Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 36

Chapter 363,754 wordsPublic domain

Door den derden stuurman Pieterse werd een moedige doch vruchtelooze poging gedaan, om met den wal verbinding te krijgen, door, met een aan het schip verbonden lijn om het middel, al zwemmende den wal te bereiken; telkens werd hij door de hoog oploopende zeeën teruggeslagen. Tegen half zes in den vroegen morgen werd hetzelfde beproefd door den savoeneeschen matroos Riwoe Ngoeroe, die gelukkig den vasten wal wist te bereiken. In allerijl werd aan de lijn een sterke kabel verbonden en door Riwoe Ngoeroe kustwaarts getrokken en het eind stevig aan een vooruitstekende rotspunt bevestigd. Met handen en voeten hangende aan den kabel, boven de woest rollende golven, ging de geheele bemanning, groot 42 personen, aan wal. Ook de heer Colijn kroop, op die wijze hangende, naar de kust; wijselijk had hij den voorzorgsmaatregel genomen een lijn om zijn lijf te binden en verder met een lus aan den kabel, want midden onder de hang-manoeuvre, werd hij door een meters hooge aanrollende golf van den kabel weggeblazen, maar bleef gelukkig aan de lijn hangen, waarna hij zich weer naar boven heesch, en korten tijd daarna den vasten wal betrad; de wd. gezaghebber was de laatste, die het ontredderde schip verliet. Niemand nam iets mee dan het nachtgewaad, dat men aanhad, toen de eerste schok bij het vallen van het schip op het rif zich gevoelen deed. Boven de rotsen werd de kust geheel onbewoond bevonden; het was, voor zoover het oog reikte, bergachtig terrein, dicht bezet met bosch.

Het eerste werk was toen verbinding met de bevolking te zoeken, iets meer landwaarts in. De heer Colijn met een 6-tal inlandsche matrozen trok landwaarts, terwijl de rest met den wd. gezaghebber langzaam volgde. Twaalf uur 's middags werd de kampong Garantah ontdekt, waarvan de bevolking bleek vriendschappelijk gezind te zijn. Dit laatste is opmerkelijk, in aanmerking genomen dat, nog geen jaar geleden, in West-Soembawa, waar Garantah ligt, onze troepen herhaaldelijk in gevecht geraakten met de half woeste bevolking.

Op dien dag werd rust gehouden na de doorgestane ontberingen.

Den volgenden dag, 28 Augustus, werden door den wd. gezaghebber (eersten stuurman) den maatregelen genomen om den 29sten Augustus naar het gestrande schip terug te keeren, om te zien of, met behulp van de inlandsche bevolking, iets gedaan kon worden om het schip nog te redden. De heer Colijn vertrok den 28sten Augustus met een gedeelte van de bevolking, om het omliggende terrein op te nemen, en zoo mogelijk met de buitenwereld buiten Garantah, verbinding te krijgen. Zonder ophouden bleef het regenen, allen waren ongewapend; niemand had iets anders aan dan de nachtkleeren die door het gaan door bamboebosschen en langs doornstruiken, spoedig in gehavenden toestand verkeerden. Het troepje kon niet verder, omdat het aan alle kanten ingesloten werd door sterk bandjirrende rivieren.

Den 29sten Augustus werden de pogingen hernieuwd, maar men was niet gelukkiger, zoodat besloten werd naar Garantah terug te keeren, waar men 's middags aankwam, maar de overigen niet meer terugvond, die, zooals boven gezegd, naar het strand waren getrokken.

Den 30sten Augustus werd door den heer Colijn met een 4-tal inlandsche matrozen de poging herhaald. Langs een anderen weg maar altijd nog onder stortbuien, langs bergruggen van pl.m. 5000 voet hoogte en altijd door op bloote voeten, want men had letterlijk alles op het schip moeten achterlaten, werd in den namiddag van den 2den September de kampong Taliwang bereikt, waar de civiele gezaghebber van Midden-Soembawa met een detachement militairen is gevestigd.

Te Taliwang werd juist de Van Oudshoorn verwacht, die op denzelfden dag ook aankwam, maar met geene mogelijkheid assistentie kon verleenen, vooreerst door het stormweer, maar ook omdat de boot een deklading had van 500 stuks vee; buitendien zou hulp toch niet meer gebaat hebben omdat de Snip in den nacht van den 1sten op den 2den September gedurende springtij tegen de hooge rotsen van de kust zoo goed als geheel vernietigd werd. De Oudshoorn vertrok naar Laboean-hadji om telegrammen van den heer Colijn te bezorgen en assistentie te verzoeken.

Intusschen is de wd. gezaghebber den 29sten Augustus met zijn bemanning van Garantah naar de kust getrokken, waar hij den volgenden dag verbinding kreeg met het gestrande schip. Daar vond hij alles weggespoeld; niets was meer op zijn plaats; alle mondvoorraad door zeewater bedorven of verloren. Gelukkig werden de postzakken, in een stevig dekhuis bewaard, nog intact bevonden en aan wal gebracht.

Dienststukken en het reisarchief van den regeeringsadviseur Colijn werden over het geheele schip verspoeld gevonden; later bleek, bij het nazien, dat geen stuk was zoek geraakt. Gelukkig ook, want dan waren de resultaten van eenige maanden arbeids verloren gegaan.

Toen de poststukken en de paperassen aan wal waren gebracht, kon men nadien met het schip geen verbinding meer onderhouden; zooals hierboven gezegd, werd het fraaie vaartuig bij springtij tegen de rotsen stuk gerammeid.

Inmiddels werden de regens minder; op verzoek van den heer Colijn werd den 3den September een detachement militairen van het garnizoen te Taliwang met proviand en lijfgoederen, naar de achtergebleven schipbreukelingen te Garantah gezonden, waar het den 6den September in den middag aankwam.

Het flottieljevaartuig Koetei werd naar Taliwang gezonden om den heer Colijn af te halen en deze werd den 7den September naar Laboean-hadji gebracht, waar hij na ruim een uur stoomens aankwam. Direct daarop werd de Koetei teruggezonden om de andere schipbreukelingen naar veiliger oord over te brengen.

Den 9den September vertrok de regeeringsadviseur Colijn met het st. Duymaer van Twist van Laboean-hadji over Boeleléng, hoofdplaats van het gewest Bali, naar Soerabaja, waar ZHEGestr. in den vroegen ochtend van den 11den aankwam.

BESCHEIDENHEID EN AANMATIGING.

De mensch vertoont vaak een eigenaardige mengeling van bescheidenheid en aanmatiging; aanmatigend is hij in zijn houding, bescheiden in zijn prestaties.

OP DEN UITKIJK.

BIJ 'T PLAATJE VAN DEN POOLWEDLOOP.

Daar staan ze de poolhelden met de vlaggen van hun naties!

Cook en Peary houden er op 90 graden N.B. de sterren- en strepenvlag van de republiek Noord-Amerika. De een zegt in April 1908 en de ander in April 1909 aan de Noordpool te zijn geweest en beiden zullen voor een twijfelzuchtige wereld nog met de bewijzen moeten komen, die de wetenschap zal hebben te sanctionneeren.

Achter hen beiden staat weer een figuurtje, dat commandant Peary voorstelt, immers was hij de houder van het Poolrecord in 1906, toen hij tot 87 graden 6 minuten N.B. was doorgedrongen.

Dan verder achterwaarts ziet men een italiaansche vlag in Cagni's handen, den metgezel van den luitenant der Abruzzen, die op zijn pooltocht van 1900 niet zelf de hoogste breedte bereikte, maar door ziekte gedwongen achter moest blijven, toen de moedige Cagni den stouten tocht noordwaarts volbracht ten noorden van Groenland, en 86.31 bereikte.

Nog geen halven graad van hem verwijderd omvat Frithiof Nansen, de beroemde Noor, zijn vlag als houder van het poolrecord gedurende de vijf jaren van 1895 tot 1900. Hij was, ten noorden van Azië beginnend, na een zwaren tocht door nacht en ijs tot 86.13 gevorderd.

Teruggaande in den tijd en den afstand van de Pool, volgt dan in 1882 de amerikaansche officier J. B. Lockwood, die aan de Greely-expeditie deelnam, en de sterren en strepen kon planten op 83.24 graden.

Achter hem staat eindelijk ook de engelsche Union Jack in de hand van commandant A. H. Markham, deelnemer aan de expeditie van Nares naar de Smithsont. Hij bracht het tot 83.20.

Toen de engelsche regeering in 1875 aan commandant Nares dien tocht naar het hooge Noorden opdroeg, is dat het sein geweest voor de herleving van de ambitie voor het bereiken van hooge breedten en voor het IJszee-onderzoek in het algemeen, een ambitie, waarin ook wij hebben gedeeld met onze Willem Barents, die zeven tochten naar het Noorden in achtereenvolgende jaren heeft volbracht van 1878 tot 1884.

Maar vóór 1875 sliep de belangstelling al vele tientallen van jaren. Op het kaartje is na Markham Parry de voorste met 82.47, in 1827 bereikt. Hij houdt weer de engelsche vlag, zooals het heele groepje in zijn buurt. Hij ging den weg zoeken langs Spitsbergen, de route, die men eeuwen lang voor de beste naar de pool hield.

Vóór hem had o.a. de Engelschman Scoresby dien gevolgd en was er in het jaar 1806 al tot 81 graden en 30 minuten doorgedrongen.

Dat was weer na een periode van rust in het arctische onderzoek, want teruggaande komen we eerst in 1773 bij den grooten Noordpooltocht van kapitein Phipps, den lateren lord Mulgrave, op wiens schip Nelson als vijftienjarig koksmaat diende. Hij bracht het langs Spitsbergens westkust tot 80.48, waar hij op het plaatje staat met de engelsche vlag.

Als laatste zien we er Henry Hudson, laatste, maar dan toch altijd over den 80sten parallel, de lijn, waarbinnen de groep van koene ontdekkers is geplaatst. De reis, die de door de feesten in New-York weer in zooveel wijder kring bekend geworden Hudson in 1607 deed, had Japan en China ten doel en wou en passant de Noordpool aandoen. Het zware ijs hield den stoutmoedigen Engelschman tegen en in de Spitsbergenzee, niet ver van Groenlands oostkust, was het verste punt, waar Hudson de engelsche vlag kon planten, 80 graden en 25 minuten. Op den terugweg heeft hij de westkust van Spitsbergen aangedaan en er goede beschrijvingen van gegeven, terwijl zijn berichten over robben en walvisschen de later zoo belangrijke walvischvangst in het leven hebben geroepen.

HOOGTERECORDS IN DEN HIMALAYA.

Met de bergen is het gesteld als met de Noordpool. De strijd om de grootste hoogte op een berg te hebben bereikt, gelijkt den strijd om de grootste poolshoogte, en veel moed en geestkracht moet er worden aan den dag gelegd, veel ontberingen en gevaren moeten worden verduurd, wil men bij beide iets bereiken.

Half September is de hertog der Abruzzen uit den Noordwestelijken Himalaya naar Italië teruggekeerd. Hij heeft op den Tsjogolisa of Bride Peak de grootste hoogte bereikt, tot waar een mensch nog is doorgedrongen, namelijk die van 7500 meter. De hoogste top der aarde, de Gaurisanker of Mount Everest is nog onbedwongen.

Al vroeg heeft men in den Himalaya aanzienlijke hoogten bereikt. Zoo bestegen in 1855 Adolf en Robert Schlagintweit den Ibi Gamin, een top op de indisch-thibetaansche grens, op den 31sten graad N. B. tot een hoogte van 6788 meter. Tien jaren later moet een topograaf van de indische landmeting, W. H. Johnson, op den als E. 61 op indische kaarten aangeduiden top in Kwenlun een hoogte van niet minder dan 7285 meter hebben bereikt. Wel wordt dat in twijfel getrokken evenals er wordt afgedongen op de hoogten van W. N. Graham in den Himalaya.

Graham begon in 1883 met zijn bergbestijgingen. Nadat hij in Gharwal tweemaal tot boven 6850 meter was gekomen, ondernam hij zijn beroemden aanval op den 7325 meter hoogen Kabroe, den westelijken buur van den Kantsjinsjanga. Naar hij zegt, is hij op den top geweest, maar daaraan is getwijfeld, omdat hij niets over de bergziekte schrijft. De meeningen over dit record, dat nu pas door den hertog der Abruzzen is verbeterd, wijken nog van elkander af; maar de jongste ervaringen schijnen vóór Graham te pleiten.

In het jaar 1892 ondernam Sir Martin Conway een expeditie in het rijk der groote gletschers van den Karakoroem en sleet twaalf weken te midden van sneeuw en ijs. Hij besteeg o.a. den 7015 meter hoogen Pionierpiek.

Het jaar 1895 zag de beide alpinisten A. F. Mummery en professor J. N. Collie in Kaschmir den Nanga Parbat bestijgen. Munnery kwam slechts tot 6100 meter. In 1898 begon het echtpaar Bullock Workman uit Worcester in Massachusetts hoogtoeren in den Himalaya, die ze voortzetten in 1899, 1902, 1903, 1906 en 1908, waarbij mevrouw Workman o.a. den 7100 meter hoogen Pinnaclepiek in de Nunkunketen in Kaschmir besteeg. Verscheiden zeer hooge passen zijn nog door hen bedwongen, en hun studie van de hooge gletschers voerde hen op groote hoogten.

Het jaar 1907 bracht de bestijging van den 7135 meter hoogen Trisoelpiek door Dr. T. G. Longstaff en die van den 7325 meter hoogen Kabroe in Sikkim door de beide Noren C. W. Rubenson en Monrad-Aas. Hun hoogste kamp lag ter hoogte van 6890 meter, het hoogste punt, waar menschen ooit overnachtten. Ook in dit opzicht heeft dus nu de hertog der Abruzzen het record verbeterd met zijn kamp op 7100 meter op den Bride Peak.

DE HERTOG DER ABRUZZEN TERUG.

Op zijn Roewenzoribestijging heeft de hertog der Abruzzen die van een paar Himalayatoppen laten volgen. Sedert half September is hij in Italië terug, dat hij voor deze laatste reis tegen het eind van Maart had vaarwel gezegd. Zijn doel was het gebied om den Godwin Austen, den top, die ook wel als K.2 wordt aangeduid, en een bestijging van dien berg. Het is dezelfde, die vroeger den naam van Dapsang droeg en die op de kaarten met een hoogte van 8620 meter stond aangegeven. Dan zou hij dus de hoogste top der aarde zijn na den Mount Everest of Gaurisankar, maar het is waarschijnlijk, dat die tweede plaats aan den Kantsjinsjanga toekomt. De berg ligt in een weinig bekend en zeer afgelegen gebied, zoodat het reeds heel wat moeite kost, zijn voet te bereiken.

In 1902 hadden Guillarmod en Wessely den berg tot een hoogte van 6700 meter beklommen. De hertog begaf zich van Srinagar over Skardo naar Askole, waar hij den 14den Mei aankwam. Van daar ging het naar den voet van den Baltorogletscher en verder naar den voet van den Godwin Austen. De omstandigheden leken niet zeer gunstig voor een bestijging, want het gesteente was overal brokkelig, en er dreigde gevaar van lawinen. De hertog ondernam intusschen met twee leden der expeditie een voorbereidenden tocht van vier dagen, besteeg twee toppen van ongeveer 6500 meter en bezocht den door Guillarmod beschreven Oostgletscher evenals den nog nooit betreden Westgletscher van den Godwin Austen. Hij kreeg op dien tocht de zekerheid, dat de berg van alle kanten onbestijgbaar was. De maand Juni verliep met topografisch werk in die streek, en daarna beproefde de hertog de bestijging van den Tsjogolisa of Bride Peak. Ter hoogte van 6600 meter werd een kamp opgeslagen, waar men door slecht weer dagenlang was opgesloten.

Het volgende kamp lag ter hoogte van 7100 meter; men bleef daar vier-en-twintig uren. Den volgenden dag, den 17den Juli, werd om elf uur in den voormiddag een hoogte van 7500 meter gehaald door den hertog en de berggidsen Petigax en de gebroeders Brocherel. De nevel verhinderde het verder gaan; men wachtte nog vier uren, maar hij werd dichter en dichter; men kon geen paar pas voor zich uitzien. Toen besloot de hertog tot den terugkeer en zag af van verdere pogingen. De terugweg werd weer over Askole naar Srinagar volbracht.

NOG MAAR EENS DE DOORWERTH.

We hebben hier al dikwijls over dat oude Geldersche kasteel aan den Rijn »De Doorwerth« gesproken en het betreurd, dat het, vooral tijdens het beheer van den vorigen eigenaar, hoe langer hoe meer verviel. De commissie, die voor een restaureering van het gebouw ijvert, heeft reeds vrijwat ingezameld van de groote sommen, die zij behoeft. Mocht zij spoedig volkomen slagen!

Het zij ons vergund, hier een gedeelte over te nemen van het artikel, dat Mr. S. Muller Fzn. in het weekblad »Buiten« heeft doen verschijnen. Ook de heer F. A. Hoefer heeft in dat blad nog eens een woordje van opwekking tot steun geschreven.

De heer Muller schrijft o.a.:

»Kent gij Gustave Doré's afbeelding van het paleis der Schoone Slaapster? Een oud kasteel, verloren in eeuwenheugend groen, dat de oude muren en transen heeft overwoekerd met eene weelderige lijkwade, stil en verloren, terwijl daarbinnen alles slaapt den slaap der eeuwen. Een tafereel, dat het oog verrukt en de verbeelding machtig aangrijpt.

Zóó is de Doorwerth, heerlijk in zijn jammerlijk verval. In een woud van donkere oude boomen, waarop de zon soms liefelijke glansen toovert, ligt in zijne breede grachten de oude burcht; met stomme smart heft hij zijne hooge vervallen daken en zijne spitse torens naar den blauwen hemel. Stil is het op het voorplein; de muren zijn gebarsten en dreigen te storten in het spiegelende water; gebroken zijn de vensters, ledig en verlaten de holle zalen. Het oude kasteel ligt aan den voet van de ruige Veluwsche hoogten; de wandelaar, die het Rijnbootje heeft verlaten en de breede weiden doorwandelt, waar het vee rustig ligt te herkauwen in de zon, staat verrast, wanneer hij aan het einde van zijn tocht, den ouden burcht, sterk en waardig, ziet verrijzen uit den krans van welig geboomte tegen den achtergrond der zacht rijzende groene heuvels. Het tooverachtig schoone plekje, dat hem wonderbaar boeit, voert zijne gedachten verre terug naar oude tijden.

Thans rijst het wonderfraaie slot, als eene kostbare reliek, op in eene moderne omgeving, in het Rijn-landschap, dat het terrein is der pleizierreizigers. Maar eenmaal was dit anders. Langen tijd was de Doorwerth het middelpunt van een uitgestrekt gebied. Op den burcht troonde de heer, die heerschappij voerde over de uitgestrekte wouden en landerijen der omgeving. Al in de 13de eeuw wordt het kasteel, toen aan den Rijn liggend, vermeld. Maar dat oude primitieve kasteel is geheel verdwenen; het gebouwencomplex, dat ons thans zoo aantrekt, is wel oud, maar het dagteekent toch eerst uit veel latere eeuwen. Het hoekgebouw aan de landzijde, met zijne drie aardige hoektorentjes om het hooge dak, is het oudste gedeelte: het heeft de geheele 15de eeuw nog zien voorbijgaan. De twee groote gebouwen, die den hoek naar de rivier toe vullen met hunne wat barokke trapgeveltjes, zijn in het laatst der 16de eeuw aan deze oude kern toegevoegd, zeker wel ter vervanging van veel oudere hallen. En de hooge toren met zijne elegante spits naast de voorpoort, waarin zich de slotkapel verbergt, is eerst in het begin der 17de eeuw opgetrokken midden in de slotgracht. Een geheel dus, dagteekenend uit zéér verschillende perioden. De 17de eeuw heeft ook de beide poortgebouwen van het slotplein en den voorburcht zien verrijzen, met de weidsche stallingen en koetshuizen, die den voorhof omgeven, opvolgers van de »bouwinghe«, de boerderij voor het kasteel, die in 1280 vermeld wordt. Daarbuiten, nog verderaf, liggen buitenhof en moestuin, in den met hooge boomen beplanten singel, die het Rijnwater keeren moet.

DE DUITSCH-OOSTENRIJKSCHE ALPENVEREENIGING.

Het alpinisme heeft toch maar sedert het midden der 19de eeuw onophoudelijk aan terrein gewonnen, en het aantal bergbestijgers uit liefhebberij neemt met verbazende snelheid toe. De vereeniging, wier naam hierboven staat, telt niet minder dan 83000 leden, over 353 secties verdeeld.

In Weenen werd in de eerste helft van September de algemeene vergadering gehouden met een congres, waaraan 2000 leden deelnamen. Er waren feestelijkheden en gastmalen ter ontvangst van de gasten, en met gerechtvaardigde voldoening mocht het bestuur in zijn verslagen mededeelen, dat de jaarlijksche inkomsten 600.000 mark bedroegen en dat in de periode van veertig jaren, waarin de vereeniging reeds werkt, 13 millioen mark werd uitgegeven voor wegen, gidsen, schuilhutten, kaarten, reisgidsen en voor de ondersteuning van wetenschappelijke onderzoekers en hun uitgaven.

EEN HARZREIS.

In de serie van Brusse's reisgidsen, door de heeren W. L. en J. Brusse te Rotterdam uitgegeven, neemt »Een Harzreis« door M. J. Brusse de tweede plaats in. Het is een boekje, dat de menschen in den zak kunnen steken en dat telkens gemakkelijk even geraadpleegd kan worden, om te weten, wat wel het merkwaardigst is in dit romantische bergengebied. In acht brieven, door den schrijver gericht aan zijn uitgevers, vertelt hij hun des avonds wat hij in den loop van den dag heeft gedaan, waar hij heeft vertoefd en wat hij heeft genoten aan natuurschoon en aan indrukken van kunst of belangwekkende bouwkunde uit het verleden, of wat ook.

Hij doet de groote tochten meestal te voet, wandelt zes, zeven, acht of negen uur en is dan na den tocht frisch genoeg, om een fleurig en opgewekt verhaal te geven, dat voor een wijderen kring van lezers is bestemd en hun een aantrekkelijk beeld geeft van het drukbezochte bergland. Brusse zag den Harz voor de eerste maal, en om toch een goede keuze te kunnen doen tusschen de verschillende uitstapjes, die hem een vrij volledig overzicht van den Harz zouden geven, wendde hij zich tot den secretaris van den »Harzer Verkehrsverein«, bestuurder ook van de Harzclub, den heer Rudolf Stolle. Naar diens adviezen heeft hij zijn tochten ingericht en zijn eigen raadgevingen samengesteld voor de hollandsche lezers, die zijn boekje als gids willen meenemen.

Allerkeurigst is de uitgave door de rotterdamsche gebroeders de wijde wereld ingestuurd, en de afbeeldingen van de mooiste punten zullen ieder, die daar was, weer levendig het genotene in de herinnering teruggeroepen, terwijl ze, naar wij hopen, veel nieuwelingen zullen doen opgaan naar het liefelijke bergland, dat betrekkelijk zoo dichtbij ons is en zoo gemakkelijk is te bereiken.

DOOR DE LUCHT NAAR DEN GEMMITOP.

Wallis schijnt voor de ingenieurs een heerlijk terrein, om hun stoutmoedige plannen uit te voeren. Thans weer zal dichtbij Leukerbad de steile rotsmuur van den Gemmi overwonnen worden, en de reizigers zullen naar het hotel op den top worden vervoerd door middel van een luchtspoorweg, als reeds bij den Wetterhorn in gebruik is.

Het was, nu een smalsporig lijntje weldra Leukerbad met het Rhônedal zal verbinden, reeds veel gemakkelijker den Gemmi te bereiken, en daardoor is men op het denkbeeld gekomen, die lijn te vervolgen op een andere manier. Er is over een tunnel gedacht, als bij den Jungfrauspoorweg zoo talrijk zijn, maar voor de reizigers schijnt het nieuwe plan aantrekkelijker, terwijl de kosten van den tunnel ook veel hooger zouden wezen.

De heer Alfred Hurter, ingenieur en alpinist, is de ontwerper van een luchtspoorweg volgens het systeem, dat bij den Wetterhorn goede resultaten heeft opgeleverd. Maar het ontwerp voor den Gemmi is nog stouter. Eerst zal een kort lijntje van het eindstation van het electrische spoor van Leukerbad naar het eind van het dal moeten worden gelegd, waar het pad op den Gemmi begint te stijgen. Van daar ter hoogte van ongeveer 1433 meter boven de zee zullen vier stalen kabels rechtstreeks gespannen worden naar het op den top gebouwde hotel. Elk paar kabels zal een kleine waggon dragen, waarin gemakkelijk twaalf personen kunnen plaats nemen, die binnen weinige minuten door de lucht den afstand zullen afleggen, die hun tegenwoordig twee-en-een half uur van moeilijk stijgen kost.

De horizontale afstand, dien de kabels doorloopen, is 1580 meter, het verschil in hoogte 890 meter. Het spreekt, dat alle mogelijke voorzorgen worden genomen tegen elk gevaar. De voltooiing van het nieuwe plan zal 400.000 francs kosten en een aantrekkelijkheid te meer zal het kanton Wallis er door krijgen.

GELUK OF ONGELUK DOOR TWEELINGEN.