Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 38
Maar de kust is al bijzonder ongastvrij; het is een groote halve kring van rotsen, wel 300 kilometer lang, waarvan de steile hellingen enkel hier en daar nauwe doorgangen laten naar het binnenland. Buitendien is die kust, door de natuur reeds zoo weinig toegankelijk gemaakt en waar een heftige noordenwind blaast, altijd nog uiterst gevaarlijk voor de schepen door de vijandelijkheid der bewoners. De instructies voor de zeevaart waarschuwen steeds voor de gevaren, want als een uit den koers geraakte stoomboot of een zeilschip, dat door windstilte tot stilliggen is gedwongen, binnen het bereik der Rifpiraten komt, aarzelen ze geen oogenblik, maar zenden hun gewapende booten uit, om het ongelukkige vaartuig te plunderen.
De bewoners van deze ongastvrije kust zijn Berbers, verdeeld in een dertigtal stammen; stoutmoedige bergbewoners, die geen andere oppermacht kennen dan die van hun eigen stamhoofden, zoodat de sultans van hun eigen ras geen gezag in hun gebied uitoefenen. De stammen zijn onafhankelijk van elkander, en hun politieke eenheid blijkt uit niets anders dan uit hun strijd tegen het Maghzen, dat is de regeering van Marokko en tegen de Christenen. Elke stam is verdeeld in een zeker aantal afdeelingen of clans, waarin alle mannelijke meerderjarigen toegelaten worden tot het bespreken van de aangelegenheden van de afdeeling en het bestuur der clan zelf kiezen.
Die clanhoofden, tot een raad vereenigd, benoemen den kaïd, den eersten magistraatspersoon en het militaire hoofd van den stam, die echter geen enkel besluit kan nemen zonder de toestemming van den Raad der Ouden. Die Raad beslist alle vraagstukken van oorlog, belastingen, etcetera, en zijn besluiten hebben kracht van wet. De algemeene vergadering van alle mannen van den stam wordt opgeroepen tot het kennis nemen van de benoeming van den kaïd en van de andere besluiten, genomen door de Ouden.
De leden van den stam bewonen de ksoer of dorpen, enkelvoud ksar, gewoonlijk op moeilijk toegankelijke hoogten gelegen, samengesteld uit steenen hutten en omringd door cactus- en agavehagen, die er echte vestingen van maken. De kaïd bewoont een kasba, een soort van kasteel, dat tegelijk tot arsenaal dient, tot schatkamer en tot gevangenis, en waarvan het garnizoen bij beurten wordt gekozen uit de verschillende afdeelingen van den stam.
De meeste Rifbewoners zijn gewapend met een geweer van modern maaksel, en wie zich dat niet heeft weten te verschaffen, gebruikt geweren van inlandsch maaksel, waarvoor het nooit aan munitie ontbreekt, die de Rifioten zelf vervaardigen. De bewapening omvat ook nog een rechten dolk, die zeer spits toeloopt, of wel een krommen dolk, zooals algemeen is in de atlantische kuststreken van Marokko. In zake artillerie hebben ze niet anders dan eenige oude stukken, die van voren worden geladen, kanonnen, die nog gediend hebben om Alhacemas en Penon de Velez te beschieten.
Meesters zijn de Rifioten in den guerilla-oorlog. Ze zijn groot en sterk, listig en onverschrokken en van een matigheid en een uithoudingsvermogen, die merkwaardig zijn. Gekleed in een korte, bruinwollen tunica, met om het geschoren hoofd alleen een touwtje van geitehaar of het roode lakensche zakje van hun geweer bij wijze van tulband, weten ze van de gesteldheid van het terrein uitstekend te profiteeren om zich te verbergen en hun vijanden te verrassen. En de landstreek om Melilla, de kloven van de Goeroegoe en de diepe, nauwe dalen, die van daar naar zee loopen, leenen zich uitstekend voor hun tactiek.
Voor den aanval kiezen ze bij voorkeur het uur vóór zonsopgang, het oogenblik, waarop ze vermoeden, dat de tegenstanders gerustgesteld zijn door een ongestoorden nacht en vermoeid van het langdurige waken. Zonder eenig geraas te maken, sluipen zij achter de terreinoneffenheden en rotsen en hagen langs naar hun doel. Dan, als ze op den gewenschten afstand zijn gekomen, staan ze plotseling op, ontladen hun geweren, om schrik te verspreiden in de gelederen van den vijand en gaan tot den aanval over met geschreeuw en woeste verwenschingen. De vrouwen achter de gevechtslinie brengen krijgsvoorraad aan en emmers vol water, om de strijdenden te verkwikken; ze moedigen de mannen aan door scherpe kreten en smalen op wie zich laf toont.
Voorwaar, geen vijanden, om licht over te denken, noch voor Spanje, noch voor hun altijddurenden vijand, den sultan van Marokko!
NOVA ZEMBLA EEN DRIEVOUD.
Wie weet, wat voor verrassingen de Poolstreken nog voor ons in petto hebben! Daar blijkt het, dat een russische, door gouverneur Sosnowsky uit Archangel naar Nova Zembla gezonden expeditie, teruggekeerd is met het bericht, dat zij een gemakkelijke, slechts dertig werst lange doorvaart heeft ontdekt tusschen de Kruisbaai van de Barentszee en de Karazee aan Nova Zembla's Oostkust. Aan de Kruisbaai zou men bovendien steenkolenbeddingen hebben waargenomen.
Ook zonder die laatste is het bericht al belangwekkend genoeg en beschamend leerzaam voor de poolreizigers, die daar zoo druk hebben gewerkt, en voor ons, die meenden, dat de Westkust van Nova Zembla haast geen geheimen meer verborgen hield.
Die Kruisbaai of Lommenbaai ligt op 74 N. B. dus even ten noorden van de Matotsjkinsjar, de straat, die ook dwars door het land gaat van West naar Oost.
De nieuwe doortocht maakt dus van het smalle maar lange landcomplex Nova Zembla, dat tot dusver als uit twee eilanden bestaande werd beschouwd, een complex van drie eilanden. Wie weet, wat verdere verrassingen het voortgezet onderzoek nog zal brengen. De door de Russen gemelde ontdekking is er wel het bewijs van, hoe weinig definitief alle geografische exploratie in de poolstreken is. De westkust van Nova Zembla toch behoort tot de best verkende en betrekkelijk meestbevaren arctische kusten. Aan de exploratie dier kust hebben Hollandsche bezoekers een groot aandeel genomen. Niet enkel in den tijd van Barents en Heemskerk, maar ook in de tweede helft der vorige eeuw. Op de zeven wetenschappelijke zomervaarten, in 1878-'84 met het scheepje de Willem Barents ondernomen, zijn onze landgenooten herhaaldelijk aan die Westkust van Nova Zembla geweest voor verkenning en inkaartbrenging der kust.
En in den nazomer van 1880 hebben de opvarenden van de Willem Barents juist deze Kruisbaai nog eens bezocht en verkend. Het geluk is hun niet gunstig geweest; en de ontdekking, nu door de Russen gedaan, is onzen landgenooten onthouden gebleven.
Trouwens Russen en Noren hebben in de laatste kwart-eeuw Nova Zembla met ijver in studie genomen. Helaas, dat ons werk van de Willem Barents, het negentiende-eeuwsche schip, dat, zooals gezegd, zeven reizen naar Nova Zembla ondernam in de zomers van 1878 tot 1884, ten einde een gedenksteen voor Barents en zijn tochtgenooten aan de IJshaven te plaatsen, het nooit tot aan die haven heeft gebracht!
DE HOHNSTEINROTSEN.
Van de watervallen der algemeen bekende en door niemand, die den Harz bezoekt, verwaarloosde Steinerne Renne buigt zich een mooi boschpad af, dat door een hoog opgaand sparrenwoud, waar granietklippen en tallooze steenen in verspreid zijn, voert naar een groep rotsen, de Hohnsteinrotsen. Dat zijn zonderlinge rotsvormingen, die hier in het woud verscholen zijn. Men ziet er vooruitspringende klippen en afgebrokkelde rotsen, woest dooreen gestapeld of als door een reuzenhand kunstig opgetorend tot rotskasteelen.
De geweldigste rotsburcht is de 584 Meter hooge Ottofels, die in het jaar 1893 toegankelijk is gemaakt door steile, ijzeren ladders en onvoorwaardelijk de aandacht verdient, die er aan wordt geschonken. Het uitzicht boven behoort al tot de mooiste onder de vele mooie, door den Harz geboden. Terwijl reeds het benedenste plateau van de rots een heerlijk panorama ontvouwt, heeft men van de hoogste spits een overweldigend, zeer uitgestrekt uitzicht.
In het Westen verheffen zich in de onmiddellijke nabijheid uit een donker sparrenbosch de woeste Hohneklippen; verder noordelijk de Renneckenberg en de dreigende Zeterklippen; daarboven wenkt de Brockentop. Naar het Noorden verrijzen de witte gesteenten van de Weissen Steine en de Wolfsklippen; in het Oosten aanschouwt men over donkere wouden aan den voet der bergen de stad Wernigerode en de voorsteden. Helder schittert daarboven het statige Stolberger vorstelijk slot met zijn torens en tinnen. Het trotsche gebouw komt heerlijk uit tegen het groen van het loofhout der omringende bergen. Over het slot heen verliest zich de blik in de wijde vlakte, waaruit tallooze dorpjes en steden met roode daken en kerktorens oplichten. Halberstadt vooral springt duidelijk in het oog.
Bij een gelukkigen samenloop van omstandigheden, dat is van lucht en licht en bewolking, kan men van hier den dom van Maagdeburg als klein puntje in de blauwe verte onderscheiden. In het Zuidoosten en Zuiden wordt het panorama afgesloten door de donkerblauwe bergen van den Beneden- en den Zuidharz, en men kan als schitterende punten het hotel waarnemen van den Hexentanzplatz en den toren van de Rosstrappe; dan de witgrijze kalkbergen van Rübeland en Elbingerode, de dorpen Hüttenrode en Friedrichsbrunn en als hoogste punt den Auerberg met de Josephshöhe bij Stolberg.
Het kleine boschpad voert verder naar het boschhuisje, het Karlshaus, van waar men nog een verrassend kijkje krijgt op het slot Wernigerode. Wie naar Wernigerode wil terugkeeren, kiest het schaduwrijke Thumkuhlendal als weg en heeft dan nog gelegenheid, het Lossengedenkteeken te kunnen bekijken, waarin alle in den Harz voorkomende gesteenten te vinden zijn.
SPITSBERGEN-EXPEDITIES WEER THUIS.
De noorsche Spitsbergen-expeditie van den ritmeester Isachsen is den 10den September met de bekende Fram naar Tromsö teruggekeerd. Haar taak, die uit aardrijkskundig en natuurwetenschappelijk werk bestond, en die zij vooral in het binnenland van noordwestelijk Spitsbergen heeft volbracht, was afgeloopen. Zij heeft met succes gewerkt, ofschoon de afgeloopen zomer zoo laat is begonnen en de onderneming buitendien op veel bezwaren stuitte. Bijzonder rijk moeten de geologische verzamelingen zijn en in het doorvorschte gebied, dat voor een groot deel totaal onbekend was, zijn veel bergtoppen bestegen. De leden der expeditie werkten in groepen, die zelfstandig uitstapjes ondernamen.
Belangrijk is het bericht, dat Prins Karels Voorland door een lid der expeditie voor Noorwegen in bezit is genomen. Noorwegen meent inderdaad rechten op Spitsbergen te hebben. De te verwachten Spitsbergenconferentie zal daaromtrent uitspraak hebben te doen. Isachsen wil in den zomer van 1910 zijn onderzoek voortzetten.
Half September is ook Bruce's expeditie naar Prins Karels Voorland met het schip »Conqueror« teruggekeerd. Dit was al de derde Spitsbergenexpeditie van Dr. William S. Bruce van het Oceanographisch Laboratorium te Edinburgh, altijd naar Prins Karels Voorland, het langgerekte eiland vóór Spitsbergens westkust. Een zeer talrijke staf van wetenschappelijke mannen gingen dit jaar mee aan boord van de Conqueror, om topografisch, geologisch en dier- en plantkundig werk te doen.
LANDBOUWTENTOONSTELLING TE BUENOS AIRES.
De Argentijnsche Republiek herdenkt in het volgend jaar het honderdjarig bestaan harer onafhankelijkheid. Als spaansche kolonie behoorden de La Platalanden, en dus ook Argentinië, tot 1776 bij het onderkoningschap Peru, maar in dat jaar werd het land tot een afzonderlijk onderkoningschap verheven met de hoofdstad Buenos Aires. Toen Spanje zich in de napoleontische oorlogen met Frankrijk had verbonden, namen de Engelschen in 1806 Buenos Aires in, maar moesten al spoedig weer het veld ruimen. In 1810 was intusschen Frankrijk met Spanje zelf in oorlog geraakt en tijdens dien strijd zetten de kolonisten den onderkoning af en benoemden een provisorische Junta, echter nog in naam van koning Ferdinand VII. Dat was op 22 Mei 1810.
Cordova, Paraguay en Uruguay erkenden die regeering echter niet en na veel burgertwisten riep eerst een congres te Tucuman in 1816 de republiek uit, het verklaarde de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van Rio de la Plata.
Het gebeurde van 1810 zal men nu herdenken in de thans bloeiende republiek, ook met een groote landbouwtentoonstelling, die blijkens de verspreide circulaires tevens een van veeteelt zal zijn en waar de nijverheid eveneens zal vertegenwoordigd wezen, terwijl er voor de verschillende hulpwetenschappen plaats zal worden ingeruimd. De argentijnsche consul Gustav Niederlein te Berlijn geeft inlichtingen.
BOEKEN EN LEZERS.
In menig boek legt de lezer meer in dan de schrijver.
OP DEN UITKIJK.
BIJ EEN PAAR SPREEWALDKIEKJES.
Ten zuidoosten van Berlijn in het gebied van den bovenloop der Spree ligt dat bekende Spreewald, de streek met zooveel eigenaardigs in de gewoonten en de kleederdrachten der bewoners. Bij het dorp Burg begint het al. Daar toch verdeelt zich de Spree in tallooze armen en armpjes, die het land als liefkoozend omvatten. Nu eens door vlakke weiden, dan door hoog opgaand bosch stroomend, bieden die waterloopen de grootste afwisseling van uitzichten over het wijde land of op nauw ingesloten oeverlandschappen. Ten noorden van Cottbus worden de korenvelden en graslanden aangetroffen, waar de maaiers in schilderachtige middagrust bijeen zijn, en de witte hoofddoeken der vrouwen en meisjes lichte plekken vormen. Aan spijs en drank laaft men zich, terwijl de kinderen, die den versterkenden kost brachten, mee mogen eten, want buiten in het veld smaakt het veel lekkerder dan tehuis!
De booten van het Spreewald zijn een kenmerkende factor in de streek. Het zijn als onze giethoornsche punters de voornaamste vervoermiddelen van het land; reeds de jeugd leert er mee omgaan, daar het gaan naar school en kerk, naar de markt en het dorp, naar het spoorwegstation en naar visites bij buren, alles met de boot gebeurt. Ook de meisjes leeren boomen en sturen door het warnet van takken en takjes van de Spree. Het land is maar weinig bevolkt; hier en daar is een boerenhoeve te zien, en men kan bezwaarlijk naar den weg vragen. Dan gaat het nog beter te informeeren aan iemand, dien men in een andere boot tegenkomt.
De houten huizen met vakwerk en strooien daken staan soms in groepjes en keeren den bezoeker dan meestal den rug toe op de manier als bij ons in de Zaanstreek, maar zooals daar Wormerveer beleefder is en naar de rivier den voorkant van zijn huizen keert, zoo doen in het Spreewald Lehde en Leipe dat ook. Tusschen de gehuchten worden de waterloopen omsloten door elzen en eiken, esschen, iepen en beuken. Het dorp Lehde heeft men wel het Venetië van het Spreewald genoemd, en jaar op jaar komt een kunstenaarskolonie er schilderen. Inderdaad is het natuurschoon er wel een bezoek waard. Een tochtje van Burg naar Lübbenau bijvoorbeeld is een genot voor den natuurvriend.
Daarbij boeien de menschen, die men ziet. Het is een slavische bevolking, de Sorben, die in twee groepen zich laten verdeelen met een uiteenloopende taal, de Oppersorben en de Nedersorben. De eersten wonen in het koninkrijk Saksen en het aangrenzend deel van Silezië; de Nedersorben in de streek ten noorden van Cottbus, hebben nog het trouwst aan hun oude kleederdrachten vastgehouden. Dat zal voor een groot deel ook wel samenhangen met de ontsluiting van het Spreewald voor de toeristen, die graag de vreemde kleederdracht zien, de kleurige kleeding, die de bewoners dan met trots vertoonen. Men kan immers daarbij vooral op de groote feesten, Paschen en Pinksteren, zijn rijkdom toonen in de kostbare stukken der kleeding en in de sierlijke hoofddoeken. De dracht der mannen is zoo goed als vergeten. Zelden ziet men de lange, grijze jas en de muts met kwast, door enkele oude heeren nog gedragen. Die ouden behooren tot een verdwijnenden tijd.
Maar heel anders is het met de kleeding der vrouwen. De kleinste meisjes dragen den hoofddoek en gaan daarmee naar school. De onderwijzers hebben wel eens om hygiënische reden getracht, die gewoonte tegen te gaan, maar de ouders verzetten zich, en de regeering heeft op goede gronden verordend, dat men de dracht niet moet tegengaan, daar het volk er te zeer aan is gehecht. Die hoofddoek is onafscheidelijk van de vrouwen en meisjes, en het is een aardig gezicht, als zoo'n boot vol kerkgangers voorbijgaat en men de stijve vijfhoeken daarin op rijen ziet geschaard. De maagd en de vrouw, de bruid en de grijze dragen ze, maar niet allen op dezelfde manier. Elk dorp heeft zijn eigen vouwen en kleuren, verschillend weer naar gelang van omstandigheden, van doop of bruiloft, aanneming of avondmaal, danspartij of werkplaats.
Er behooren dan bij het witte bovenhemd zonder mouwen, de kleurige borstdoek, de groote boezelaar en de vele wijd uitstaande rokken. In hoofddoeken, schorten en bovenrokken kan een weelde worden ten toon gespreid, die opvallend afsteekt tegen de gewone zuinigheid der bewoners. In het eigenaardige land passen de eigenaardige kleederdrachten, en samen maken ze het verklaarbaar, dat tegenwoordig de uitstapjes naar het Spreewald zeer in de mode zijn.
DE TELEGRAFEN DER NATUURVOLKEN.
In haar voorbeeldelooze ontwikkeling is de telegrafie een kind gebleven van de electrische vonk, en daardoor is het te verklaren, dat wij haar altijd met de electriciteit in verband brengen. Dat behoeft echter niet. Zoo behooren ook tot het gebied der telegrafie de vele kunstige inrichtingen van optiek en acoustiek, waardoor al voor duizenden jaren de volkenreeksen hun gedachten hebben gereproduceerd en berichten hebben gewisseld over groote afstanden.
De vuurtorens van Grieken en Romeinen waren de voorloopers van de pruisische en fransche houttelegrafen, vóór zestig jaar in gebruik. De kunst van het geven van optische signalen stond in de oudheid op groote hoogte, zoo zelfs dat men tot de 18de eeuw niet van eigenlijken vooruitgang kan spreken.
Intusschen stonden die ouden, Perzen, Grieken, Romeinen, ook werkelijk op hoog standpunt in menig ander opzicht; maar vooral is het belangwekkend, dat wilden, natuurvolken, stammen uit Amerika, Afrika en Australië, de electriciteit niet hebben afgewacht, om over verre afstanden met elkaar in gemeenschap te treden en dat ze er al vroolijk op los telegrafeerden en telefoneerden, voordat de verstandige Europeanen hun weg kruisten. Die kunst hebben de wilde zonen van de steppen en de oerwouden uit zichzelf ontwikkeld en met de eenvoudigste hulpmiddelen hebben ze haar tot een hoogte gebracht, die voor hun omstandigheden voldoende was.
Wat de wilden elkaar te seinen hebben, zijn geen met cijfers doorspekte beurs- en handelsberichten, waarin een enkel verkeerd cijfer heel wat ongeluk kan veroorzaken. Maar voor wat volstrekt noodig is, om in de uitgestrekte wildernissen, met elkaar in verbinding te blijven en elkaar te helpen of te bestrijden, hebben ze doelmatige seinen uitgevonden. In Kongo en Kameroen gebruiken de inboorlingen voor berichten naar de verte trommels, zooals, naar onze lezers weten, J. J. Moret al eens naar de N. R. C. schreef. Het zijn stukken uitgeholden boomstam, aan weerszijden met antilopenvel overtrokken. Men heeft ze in soorten. Er zijn groote, dofklinkende trommels voor oorlogsberichten en kleinere spreektrommels, die enkel in vredestijd worden gebezigd. Met een bijzondere soort van trommel wordt de geboorte van een mensch aangekondigd en met weer een andere soort geeft men een sterfgeval aan. Uit den uit de verte aanklinkenden toon van een trommel kunnen dus de inboorlingen nauwkeurig onderscheiden, welk bericht onder weg is.
En de negers hebben de trommeltaal nog fijner ontwikkeld. Zeer bijzonder ontwikkelde trommelslagers verstaan de kunst, woorden te vormen, waardoor het mogelijk wordt, allerlei berichten over groote afstanden over te brengen. Zij komen uit de onderscheiden dorpen af en toe te zamen, om zich te oefenen en hun voorraad signalen te vergrooten en te vergelijken. Aan de Kongowatervallen verstaan de negers het, met de trommels onder elkander gesprekken te voeren als in de gewone taal, waarbij hun zeer fijn gehoor hun goed te pas komt. De hoofden kunnen, zonder van hun rustbank op te staan, met behulp van deze trommeltelefonie met hun buren zoo gemakkelijk onderhandelen, dat ze voortdurend op het nauwkeurigste van wat er in vrij wijden omtrek voorvalt, op de hoogte zijn.
Niet zelden komen ook de blanken in de noodzakelijkheid, zich te bedienen van de vèrspreekkunst van de negers. Zoo vertelt pater Von der Deken, hoe de inspecteur der Kongomaatschappij, als hij op een inspectiereis zich verlaatte, aan een trommelslager de opdracht gaf, de menschen op het station Basoko te vertellen, dat er vertraging was en hun te zeggen, den maaltijd te bewaren. De mededeeling werd dan van dorp tot dorp getrommeld en de inspecteur miste zijn maal niet.
Over een dergelijke werking van de spreektrommel bericht gouverneur Von Bennigsen uit de Stille Zuidzee, waar de trommeltaal eveneens in gebruik is. Op een dag kwam de tijding, dat op een eiland door een hoofd gewelddaden waren bedreven. Hij ging terstond aan boord van een regeeringsstoomboot, om recht te doen en nam een zwarten trommelslager mee. Terwijl het hoofd zich verscholen hield in het dichte struikgewas, lag de strafexpeditie vanwege de branding ongeveer vier kilometer van het strand verwijderd. Toen zond de trommelslager een vraag in de trommeltaal naar de jungle over, en dadelijk kwam er antwoord. Er volgde een levendig gesprek, waarvan het gevolg was de onderwerping van het hoofd en de betaling van een boete.
Nog eigenaardiger is de inrichting van de acoustische telegraaf, waarvan de argentijnsche reiziger Dr. José Bach op een onderzoekingstocht in het Amazonengebied verhaalt. Hij stiet daar op een Indianenstam, de Catoequinaroe's, die op vier verschillende nederzettingen woonden. Elke van die 1.6 kilometer van elkander verwijderde nederzettingen bezat een inrichting, waardoor ze voortdurend in gemeenschap kon blijven met de andere. Het was ook een trommeltelegraaf, maar op andere physische grondslagen ingericht dan de afrikaansche. In den grond was een 1.1 meter diepe, cylindervormige kloof van 1.2 meter middellijn gegraven en tot op de helft met vastaangestampt, grof zand gevuld. Op de zandlaag stond in het midden een bijna een meter hooge, 40 centimeter dikke palmstam, die aan beide einden een 30 en 20 centimeters wijde holte had, onderling verbonden door een slechts 12 centimeter wijd kanaaltje. De onderste holte bevatte in vier lagen fijn zand, houtspaanders, beendersplinters en gestampt glimmer; de bovenste in drie lagen leder, hout en caoutchouc, terwijl de middelste nauwe opening ledig was.
Om den stam heen had men de kloof of sloot met stukken hout, ongelooid leer en verschillende soorten hars gevuld en ze ter hoogte van de oppervlakte van den bodem met een caoutchoucplaat afgedekt. Dit toestel, dat een soort van trommel voorstelde en dat door de Indianen cambarysoe werd genoemd, diende zoowel tot het geven als tot het ontvangen van signalen. Als men met den trommelstok, waarvan de knop met caoutchouc en leer was overtrokken, op den cambarysoe sloeg, plantte zich het geluid door den grond naar het gelijkvormige toestel van de volgende nederzetting voort en kon daar duidelijk worden waargenomen. Op zijn dringend verzoek kreeg de vreemdeling een proef te hooren van de werking. Het hoofd riep het volgende station door tweemaal kloppen aan, waarop als antwoord een dof geluid werd vernomen, afkomstig van een slag op het toestel aan het geroepen station. Daarop ontspon zich met behulp van afgesproken seinen een lang gesprek, waarvan de inhoud den vreemde onbekend bleef.