Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 35

Chapter 353,756 wordsPublic domain

Pickel = ijsbijl of ijshouweel. Rucksack = rugzak. Ski = sneeuwschaats. Kletteren = klauteren. Griff = steunpunt (voor hand of voet). Grat = kam. Spalte = kloof, spleet. Sérac = ijsnaald of ijstoren. Wächte = overhangende sneeuw. Neuschnee = versche sneeuw. Aper = sneeuwvrij of blank. Kamin = schoorsteen. Exponiert = blootgesteld. Geröll = rotspuin. Gendarm = rotstoren. Rutschen = glijden.

Een woord van speciale bewondering mag wel worden uitgesproken voor de foto's, waarmee de tekst wordt opgeluisterd; die zijn eenvoudig prachtig.

FRANZ WILHELM JUNGHUHN.

Brockhaus geeft als Junghuhn's geboortedatum 26 October 1812, niet 1809, wat later gebleken is het juiste jaar te zijn. Dat het jaar der geboorte van dezen natuuronderzoeker, geograaf en schrijver lang onzeker is gebleven, staat in verband met het duel, dat Junghuhn als jongeling op een gevangenisstraf van twintig jaren kwam te staan en waarbij zijn geboortejaar verkeerd werd opgegeven.

Voor ons Nederlanders is Junghuhn een man van beteekenis geweest, een dergenen, die Indië voor ons hebben gewonnen en niet ten onrechte heeft zich onder eerevoorzitterschap van den oud-gouverneur-generaal Jhr. C. H. A. van der Wijck een commissie gevormd, om zijn nagedachtenis te eeren. Men zal op 26 Oct. den man huldigen, die sedert hij op 25-jarigen leeftijd in nederlandsch-indischen staatsdienst trad als officier van gezondheid, zijn leven heeft gewijd aan het onderzoek, de beschrijving en de afbeelding der natuur van Java en Sumatra en wiens werken getuigen van zijn hoogen wetenschappelijken zin, zoowel als van zijne weldadige geestdrift en zijn meesterschap over den vorm, waardoor vooral zijn »Java«, in het Nederlandsch door hem geschreven, door Hasskarl in het Duitsch vertaald, tot de klassieken der landbeschrijving behoort.

De commissie wil een Junghuhnfonds vormen, bestemd voor natuurwetenschappelijk onderzoek van den Oost-Indischen Archipel, in het bijzonder in de richting waarin Junghuhn's voorbeeld nog het minst is nagevolgd: de studie van de vormen der aardoppervlakte, van hun ontstaan en van hunne betrekking tot klimaat, plantengroei en dierlijk leven.

Ten tweede ligt het in het plan der commissie een Gedenkboek uit te geven, dat zal trachten een beeld te geven van Junghuhn's leven en arbeid. Een lid zijner familie, prof. dr. Max Schmidt te Berlijn, die de uitgave eener uitvoerige biografie voorbereidt, zal in het Gedenkboek een overzicht geven van Junghuhn's lotgevallen. Bijdragen, in verband met zijn wetenschappelijken arbeid, zullen worden gegeven door dr. R. D. M. Verbeek, dr. J. P. van der Stok, prof. Dr. A. W. Nieuwenhuis, prof. dr. J. J. A. Muller, dr. S. H. Koorders, P. van Leersum, prof. dr. W. Volz, den heer J. van Baren, prof. J. F. Niermeyer en waarschijnlijk nog door andere--in Indië verblijf houdende--onderzoekers. Ook de heeren A. S. Carpentier Alting en G. P. Rouffaer hebben bijdragen toegezegd, betrekking hebbende op Junghuhn's persoonlijkheid, terwijl de heer W. C. Muller zich bereid heeft verklaard een Junghuhn-bibliographie samen te stellen.

Het boek zal versierd worden met reproducties naar photographieën, door Junghuhn zelven genomen van Javaansche landschappen. Een belangrijke verzameling daarvan, nauwkeurig door hem gerangschikt, is in het bezit van zijne weduwe, mevrouw Junghuhn-Koch te 's Gravenhage, en door haar ten gebruike afgestaan.

In 1835 kwam Junghuhn op Java aan, werd in 1840 naar Padang verplaatst, kreeg in 1842 een opdracht voor geologisch onderzoek van Java, was van 1849-1855 met verlof om gezondheidsredenen in Europa en keerde in 1855 als directeur voor de kinacultuur er heen terug. Op 20 April 1864 stierf hij te Lembang in de Preanger Regentschappen. »De Dageraad« van Augustus 1864 gaf een levensschets.

TWEE NIEUWE EXPEDITIES NAAR DE NOORDPOOL.

Het comité van de expeditie georganiseerd door Graaf Zeppelin om de poolstreken per luchtschip te onderzoeken heeft onlangs te Friedrichshafen vergaderd.

Men besloot a.s. zomer een voorloopige expeditie naar Spitsbergen te zenden, om den toestand van het ijs te onderzoeken en de ondervindingen, reeds bij de luchtvaart in die streken opgedaan, te bestudeeren. Het comité stond er in het bijzonder op een bestuurbaar luchtschip van groote afmetingen te construeeren, in staat om een lange reis te volbrengen en ingericht voor wetenschappelijke expeditie. Het plan voor het bestuurbaar luchtschip wordt ontworpen, en men denkt het gereed te hebben in 1911.

Van een anderen kant geeft Evelyn Baldwin, die de Poolexpeditie van 1901-1902 leidde, zijn plan te kennen om de pool te bereiken door gebruik te maken van de ijsverschuivingen, en daarbij een weg te volgen ongeveer gelijk aan dien van de Fram. Hij berekent dat zijn reis vier jaar zal duren.

DE ZUIDHOLLANDSCHE EILANDEN EN SCHOUWEN.

Een alleraardigst gidsje voor uitstapjes in ons land is het boekje van Henri Dekking »Van de Rotte tot de Schelde«, bij de uitgevers W. L. en J. Brusse uitgegeven in hun serie Reisgidsen, waarin reeds een gidsje voor Berlijn en een voor den Harz het licht zagen. Het is wel waar, wat de schrijver zegt, dat de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij die streken, als het ware, voor het verkeer heeft geopend en ze uit hun isolement heeft opgeroepen. Wanneer nu iemand daarvan vertelt, die er van zijn jeugd af heeft gewandeld, die dikwijls boottochten deed het breede water over en dan voetreisjes maakte over de eilanden van het eene dorp naar het andere door velden en langs de boomrijke wegen, dan is er veel kans, dat men iets te hooren krijgt, dat de moeite waard is, te meer wanneer de verteller met knappe zeggingskracht zich weet uit te drukken en zijn bewondering of belangstelling zijn lezers weet te doen navoelen.

Dat is met Henri Dekking het geval; hij zegt zelf, dat hij het vluchtig zal doen, niet als een reisgids, die met getallen en namen smijt en onleesbaar wordt van degelijkheid, maar als een, die in eigen bewondering reden vond, om anderen tot het genieten van merkwaardigs op te wekken. Werkelijk is voor allen, die van onbedorven natuurmooi genieten kunnen en de pittoreske lijnen en de kleurenweelde van oude stadjes kunnen bewonderen, volgens hem deze goede reisgelegenheid een voorrecht.

De zes hoofdstukken van het boekje, dragen de volgende namen: Het eiland IJselmonde rond, Hier en daar in de Hoeksche Waard, In 't land van de Geuzen, Van Ouddorp tot Ooltgensplaat, 't Romantische land van Schouwen en Uitstapjes tusschen Rotte en Schelde. Het laatste geeft maar enkele aanwijzingen van afstanden, de schrijver zal moeten bekennen, dat het getallen en namen zijn, wat heel natuurlijk is, want die kunnen nu eenmaal in een reisgids niet ontbreken, en zoo'n boekje wordt daarom niet onleesbaar van degelijkheid.

Trouwens dit gidsje is met bijzonder veel zorg geschreven; er zijn mooie bladzijden in, die allerlei interessante bijzonderheden geven over dat Zuidwesten van ons land, waarvan eigenlijk alleen Oostvoorne tot nu toe ook bewoners van verafgelegen deelen van ons land wist aan te lokken. Lezend over Ouddorp en zijn hotelier, die den schrijver rondleidde en rondreed door de mooie omgeving, krijgt men lust er zóó heen te trekken. En dan Schouwen, het romantische land van Schouwen! Hoe aardig vertelt Dekking ervan, hoe imponeert hem de kracht van ons volk, dat in vroeger eeuwen zooveel land op de zee verwon! Hoe goed schetst hij ons Zierikzee, dat geen doode stad is en dat in zijn zomerdorp in de buurt, het liefelijke Schuddebeurs, een zeeuwsch »Velp« zich heeft veroverd! Waarlijk de schrijver heeft gelijk, als hij tot zijn landgenooten zegt als in een plechtige toespraak: »Mijn landgenooten, verhoovaardigt u niet op reisherinneringen uit modelustig zomergejaag door verre landen, als gij de pracht van uw land tusschen Rotte en Schelde niet kent«.

De illustraties van dit gidsje zijn teekeningen van J. B. Heukelom, keurig uitgevoerde schetsen van het kasteel te Rhoon, de kerk te Poortugaal, riviergezichten bij Zwijndrecht, Puttershoek, Oud-Beijerland, Numansdorp, Zwartewaal, stads- en dorpskijkjes van Brielle, Spijkenisse, Middelharnis, Sommelsdijk, Goeree, Nieuwe en Oude Tonge, Dreischor, Zierikzee en Brouwershaven.

KLEEDING EN GEZONDHEID.

Het denkbeeld, zich werkelijk smaakvol en hygiënisch te kleeden, maakt maar langzaam vorderingen--reeds daaraan kan men zien, hoe verstandig het is!

GROND ONDER DE VOETEN.

Met de meeste beslistheid wandelen sommige wijsgeeren daar, waar ze geen grond onder de voeten hebben.

OP DEN UITKIJK.

EEN BESTIJGING VAN DEN POPOCATEPETL.

In iederen natuurvriend, die zich in de stad Mexico ophoudt, zullen de uit trotsche hoogte neerblikkende besneeuwde toppen van den Popocatepetl en den Ixtaccihuatl den wensch wakker roepen, den voet nog eens op hun toppen te mogen zetten en van daar een uitzicht te erlangen over het zonnige land.

Leden van de vreemdelingenkolonie vergunnen zich soms die weelde en in April, als het droge seizoen goed is doorgekomen, is daarvoor de meest geschikte tijd aangebroken. Onlangs deed weer een gezelschap den tocht naar den 5240 meter hoogen top van den vulkaan. Met den trein ging het van de stad naar het 58 kilometer verwijderde Amecameca. Men rijdt dan eerst langs het Texcocomeer; daarna door weiden en graanvelden. Bij Ajolta komt men voorbij een aankweeking van oude olijfboomen, waarna zich aan den linkerkant de voorgebergten beginnen te vertoonen van de beide vulkanen, gesierd met kleine dorpjes en bouwland op de lage hellingen. De spoorweg stijgt aanmerkelijk, en het landschap wordt steeds grootscher. Met pijnboomen bedekte toppen omsluiten het vruchtbare dal en daarachter steken kale rotsen hun massa's omhoog.

De stad Amecameca wordt in hoofdzaak door Indianen en mestiezen bewoond, telt ongeveer 8000 inwoners en biedt met haar eenvoudige leemen huizen weinig belangrijks. In het Westen ligt de zoowat honderd meter hooge Sacro Monte als een rotseiland in een zee van weelderigen plantengroei, waarop een kerk staat. Hier heeft men een ruim uitzicht, dat vooral mooi is, als 's avonds de zon de toppen der bergen verlicht en verguldt en het oog van den sneeuwgordel afdalend de verschillende plantengordels kan volgen, om in het rijk bebouwde dal rust te vinden. In Amecameca worden dan veelal de gidsen, rijpaarden, draagpaarden en bedienden gehuurd.

De bergtocht gaat nog eerst tusschen maïs- en korenvelden door, ingesloten door donkergroene agavenheggen; maar spoedig wordt een kloof bereikt, waar men om den smallen, stoffigen en zeer slechten weg achter elkander moet rijden. Het zandachtige stof lag meer dan tien centimeter hoog en de stappen van de paarden deden het zoozeer omhoog dwarrelen, dat men er geheel door omhuld was en doeken voor neus en mond moest binden. Al stijgend ziet men het karakter van de plantenwereld veranderen. Men ontmoet slanke naaldboomen, dennen en sparren, en in de diepe stilte doet het schreeuwen van een vogel in die omgeving aan noordelijke bosschen denken, zooals op de weiden de bloempjes aan noordelijke weiden doen denken; men zag er boterbloemen, potentilla's en viooltjes, terwijl iets verder gentianen en aardbeien uit het gras opkeken.

Na een rit van drie uren zag het gezelschap den top van den berg, en als een groet van de hoogte ging hen een ijzigkoude wind voorbij. Het pad werd al ruwer, en veel door den storm gevelde boomen lagen er dwars overheen. Herhaaldelijk waren er plekken, waar boschbranden hadden gewoed en waar verkoolde boomstammen op den grond lagen. Het werd laat en kort nadat de zon den horizon was genaderd, werd het ook reeds donker, want op Mexico's aardrijkskundige breedte duurt de schemering niet lang. Gelukkig, dat daar in het bergland nog een rancho te vinden was. De rancho Tlamacas ligt 3800 meter boven den zeespiegel. Het is een blokhuis van planken, waar men den nacht kan doorbrengen, om althans onderdak te zijn, al is het noodig, zelf voor alle comfort te zorgen.

In vroeger tijd werd er zwavel uit den krater van den Popocatepetl gesmolten en de oven is er nog aanwezig, door de Spanjaarden gebruikt, als ze de zwavel wonnen voor de bereiding van buskruit; maar sinds lange jaren rust de zwavelwinning uit den krater. De bedienden maakten ons een maaltijd gereed en op den grond legde men zich voor een paar uren neer, maar het was volle maan en reeds om halfdrie ging de tocht verder. Na een rit door een naaldbosch en door een diepe kloof werd een vulkanisch asch- en zandveld bereikt, waar de paardenvoeten 15 en meer centimeter in wegzakten. Alle plantengroei was verdwenen en de steilte was zoo groot, dat ze zigzagsgewijze moesten rijden.

Bij een rotspunt, waarop een kruis is geplaatst, welk punt La Cruz is gedoopt, laten de reizigers gewoonlijk de paarden achter en vervolgen te voet den weg omhoog. Het vulkanische donkergekleurde zand maakt het loopen moeilijk en telkens glijdt men terug, en men heeft twee-en-een-half uur noodig, om eindelijk de sneeuw te bereiken. In April ligt er weinig versche sneeuw op den Popocatepetl; de oude sneeuw is tot firn en dus hard als ijs geworden, waar de smeltwateren veel geulen in hebben uitgeslepen. Ofschoon het stijgen daar bezwaarlijk is, komt men er toch gauwer vooruit, en bij het opgaan der zon waren de toeristen tot op 4800 meter hoogte gestegen. Weer een lastige tocht en om half negen wordt de rand van den krater bereikt.

De middellijn van den krater is 800 meter en de diepte 400 meter; de steile wanden zien er bont gekleurd uit en uit den bodem stijgen onder een onheilspellend bruisen drie loodrecht opstijgende dampzuilen omhoog. Men stond aan de noordzijde van de opening en aan beide zijden torenden verglaasde rotsen op, met spleten, scheuren en holten, waar zwaveldampen uit opstegen. In het Oosten is de krater het steilst; daar staat de wand loodrecht en hij is bedekt met hooggele zwavelkristallen, terwijl op een paar vooruitspringende lijsten sneeuw ligt. De menschen, die in de buurt nog aan het zwavelinzamelen hebben meegedaan, beweren, dat dagelijks 450 kilogram zwavel door de dampzuilen wordt afgezet.

Die aanblik is imposant in de hoogste mate en als men om zich heen ziet en in de diepte en verte het oog laat rondgaan, krijgt men de donkere bosschen aan de kust te zien, de lichtere vlekken der savannen, de ernstige golflijnen van het beboschte berg- en heuvelland en bij helder weer ver naar het Oosten en Westen de zee. Hier en daar zijn kerken, dorpjes, steden en bouwland te onderscheiden. Op den berg wijzen diepe schaduwen de ligging der kloven aan en de gordel der naaldbosschen, zoowel als de grens van den boomgroei is duidelijk waar te nemen.

Het grootsche panorama houdt de reizigers gewoonlijk lang vast, en als de daling aanvangt, zijn diegenen, die den tocht in den regentijd doen, er het best aan toe, want dan is de sneeuw zacht en ze kunnen zich laten glijden, maar wie niet tusschen Juni en October er een bezoek brengt, doch in April, heeft tot La Cruz te voet te gaan.

Op denzelfden dag, waarop men den top van den vulkaan heeft betreden, kan de hoofdstad Mexico weer worden bereikt, zoodat het niet te verwonderen is, dat de bergbestijgers, die een nacht in het bergland niet vreezen, zich tot deze expeditie aangetrokken voelen.

OVER DEN JONGSTEN OPSTAND OP SAMOA.

Dit voorjaar is het weer ongunstig geweest op Samoa, en Dr. Solf, de duitsche gouverneur, moest in Februari dringend verzoeken om oorlogsschepen er heen te zenden, die mee moesten helpen, om de rust te herstellen. De leider van den opstand was een aanzienlijk hoofd, Lauati, die met zijn echtgenoote in plaats van in de stilte van zijn afgelegen dorp zijn kawa te drinken, liever in de hoofdstad Apia als politiek persoon redevoeringen hield en als koningsmaker hoopte op te treden, als de oude, zieke Mataafa tot zijn vaderen werd verzameld.

Lauati bedacht het plan, krachtig voor den troonpretendent Malietoa Tanoe te werken, die als werktuig van Lauati naar diens wenschen zou regeeren. Mataafa heeft een anderen erfgenaam aangewezen voor zijn troon. De afwezigheid van Dr. Solf, den gouverneur, begunstigde de intriges, en een kleine, den met verlof zijnden ambtenaar ongunstig gezinde partij trachtte reeds het vorig jaar het volk tot een opstand te bewegen met beloften en geschenken. Op den dag van den terugkeer van den gouverneur zou een demonstratie plaats hebben, als teeken van het begin van het openlijk verzet.

Maar de plaatsvervangende gouverneur, Dr. Schultz, kreeg nog bijtijds bericht van de aangelegenheid en verbood aan de lieden van het eiland het bezoek aan de hoofdstad. Toch was bij den terugkeer van Dr. Solf de toestand op Sawaï nog kritiek genoeg, en het bedoelde verbod zou, naar het scheen, enkel een uitstel wezen van verwezenlijking der plannen van Lauati. De verschillende hoofden stelden aan het bestuur eenige eischen, die op voorzichtige wijze moesten behandeld, wilde men de gemoederen niet nog meer prikkelen.

Kort na zijn aankomst reisde de gouverneur in persoon naar Lauati, dien hij trof, omgeven door een groot aantal hoofden. Een gevangenneming van Lauati scheen uitgesloten, te meer daar de gouverneur geen andere troepen bij zich had dan de lijfwacht, bestaande uit de zoons van aanzienlijke hoofden, de Fita-Fita. Dus verklaarde de gouverneur de eischen der hoofden, die voor het meerendeel betrekking hadden op het gebruik, dat van enkele openbare gelden werd gemaakt, te zullen ter sprake brengen op de in Januari te Moelinoe te houden vergadering van hoofden.

Intusschen bleef Lauati stoken en voor den gouverneur viel er aan machtsvertoon bij gebrek aan soldaten niet te denken. Door redeneering werden een paar hoofden voor de duitsche regeering gewonnen, en Lauati werd tegen den 16den Januari van dit jaar naar Moelinoe opgeroepen. Tegen het bevel van den gouverneur verscheen hij niet alleen, maar met een aantal aanhangers. Toen hem verzocht werd die weg te zenden, beloofde hij het eerst, maar deed het niet en ging met de zijnen heen, den gouverneur een in minachtende woorden gestelde oorlogsverklaring zendend.

Daar meldde een bericht, dat de aanhangers van Lauati op marsch waren naar Apia met vijandige bedoelingen. Toen ondernam de goeverneur een waagstuk. Hij ging met den ouden Mataafa, luitenant Hecker en den tolk Schneider in een rijtuig de opmarscheerenden tegemoet naar Vaïoesoe. In plaats van een strijd met de wapenen had er een woordenwisseling plaats, eerst tusschen Mataafa en Lauati, die elkander wederkeerig van woordbreuk beschuldigden. De kritieke dag eindigde met een verzoening tusschen Lauati en Mataafa; de gouverneur verscheurde den brutalen brief van Lauati, nadat Lauati om vergiffenis had gesmeekt en straffeloosheid had weten te bedingen.

Maar de vonk smeulde voort, en er begon gevaar te ontstaan voor de blanken. Want het geval deed zich voor, dat de bevolking van plaatsen, die aan de regeering trouw waren, de wapens verlangden van de blanken, om ze tegen de aanhangers der oproerlingen te gebruiken. Lauati's welbespraaktheid scheen de troepen tegen de Duitschers te zullen vereenigen. Daarom zond de gouverneur den 5den Februari een telegram naar Berlijn, waarin hij drie oorlogsschepen vroeg, om de eigendommen der blanken te beschermen. Samoa zelf heeft geen telegraaf; de telegrammen worden per schip naar de Fidsji-eilanden gebracht en gaan eerst van daar langs electrischen weg verder. Vijf lange weken hadden de Duitschers op Samoa te wachten, eer het bericht kwam, dat half Maart de oorlogsschepen zouden komen en spoedig volgden dan ook al de "Leipzig", de "Arcona", de "Jagoear" en de "Titania". Het was noodig tijd. De grootste moeilijkheid was er nu in gelegen, het niet tot een oorlog te laten komen, die dadelijk een rassenoorlog zou zijn geworden en veel duitsche troepen zou hebben gevorderd, en toch den opstand te dempen en de leiders van den opstand in handen te krijgen. Doch ook die moeilijkheid werd overwonnen.

Een oproeping om zich rustig te houden van den gouverneur, de wenk, den vrede te bewaren, van Mataafa, en de kalme hulp van de zendelingen, leidden er toe dat de aanvoerders zich zelf kwamen melden. Den 1sten April kon de commandant der "Leipzig" vice admiraal Coester, den zich op de "Titania" bevindenden gouverneur melden, dat ook Lauati zich had overgegeven en dat alles zonder bloedvergieten was afgeloopen. Lauati en negen aanvoerders werden naar Saipan, een der Carolinen, verbannen.

Het verloop van den opstand wijst er wel op, hoe verantwoordelijk de post van gouverneur van Samoa tegenwoordig is, en hoe dringend Samoa telegrafische aansluiting noodig heeft.

EEN NATIONAAL PARK IN ZWITSERLAND.

Er is sprake van in Zwitserland een nationaal park te stichten, waar fauna en flora beschermd zouden zijn voor de gevaren der beschaving.

Een Zwitsersch dagblad stelt voor, hiervoor te bestemmen het dal van de Scarl, eene vallei in Laag-Engadien, hoog 1175 à 2600 meter. Het dal van de Scarl is door tal van vertakkingen en verscheidene passen met het Munsterdal, met Tarasp, Tauffers en Schuls verbonden. Het is zeer woest met zijn watervallen van de Clemgia, zijn rotsen, zijn plateaus en zijn bergen.

De fauna bevat alle dieren uit de alpenwereld. Men vindt er larixen en alle soorten van pijnboomen. Wat de flora betreft, deze is rijk aan zeldzame planten die beschermd dienen te worden.

EEN NEDERLANDSCH VOLKSVERTEGENWOORDIGER AAN DEN DOOD ONTSNAPT.

De heer Colijn, voor Sneek ter Tweede Kamer afgevaardigd, is nog altijd in Indië, maar denkt in 't begin van November te repatriëeren, na een diensttijd van zeventien jaren onafgebroken in Indië te hebben doorgebracht. Hoeveel succes hij daar had in den krijg, hoe hem belangrijke regeeringsopdrachten werden gegeven, die hij steeds met goed gevolg ten uitvoer bracht, hoe tactvol hij onder de inboorlingen werkte, is algemeen bekend.

Zijn benoeming tot adviseur voor de Buitenbezittingen verruimde zijn werkkring. Een ervaring, die hij opdeed op een dienstreis naar de Kleine Soenda-eilanden, wordt in de Java-Bode als volgt weergegeven. De gouvernementsstoomboot »De Snip«, die den heer Colijn aan boord had, vertrok den 26sten Augustus j.l. van Waingapoe aan de noordkust van Soemba naar Laboean-hadji, aan de Oostkust van het eiland Lombok, om van die plaats een dienstreis te beginnen over het gewest Bali-Lombok.

De reis begon voorspoedig, maar tegen middernacht, toen de Snip ter hoogte van Midden-Soembawa was, vielen er stortregens, gepaard met hevige winden, die voortdurend in kracht toenamen; de regens belemmerden het gezicht aan alle kanten. Omdat de genomen koers aangaf, dat het schip in volle zee was, bleef men doorstoomen, toen plotseling 's nachts bij vieren het schip op een rif werd gezet en daarop muurvast bleef liggen.

Toen het schip op het rif vastzat, stortte zich de deining uit het zuiden met volle kracht op het schip en deed het 90° draaien, zoodat dus de steven naar den wal gekeerd was. De hevige stortzeeën, die met iedere minuut in kracht toenamen, beukten onafgebroken op het achterste deel van het schip, zoodat 't van het rif werd opgelicht en den wal werd opgejaagd; de noordelijke rand van het rif was naar berekening 300 meter van den wal verwijderd.

Het schip kwam toen in de hevige branding vlak bij den wal te liggen op een scheepslengte afstands van een rotswand, 30 meter hoog, steil uit het water oprijzend. Toen de dag begon aan te breken, kon men de vernieling overzien, door den storm aan het schip toegebracht. Alle sloepen waren in dien vreeselijken nacht tot splinters geslagen; een eenigszins zeewaardige vlet, die overbleef, zou niet bestand zijn om tegen de krachtige branding op te werken; inmiddels bleef het voortdurend stortregenen.