Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 4
Merkwaardig is nog een reliëf, dat Fischer heeft meegebracht, een reeks van figuren voorstellend in drie rijen boven elkander. Het moet het eerste vóórboeddhistische reliëf wezen, dat ooit China verliet. Er worden tooneelen op voorgesteld uit het leven van een hoogwaardigheidsbekleeder. Verrassend is de overeenkomst van dit steenen grafreliëf uit China met oudassyrische en oudbabylonische dergelijke werken. De steen is geribd, en de voor stellingen liggen twee centimeter diep. Bij de zeldzaamheid van oude kunstwerken in China zijn die oude grafreliëfs, die op het eind van de achttiende eeuw door een toeval (1786) zijn ontdekt en die als heilige relieken worden bewaard door de Chineezen, van groote waarde. Zij wekken bij de onderzoekers een reeks van vragen naar aanleiding van de verrassende overeenkomst der voorstellingen met die op oudbabylonische reliëfs.
Is het die cultuur geweest, die de oud-chineesche, vóórboeddhistische beschaving rechtstreeks onder haren invloed kreeg, of ontbreken ons nog de verbindende leden, die vermoedens tot zekerheid kunnen doen worden?
EEN BOEK OVER KORWARS.
In de Abhandlungen des königlich zoölogischen und anthropologischen Museums zu Dresden is als twaalfde deel verschenen een verhandeling van Dr. Oskar Nuoffer over de kleine houten beeldjes, die de Papoea's van Nederlandsch Nieuw Guinea hoog waardeeren, omdat zij ze beschouwen als de woonplaatsen van de zielen van bepaalde afgestorvenen. Onze lezers hebben ze wel in afbeelding gezien en erover gehoord in den tekst, waarmee de directeur van het Rotterdamsch Museum voor land- en volkenkunde de afbeeldingen deed vergezeld gaan.
De duitsche schrijver vertelt nu alles, wat er van die korwars bekend is en belooft dat hij later zal behandelen de herkomst van die beeldjes in verband met dergelijke figuren uit den indischen Archipel. Aangaande een groep van die beeldjes, die schedelkorwars worden genoemd, verschilt hij van meening met onzen ethnoloog Wilken. Er zijn namelijk korwars, waarbij de echte schedel van den voorvader in het hoofd van het houten beeld is geplaatst. Nuoffer beschrijft eenige nieuwe schedelkorwars van die soort, die in het museum te Dresden aanwezig zijn. Talrijk komen ze niet voor, en de schrijver zegt, binnen welke grenzen men ze vinden kan. Hij is in tegenstelling van Wilken van oordeel, dat het eenvoudige, alleen uit hout bestaande beeldje het oorspronkelijke is, waarop eerst later het gebruik is gevolgd, om den menschenschedel erin te bewaren.
EERST PACIFICEEREN IN DE KAMARA.
Misschien herinneren onze lezers zich wat wij meedeelden over het werk der grenscommissie, die in Liberia werkt, om de afbakening tusschen die republiek en de fransche bezittingen ten Noorden daarvan vast te stellen. Luitenant Moret houdt de lezers van de Nieuwe Rotterdamsche Courant van haar vorderingen op de hoogte. De laatste berichten zijn niet erg rooskleurig.
De heeren moeten werken in een gebied, dat allerlei bezwaren meebrengt. Dat Kamaradistrict, waar de Macona doorheen stroomt, wordt blijkbaar bewoond door die elementen der bevolking, die elders zich niet wilden of konden schikken in het geregeld, soms europeesch bestuur. Drie onafhankelijke hoofden, die samengaan in hun leus »het zwarte werelddeel voor de zwarten«, besturen de landstreek, waar hun gezag in hoofdzaak op roof en plundering berust. De tegenstand, dien de met vreedzame bedoelingen komende missie ondervond, bleek intusschen niet gering en bovendien goed georganiseerd.
Er moest een kampement tot verdediging worden ingericht, en wat van dat vrij hoog gelegen punt van de Kamara te zien was, wees op kloeke plannen tot verzet bij de bevolking. Voor het bestormen van versterkte dorpen was de expeditie niet ondernomen: men moest topografisch-werk doen en daarvan was geen sprake bij het aanhoudend gevaar van te worden overvallen en het krijgszuchtig geschreeuw, dat de inboorlingen bij verschillende ontmoetingen aanhieven.
Zij lieten het daar niet bij; alle drie groepen, waarin de missie zich had gesplitst, hadden aanvallen te verduren en de 40 tirailleurs van elke groep moesten van de wapens gebruik maken. Bij een dorp, dat men moest passeeren, werden verscheiden versperringen genomen, en in een gevecht, dat op 8 September werd geleverd en vier uren duurde, kreeg een afdeeling der expeditie negen gewonden, gelukkig niet ernstig. Uit alles bleek, dat men er niet met het werk kon voortgaan en nadat een poging van de vereenigde groepen, om met de Kamaranen te onderhandelen en hen tot vrijwillige onderwerping te bewegen, niets had uitgewerkt, besloot men terug te trekken en elders de grensregelingswerkzaamheden te vervolgen, terwijl in de Kamara gewacht moest worden op voorafgaande pacificatie door fransche militairen.
DE MENSCHEN VAN HET NIJLDAL.
Het anthropologisch onderzoek, dat zoo ijverig in Egypte wordt voortgezet, heeft een punt van bespreking uitgemaakt op de jaarvergadering der British Association, waar professor Elliot Smith mededeelde, dat de oudste vondsten van menschelijke overblijfselen in het Nijldal, als men ze vergelijkt met later-vondsten en met de lichamelijke gesteldheid van de tegenwoordige Egyptenaren, uitwijzen, hoe Egypte en Nubië in de oudste tijden door een en hetzelfde ras werden bewoond, en dat dit ras zich in Egypte met geen of slechts zeer geringe veranderingen in de lichaamskenmerken door de geheele tusschenliggende periode van zes duizend jaren tot op den tegenwoordigen tijd heeft gehandhaafd.
Het ras was, als nog tegenwoordig, klein van gestalte; in alle tijden van zijn geschiedenis bedroeg de gemiddelde grootte der mannen niet meer dan 1.60 meter; het haar was donkerbruin of zwart, in den regel gegolfd, maar niet wollig of eenigszins op dat van negers gelijkend. Het hoofd was lang en smal, met een groot achterhoofd. Over het geheel vertoonden ze dezelfde kenmerken als de meerderheid der aan de kusten der Middellandsche Zee wonende volken.
Merkwaardig is het, hoe gering de vermenging met de negers steeds moet zijn geweest, vooral als men bedenkt, dat het egyptische volk van de oudste historische tijden af aan het gebied der negers heeft gegrensd.
EEN VROEGERE CATASTROFE IN MESSINA.
Op een der beruchte seismische lijnen, die in de buurt der zeeën langs de kusten van sommige landen zijn te vinden, en waartoe o.a. de kusten van Oost-Azië en de gordel van eilanden van Sumatra tot Timor behooren, ligt ook dat Zuiden van Italië, dat op 28 December zoo gruwelijk is geteisterd. Vesuvius, Stromboli en Etna liggen in die lijn; Messina en Reggio en de omgeving van die plaatsen maken er met de straat van Messina deel van uit.
Waarom mijdt de menschheid dan die plekken niet? Waarom bouwt ze er telkens weer haar woonsteden? Wie zal het zeggen? De voordeelen, die ze bieden uit andere oogpunten, moeten zeker opwegen tegen het altijd dreigende, maar slechts zelden tot uitbarsting komende gevaar. Uitstekende havens en vruchtbare bodem zijn in het geval van de plaatsen aan de straat van Messina de aantrekkelijkheden. Kon de wetenschap de woelingen in den grond, de instortingen of uitbarstingen voorspellen, dan zou er weinig tegen zijn te zeggen, maar thans lijkt het wel roekeloos, steden te bouwen op plekken, die al zooveel hebben doorstaan.
De mooie stad Messina zal naar alle waarschijnlijkheid schooner dan te voren uit haar asch verrijzen, zooals San Francisco nu bezig is zich te herstellen, en latere geschiedschrijvers zullen van de ramp van 1908 vertellen, die het lustoord teisterde, dat op puinhoopen is verrezen, zooals wij de reizigers, die vóór de ramp Messina bezochten, hooren verhalen van wat de stad in Februari 1783 had te doorstaan.
Zoo schilderde onlangs Gaston Vuillier die gebeurtenis, die 340 steden, dorpen en gehuchten op Sicilië en Calabrië vernielde en onder de puinhoopen 50.000 menschen begroef. De cijfers van de in deze dagen te Messina en de siciliaansche kustdorpen, te Reggio, te Palmi en in de andere calabrische plaatsen omgekomenen zijn veel en veel grooter. Dat is niet te verwonderen, want in één en een kwart eeuw, die sedert verliepen, is de bevolking van Zuid-Italië ondanks de landverhuizing naar Amerika en naar Zuid-Amerika toch aanmerkelijk toegenomen en vooral heeft ze zich meer in middelpunten van bewoning opgehoopt, zoodat in de steden en dorpen, nu daar de schudding het hevigst was, tegelijk veel grooter aantallen slachtoffers vielen.
»Na de ramp,« schrijft Gaston Vuillier, »kenmerkten rouw en eenzaamheid en droeve verlatenheid de plek, waar Messina had gestaan, want in de stad bleef niet één steen op den anderen. Den 5den Februari 1783 bij een zwaar bewolkten hemel werd een onderaardsch gerommel merkbaar, en plotseling tegen den middag schudde de grond met hevige schokken. De verschrikte bevolking nam de vlucht, toen twee loodkleurige wolken een waren zondvloed deden losbarsten.
Altijddoor schudde en trilde de bodem; zwaveldampen stegen op, plotseling ontstonden spleten in de aarde; meteoorsteenen vlogen door de lucht, en de golven der zee rezen hoog en sloegen tegen de bevende muren der stad. Tegen den avond werden de schokken minder hevig, en de meeste menschen keerden naar de stad terug. Zij zochten een schuilplaats in de voor een deel verwoeste woningen, toen tegen middernacht nieuwe schokken alles omverwierpen, wat de eerste hadden doen wankelen, en er ontstond een brand, die zeven dagen achtereen aanhield.
De lucht was bijna geheel zwart, en zware dampen dreven over de stad, terwijl een aanhoudend gerommel in den grond zich deed hooren, en uit groote, plotseling geopende spleten allerlei gassen opstegen. Messina was niet meer dan een hoop ruïnen. Twee wijken slechts waren blijven staan van de groote stad. Het paleis van den onderkoning, de kathedraal, het aarts-bisschoppelijk paleis, de kerken en kloosters, het douanekantoor en het ziekenhuis, alles was weggevaagd.«
Hoeveel overeenkomst met wat er nu is gebeurd! Vijfmaal vijf-en-twintig jaren na de aardbeving, die boven werd beschreven, heeft zich de catastrofe in nog veel heviger mate herhaald. Men wil thans eerder een einde aan de branden maken, door wat er nog van de stad is overgebleven, plat te schieten en dus sneller table rase te maken en vlugger paal en perk te stellen aan de gevaren, die uit het duizendvoudige graf voor de omgeving voortvloeien.
HULDE AAN AFRIKA-ONTDEKKERS.
Op 14 December heeft te Londen een feestvergadering plaats gehad van de Royal Geographical Society ter herdenking van Speke, die vijftig jaren geleden voor het eerst aan het Victoria Nyanza kwam en daardoor de ontdekker werd van dat meer en het groote afrikaansche merengebied. Het was een interessante bijeenkomst, niet alleen door de feestrede, die gehouden werd door Sir William Garstin, wiens ingenieurswerk in Egypte en wiens pioniersarbeid daar hem terecht beroemd hebben gemaakt, maar ook doordat men er had bijeengebracht allerlei relieken, kaarten en portretten die op de helden van het Afrika-onderzoek betrekking hadden, en zoo waren aan de orde al die mannen van de exploratie van Midden-Afrika, Speke zelf, Burton, James Grant, Samuel Baker, Stanley, Emin Pacha e.a.
Het rijtje zal later nog met reizigers, die de toekomst brengen zal, kunnen worden aangevuld, (trouwens naast de Engelschen hebben ook andere naties wel meegedaan aan het bedoelde onderzoek) want men is er nog lang niet gereed met opmeten en in kaart brengen en er zijn ook nog volkomen onbekende streken. Daar liggen oostelijk van de Bahr-el-Gazal tusschen de Sobat en de Latoeka-bergen nog onbekende gebieden. Van twee belangrijke zijrivieren van den Blauwen Nijl, de Didessa en de Jaboes, weet men nog weinig. En niemand heeft nog den Blauwen Nijl tot het punt, waar hij het Tsana-meer verlaat, gevolgd.
Dan ontbreekt nog steeds een nauwkeurige opmeting en inkaartbrenging van de Albert Nyanza.
Wat den Witten Nijl betreft; het meest urgente probleem, dat met die rivier verband houdt is: een middel te vinden om het verlies van water in de waterplant-versperringen, door welke zij stroomt te voorkomen.
Het middel daartoe is nog geenszins gevonden en de opruiming van dien dichten warwinkel van waterplanten, de studd, zal nog heel wat hoofdbrekens kosten.
EEN AMERIKAANSCH POMPEJI
In den staat Arizona is men aan het doen van opgravingen, om er groote ruïnen bloot te leggen. Te Casa Grande bij de stad Florence moet in veel vroeger tijden een stad hebben gestaan met gebouwen van aanzienlijke afmetingen. Er moeten grondslagen zijn ontdekt van paleizen ter lengte van bij de 60 meter breed, die elf vertrekken bevatten, om een binnenplein gelegen. In een der kamers staat een zetel, dien de Indianen uit de streek den stoel van Montezuma noemen, wat nog niet zoo heel veel wil zeggen, aangezien zulk een stoel peet is geweest voor velerlei zetels.
Het wetenschappelijk Genootschap, het Smithsonian Institute te Washington, toont levendige belangstelling in de opgravingen, maakt er melding van in zijn jaarrapport en heeft op zich genomen, een deel der ruïnen over te laten brengen naar Washington, om daar te laten reconstrueeren.
SJI-TOCHT VAN EEN NEDERLANDER.
Op den eersten Kerstdag heeft baron D. B. Th. van Heemstra uit Deventer een mooien triomf behaald als beoefenaar der bergsport. Hij heeft den Wildstrubel bij Kandersteg aan de Kander in 't Berner Oberland op sneeuwschoenen bestegen onder geleide van drie gidsen uit Kandersteg. Aan den voet van den Gemmi begon de tocht en in acht uren werd van het hôtel Schwarzenbach af de top bereikt. De heer H. Schellenbaum uit Londen nam ook aan de sji-expeditie deel. Het was de eerste maal, dat de beklimming dezen winter plaats had.
Eere den moedigen bergbeklimmer, die, uit het land der vlakten komend, de bergen zoo ver moet zoeken!
KUNST.
Niemand is een groot schilder, omdat hij slecht teekent.
EEN DROEVIG STERFGEVAL.
Diep tragisch is de plotselinge dood van den te Utrecht door gasverstikking om het leven gekomen jongen dokter, J. E. Tehupeiory. Hij was nog maar 26 jaar, en hij heeft reeds zooveel gewerkt, terwijl er nog zoo groote verwachtingen op zijn leven mochten worden gebouwd! Want hij was een baanbreker, een wegbereider voor groepen menschen, voor wie de goede voorbeelden nog weinige zijn en die aanmoediging noodig hebben, om in de wereld de plaats te leeren innemen, die hun toekomt door karaktereigenschappen en geestelijke gaven.
De inlanders in onze Oost leven op uit hun eeuwenlange verdooving en het blijkt meer en meer, dat hun achterlijkheid niet inhaerent is aan hun wezen, maar dat hen een schoone toekomst wacht, als ze de ontwikkeling en het onderwijs krijgen, die al zoo lang aan de blanke rassen zijn gegeven. Van het ontwaken der Javanen getuigt de oprichting van den Bond van Javanen Boedi Oetomo, die wel verdient, dat wij er hier in Nederland belang in gaan stellen en hem steunen, waar het kan. Want langs dien weg van zelfwerkzaamheid voor de inlanders ligt de way-out uit het vele verkeerde, dat al zoo lang reden tot klagen heeft gegeven aan menschen, die ons Indië kennen en de wijze, waarop ons regeeringsbeleid er werkt.
Tehupeiory was geen lid van Boedi Oetomo, want daar kunnen enkel Javanen aan deelnemen, terwijl hij een Ambonees is, zoon van het kloeke volk, dat ons altijd zulke uitstekende, trouwe soldaten heeft geleverd. Zijn zin voor studie kwam al vroeg aan den dag, en de zending heeft al lang genoeg op Ambon gewerkt, om te maken, dat hij in zijn kinderjaren leeren kon. Als jongeling werd hij naar Weltevreden gezonden ter Dokter-djawaschool en was er geregeld Nr. 1 van zijn studieklasse. In schrijven heeft hij altijd veel behagen geschept, en toen hem achtereenvolgens de leiding van een paar maleische couranten werd toevertrouwd, was dat juist een kolfje naar zijn hand.
In 1902 verliet hij als Nr. 1 de inlandsche artsenschool, en zijn twee jaren jongere broer was Nr. 2. Beiden deden in de week vóór Kerstmis j.l. het artsexamen in Amsterdam.
J. E. Tehupeiory had in Indië al gepraktizeerd, eer hij naar Europa kwam, om een nederlandsch diploma te veroveren. In Meester Cornelis had hij een flinke praktijk, ook bij europeesche families, maar toch verliet hij die gaarne voor de vereerende regeeringsopdracht, om in 1903 als medicus deel te nemen aan de expeditie onder controleur Van Walcheren naar de Boven Mahakam op het voetspoor van Dr. Nieuwenhuis. In zijn boek »Onder de Dajaks" vertelt hij van den tocht.
Daarna volgde de tijd van zijn studie in Amsterdam, waar hij met zijn broer en zuster studeerde, de laatste zich voorbereidend voor apothekeres. Bij de studenten waren de beide Amboneezen zeer gezien en in verschillende besturen van vereenigingen onder het corps hadden ze zitting. Het groote publiek hoorde nu en dan van de prestaties van Tehupeiory, die nu gestorven is, o.a. toen hij te Leiden op het laatste Taal- en Letterkundig Congres heeft gesproken over het hem zoozeer ter harte gaande onderwerp, de toekomst der inlanders en de verhouding der blanke westerlingen tot de bruine broeders.
Dan vernamen we, dat hij ook voor het Koloniaal Museum optrad te Haarlem, waar hij een boeiende beschrijving gaf van zijn Borneo-reis. Zuid-Nederland begon ook belang in hem te stellen, en als niet de dood hem nu zoo wreed had weggerukt, zou hij spreekbeurten hebben vervuld in verschillende belgische steden, waar men hem had uitgenoodigd. Met zijn pas behaald artsdiploma zou hij zeker zijn wensch, om als officier van gezondheid in dienst te mogen treden, hebben vervuld gezien. Helaas, dat de sluiting van een hoofdkraan van het gas in een hôtel, waar men zich niet had overtuigd, dat ieder bekend was met de gewoonte, om in den nacht die kraan te sluiten, hem, die het licht blijkbaar had willen laten branden, een vroegtijdigen dood moest brengen!
Bij zijn begrafenis te Utrecht sprak Mr. C. Th. van Deventer een woord van hulde en waardeering voor den gestorvene. Vrienden uit het studentenleven eerden zijn nagedachtenis door een warm woord aan zijn groeve te doen hooren en de heer Mr. Abendanon, oud directeur van onderwijs in Indië, schetste zijn jong en werkzaam leven. Een bloemstuk van het Amsterdamsch studentencorps werd op het graf gelegd. Treffend was nog het woord, gesproken door een Batak, de heer Soeripada, die te Leiden studeert en die erop wees, hoe de zonen van Insulinde, die naar Nederland komen, in hem, in Tehupeiory, hun trots en glorie stelden. De broer van den overledene dankte ook namens zijn moeder voor de belangstelling, en het leed om het verlies werd ook nog aan het graf vertolkt door een broeder van de jonge Hollandsche, mej. Graanboom, die beloofd had, Tehupeiory's vrouw te worden.
SMEROE-REIS VAN DEN HEER C. M. VISSERING.
Een zeer belangwekkende reisbeschrijving mocht het tijdschrift »Onze Eeuw« in zijn eerste aflevering voor 1909 zijn lezers voorzetten in het werk van den heer C. M. Vissering, die op Java den zuidvoet van den vulkaan, den Smeroe, van west naar oost is omgetrokken. Waar stoomtram en karreweg en paardepad hem in den steek lieten, heeft hij de bergwildernis doorreisd, alleen met het aangename hulpmiddel, dat iederen dag versche rijpaarden te zijner beschikking stonden en dat hij de zekerheid had, drie achtereenvolgende dagen te kunnen logeeren op koffie-ondernemingen.
De onmiddellijke nabijheid van den vuurspuwenden berg beheerscht het verhaal, dien hoogsten van Java's vulkanen met zijn geheel kalen top, dien 1500 meter hoogen grijzen puinhoop van asch en gruis, met daarboven een rookpluim, die de lucht wordt ingestuwd als ondoorzichtig, zwaar wattengewolkte, dat uit den kratermuil opstoomt, langzaam zich uitzet, hooger en hooger stijgt, oneindig hoog in den ether zich als een breede pluim verijlt en door den zuidoostpassaat noordwestwaarts wordt gedreven. Op de koffie-ondernemingen klinkt voortdurend het onderaardsch gerommel van den berg met de onverwachte uitbarstingen, die op heftige donderslagen gelijken.
's Avonds staat bij een uitbarsting een hooge, gloeiende vuurkolom tegen den klaren hemel, en toch leven de menschen er rustig in de onmiddellijke nabijheid van die geweldige natuurkracht, die telkens weer de noodlottigste verwoestingen aanricht. Mooi beschrijft de auteur de gevolgen van zulk een ramp, zooals hij ons ook innig mee doet voelen met den Europeaan, ongehuwd, daar op het verre koffieland, die overweegt, wat hij zal doen, als een eruptie zijn plekje mocht treffen.
Hoe prettig is de tocht beschreven met de betrouwbare inlandsche paardjes, door bergrivieren midden in het woud, waar men sterk komt onder de magische bekoring van de wondergrootsche natuur. En dan die witte orchideeën op de doode takken en boomen van het nog zoo kort geleden bij een uitbarsting verwoeste land! Dit is wel de soort van reisbeschrijving, die den lezer mee doet genieten en hem onder de bekoring brengt van het aan afwisseling zoo rijke Indië.
REIZEN IN BRITSCH NIEUW-GUINEA.
Over Monckton, dien wij noemden in ons berichtje over reizen in Britsch Nieuw-Guinea in het nommer van 5 December, lezen we nog, dat deze zendeling bij zijn reis door het engelsche gedeelte van het groote eiland den Albert-Edwardberg in het Owen-Stanleygebergte heeft beklommen en de hoogte ervan door middel van kookpuntsaflezingen heeft bepaald op 4030 meter. Gouverneur Mc Gregor was tot het resultaat gekomen, dat de hoogte 3825 meter bedroeg.
Als Monckton's berekening juist blijkt, zal dus de Albert-Edwardtop moeten worden beschouwd als de hoogste top in Britsch Nieuw-Guinea en niet langer komt dan aan den Victoriaberg met zijn 4000 meter die eer toe.
Wanneer zullen de toppen van het Sneeuwgebergte in ons deel van Nieuw-Guinea gemeten worden en in concurrentie kunnen treden met de genoemde bergen?
OP DEN UITKIJK.
IN DE ZWAVELMIJNEN VAN SICILIË.
Al van oudsher vormt het winnen van zwavel op het enkel aan de randen vruchtbare, maar in het bergachtige binnenland kale en steenachtige Sicilië een hoofdbron van bestaan en is dikwijls het eenige, waardoor de bewoners in hun levensonderhoud voorzien. Door de concurrentie van de zwavel van elders was op het laatst der vorige eeuw de opbrengst wel tot op de helft verminderd en in de laatste jaren is het er niet beter op geworden, zoodat men wel mag zeggen, dat de zwavelwinning op Sicilië in een toestand van crisis verkeert. In den voor het eiland buitengewoon strengen winter van 1906 op 1907 hebben heftige regens de mijnen ten deele onder water gezet, zoodat duizenden arbeiders broodeloos werden en de toch al noodlijdende provincie er droevig aan toe was.
De zwavelgebieden liggen in het Oosten van Sicilië aan den Etna, waar Catania de hoofdzetel is van den uitvoerhandel voor zwavel, en dan in het Zuiden bij Girgenti. Daar deed in 1907 luitenant-generaal Von Hoffmeister op zijn terugreis van Tripolis en Tunis een tocht, om de ruïnesteden en de zwavelmijnen te bezoeken, terzijde dus van den toeristenweg, die zich tot de kuststreken bepaalt. Van Porto Empedocles, de tegenwoordige haven van Girgenti, reed hij onder het geleide van een duitsch ingenieur, op een smalsporig spoorlijntje, dat hier en daar door den regen onderwoeld en losgespoeld was, naar de zwavelmijn Lucia. Ze gingen langs den berg, waar de ruïnen van Akragas heerlijke bruingele tempelgebouwen vertoonden, die zich scherp afteekenden tegen het donkerblauw van den italiaanschen hemel naar de tweehonderd meter hoog gelegen mijn.
De geur van bloeiende amandelboomen hing in de warme Maartsche lucht, en de arbeiders, die in de kleine haven met bloote beenen zware manden met zwavel in kleine booten droegen, waarmee het product naar de verderaf liggende schepen werd overgebracht, zongen eentonig zwaarmoedige liederen.