Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 5
Toen men de mijn naderde, deed zich een sterke zwavellucht bemerken, en langs een zwavelmolen kwam men aan de Luciamijn in een kaal dal. Er stegen aan de grijswitte berghellingen rookwolken omhoog uit de smelthutten of zwavelhoopen, de calcarone, en in het lichte gesteente zag men hier en daar donkere openingen, de ingangen tot de mijn. Om die openingen bewogen zich eenige tot het middel naakte mannen, die de zwavel uit het binnenste van den berg naar de bergplaatsen voerden, in manden gedragen of langs kleine hulpspoortjes. Uit de bergplaatsen wordt de zwavel in de calcarone of smelthutten, eigenlijk groote trechters, gebracht, die gemetseld zijn en waar de stof in lagen gebrand wordt. Langzaam gaat het verbrandingsproces, en de vloeibaar geworden zwavelbrij wordt door een onder in den trechter aangebrachte opening afgetapt in rechthoekige bakjes van verschillende grootte, verdeeld in vakjes van den vorm van een baksteen, waarin de stof stijf wordt.
De bezoeker verwisselde zijn kleeding met een mijnwerkerspak en daalde met zijn geleider in een kleine lift 150 meter naar beneden. Vochtigwarme lucht maakte het ademen moeilijk. Beneden ging het over een natten, glibberigen grond 1200 meter ver door een smalle gang, waar men alleen gebukt doorheen kon en waar de gipswanden van zwavelwater dropen.
Aan het eind gingen ze langs steile, uitgetreden en gladde trappen naar een lagere gang zestig meter in een holte, waaruit een heete lucht hen tegensloeg, en waar arbeiders met ontbloot bovenlichaam het zwavelgesteente onder dof klinkend gehamer lossloegen. Onder het moeilijke dalen schoven zonder woorden steeds naakte knapen hun voorbij met kleine mijnlantarens, welker door damp omhulde vlammetjes op dwaallichten geleken en op en neer dansten. Op de gebogen ruggen sleepten ze de ongeveer veertig pond wegende zwavelblokken met eronder gekruiste armen. Het waren de carusi, de jongens van 13 tot 17 jaar, die er zooveel gebruikt worden. Zij zwoegden met hun last tegen de glibberige treden omhoog naar de lange gang, waar een spoortje door liep. Daar werden de lasten door mannen in ontvangst genomen en door de spoor verder vervoerd dan wel erlangs gedragen naar den uitgang.
De arbeiders zagen er oud en vermoeid uit, en de knapen boden soms een deerlijken aanblik aan, armoedig en slecht gevoed, als ze waren. Er werkten ongeveer duizend mannen en tweehonderd jongens voor anderhalf, twee tot drie francs dagloon bij een werkdag van acht uren, van 's morgens zeven tot 's middags drie uur. Het meegebrachte eten gebruiken ze in de mijnen. De verhouding van de arbeiders tot de bazen leek goed, en de directeur vertelde, dat hij door de menschen streng, maar met welwillendheid te behandelen, nooit moeite met hen had, want dat ze als kinderen waren. Toen de bezoeker vroeg, of men de jongens niet door machines kon vervangen, omdat er zooveel aan een dergelijken kinderarbeid waren verbonden, werd er geantwoord, dat de gezinnen de inkomsten niet konden missen, die de jongens inbrachten, en dat het, hoewel zeker voordeeliger voor de exploitatie, te veel misnoegen zou wekken, als men de carusi naar huis zond.
Den volgenden dag toonde het bezoek aan de mijnen van Giovanella bij Castel Termini al geen vroolijker toestanden. Van het station Campofranco op de lijn Girgenti-Palermo heeft men een eind bergop te wandelen naar de 400 meter hoog gelegen mijnen. Die behooren aan een fransch-italiaansche maatschappij. Zij hadden toen juist veel geleden door hevige regens, en het werk stond stil omdat alles onder water stond, tot zelfs de pompen. Meer dan 1200 arbeiders waren zonder werk.
Het zwavelhoudend gesteente ligt hier dieper onder den grond, wat de exploitatie moeilijker maakt en de temperatuur, waarbij gewerkt moet worden, veel hooger. In de buurt was het landschap volkomen kaal en zonder schaduw. Daar er in dit mijndistrict geen drinkwater te krijgen is, heeft men er geen woningen gebouwd, en de arbeiders moeten dagelijks anderhalf tot twee uur langs bezwaarlijke bergpaden loopen, om eer het dagwerk begint, reeds een deel van hun kracht te hebben verbruikt tusschen de plaats van hun werk en de plaatsen Campofranco of zelfs Sutera, dorpen, die verweg, ten oosten van den spoorweg, als over elkander geworpen steenhoopen tegen de berghellingen kleven. Voorwaar, een zwaar leven, dat van de arbeiders in de zwavelmijnen van Sicilië.
DE HANDEL VAN ABESSYNIË.
Over den handel in Addis Abeba, de hoofdstad van Abessynië, heeft baron Friedrich Kulmer mededeelingen gedaan aan het oostenrijksche Handelsmuseum, dat ze gepubliceerd heeft in het orgaan »Oesterreichische Monatsschrift für den Orient« van Augustus 1908.
Daar wordt o.a. gezegd, dat alle handelshuizen in Addis Abeba, zoowel de groote als de kleine, doen zoowel aan invoer als aan uitvoer. De meeste europeesch-abessynische huizen hebben in Addis Abeba een vertegenwoordiger, wiens voornaamste werk bestaat in het sluiten van overeenkomsten met den keizer. Aan den nieuweling kost het meestal verbazend veel moeite, om daarbij te slagen, want slechts langzaam leert hij al de moeilijkheden overwinnen, die in Abessynië aan het zaken doen zijn verbonden.
De zwaarste concurrentie wordt den Europeanen aangedaan door Indiërs, Armeniërs en Grieken, die in hun wijze van denken zooveel dichter bij de Abbessyniërs staan en die voor geen middel terugdeinzen, om hun doel te bereiken. Om die reden hebben dan ook soliede huizen hun betrekkingen met Abessynië afgebroken.
De staatkundige toestand van het land doet mee den handel kwijnen. Al zijn de behoeften inderdaad wel toegenomen, toch verkiest de kleine man zijn opgespaard geld te bewaren, liever dan uitgaven te doen, die de aandacht op zijn welvaart zouden vestigen, waardoor zijn dorpshoofd hem de belastingschroeven maar sterker zou aanzetten.
Er bestaan wel in het land belastingwetten, op volkomen regelmatige wijze tot stand gekomen, maar ze bestaan enkel in theorie, en in de praktijk heerscht oppermachtig het uitzuigerssysteem, dat door willekeur geleid wordt en waartegen maar één middel helpt, de bakschisch. Men moet rekening houden met een uitvoer- en invoerrecht van tien percent; maar voor spiritualiën is het recht veel hooger. Ook bij de douane geldt evenwel het oostersche gebruik van giften en gaven, en als men bedenkt, dat een abessynische douanedirecteur hoogstens twintig thaler 's maands salaris heeft met een stuk land, dan behoeft het niet te verwonderen, dat een bakschisch zekerder tot het doel leidt dan iets anders, als men wat heeft te reclameeren.
NOODZAKELIJKHEID.
Wat goed en noodzakelijk is voor het menschdom, dat komt vroeg of laat, meestal laat.
DE DONAU IN BENEDEN-OOSTENRIJK.
De Donau kan uit het oogpunt van landschappelijk schoon volkomen goed met den Rijn wedijveren. Als de rivier voorbij Passau is gestroomd op de grens van Beieren, ontvangt ze de waterrijke Inn en betreedt een liefelijk heuvelland. In velerlei kronkelingen dringt de rivier tusschen zacht hellende hoogten door, en begeleidt een gezellig landschap met veel dorpjes, kasteelen en burchten, beschrijft een grooten boog in de vlakte van Linz, nadert dicht tot de uitloopers van het boheemsche middelgebergte en keert zich dan naar de heuvelketen aan den rechteroever, waar het keizerlijke slot Wallsee uit de hoogte neerziet.
De boheemsche granietbergen krijgen eerst bij Grein invloed op den stroom, want daar veroorzaken ze een stroomversnelling, die vroeger zeer lastig was voor de schippers, maar nu doordat men rotsen heeft laten springen, niet meer gevaarlijk is, al blijft nog het mooie gezicht van den versnelden stroom. Een van de vele burchten en kloosters, die vóór Weenen aan de rivier levendigheid bijzetten, naast dorpjes als Melk en Schönbichl en Aggstein, is Dürnstein. Weer treden bergen dichterbij, en ten slotte ziet men achter den steilen Leopoldsberg de millioenenstad Weenen voor den dag komen.
SKI OF SJI?
De Duitscher Dr. H. Hoek, die zich zeer verdienstelijk heeft gemaakt voor de sport van het sneeuwschoenloopen, zendt aan de Mededeelingen van de Duitsche en Oostenrijksche Alpenvereeniging een schrijven, waarin hij erop wijst, dat het woord sneeuwschoen voor verschillende opvatting vatbaar en dus ondoelmatig is. Sji is aan te bevelen. Glijsneeuwschoen is te lang en leelijk; sneeuwlat, dat in Zwitserland is aangeraden, komt ook niet in aanmerking, en we moeten overgaan tot het noorsche woord ski.
Dat woord is afkomstig van het oudgothische skaidan, en behoort tot de groep van klanknabootsende woorden, die met glijden in verband staan en waartoe ook schip, schiff, skiff, schieten, e. a. te rekenen zijn. Het is dus geen waagstuk, het woord in de germaansche talen over te nemen, daar een menigte verwante woorden burgerrecht hebben verkregen. Voert men het woord echter inderdaad in, dan moet men naar den regel schi (Holl. sji) schrijven en uitspreken. De uitspraak sji in plaats van ski is het verkieselijkste, omdat in het vaderland van het woord, Noorwegen die uitspraak de algemeene is, en omdat sk aan het begin van een woord in de germaansche talen iets ongewoons is, terwijl ook bij de uitspraak ski de aardige klanknabootsing van het woord verloren gaat.
Voor ons, Hollanders, zou dus schi als in schip de juiste schrijfwijze zijn; we houden dan ook de klanknabootsing, die we in schuiven en andere werkwoorden en naamwoorden bezitten, maar waar het een voor Nederland nieuw woord geldt, naam van een voorwerp, dat nog in lang niet algemeen in gebruik zal zijn, en nooit in ons vlakke land en bij de zeldzaamheid van een flink sneeuwkleed algemeen kan worden, zal denkelijk de duitsche vorm sji de meeste kans hebben. Wij kunnen dan het meervoud sji's vormen; de Duitschers hebben Skier.
De redactie van de »Mittheilungen« zet in een noot onder het artikeltje, dat ze zich voortaan in de geschriften van de Alpenvereeniging uitsluitend van die vormen Schi en Schier voor enkel- en meervoud zal bedienen. Sji en sji's is daarmee voor het Nederlandsch in overeenstemming.
GECONSERVEERDE ZOMERZON.
"Ons eigen land". Tusschen Amsterdam en Arnhem, door Jan Feith. Uitgegeven door den Algemeenen Nederlandschen Wielrijdersbond, toeristenbond voor Nederland, ter gelegenheid van zijn vijf-en-twintigjarig bestaan.
Hier hebt ge de zomerzon, in woord en beeld vastgelegd ter verheuging van het heele nederlandsche volk! Wat een verrukkelijk boek van warmte en licht, wat een schat voor hollandsche huiskamers! Natuurlijk heeft de Sint er druk mee gewerkt, en overal waar hij het forsche stevige boek onder kleinere cadeaux heeft neergelegd, zal het dadelijk alle aandacht voor zich hebben opgeëischt, om die niet weer te verliezen, want in dit prachtwerk bladeren is tevens er uren en uren aan besteden. Men kan er eenvoudig niet afblijven, van die verrukkelijk mooi uitgevoerde en met zooveel goeden en juisten smaak gekozen beelden van den vaderlandschen grond.
Eén roep over de voortreffelijkheid is er dan ook in ons land over het werk opgegaan. Wij ontvingen het eerst laat ter bespreking, en wagen slechts met schroom, ons toontje nog te doen klinken in de algemeene jubelouverture. Maar nu kunnen wij dan ook tevens aan onze lezers meedeelen, dat het groote succes zich ook afspiegelt in den verkoop, wat lang niet altijd in ons eigen land samengaat, maar wat nu met dit »Ons eigen Land« dan op treffende wijze het geval is, zoodat de van het eerste deel gedrukte 2500 exemplaren reeds zoo goed als uitverkocht zijn.
In allerlei toonaarden is de lof gezongen van deze reeks, prachtig uitgevoerde en prachtig gerangschikte foto's. Ze doen den fotografen, wier namen in een lange lijst op een der eerste bladzijden prijken, alle eer aan, en niet minder hun, die ze met zoo groote moeite en zorg bijeengaarden, den heeren G. A. Pos en G. L. Hasseley Kirchner. Wonderlijk mooi is het licht van een zomerdag hier vastgelegd; men ziet, als het ware, de schaduwen bewegen in het grillig spel van het gebladerte als op dat door de zon beschenen huis van het dorp Zuilen tegenover blz. 10, op de Grebbehelling, te Wolfheze en waar al niet meer! De plaatjes zijn zoo aantrekkelijk, dat het haast moeite kost, te gelooven, wat Jan Feith op blz. 61 zegt, dat de werkelijkheid »nog veel mooier is dan het meest glorieuse prentje.«
Maar hoe gelukkig voor zijn lezers, dat hij dat zeggen kan, want dat gevoel heeft hem in staat gesteld, met zooveel geestdrift, dit lang niet gemakkelijk werk te voltooien. De afbeeldingen zijn zoozeer nummero één; ze doen het oog zoo aangenaam aan door de smaakvolle omlijsting der bladzijden met die telkens afgebroken dubbele lijnen en losse hoekpunten; ze zijn in hun verschillende vormen en formaten zoo allerkeurigst geschikt, dat men den tekst erbij zou vergeten. Daar echter waakt Jan Feith wel ter dege tegen.
Vooral nadat hij met zijn inleiding klaar is, die het eigenlijk al te mooi wil maken met dat in het breede uitweiden over de woorden »ons« en »eigen« en »land,« causeert hij zoo opgewekt en zoo belangwekkend om de platen heen, al is hij soms wel eens ver af van ter plaatse zijnde kiekjes dat hij u steeds weet te boeien. Bij zoo kolossaal veel tekst, als hier moest worden gegeven, is het onmogelijk, dat die altijd en overal even voortreffelijk kon zijn; maar er zijn werkelijk magnifieke bladzijden in dit boek, voorbeelden van natuurbeschrijving, die zeker moeilijk zouden kunnen worden overtroffen. En hoe aangenaam zijn de historische herinneringen door den tekst gevlochten, hoe talentvol is het tout dire vermeden, zoodat de klip van het vervelend worden altijd is ontzeild! Hoe aardig is, waar Vianen ter sprake komt, verteld van het slot der Brederodes, hoe mooi is de historie van de oude Stichtdorpen weergegeven, en zoo op honderd plaatsen meer worden ons de pilletjes geschiedenis in een zoet hapje toegediend.
Een enkelen keer had mogelijk de schrijver voor een standaard werk als dit een ietsje kieskeuriger kunnen zijn. Dan was misschien dat verhaal van den jaardag in Slangevecht, en hoe die in het dorp werd gevierd, weggebleven, alleen om der proporties wille. Maar dan staat daartegenover weer die voortreffelijke keuze van beschrijving van den schaardag op dien heerlijken Meimorgen, als het vee naar de Meent wordt gebracht, en die van den processiedag in Laren, ook zoo knap gekozen en zoo meesterlijk beschreven.
En altijd ziet de schrijver even goed en helder, onverschillig, of hij onderweg is per auto of per motorboot, te fiets of per pedes apostolorum, met Barry, den Sint-Bernardshond tot gezelschap. En een apostel is hij altijd van het schoone, het schoone in ons eigen land!
OP DEN UITKIJK.
ALBANIË EN DE ALBANEEZEN.
Onder de vele volksstammen, die Macedonië bewonen, en wier onderlinge twisten zooveel hebben bijgedragen tot de vreedzame omwenteling van dezen zomer in Turkije, nemen de Albaneezen de eerste plaats in. Wel is waar, worden ze in aantal overtroffen door de Serviërs, in beschaving door de Grieken, in gezag en invloed door de Turken; maar geen van deze naties biedt Europa zooveel moeilijkheden te overwinnen aan, als het wil trachten, hervormingen in te voeren en geen volk is moeilijker tot onderwerping te brengen dan de Albaneezen. In de kabinetten moge men al met vrij groote zekerheid het lot der anderen hebben beslist, het staat den mogendheden nog bij lange na niet duidelijk voor den geest, wat er van Albanië en zijn bewoner op den duur moet worden. Kort na den staatsgreep van Oostenrijk-Hongarije in zake Bosnië en Herzegowina heette het dat Albanië zich onafhankelijk ging verklaren. Maar het voorbeeld van Bulgarije en Kreta tot afscheiding van Turkije is niet door Albanië gevolgd. Integendeel. In een onlangs verschenen proclamatie hebben de Albaneezen na een te Monastir gehouden congres hun aanhankelijkheid aan Turkije betuigd. Ze hebben daarbij echter bij voorbaat verzet aangeteekend tegen elke schadeloosstelling, die aan Servië of Montenegro ten koste van Albaneesch grondgebied mocht worden toegekend.
Albanië is een groot land, bijna zoo groot als Beieren, dat ingesloten ligt tusschen een wal van bergen van gemiddeld 2000 M. hoogte en, als natuurlijke vesting beschouwd, veel ontoegankelijker is dan Zwitserland en noch naar de zijde der Adriatische Zee, noch naar den kant van Macedonië passen of toegangswegen heeft. Zoo min als de Grieken Albanië konden veroveren, zoo min is dat aan de Romeinen gelukt; de barbaarsche Serviërs en Bulgaren stieten vóór Albanië het hoofd en tegen de Turken hielden de Albaneezen tot op heden stand.
En zij hebben een zeker recht op hun bergachtig land, bewoond door het oudste volk van Europa. Zij zijn de oudste stam der Ariërs, en hun taal, die aan het Sanskriet verwant is, wijst hen duidelijk aan als zoodanig. Men herkent in hen het type der oude Grieken, zooals het voor ons in de marmeren beeldhouwwerken uit den bloeitijd bewaard is gebleven. Of men hen ziet in Konstantinopel als arbeiders of als kawassen van de consulaten, als soldaten van des sultans lijfwacht of als garde van koning George in het koningspaleis te Athene, dan wel in hun vaderlandsche bergen, overal treft hun hooge gestalte, hun krachtige lichaamsbouw, hun mannelijk en ernstig optreden.
Zij trekken veel naar den vreemde, omdat hun arm land hen niet allen voeden kan, maar als ze een kapitaaltje hebben overgespaard, keeren zij naar hun land terug. Vreemdelingen zien ze daar niet bijzonder graag. Wel wonen in hun steden rondom het albaneesche hoofdgebergte, in Janina, Ochrida, Uskub, Prizren, Ipek, Diacovar ook Grieken, Serviërs en Bulgaren, maar ze zijn ver in de minderheid, hebben er al van ouder tot ouder gewoond en spelen er een ondergeschikte rol.
Het gemakkelijkst komt men nog Albanië binnen over Monastir, dat, hoewel het buiten de albaneesche grenzen ligt, toch ook als militaire hoofdstad van Albanië moet worden beschouwd. Trouwens ieder Albanees is krijgsman van origine; allen zijn steeds gewapend en wel met een duchtig arsenaal van velerlei oorlogstuig. Daden van heldenmoed zijn schering en inslag van de geschiedenis der Albaneezen. Daar weten turksche bataljons van mee te spreken, ook daarvan, dat de albaneesche vrouwen dapper meevochten. Die krijgshaftige geest heerscht vooral in Noord-Albanië; Epirus en de streek rondom de mooie meren van Castoria en Prespa, waar de Zuid-Albaneezen of Tosken wonen, zijn vreedzamer van aard. Die bewoners van het Zuiden hebben veel grieksche woorden in hun taal opgenomen, en het komt vaak voor, dat de Albanees uit Epirus den stamgenoot uit Prizren of Diacovar niet verstaat. De grens tusschen de beide deelen van Albanië ligt in de buurt van Monastir en Ochrida.
Daar ligt ook het mooie Ochridameer als een albaneesch Lago Maggiore. Waren er in Albanië goede wegen en hôtels, was het niet het eenige land in Europa, waar nooit de fluit van een locomotief is gehoord, dan zou Ochrida het doel zijn van duizenden moderne toeristen, Maar voorloopig leiden, van Sentare, Albanië's grootste haven en handelsstad aan de Adriatische Zee, alleen zandige paden voor rijdieren het binnenland in.
AAN DE ANDERE ZIJ VAN DEN POOLCIRKEL.
De treinen, waarmee men van Stockholm naar Lapland reist en die den reiziger dan voor 36 uren een onderkomen verleenen, zijn het best te vergelijken bij een uitstekend hotel op raderen, een hotel, waarin het iemand aan niets behoeft te ontbreken. Rustig zittend in den gemakkelijken fauteuil in het rooksalon, ziet men de afwisselende natuurtooneelen voorbijglijden. Na anderhalf uur rijdens houdt de trein in het oude Upsala stil en in dien rusttijd kan men zich in de eetzaal van het station versterken voor den nachtrit.
Den volgenden morgen is men al in het gebied van de Inndal- en Angermanna-elf en heeft uit het coupévenster een verrukkelijk uitzicht. Als breede zilveren strepen glijden de rivieren door de liefelijke dalen, en vaak dreunt het snelstroomende water bij versnellingen boven het gerommel van den trein uit. Zwedens rijkdom, zijn bergen en trotsche wouden schitteren in den zonneschijn en gaat men in den vollen zomer, bij voorbeeld half Juli, dan bloeit overal de sering nog in volle pracht. Tegen elf uur 's avonds is men dan in Boden en daarmee in het gebied der dagheldere nachten. De ongewone lichtheid op een zeer laat uur houdt de reizigers uit den slaap en doet hun alle vermoeidheid vergeten.
Den volgenden morgen vroeg ziet men het doel der reis, Abisko aan de Torneträsk. De natuur ziet er daar al anders uit; de dennen worden kleiner en nietiger en verdwijnen ten slotte geheel. Alleen de berk houdt stand, maar ook zijn groei draagt de sporen van den harden strijd, dien hij heeft te voeren tegen het ongunstige klimaat. Midden Juli kan het zeer warm wezen, maar drie weken te voren was alles nog met sneeuw en ijs bedekt. De spoorweg loopt langs de Torneträsk, het grootste meer in Lapland. Met zijn prachtige groene kleur, zijn volkomen helderheid, behoort het tot de mooiste meren van Zweden. Trotsche bergreuzen spiegelen zich erin.
In Abisko aangekomen, vindt men in dien tijd dikwijls het door de zweedsche Toeristenvereeniging opgerichte hotel overvol, hoewel er 106 bedden zijn. Vroeger was er intusschen niets van een gelegenheid tot logeeren, en de toeristen namen tenten, proviand en bedden mee. Het Toeristenhuis heeft een wondermooie ligging. Rechts heeft men uitzicht op het meer, dat door de Zweden hun Lago Maggiore wordt genoemd, en links heeft men de keten der Abisko-Alpen. De schoonheid van deze Alpen verschilt veel van die der andere, meer bekende Alpen. Hier geen scherpe kammen en koppen; met zachte omtrekken rijzen de bergen rondom de blauwe meren.
Daar naar boven te klimmen, om de middernachtszon te bewonderen, is een uitgezocht genot. Natuurlijk verzuimen de reizigers niet, een bezoek te brengen aan het kamp van Lappen in de buurt van Abisko, waar een tiental tenten of kators verstrooid liggen. Daartusschen de magere koeien en geiten, die het schrale gras eten. De Lappen in hun schilderachtige dracht houden zich soms, alsof ze er veel op tegen hebben te worden gephotografeerd. Maar velen van hen noodigen de bezoekers in hun tent en dan heet de vrouw de gasten met den laplandschen groet »burus, burus« welkom, en schenkt een zeer goed drinkbare koffie. Op den met berkenloof bedekten vloer gaat men dan maar, zoo goed men kan, zitten. In het midden heeft de tent den vuurhaard, die uit eenige steenen bestaat, een paar kussens voor den nacht en rendiervellen, die ter bedekking dienen.
De mannen leiden in den zomer een idyllisch bestaan; ze rooken, slapen, eten en hangen in de bergen wat om, terwijl alle werk op de vrouw aankomt. Ook de schilderachtige kleedingstukken worden door haar gemaakt en de kunstige borduurwerken maken ze met naalden, van rendierbeenderen vervaardigd, en met draden uit de gedroogde darmen van die dieren. De rendieren zijn de rijkdom der Lappen; wie iemand naar de grootte zijner kudde vraagt, is even onbeleefd, als wie ten onzent iemand zou vragen naar de grootte van zijn vermogen.
In den winter begint voor de Lappen de werkperiode. Dan gaan ze, van lasso's en proviand voorzien, door hun trouwe, verstandige honden vergezeld naar de bergen, om hun rendieren bijeen te drijven en dan met de kudden het winterkamp te betrekken, dat meestal ver van het zomerkamp verwijderd is. Door de aanraking met de toeristen zijn de Lappen van Abisko al ver van primitief meer, en de handel in de voorwerpen, die bij hun eigen typisch leven behooren, gaat hun zoo knap af als den slimsten europeeschen koopman.
DE SNELHEID DER TRANSATLANTISCHE BOOTEN.
Sinds 1838, toen men nog veertien dagen noodig had om van uit Engeland naar Amerika over te steken, is de snelheid der transatlantische booten voortdurend toegenomen.
Hieronder volgt een staatje van den duur van eenige overtochten in de laatste 20 jaren.