Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 37
In een groot deel van Afrika, vooral aan de kust van Guinea, heerscht de barbaarsche zede, dat bij de geboorte van tweelingen een der kinderen of ook wel beide gedood worden, omdat men gelooft, dat ze door den booze zijn voortgebracht. Daarmee vormt een sterke tegenstelling, wat Roscoe van den Bantoestam der Bakena in Britsch Oost-Afrika vertelt. Die stam woont aan de rivier Mpologoma en het meer Palisa. Roscoe nu vertelt in het weekblad »Man« van Augustus 1909, dat als er tweelingen worden geboren onder de Bakena's, er een algemeen vreugdefeest wordt gevierd met muziek en dans. De gelukkige ouders dragen kauri's als sieraad, en de vader zamelt giften in, voornamelijk levensmiddelen, die hij aan zijn vrouw brengt. Zij moet er van eten, anders sterven de jonggeborenen. Dat zou echter een groot ongeluk wezen, want het zou ellende brengen over den geheelen stam, daar tweelingen een gave Gods zijn, en hun dood op ongenade van de hoogste machten wijzen zou. Als dan de toovenaar den dag der naamsgeving heeft vastgesteld in overleg met de ouders, wordt er weer een groot feest gegeven, waaraan de geheele stam deelneemt.
BESTIJGING VAN DEN BROCKEN IN DEN WINTER.
Hoe boeiend en interessant het zijn kan, in den winter door den Harz te reizen, vertelt een Duitscher, die een wintertocht op den Brocken heeft gedaan en daarvan het volgende meedeelt. Wij hadden, mijn vriend en ik, in den westelijken Harz gelogeerd, en wilden nu, eer we het gebergte vaarwel zeiden, een skitoer maken naar den Brocken van Andreasberg uit. Rekenend op den maneschijn, hadden we besloten, de toer 's avonds te beginnen en zoo mogelijk, in den nacht nog den Brocken te bereiken, ofschoon wij eerst laat op den namiddag in Andreasberg konden aankomen.
In den trein kon nog niemand ons plan aan ons zien; maar in den bagagewagen werd voor ieder van ons een paar sneeuwschoenen meegenomen, en in het bagagenet van den waggon lag een handkoffer, die een menigte dingen voor de uitrusting bevatte. In Scharzfeld, waar we een poos oponthoud hadden, gingen we met den koffer naar de tegenover het station gelegen herberg, om ons te verkleeden.
In sportkleedij zetten we toen onze reis voort met den trein, die het bergland inreed en eerst toen het al donker was, Andreasberg bereikte. Koffer en mantels werden in het station in bewaring gegeven; onze sneeuwschoenen namen we in ontvangst en met een bekende, dien we hier ontmoetten, gingen we op weg naar de een goed half uur verder gelegen stad. Op de hoogte gekomen van een heuvel rechts van de spoorlijn, zagen we de stad beneden ons liggen, stralend in licht. Snel stapten we in de sneeuwschoenen, die we eerst achter ons aan hadden getrokken, en suizend gleden we een straat in van kleine, onaanzienlijke huizen.
Een zachte, vochtige sneeuwlucht woei ons tegemoet en de wolken, die kwamen opzetten, kondigden sneeuw aan. Dat ontmoedigde ons niet, en in een winkel zorgden we voor de laatste deelen van onze uitrusting. De veldflesschen lieten we met brandewijn vullen, en een flinke bergstok werd aangeschaft. Nadat hier ook de breede wollen doek bij wijze van een hoofddoek der vrouwen was omgeslagen, zorgvuldig onder de kin met veiligheidsspelden vastgestoken, trokken wij onze sneeuwschoenen weder aan, en de vaart kon beginnen.
Na weinige minuten stonden we op den weg naar het Sonnenberger Huis. Met volle kracht blies er de wind over de sneeuwvelden en drong in steeds dikker massa's op ons in, tot we ons in een echten sneeuwstorm bevonden. Het was een razen om ons heen, als waren de geesten der hel losgebroken, en de lucht drukte zoo heftig bij den hevigen wind, dat het was, alsof er muren tegen ons aan werden geschoven. En daarbij stoven ons, die nauwelijks konden ademhalen, scherpe sneeuw- en ijsdeeltjes in het gezicht, dat geprikt werd als door duizend naalden.
Alles scheen er zich tegen te verzetten, dat wij in deze eenzaamheid ons dieper waagden, en meer dan eens weifelden we, of we verder zouden gaan; maar telkens besloten we, het nog wat verder uit te houden. Dat bleek goed te zijn, want na een half uur van kamp met het weêr kwamen wij in het bosch, waar de kracht van den storm minder werd gevoeld. Met nieuwen moed ging het voort, een eind nog langs den hoofdweg, dan langs den Rehberger weg, die naar het Oderdal voert. Suizend gleden de sneeuwschoenen over het vrij breede pad; af en toe werd een slok uit de veldflesch genomen en ook werden reeds de boterhammen aangesproken.
De wind bleef, ofschoon we nu weer in het opene waren, kalm, en het oproer in de elementen scheen over, zoodat ook weer sterren zich begonnen te vertoonen. Nog iets verder, en een geelachtig schijnsel drong door de boomen. De maan kwam op.
Vroolijk ging een krachtige jodler van mijn vriend de lucht in.
En toen hadden we een doorkijkje door de sparren, dat prachtig was; op den stompen kegel van de Achtermannshöhe scheen de maan, terwijl een krans van teêre, van glans doorgloeide nevels om den top hing. Het dal werd nauwer en op den hooggelegen plas, het Odermeer, dat we passeerden, lag de sneeuw als een damasten kleed, omzoomd door den donkeren rand van de schaduwen der boomen aan den eenen kant. In het Noorden schitterde de Groote Beer.
We hadden nu het Brockenfeld bereikt, en wel op de laagste plaats, die 724 meter boven de Noordzee is gelegen, die eigenaardige hoogvlakte van venen en bosschen, die zich ten westen van den Brocken uren ver uitstrekt en waar buiten het Torfhaus en het Forsthaus Oderbrück geen menschelijke woningen zijn te vinden. Het begon zwaarder werk te worden, want er lag nu veel meer sneeuw; op den postweg Harzburg-Braunlager, dien wij na een kwartier door het bosch te hebben geloopen, bereikten, had de sneeuwploeg veel te doen gehad, om de sledebreedte voor de post vrij te houden. De telegraafpalen waren sterk beijzeld.
Verandering in het weêr, waardoor het duister werd en er sneeuw dreigde, deed ons besluiten, het aanvankelijk plan, om nog in den nacht de bestijging van den Brocken te doen, te laten varen en in het Boschwachtershuis Oderbrück te blijven. Dat was het laatste station voor voetgangers vóór den Brocken; we volgden nu den postweg in noordelijke richting langs wouden, diep onder de sneeuw en vlakten vol sneeuw zonder boomen, en hoe verder we kwamen, des te sterker werd het gevoel van eenzaamheid om ons heen, tot er op een grooten afstand over de sneeuw een licht blonk, het schijnsel van een lamp in het Forsthaus, waar we voor den nacht een onderkomen vonden.
Het was nog donker, toen we den volgenden morgen werden gewekt, ons bij flikkerend kaarslicht aankleedden en naar buiten keken, waar de sterren begonnen te verbleeken. Beneden gekomen, gingen we dadelijk naar de sneeuwschoenen kijken en brachten ze in het warme achterkamertje in de nabijheid van de kachel, om de nog aan de riemen hechtende ijsdeeltjes te doen ontdooien. De dienstboden zaten er aan hun morgensoep, en waren innerlijk zeker blij, dat ze in kou en eenzaamheid niet naar buiten behoefden te gaan. Ook de Förster, die al weer in de groote kamer op zijn troon zat, dacht misschien net zoo, maar onder de ruige wenkbrauwen straalden zijn oogen ons bijval toe en goedkeuring over ons voornemen.
Toen we na een flink ontbijt met koffie naar buiten gingen, stond de maan aan den westelijken hemel laag in een zachtrooden glans, uit het Oosten weerkaatst, die hooger zich in een teer blauw oploste, en de sneeuw op de sparren en de velden scheen overtogen met een groenachtig waas. Een paar stooten met de sneeuwschoenen, en het tooneel lag achter ons. We trokken oostwaarts naar het morgenlicht door bosch, dat met open plekken afwisselde, en over den harden grond knarsten de sneeuwschoenen snel vooruit.
Daar stuurde de zon over de besneeuwde velden haar eersten groet en strooide weldra millioenen van kristallen over de koude pracht; de sparren wierpen er blauwe schaduwen overheen. Doch niet lang zou de zon baas blijven; bruinachtige nevelsluiers schoven over de boomkruinen, door een oostenwind voortgedreven, die steeds in kracht toenam. Wij trokken onze hoofddoeken dichter om ons heen, blij, toen we zoo ver gevorderd waren, dat het groote Brockenveen bereikt was; daarna bereikten we den voet van den Königsberg en stapten vrij steil omhoog tusschen de boomen.
Langs den in den winter niet gebruikten spoorweg gingen wij door den pas tusschen Brocken en Königsberg en begonnen den top te bestijgen, eerst nog langs de lijn, die in groote bochten om den berg loopt, daarna in een rechte lijn bergopwaarts tusschen kromme en verweerde boomen met losse sneeuw ertusschen. Reeds bleven de sparren achter ons, en de sneeuw werd hard als ijs. Op den afgeronden top konden wij, daar de nevels waren weggetrokken, uitzien over bosschen en vlakten. De top was bezaaid met brokken graniet, en het Brockenhaus lag vóór ons, met sneeuw eromheen opgehoogd tot de vensters. De toegang tot de deur was tusschen sneeuwmuren opengehouden.
Op ons kloppen deed de voor den winter er gestationneerde kellner open. Het hotel, dat in andere seizoenen op een enkelen dag vaak bij de duizend menschen binnen zijn muren ziet, nam ons als eenige gasten op. Een gevoel van verlatenheid kwam ons tegen van de wanden in de hal, met de groote plakkaten over table d'hôte, aansluitingen van spoorwegen, telegraaftijden, enz. We kwamen in een verwarmd vertrek en in een hoek stond op dien dag in het laatst van 1901 een versierde Kerstboom!
Wij bleven er tot twee uur en togen toen weer op weg. Toen wij van het Brockenhaus hadden »afgestooten«, begonnen de sneeuwschoenen als vanzelf voort te hollen; het ging vliegensvlug over den harden grond, zoodat de been- en voetspieren groote moeite hadden, om de beenen evenwijdig te houden. Het tempo nam maar steeds in snelheid toe. Het was onmogelijk, te letten op het uitzicht, want de bergen werden bij die vaart tot iets onduidelijks; alleen enkele markante konden we onderscheiden, als Achtermannshöhe en Wurmberg. Scherp remmend suisden we naar beneden; het schemerde ons voor de oogen, en we waren in het gebied der sparren. Daar kwam een scherpe bocht van het pad, waarop wij tusschen de boomen naar omlaag vlogen, een snelle poging, om de bocht te nemen, en beiden lieten we ons achterover in de mulle sneeuw vallen, om niet in volle vaart in het struikgewas terecht te komen. Het liep best af, en spoedig was de daling volbracht.
Urenlang ging het nog door het bosch in de richting van Andreasberg en daarna over het vrije veld met de bergen van het Oderdal achter ons. Met lange schreden vorderden we over de harde sneeuw, waar reeds avondstemming begon te heerschen. Bloedrood werd het aan den horizon, en boven zweefden wolken, die met purper doortrokken schenen. In dat mooie licht verscheen het boeiende panorama van Andreasberg; we gleden in volle vaart de helling af en zelfs door de stille straten naar het station, waar we nog vroeg genoeg aankwamen, om ons te verkleeden. In de coupé rustten we uit en ongemerkt bracht ons de trein uit het stille bergland naar het woelige, drukke menschengedoe terug.
DE ZOEKENDE MENSCH.
De mensch bereidt zich voor op den tijd, dat hij gelukkig wezen zal. Daarmee is zijn leven geheel gevuld; voor iets anders blijft ruimte noch tijd.
DAME-BERGBESTIJGSTER IN NOORD-PERU.
Miss Annie Peck, een Amerikaansche, heeft een kloekmoedige bergbestijging ondernomen van een vulkaan in Noord-Peru, den Huascaran, en in het Juninummer van het bulletin der American Geographical Society geeft ze daarvan bericht. Zij had zich, naar ze meedeelt, reeds eerder met dien top van de Andesketen bezig gehouden, namelijk in 1904 en 1906, maar zonder succes. In die jaren werd ze alleen door inboorlingen vergezeld; maar toen ze in 1908 de poging tot bestijging van den berg herhaalde, had ze twee Zwitsersche gidsen bij zich, Gabriel en Rudolf Taugwalder uit Zermatt.
De eerste tocht tegen den noordelijken top omhoog mislukte, daar een der beide gidsen door de bergziekte werd overvallen en moest omkeeren. Daarentegen was de volgende bestijging met de gidsen gelukkiger; op den avond van den tweeden dag bereikte het gezelschap na een uiterst steilen ijswand te hebben bedwongen, het verbindend zadel tusschen de twee toppen van den berg, waarvan de hoogte op 5980 meter werd vastgesteld.
Den derden dag werd dan trots kou en vermoeienis de hoogste top bereikt. Daar de boven heerschende hevige wind het ontsteken van vuur onmogelijk maakte en ook het aansteken van licht verijdelde, kon geen hoogtemeting worden uitgevoerd. Miss Peck houdt echter vast aan haar schatting van 7320 meter of 24000 voet. Als dat juist is, zou de Huascaran dus den Aconcagua in hoogte overtreffen. Het schijnt evenwel niet noodig, zegt »Globus«, die het bericht uit het amerikaansche Bulletin overneemt, »deze schatting voor betrouwbaarder te houden dan de oudere, die den Huascaran een hoogte van 6700 meter toewijzen.«
R. PARKINSON GESTORVEN.
Aan »Globus« schrijft mevrouw Helene Diercke uit Herbertshöhe op Nieuw-Pommeren in den Bismarckarchipel het treurige bericht, dat haar vader, de onderzoeker R. Parkinson, die zich voor de exploratie van de Stille Zuidzee, wat de duitsche bezittingen daar betreft, zoo verdienstelijk heeft gemaakt, den 24sten Juli gestorven is na een langdurige ziekte. Hij heeft dus het verschijnen van zijn werk »Dreissig Jahre in der Südsee«, dat de resultaten van zijn onderzoek samenvatte, niet lang overleefd.
Het weekblad geeft dan uit het leven van den overledene enkele data. Parkinson was in 1844 in Augustenburg in Sleeswijk-Holstein geboren en kwam als beambte van het handelshuis Godeffroy al in 1876 op Samoa. Zijn belangstelling in de volkenkunde richtte zich daar dadelijk op de uit verschillende deelen der Stille Zuidzee aangeworven arbeiders op de plantages der firma, die meestal Polynesiërs en Melanesiërs waren. In 1882 verhuisde Parkinson naar het eiland, dat thans Nieuw-Pommeren heet, en stichtte er aan de noordkust van het Gazelle-schiereiland zijn plantage Ralum. De bewoners van dat eiland en van de meeste andere, groote en kleine, eilanden van den Bismarckarchipel leverden hem studiemateriaal. Hij was het, die ons door zijn talrijke reizen in den archipel de eerste vertrouwbare berichten over veel stammen heeft doen toekomen.
Dikwijls heeft hij den gouverneur op zijne reizen vergezeld en door zijn publicaties heeft hij dan niet alleen de wetenschap gediend, maar ook de belangstelling in die verre streken en in wijder kringen wakker geschud. In 1887 trok hij de aandacht door het kleine, degelijke boek »Im Bismarckarchipel«. Later verscheen in twee deelen »Album von Papuatypen«, met A. B. Meijer uitgegeven in 1894 en 1900. Zijn reeds genoemd werk »Dreissig Jahre in der Südsee« is iets van blijvende waarde, een studieboek voor allen, die wat van Melanesië willen weten. Het verscheen in 1907 en daarna schijnt Parkinson door ziekte belemmerd te zijn geworden in de voortzetting zijner studiën.
»Globus« maakt naar aanleiding van dezen doode de opmerking, dat men er zich over verbazen moet, dat geen der groote encyclopedieën iets over Parkinson heeft mee te deelen, ofschoon zooveel minder belangrijke »wereldreizigers« daarin wat over zichzelven mogen vertellen. Toch mag het volkenkundig onderzoek van de Stille Zuidzee, dat nu aan het detailonderzoek toe is, nooit vergeten, hoeveel het aan het voorbereidende werk van Parkinson heeft te danken.
WEER EEN ENGELSCHE ZUIDPOOLEXPEDITIE.
Het was te verwachten, dat de expeditie van Shackleton zeer spoedig door een nieuwe engelsche Zuidpoolexpeditie zou worden gevolgd. Dank zij Shackleton's onderneming is tegenwoordig in Engeland weer zeer veel belangstelling te vinden voor het Zuidpoolonderzoek, en de regeering heeft de openbare meening zeer goed begrepen, toen ze de kosten van Shackleton's tocht, voor zoo ver ze nog niet waren gedekt, dus voor eenige honderd duizenden guldens, voor hare rekening heeft genomen.
Thans is kapitein R. F. Scott, de leider van de groote Discovery-expeditie van 1903, die voor Shackleton, om zoo te zeggen, den weg naar het succes heeft gebaand, in Engeland met een oproeping naar voren getreden voor een inzameling ten behoeve van een door hemzelven te leiden Zuidpoolexpeditie, en hij schijnt een goede ontvangst voor zijn plan te ontmoeten.
De kosten zijn op 480.000 gulden geschat. Het doel der onderneming is naast het bereiken van de Zuidpool het onderzoek van Edward VII-land, waar Shackleton ondanks zijn pogingen niet heeft kunnen landen. Het vertrek zal het volgend jaar plaats hebben. Waarschijnlijk zal Scott van een overwintering met het schip afzien, maar net als Borchgrevink en Shackleton vóór hem, wil hij met zijn staf op een geschikt punt zich laten afzetten en zich den volgenden zomer weer van daar laten afhalen.
Het is mogelijk, dat in het volgend jaar ook de schotsche Zuidpoolexpeditie van luitenant Bruce vertrekt, wat in het belang van gelijktijdige onderzoekingen op verschillende plaatsen der Antarctis natuurlijk zeer gewenscht zou wezen.
EDAM, VOLENDAM, MARKEN.
Het verdriet ons wel eens, dat in den vreemde ons land zoo vaak wordt voorgesteld, alsof er niets anders bestond dan dat typische land ten noorden van de hoofdstad, dat lage land van Zaandam en omstreken en van de Zuiderzeekust. Maar het moet toch wel toegegeven, dat er daar veel belangwekkends en eigenaardigs voor vreemdelingen te zien is en dat het zich laat verklaren, hoe de buitenlandsche toeristen er zoo geregeld hun schreden heen richten.
Die voorkeur is ons nog eens weer duidelijker geworden door het lezen van het in het Fransch geschreven gidsje voor bovengenoemde plaatsen, dat tot titel draagt »Visions de Hollande, Edam, Volendam, Marken", samengesteld werd door den heer Anselme Changeur en uitgegeven is te Parijs in de Librairie Léon Vanier A. Messein, Successeur, terwijl voor ons land de boekhandel van W. J. Sipkema te Edam zich met de verspreiding belast. De prijs van het keurig uitgegeven boekje is 75 cents.
Iets zeer ongewoons voor den tegenwoordigen tijd is, dat er geen afbeeldingen in zijn opgenomen, wat het werkje zeker voor de buitenlandsche toeristen, die moeten worden aangelokt, veel minder aantrekkelijk maakt. Maar wij, die met eigen oogen dat interessante plekje van ons land hebben gezien of er door afbeeldingen een goede voorstelling van hebben gekregen, wij kunnen de aardige beschrijving lezen, zonder een gemis te voelen, want de tekst is zoo vlot en prettig geschreven en is een zoo gemakkelijk leesbaar en huiselijk, ouderwetsch Fransch, dat we na de lezing het geschrift met voldoening uit de hand leggen.
Het zou inderdaad niet ongeschikt wezen voor lecture en classe; als leesboek voor de middelklassen en de hoogere klassen van onze onderwijsinrichtingen voor twaalf- tot achttienjarigen kan men het gerust aanbevelen.
SCHEDELVEREERING.
Naar aanleiding van het stukje over schedelkorwars in De Aarde en haar Volken van 23 September: In het zeer belangrijke maar slecht behuisde Museum für Volkstrachten te Berlijn (Klosterstrasse) vindt men kinderschedels; zulke schedels worden in Neder-Beieren, nadat de weeke deelen vergaan zijn, door verwanten opgegraven, schoongemaakt, beschilderd en in huis bewaard. Ziedaar een schedelvereering, niet van kannibalen ver buitenaf, maar van menschen die centraal-Europa bewonen.
R. 3-XI-'09.
Sn.
OP DEN UITKIJK.
GEDENKTEEKEN J. E. TEHUPEIORY.
Met een mooie rede heeft Mr. C. Th. van Deventer op Zaterdag 23 October op de begraafplaats te Utrecht een eenvoudig gedenkteeken onthuld op het graf van den jongen indischen arts, wiens dood in de laatste dagen van het vorig jaar zooveel deelneming heeft gewekt en aan wien wij in ons nommer van 9 Januari een woordje wijdden. De plechtigheid van thans verlevendigt nog eens de groote teleurstelling over zijn dood, want er viel van den pas in ons land tot arts bevorderde zooveel te verwachten. Hij had een tweede Junghuhn kunnen worden voor onze kennis van Indië, en in dezelfde betrekking, waarin Junghuhn in Indië zooveel waardevol werkt heeft verricht, namelijk als officier van gezondheid, al was het dan evenmin als bij Junghuhn op medisch terrein.
Hij zou ook in zijn later leven een voorbeeld hebben kunnen blijven van wat er aan geestelijke krachten en gaven schuilt in onze bruine broeders in de Oost en hij zou een voortdurende opwekking zijn geweest voor onze regeering en wie op haar invloed hebben, om alles in het werk te stellen, ten einde den weg te effenen, waarlangs de inlandsche bevolking van ons Indië kan komen tot verheffing en ontwikkeling.
Het is een eenvoudige gedenksteen, die zijn herinnering zal levendig houden, met de woorden:
"Ter herinnering aan Johannes Everhardus Tehupeiory, inlandsch en nederlandsch arts, geb. 25 Juni 1882 te Ema, eiland Ambon, overleden 22 December 1908 te Utrecht.
Zijn nagedachtenis blijft in eere bij allen, die gelooven in Insulinde's toekomst".
De gedenksteen is gebeeldhouwd door Thérèse van Hall, de kunstenares, die getoond heeft, hoe goed ze haar taak heeft opgevat. In ernst en eenvoud gaf zij een zinnebeeld, een knaap in oosterschen trant nedergezeten en gebogen over een boek vol wijsheid; het teere figuurtje overhuifd door gebladerte, dat herinnering aan Ambon's sagopalmen wekt; op den achtergrond stralen van de rijzende zon; het geheel voltooid door een voor zichzelf sprekend opschrift en door twee aan weerszijden op den bovenrand geplaatste slangenbeeldjes, symbolen der medische wetenschap.
De secretaris van de vereeniging van indische studenten, de heer R. Soemitro, onthulde den steen, en de voorzitter, de heer Soetan Casajangan, aanvaardde in naam van de leden der Indische Vereeniging het gedenkteeken, dat aan de zorg dier vereeniging blijft opgedragen en dankte de nederlandsche vrienden voor hun daadwerkelijke belangstelling in het werken en streven van de vooruitwillenden in de indische maatschappij.
Ook Mr. J. H. Abendanon, oud-directeur van onderwijs in Indië, sprak een woord van hoop voor Indië's toekomst.
HET RIF EN DE RIFIOTEN.
De Rifstammen vechten nog maar door, zoo luiden de berichten uit de allerlaatste dagen van October en ook in de eerste dagen van November klinken er nog geen vredelievender tonen. Als de Spanjaarden hebben gedacht, dat ze met een eenvoudige tuchtigingsexpeditie zouden kunnen volstaan als antwoord op de aanvallen van Juli, hebben ze zich vergist, zooals in de geschiedenis zoovelen zich vergisten ten opzichte van de marokkaansche zeeroovers. Spanje heeft een volledigen oorlog te voeren in Noord-Afrika, en naar Melilla moeten steeds maar weer nieuwe troepen worden gezonden, die onder generaal Marina's bevel er groote moeilijkheden hebben te overwinnen.
Wat is eigenlijk het Rif? Het woord, dat Arabisch is, beteekent »rand«. Het wijst den omtrek van een kamp aan bij voorbeeld of een strook grond langs een dal, een vlakte of de zee. Het nu bedoelde Rif is de streek aan de Middellandsche Zee tusschen Melilla en Tetoean. Het is een massief bergland, dat zich van de Moeloeya uitstrekt naar de zee en bestaat uit een reeks aan de kust evenwijdige ketenen, doorsneden door passen en gescheiden door lengtedalen. Die ketenen, die ongeveer een hoogte van 2000 meters bereiken, maken een indruk van woeste verlatenheid. Het heerlijke klimaat van de landen om de Middellandsche Zee zoekt men er te vergeefs en de westenwinden uit de straat van Gibraltar kunnen er zeer koud wezen.
Toch zijn de hellingen der bergen bedekt met goede weiden en later vertoont zich op de niet volkomen rotsachtige gedeelten een dichte plantengroei van eiken en dennen, ceders en thuya's, notenboomen en wilde olijven; in de dalen, door tal van beken besproeid, groeien oranjes en vijgen, wijn en granaatappelen en allerlei graansoorten.