Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 34

Chapter 343,682 wordsPublic domain

»Gaat de Berlijner naar opera, komedie, café-chantant, dan brengt de indeeling van zijn maaltijden mee, dat hij na afloop in een restaurant het avondeten neemt, zoo tegen elf uur dus. Daarvan kan een vreemdeling zich overtuigen, die om dien tijd een bezoek brengt aan de bekende wijnrestaurants Traube, Kempinsky, Kaiser-Keller, of in Rheingold, het allernieuwste, een inrichting, overdonderend door licht en grootte. En waar het nu eenmaal gezellig is, prettig druk, het eten en de wijn goed zijn, het strijkje, dat bij Rheingold uit veertig personen bestaat, maar even opgewekte wijzen speelt, de laatste tram nog lang niet gaat.... daar is het in een ommezien twee uur. En wordt het voor een enkelen keer nog later.... de portier wenkt den koetsier of den chauffeur op den hoek, en men komt toch gemakkelijk thuis. Zoo is het in de familierestauraties, waar een dochter haar moeder kan binnenleiden."

TALENKENNIS.

Als iemand zich in veel talen geborneerd kan uitdrukken, dan wordt hij tot de zeer beschaafden gerekend.

GEVRAAGD EN AANGEBODEN WERK.

Als men u vraagt om uw werk, dan is het goed, ook als het slecht is; biedt ge het echter aan, dan is het slecht, ook al is het goed.

OP DEN UITKIJK.

EEN HALVE EEUW NA KARL RITTER'S DOOD.

In Mei 1859 was Alexander von Humboldt gestorven, en er was nog geen half jaar na zijn dood verstreken, of het duitsche volk betreurde weer een zijner zonen, werkend in von Humboldt's richting; het stond aan de baar van Karl Ritter. Op den 28sten September was de geniale stichter van de wetenschappelijke aardrijkskunde na een lijden van vele weken in zijn tachtigste jaar gestorven. Bij zijn dood was Ritter al een wereldberoemd man; maar ook nog thans, na een halve eeuw, wordt hij algemeen gewaardeerd en wat hij voor de wetenschap der aardrijkskunde heeft gedaan, is waarlijk niet vergeten.

Met hem begint een nieuwe aera van beoefening der wetenschappelijke aardrijkskunde. Toen hij in 1804 uitgaf zijn groot werk »Europa« bleek reeds duidelijk, dat hij gebroken had met de meening, dat er geen andere aardrijkskunde bestond dan de staatkundige, en in de voorrede tot het veelgelezen werk zegt hij, dat het zijn doel was, den lezer een voorstelling te geven van het gansche land, van de natuur- en de kunstproducten en van het leven, dat de menschen er leiden en bij ieder land dat zoo te doen, dat er een samenhangend geheel voor den lezer verrijst.

Hij wou geschiedenis en aardrijkskunde tot onafscheidelijke gezellinnen maken, en aantoonen, hoe de aarde en haar bewoners tot elkander in het nauwste verband staan. Het kwam hem voor, dat men tot dien tijd den gewichtigen invloed van de natuurlijke gesteldheid van een land had onderschat. Zooals de chronologie de grondslag der geschiedenis is, zonder welke alle feiten verward zijn, zoo was voor hem de physische gesteldheid de basis der geografie, het skelet, door al het andere als door vet en spieren omgeven.

Natuurlijk vond de door hem ingevoerde nieuwigheid aanvankelijk veel tegenstand, vooral van de zijde der erkende geografen in Weimar, die leden waren van het Geografisches Institut. Maar Ritter bleef zijn richting propageeren, en in 1817 verscheen zijn standaardwerk »Die Erdkunde im Verhältniss zur Natur und zur Geschichte des Menschen, oder allgemeine vergleichende Geographie als sichere Grundlage des Studiums und Unterrichts in physikalischen und historischen Wissenschaften«. In dat boek heeft Ritter zijn hervormingswerk tot volle ontplooiing gebracht. De geweldige stof heeft hij vermeesterd en tot een levend geheel gemaakt, dat zich zijn plaats waardig toonde onder de andere wetenschappen en meer dan de meeste andere van beteekenis was voor het practische leven.

Er zijn in het geheel negentien deelen van het werk verschenen, maar het is toch onvoltooid gebleven, zoo als bij den grootschen opzet wel te verwachten was. De kleinere geschriften van Ritter, van groote scherpzinnigheid en geleerdheid getuigend, en de na zijn dood uitgegeven redevoeringen hebben zijn roem niet weinig vergroot. Het was geen veelbewogen leven, dat hij in 1859 afsloot. Geboren in 1779 als zoon van een dokter in Quedlinburg, werd hij al op zesjarigen leeftijd geplaatst op de opvoedingsinrichting Schnepfenthal, de beroemde instelling, die in dit jaar haar 125 jarig bestaan heeft gevierd. Een natuurlijke levenswijze en verruiming van den geest in de richting, als door Rousseau in zijn »Emile« was gepredikt, lagen ten grondslag aan het in Schnepfenthal gegeven onderwijs en de opvoeding, die men er voorstond.

In de school was aardrijkskunde al gauw zijn lievelingsvak, en toen hij later naar de academie te Halle ging, interesseerden hem naast paedagogische onderwerpen en de statistiek niets zoozeer dan wat met aardrijkskunde in verband stond. Hij nam zich toen reeds voor, van dat vak zijn levensdoel te maken. Van Halle ging hij naar Frankfort aan de Main, waar hij een reeks van jaren gouverneur was in een voornaam gezin, en daarna werkte hij in Göttingen, waar hij de schatten der daar aanwezige bibliotheek voor zijn aardrijkskundig werk exploreerde.

In 1819 kreeg hij een betrekking als buitengewoon hoogleeraar in geschiedenis en aardrijkskunde aan het gymnasium in Weimar, om vrij spoedig de promotie te maken tot een professoraat aan de Berlijnsche universiteit. Daar heeft hij bijna veertig jaren gewerkt, en in zijn voordrachten gaf hij nieuwe vormen aan de geografische wetenschap. Duizenden hebben als toehoorders en leerlingen hem gevolgd en kwamen onder den indruk, welk een uitstekend redenaar en leeraar hij was.

Op het kerkhof bij de Mariakerk aan de Prenzlauer Allee te Berlijn werd hij naast zijn hem voorafgegane vrouw begraven. Zijn aandenken is hoog in eere gehouden. De Aardrijkskundige Genootschappen in Berlijn en Leipzig stichtten Karl-Ritterbeurzen met het doel, de aardrijkskunde te bevorderen door ondersteuning van reizen en van wetenschappelijk werk. Buitendien richtte zijn geboortestad Quedlinburg voor haar grooten zoon een gedenkteeken op in 1865; maar het beste gedenkteeken heeft hij zichzelven gesticht in zijn richting, die vooruitstuwend heeft gewerkt op een wetenschap, waarvan de evolutie nog in lange jaren niet zal zijn voltooid.

DE WANDADEN DER TIJGERS IN HINDOSTAN.

Gedurende de eerste vier jaren van de twintigste eeuw hebben de tijgers in Voor-Indië niet minder dan vier duizend menschelijke wezens verslonden. Men vraagt zich af, hoe Engeland, dat er zich op verhoovaardigt, aan de andere volken het voorbeeld te geven in zake den vooruitgang, dat elk jaar weer nieuwe verbeteringen invoert in de wapens, waarvan de jagers op groot wild gebruik maken, dat bij uitnemendheid het land is van de sportmenschen, hoe Engeland er niet in is geslaagd, om zijn onderdanen in Voor-Indië te bevrijden van een verscheurend dier, dat Hindostan ieder jaar een schatting oplegt van duizend menschenlevens en van twintig duizend stuks vee.

De »Modern Review« van Calcutta zegt, dat het tijd wordt, om voor geen middel terug te deinzen, ten einde een roofdier uit te roeien, dat zooveel schade aanricht. Nooit was een oorlog op leven en dood tegen een diersoort gewettigder dan deze, als de tijger maar niet zoo sterk was en zoo slim, zoodat hij in den levensstrijd goed gewapend is.

In het Zuiden van Indië zijn tijgers van vier meter lengte geen zeldzaamheid en geloofwaardige getuigen verhalen, dat zoo'n dier met een vrij zware prooi in den bek met gemak over een twee meter hooge haag springt. En als zijn kracht en vlugheid hem nog niet genoeg beschermden, zou het dier in de jungles, het dichte struikgewas van Bengalen, overal een schuilplaats vinden. Ook in de provinciën van het midden zijn gedeelten, waar de stoutmoedigste jager niet kan doordringen. Op meer dan één plek van het schiereiland, zou men, wilde men de wilde dieren uitroeien, eerst het land moeten zuiveren van allen plantengroei. Maar het ontginnen van die reuzenterreinen, waarvan de verscheurende dieren bezit hebben genomen, zou nog niet voldoende wezen, om den tijger het lot te doen ondergaan, dat de wolf heeft ondergaan bij voorbeeld in Engeland.

Een uitroeiingsarbeid, die met een goeden uitslag is verricht in een matig uitgestrekt land, waar alle inwoners eenstemmig waren in den wensch het gevaarlijke dier te vervolgen, ontmoet bijna onoverkomelijke bezwaren over een onmetelijk terrein, waar de veroordeelde ook nog hier en daar kan rekenen op de onuitgesproken sympathie der bevolking. En dat is het geval met de tijgers uit Indië. De bengaalsche boer is er niet rouwig om, dat het groote roofdier een onweersprekelijken dienst bewijst aan den landbouw door het uitroeien van wilde zwijnen en herten. Het is waar, dat de helper zich soms verschrikkelijk duur voor zijn goede diensten laat betalen, want vroeg of spa komt er een tijd, dat de tijger in plaats van zich uitsluitend met groot wild te voeden, dat den oogst vernielt, jacht gaat maken op den mensch. Als hij eenmaal menschenvleesch heeft geproefd, schijnt hij er zeer verlekkerd op te wezen. Het calcutta'sche blad weet te vertellen van een tijger, die in Zuid-Indië tweehonderd menschen had verslonden en van een anderen in den Himalaya, die het er driehonderd had gedaan.

Hoe die smaak in menschenvleesch ontstaat, wordt door sommigen verklaard uit de omstandigheid, dat het dier, als het ouder wordt, minder vlug is en de herten niet meer kan snappen, terwijl anderen beweren, dat in tijden van buitengewone droogte de tijger, genoodzaakt, om al meer de vlakte te naderen, waar de menschen wonen, om er water te zoeken, gevaarlijker wordt, ook doordat hij uitgehongerd is. Maar hoe het ook zij, tegenover de vaststaande feiten, dat het aantal menschen, hetwelk hem ten offer valt, toenemende is, mag zeker de engelsche regeering wel al het mogelijke doen, om de bevolking in haar strijd tegen het gevaarlijke roofdier te helpen.

BRAZILIË, EEN LAND DER TOEKOMST.

Onder dezen titel geeft de firma J. H. de Bussy, te Amsterdam een werk uit van de hand van den vice-consul van Brazilië, den heer N. R. de Leeuw. Het is een lijvig boekdeel van 392 bladzijden op stevig papier gedrukt met afbeeldingen tusschen den tekst en eenige kaarten. Het werk schetst ons het gebied van de groote republiek, zooals het thans is en geeft in een eerste hoofdstuk een kort zakelijk overzicht van Brazilië's geschiedenis tot en met de regeeringsperiode van President Dr. Affonso Penna, van wiens ministers korte biografieën worden gegeven. In een naschrift moest de schrijver gewagen van den dood van den in het land algemeen gewaardeerden President, en van Dr. Nilo Peçanha, die in zijn hoedanigheid van vice-president diens opvolger is tot aan de nieuwe verkiezingen van 1910.

In achtereenvolgende hoofdstukken wordt daarna een aardrijkskundig overzicht gegeven, een beschouwing over het klimaat en de bevolking, en een overzicht van den economischen toestand van het land door korte paragrafen over de plantaardige producten en die uit het dieren- en delfstoffenrijk. Daarna wordt de nijverheid besproken in meer dan twintig kleine hoofdstukjes, ieder gewijd aan een bepaald product, hoeden, hangmatten, lucifers, buskruit enz. enz. Het budget en de invoerrechten, het verkeerswezen, kolonisatie, immigratie en eindelijk de bondshoofdstad, het sterk vooruitgaande Rio de Janeiro, zijn de onderwerpen van de laatste kapittels.

Voor de verspreiding van kennis over de grootste republiek van Latijnsch Amerika zal dit blijkbaar met zorg samengestelde boek zeer veel goed kunnen doen, wat wel zeer gewenscht is, want het wordt tijd, dat de Nederlanders weten, dat, zegt de schrijver, »Brazilië meer en beter is dan een half geciviliseerde exotische staat van pronunciamento's en dictators, die naar Europa geen andere producten exporteert dan af en toe een afgedankt staatshoofd, wat koffie en wat beesten voor de diergaarden.« Nu, dat leeren wij op de helderste manier door dit boek, dat naar wij hopen, veler belangstelling zal wekken en onze kooplieden en industriëelen zal prikkelen tot het aanknoopen van betrekkingen met een natie, die hen zal in staat stellen, hun afzetgebied uit te breiden en tot dusver onbekende kanalen voor hen zal openen. Brazilië bleef te lang buiten onze aandacht, »en«, zoo besluit de schrijver zijn voorwoord, »wanneer mijn boek, voor zoo ver dit Nederland betreft, hieraan een einde maakt, dan acht ik mij in alle opzichten gekweten (te hebben) van de taak, die ik mij met deze uitgave voor oogen stelde.«

DE HOOFDSTAD VAN AUSTRALIË.

Zooals we ongeveer een jaar geleden konden meedeelen, had toen het Parlement van het Vereenigde Australië besloten, dat de hoofdstad zou komen te liggen in het district Yass-Canberra. Zij moest in den staat Nieuw-Zuid-Wales en op niet minder dan 100 mijl (160 K.M.) afstands van Sydney liggen, in een stuk land van ten minste 100 vierkante mijl, dat grondgebied van het Gemeenebest zou worden. Het district Yass-Canberra nu ligt nagenoeg 200 mijl ten Zuidwesten van Sydney. Yass is een stad van een 3000 inwoners, ligt aan de rivier Yass en is met Sydney verbonden door een spoorweg. Canberra is een dorp, niet ver van Yass gelegen.

Nu heeft de Wetgevende Vergadering van Nieuw-Zuid-Wales besloten, het Gemeenebest in het district Yass-Canberra een stuk land van 800 vierkante mijl aan te bieden; verder zal het ook buiten dat gebied over water uit de rivieren kunnen beschikken, krijgt het twee vierkante mijl grond aan de Jervisbaai en het recht om daarheen een spoorweg aan te leggen en dezen te verbinden aan den staatsspoorweg Goulbourn-Cooma.

VRIJHEID EN KETENEN.

Men houdt menigeen voor getemd, omdat hij geketend is.

HOOGTERECORD VAN DEN HERTOG DER ABRUZZEN.

De hertog der Abruzzen, die al met succes den Mount Elias beklom en wiens verrichtingen in het gebied van den Roewenzori de lezers van ons hoofdblad hebben kunnen volgen, is op de Himalayareis, die hem op het oogenblik bezighoudt, gekomen op den Bride's Peak ter hoogte van 7600 meter. Dat is het hoogterecord voor bergstijgingen.

Toen Humboldt op den 23sten Januari 1802 den Chimborazzo tot 6000 meter hoogte besteeg, had hij een ondragelijk lijden te verduren; zijn lippen en zijn tandvleesch bloedden o.a. onophoudelijk. De groote geleerde bleef sterk onder den indruk van het toen doorgestane leed en het verhaal van zijn daden en ontberingen wekte de bewondering van de heele wereld.

De moderne bergstijgers, die aan dergelijke ervaringen meer gewend zijn en die al heel duidelijk weten, wat de bergen van de menschen eischen, zijn beter voorbereid op de verrassingen, door het klimaat bereid, en hebben in dit opzicht den beroemden von Humboldt dan ook al ver achter zich gelaten.

Den 19den Augustus 1855 waren de gebroeders Schlagintweit in den Himalaya op den Ibi Gamin tot een hoogte van 6900 meter gestegen; toen vertelden ze van hun uitputting: »Het was om twee uur onmogelijk verder te gaan; twee mannen van ons gevolg bleven achter, omdat hun hart den dienst weigerde, en allen voelden we ons buitengewoon vermoeid, eigenlijk zoo uitgeput, als we in ons geheele leven nog nooit waren geweest«.

Sedert dien tijd, maar lang erna, is de gang naar de voor menschelijke spieren en longen ontoegankelijk geachte hoogten weer opgenomen door behendige en geoefende klimmers, die van geen vrees en geen wijken wisten.

Sir Martin Conway plantte in 1892 zijn houweel op den Pioneer Peak in den Karakoroem ter hoogte van 7130 meter. In Sikkim in den Himalaya kwam Douglas Freshfield slechts tot 6800 meter; in 1903 bereikte Dr. Hunter Workman 7200 meter op den Pyramid Peak, terwijl zijn vrouw Fanny Bullock Workman 250 meter lager achterbleef; hun tent op den Longmangletscher stond op 6000 meter hoogte. In 1907 liet Dr. Longstaff zijn voorgangers ver achter zich door de verovering van den Trisoel in den Himalaya ter hoogte van 7300 meter.

En nu is dan de italiaansche hertog, de neef van den koning, winnaar van den Bride's Peak van 7600 meter. Eere aan zijn moed en volharding en een gelukwensen met het ontsnappen aan de onberekenbare gevaren, die bij zulke tochten dreigen.

UTRECHTSCHE ZENDINGSVEREENIGING.

Deze nuttige instelling vierde in het begin van October haar jubileum van een halve eeuw op feestelijke wijze o.a. met een tentoonstelling van dingen, die op haar werk in onzen Indischen Archipel betrekking hebben. Het was voor den aardrijkskundige en ethnograaf een leerzame collectie, die er bijeen was gebracht in de groote zaal van Tivoli te Utrecht. Te midden van de in de zaal aangebrachte versiering van groen en bloemen stond een eenigszins verkleinde Alfoersche woning, zooals Christeninlanders ze tegenwoordig bouwen en aan de wanden hingen schilderijen, door de kweekelingen van de nederlandsche Zendingsschool vervaardigd, tafereelen voorstellend uit het leven daarginds.

Een afdeeling in de zaal is geheel gewijd aan Nieuw-Guinea. Een groot aantal voorwerpen van dagelijksch gebruik voor de inlanders of door hen in den krijg gebezigd, zijn hier tentoongesteld. Een model van een papoesche woning, zooals deze vroeger bewoond was door een 80-tal menschen, en een huis, zooals het thans bewoond wordt door één Christengezin, gaf een aardig verschil te zien. Vrouwensieraden, manden, waarvan enkele vrij kunstig bewerkt, kleedingstukken van geklopte boomschors, heupsieraden, schilden, waaronder een van Biak geheel uit één stuk hout vervaardigd, versieringen van oorlogsprauwen, waarvan enkele zeer fraai bewerkt, een steenen bijl uit de Humboldtbaai, koppensnellersmessen en steenen, welke als afgoden vereerd werden.

Een tweede afdeeling was gewijd aan Halmaheira. Een model van een kerkje, waarvan de bouw door de bevolking zelf bekostigd wordt, trok hier allereerst de aandacht. Een geestenhuis, door een inlander zelf vervaardigd, met doodkist en wapens van den overledene; fijn bewerkte slaapmatjes, zooals ze door de vrouwen ten huwelijk worden medegebracht; verschillende mandjes om rijst te koken; een met paarlmoer ingelegd schild bij den krijgsdans in gebruik; een paar voetzolen, vervaardigd van den bast van den sagoweerpalm, op Dodinga in gebruik wegens den steenachtigen bodem; van boomschors vervaardigde met fraaie teekening voorziene heupbedekking voor mannen; verschillend mooi vlechtwerk en nog vele andere voorwerpen gaven een en ander te zien van het leven op Halmaheira.

De afdeeling Boeroe omvatte niet zooveel voorwerpen; hier zijn voornamelijk te zien allerlei soort speren, lansen en pijlen, schilden, mand- en snijwerk.

Verder waren beneden nog te koop boekwerken, foto's en prentbriefkaarten, op het werk der zending betrekking hebbende; mooi batik-werk, fraai Indisch koperwerk en andere voorwerpen van Indische kunstnijverheid, w. o. aardig bewerkte mandjes en papieren wajangpoppen.

Op de gaanderij waren uit particuliere verzamelingen verschillende ethnografica tentoongesteld. Hier zag men van Zuid-Nieuw-Guinea o.a. houtsnijwerk, een dolk van casuaris-been, schortjes en tasschen van vezelstof; een bijl van steen; verder van de Key-eilanden een telplank, waarop de dagen aangeteekend worden, gedurende welke de zeevarenden niet thuis zijn; een harnas van karbouwenhuid, een voetbal; van het eiland Flores aardig vlechtwerk in hoeden en manden, een ketoen-ketoen (een soort tokkelinstrument); van Midden-Celebes kleeden van geklopte boomschors; van Borneo koppensnellersmessen met scheeden, gewatteerde vechtjassen, vlechtwerk, roeispanen, en een schild met menschenhaar; van Lombok zwaarden en vlechtwerk en van Madoera landbouwgereedschappen.

OP DEN UITKIJK.

OOK EEN MANIER VAN DOODENVEREERING.

Op de utrechtsche zendingstentoonstelling, waar zooveel interessants te zien was, werden veel korwars vertoond, zooals onze lezers weten, houten beeldjes, die vereering genieten op Nieuw Guinea vooral, omdat de zielen van afgestorvenen erin heeten te wonen. Maar daaronder waren enkele, die bijzonder de aandacht trokken of verdienden te trekken, namelijk beeldjes met een extra groot hoofd, zoo groot, dat een echte menschenschedel erin bewaard kon worden. De piëteit tegenover den doode strekt zich daar dus uit tot het behouden en bewaren van een stuk van het duurzaamste gedeelte van zijn stoffelijk hulsel.

Daarin gaat men nu soms nog verder op Nieuw Guinea en bewaart niet alleen den schedel, maar vult dien weer aan met een stof, die de vergane vleeschdeelen moet voorstellen, zoodat een hoofd wordt verkregen en in eere gehouden. Er was op de tentoonstelling zulk een zeer bijzonder voorwerp, de reconstructie van een menschenhoofd, en het was voor de eerste maal, dat men deze wijze van schedelvereering of doodenvereering leerde kennen als op het groote oostelijkste eiland van onze bezittingen bestaande.

De schedel was afzonderlijk op een voetstuk gezet en men had er den vorm van een menschenhoofd aan hergeven, door de vleeschdeelen te vervangen door klei en door een houten neus in de neusholte te zetten. Volgens een medewerker van de Nieuwe Rotterdamsche Courant komt die manier van aanvulling voor op verschillende plekken van de aarde, waar schedelvereering bestaat. Er is iets niet onaantrekkelijks in deze wijze van instandhouding van het minst vergankelijke deel van des menschen stoffelijk wezen, het geraamte, en dan van het geraamte juist die beenderen, waarin bij het leven het edelste deel van den mensch is geborgen, dat wat hem eigenlijk tot mensch maakt en hem in staat stelt tot het in gemeenschap treden met zijn medeschepselen, en met al die verschijnselen, die zich om hem heen openbaren.

NAAR DAUPHINÉ!

Het eerste nommer van de »Mededeelingen der Nederlandsche Alpenvereeniging« voor den zesden jaargang, het jaar 1909, is een Dauphiné-nommer, een boek van 240 bladzijden, zoo goed als uitsluitend gewijd aan bergtochten in het land ten zuiden van Grenoble in zuidoostelijk Frankrijk. Het Fransche Alpengebied van Dauphiné is een wonderschoon land en het is nog weinig bereisd. Nu laat dat zich wel verklaren, want het reizen is er buitengewoon duur, en de wintersport heeft er zich nog niet ingeburgerd; hoogstens maken de fransche militairen er van de sneeuwschaatsen gebruik.

Het bestuur en de leden van onze Nederlandsche Alpenvereeniging zijn zich intusschen sterk voor dit fransche Alpenland gaan interesseeren, en in dit nu verschenen nommer van de Mededeelingen geven de heeren Ph. C. Visser, Gerhard J. Lugard, Dr. H. H. Juynboll en Mr. H. J. Knottenbelt hun ervaringen op tochten in het belangwekkende Alpengebied. Het was voor den heer Knottenbelt, die er in 1908 al op 18 Juni op stap ging, een echte exploratiereis, in zoo ver hij als eenige toerist er het seizoen opende, daar het voor de streek nog te vroeg in den tijd was.

Ook de andere clubgenooten moesten in het bergland over menig bezwaar heenstappen in den letterlijken en den figuurlijken zin van het woord, zoodat wij alleen aan onze lezers, zoo zij geoefende bergbestijgers zijn, wier longen en wier beurs zich in uitstekenden staat bevinden, kunnen aanraden over Parijs en Lyon naar Grenoble te sporen en dan van La Bérarde uit de reuzen uit de bergwereld onder handen te nemen.

Het Dauphiné-nommer is intusschen belangwekkende lectuur. Aan de leden van de Vereeniging wordt in overweging gegeven, in hun opstellen, toerberichten enz. voor de navolgende vreemde woorden de daarachter geplaatste nederlandsche te gebruiken. Wij nemen het geheele lijstje met instemming over. Zou couloir, dat nog al eens voorkomt, ook in dit nommer, er ook geen plaats op verdienen?