een nabootsing van de Halve Maan, het schip, waarmede Hudson op 4 April 1609 uit Amsterdam onder zeil ging.
Dat scheepje wordt thans te Amsterdam gebouwd. Het was half December geheel onder een kap gebracht, waardoor het mogelijk is, den bouw voort te zetten in den winter met zijn dreigende sneeuw en regen en te zorgen, dat het model in Mei a.s. gereed komt. Maar weet men precies, hoe die Halve Maan er uitzag? Neen, afbeeldingen zijn er niet van bekend, maar toch mocht het met behulp van deskundige voorlichting, historie-prenten en technische litteratuur, en vooral dank zij het bekende (zeer nauwkeurige) reis-journaal van Robert Juet, Hudson's loods, gelukken de waarheid zeer nabij te komen. Blijkens de door Juet vermelde bijzonderheden betreffende de masten en de tuigage, de tonnenmaat en de afmetingen van het schip was de »Halve Maan« een driemaster van 40 last (80 ton). Aan den fokkemast voerde zij fok en voormarszeil, aan den grooten mast groot zeil en groote marszeil, en aan den bezaansmast een latijnsch zeil, bevestigd niet aan een ra, maar aan de bezaansroe. Bovendien was de boegspriet voorzien van een zoogenaamde blinde, een klein vierkant zeiltje.
Omtrent den diepgang kon uit Juet's opgaven alleen worden vastgesteld dat die minder was dan 8½ en meer dan 5 voet en de afmetingen moeten hiermede in verhouding zijn geweest. Naar de meening van den heer C. G. 't Hooft, directeur van het Museum Fodor hier ter stede (een der weinigen die zich hier te lande toeleggen op de studie van den oud-Hollandschen scheepsbouw, die herhaaldelijk over de reconstructie der »Halve Maan« geraadpleegd is, en met de heeren C. W. Moes, dr. A. Bredius, W. Martin en D. Hudig benoemd werd tot »Foreign correspondent councillor« van het groote Amerikaansche comité), waren de afmetingen 60×14×6 amsterdamsche voeten.
De indeeling van het schip leverde geene bijzondere moeilijkheden op, omdat er tal van bekende voorbeelden uit het begin der 17e eeuw zijn, en men trouwens de détails van de samenstelling van oude schepen uitvoerig vermeld vindt in het standaardwerk van Nicolaes Witsen (Amsterdam, 1671) genaamd: »Aeloude en Hedendaagsche Scheeps-Bouw en Bestier«. Opklimmend uit het ruim, waar o.m. het logies der manschap gelegen is, komt men eerst op de zoogenaamde »overloop«, dat is het benedendek, waar de kanonnen opgesteld waren en daarna op het bovendek, het verdek. Aan het eind hiervan worden gebouwd de hut van den schipper en de stuurlui, die boven de verschansing omhoog steekt en de achterzijde van het vaartuig, een hooge spiegel, in dien tijd smal naar boven toeloopend en eenvoudig versierd met allerlei wapens.
De weelderige pracht der latere spiegels kwam eerst in de Ruyter's tijd, toen de schepen trouwens ook kolossaler van afmeting werden.
De boeg krijgt een spitsen vorm als die der galjoenen.
Eindelijk bestond de bewapening waarschijnlijk uit zes kanonnen (Juet maakt o.m. melding van een zoogenaamd »falconnet«, een klein kanon, waarmede kogels van twee pond of minder konden afgeschoten worden), en de bemanning mag veilig geschat worden op 18 tot 20 man.
Op dezen notedop dobberden Hudson en de zijnen rond in de Noordelijke IJszee en zag hij den tweeden September 1609 Sandyhook voor zich oprijzen. Dien namiddag ankerde hij in de buitenhaven; den 12den voer hij de rivier op; den 19den bereikte hij het meest Noordelijke punt, den 23sten keerde hij terug naar de monding van den stroom, en den 4den October vertrok hij weder naar het vaderland. Zoo zal het--naar bereids gemeld werd--ook bij de herdenking gaan, met dat verschil dat de data, op raad van het Meteorologisch Instituut te New-York, eenigszins gewijzigd zijn. (De feestweek zal duren van 25 September tot 3 October).
Gedelegeerden uit ons land zullen de belangstelling van Nederland in de groote new-yorksche feestviering gaan betuigen en men hoopt, dat nederlandsche schepen er luister aan zullen bijzetten. De commissie bestaat uit de volgende heeren:
Eerevoorzitter der commissie is de vice-admiraal A. G. Ellis, adjudant i. b. d. van H. M. de Koningin; voorzitter mr. Æ. baron Mackay, minister van staat, te 's-Gravenhage; 1e secretaris de heer J. W. P. van Hoogstraten, adjudant van H. M. de Koningin, te 's Gravenhage; penningmeester mr. R. van Rees, te Amsterdam. Prins Hendrik is beschermheer.
Prettig is het, op te merken, hoe ingenomen men zich in Amerika toont met de wijze, waarop Nederland aan de feesten zal deelnemen. Er is ook inderdaad geen mooier manier te bedenken. De amerikaansche commissie heeft daarover dan ook niets dan lof. Zij schrijft o.a. in een brief aan onzen minister van Buitenlandsche Zaken, dat het schip de Amerikanen zal herinneren aan de bijzondere gebeurtenissen, welke wij herdenken, maar tevens zal het ons herinneren aan het bewonderenswaardige karakter van uw volk, dat de zee terugdreef, toen gij land noodig hadt om op te wonen; de zee, die gij tot uw hulp op vorderdet, toen gij de vijanden van uwe vrijheden wenschtet te verdrijven; en die u voerde naar alle deelen der aarde (letterlijk staat er: the four quarters of the earth) toen gij uw handel wildet uitbreiden.
»Wij stellen de herinnering aan het feit, dat de stad en de Staat New-York gesticht werden door het Hollandsche volk zeer hoog, en wij verheugen ons over ieder bewijs, dat gij even trotsch zijt op ons als uwe nakomelingen als wij op u als onze voorouders.«
WAAGGEBOUW TE ENKHUIZEN.
Uit architectonisch oogpunt is het Waaggebouw te Enkhuizen zeer belangwekkend, wat niet behoeft te verwonderen, als men weet, dat het uit de zestiende eeuw en wel van 1559 dagteekent. De beide gevels van het op een hoek staande gebouw zijn in oud-hollandschen bouwtrant opgetrokken, en ook het inwendige heeft herinneringen aan het verleden behouden. Een der vertrekken, die vroeger heeft gediend als de gildekamer van de chirurgijns, heeft ramen met beschilderde ruiten, waarop de nog gedeeltelijk in zeer goeden staat zijnde glasschilderingen de wapens der gildemeesters voorstellen. In een andere kamer is de antieke betimmering nog volkomen terug te vinden.
De burgemeester, de heer Hoytema van Konijnenburg, heeft nu het initiatief genomen tot de restauratie van het gebouw en er is een commissie benoemd van deskundigen, om hem daarbij voor te lichten. Uit particuliere bijdragen hoopt men de kosten te bestrijden, terwijl het in den oorspronkelijken vorm vernieuwde gebouw als museum zal worden in gebruik genomen.
Het niet onbelangrijke "Enkhuizer Museum" zal er dan misschien heen worden overgebracht en Noordholland benoorden het IJ zal een aantrekkelijkheid te meer bezitten.
Onze afbeelding is de reproductie van een penteekening, die de voor korten tijd overleden schilder, de heer P. Egmond, er van vervaardigde. In hun "Noord-Hollandsche Oudheden" vermelden Van Arkel en Weissman het waaggebouw met groote ingenomenheid, spreken o.a. van den sierlijk georneerden top van den noordelijken gevel, van het fijne beeldhouwwerk der deksteenen, van de fries met de wapens van Holland, van Filips II en van de stad Enkhuizen en van de beelden, gerechtigheid, hoop en geloof op de kroonlijst.
Tot voor korten tijd diende een deel van het oude Waaggebouw tot bureau van politie. Waar toen eerbied voor recht en wet den menschen werd ingeprent, zal men in 't vervolg trachten, eerbied voor onze oude bouwkunst en geschiedenis te wekken.
IN ACHTER-INDIË.
De door Achter-Indië stroomende rivieren zijn daar, waar ze door nauwe en diepe kloven de indochineesche gebergten doorstroomen, wel hier en daar door ontdekkingsreizen gekruist; maar tusschen die plaatsen in is haar loop nog vaak geheel onbekend.
Zoo was de Saloeën in 1895 door prins Henri van Orleans aangedaan op de breedte van 26 graden en hij was over de rivier getrokken op 28 graden Noorderbreedte. Niemand echter had het gedeelte tusschen beide punten onderzocht. Die leemte aan te vullen, was het doel van een onderneming van den Engelschman Litton, die na zijn tocht van December 1905 overleden is.
Zijn medereiziger George Forrest heeft thans over den tocht geschreven in het Geographical Journal en aan den tekst een kaart toegevoegd. De tocht, in Yunnan begonnen, ging eerst noordwaarts tot Pienma op 26 graden N.B. Van daar trok men oostwaarts; de waterscheiding tusschen Irawady en Saloeën ging men over door een pas van 3200 meter hoogte en bij de chineesche stad Lutsjang werd de Saloeën bereikt.
De reizigers gingen langs den westelijken oever naar het Noorden, maar verlieten die richting om de moeilijkheid der proviandeering en om de vele twisten tusschen de verschillende dorpen van den stam der Lissu. Een brug, die niet anders was dan een touw, voerde over de Saloeën op 27.05 graden N.B. Van den oostelijken oever trok men over een hoogen pas naar de Mekong, die bij Jingpankai werd bereikt, en van daar werd de terugtocht naar de Saloeën ondernomen ter breedte van 26.45 graden N.B.
Op het pas onderzochte gedeelte is de Saloeën 80 tot 120 meter breed, zeer diep en overal afgebroken door stroomversnellingen. Het was in de droge periode en dus was de waterstand laag; in den regentijd is die veel hooger, en op een plek vond men de bewijzen, dat in de vorige maand Augustus het water tot twintig meter hooger had gestaan.
De Lissu, die op de genoemde breedten aan de Saloeën wonen, moeten aan de Thibetanen verwant zijn. Ze zijn van de Chineezen totaal onafhankelijk, maar zijn verzwakt door dorpstwisten. Elk dorp blijft geïsoleerd en heeft een eigen dialect. Hoe noordelijker men in het land der Lissu doordringt, des te wilder, barbaarscher en armer worden de menschen. Opvallend waren hun groote bogen en pijlen, waarmee ze op grooten afstand door dikke planken konden schieten en die vaak vergiftigd werden, terwijl ze zeer knappe schutters bleken. Van geregeld verkeer langs de Saloeën was geen sprake, slechts af en toe komen eens chineesche kooplieden naar de Lissu.
VAN OOSTENRIJKS WERK IN BOSNIË.
Naar alle waarschijnlijkheid is Oostenrijk nu blijvend heerscher in Bosnië en Herzegowina, dank zij het doortasten op den rechten tijd van minister Aehrenthal, maar toch zal al het water van de zee niet de schuld van Oostenrijk aan het willekeurig verscheuren van een naar den eisch tot stand gekomen tractaat kunnen afwasschen. Feitelijk is het niet met de goede trouw overeen te brengen, dat het groote rijk blijvend de beide provincies bezet, terwijl het in April 1879 nog in een plechtige overeenkomst beloofde, niet aan Turkije's souvereiniteit te tornen.
Met veel mooie woorden moet de zaak worden goedgepraat, en werkelijk moet het Oostenrijk niet moeilijk vallen, aan te toonen, hoeveel beter de bedoelde provincies het hebben gekregen bij het stijgen van Oostenrijks macht en invloed. In de materiëele dingen, die handel en welvaart betreffen, niet alleen, ook in de geestelijke, de confessioneele, is er oneindig veel verbeterd, sedert de groote buur er de hand aan de ploeg heeft geslagen.
Oostenrijk verklaarde zich ten tijde van het Berlijnsche Congres in 1878 des te liever bereid, daar orde op de zaken te stellen, omdat zijn invloedssfeer na 1866 in Italië, zoowel als in Duitschland sterk had geleden. Frans Jozef stelde het zich ten plicht, zijn macht elders uit te breiden, omdat het verlies van Venetië het bezit van Dalmatië onzeker had gemaakt, als het verband van die provincie met het rijk niet opnieuw door een achterland werd bevestigd.
De bezetting ging niet van een leien dakje; er moest maanden lang worden gevochten, eer rust en orde waren hersteld, en de talrijke rooverbenden hun handwerk onmogelijk was gemaakt. Toen dat eenmaal gebeurd was, heeft Oostenrijk op verbazend overleggende en handige wijze in partijtwisten en confessioneele verschillen het rechte weten tot stand te brengen. Het stelde dadelijk de volkomen gelijke rechten der verschillende belijdenissen vast. De Mohammedanen, de ergste vijanden der nieuwe regeering mochten hun godsdienstige gebruiken onaangetast bewaren en bleven afhankelijk van den sjeich ul Islam in Konstantinopel. Ze kregen een eigen geestelijk opperhoofd in den reis al ulema te Serajewo en behielden de toelagen voor moskeeën, scholen en hospitalen.
De beide christelijke richtingen, de grieksch-orthodoxe en de katholieke, erlangden nu eerst de rechten, die hun onder de turksche heerschappij alleen op papier waren geschonken geweest. De eersten staan onder metropolieten van Serajewo, Mostar en Dolnya Tuzla, die aan den patriarch in Konstantinopel gehoorzamen. Zij vormen het talrijkste deel der bevolking, 42 procent, terwijl de Mohammedanen slechts een derde en de Katholieken maar 23 procent der bevolking uitmaken. Deze hebben in Serajewo een aartsbisschop en bisschoppen in Mostar en Banjaluka; zij zijn de oudste bewoners van het land en werden in de laatstverloopen eeuwen het meest verdrukt. Thans zijn het meest vrije boeren in een modernen staat.
Het wezenlijke succes, dat het nieuwe bestuur bereikte, was, dat het gelukte, de hartstochtelijke vijandschap tusschen Mohammedanen en Christenen, die in het geheele Oosten zoo groot is, hier te verzachten, zoo niet geheel weg te nemen, doordat er vertegenwoordigers van beide gelooven in de plaatselijke en provinciale besturen werden aangesteld. Wel was het den Mohammedanen in den aanvang moeilijk hun politiek en sociaal overwicht zoozeer te zien verminderen, en inderdaad zijn duizenden uit het land vertrokken; maar de tijd en het betere inzicht hebben hen geleerd, zich te schikken en de nieuwe administratie als ook voor hen heilzaam te leeren waardeeren. De landverhuizing hield langzamerhand op, en de bevolking is in de laatste dertig jaren van 1158000 tot 1700000 gestegen.
Een tweede stap, dien de nieuwe regeering deed, om de inwoners van het land aan den veranderden staat van zaken te gewennen, was haar zorg voor de volksontwikkeling. Want onder de heerschappij der Turken was er van een geordend schoolwezen haast geen sprake geweest, ofschoon een uitgebreide schoolwet op papier stond. Er waren enkel staatsscholen voor de Mohammedanen en het waren eigenlijk niet anders dan godsdienstscholen, medressehs en mektaben. Ze bleven ook na 1878 bestaan, maar daarnaast werden ongeveer 250 volksscholen nieuw opgericht. Jammer, dat ook niet dadelijk leerplicht werd ingevoerd, want bij den indolenten aard van het landvolk wordt er nu niet genoeg geprofiteerd, zoodat een groot percentage van het volk nog tot de analphabeten behoort.