Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 33

Chapter 333,766 wordsPublic domain

De held van de Zuidpool, luitenant Shackleton, wiens reisverhaal, door hemzelven verteld, wij vandaag in ons hoofdblad beginnen, heeft in Londen een zeer belangwekkende tentoonstelling georganiseerd van zijn poolschip met wat daarin en daarop herinnert aan den grooten Zuidpooltocht van 1907 tot 1909. Het trouwe schip de »Nimrod« ligt op dit oogenblik voor anker nabij de Waterloobrug op de Theems, en de Zuidpoolexpositie, die aan boord te zien zou zijn, heeft zoo'n groote uitbreiding gekregen, dat het schip alleen niet volstaat, om al het bezienswaardige te toonen. Daarom is er een zaal aan den vasten wal gehuurd voor het overige in het gebouw der Royal Colleges of Physicians and Surgeons. De entreegelden der dubbele tentoonstelling worden voor liefdadige doeleinden aangewend.

Er zijn te zien veel huishoudelijke voorwerpen, welke een rol gespeeld hebben tijdens Shackleton's jongsten Zuidpooltocht, nevens allerlei waardevolle geologische en zoölogische merkwaardigheden, en verschillende uitrustingsartikelen, gelijk sleden, kleedingen, en zoo al meer. Een waar Zuidpool-museum.

Een der meest belangwekkende uitstallingen is de pers met toebehooren, vormen, waarop de Aurora Australis, het orgaan van Shackleton's expeditie, gedrukt werd. Er zijn exemplaren van dat orgaan daar te zien, waartoe de voornaamste deelnemers aan Shackleton's Zuidpooltocht bijdragen leverden.

Vlaggen, kaarten en fotografieën van Zuidpoollandschappen sieren de wanden der tentoonstellingszalen. De fotografieën hebben al dienst gedaan voor een bioskoop in het Alhambra, waar ze avond aan avond vertoond werden en veel belangstelling wekten.

MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID.

Deze Maatschappij vierde in het midden van de vorige maand een belangrijken gedenkdag. Het was namelijk op 15 September juist vijftig jaar geleden, dat de betrekkingen tusschen de maatschappij en de regeering, sedert 1822 bestaande, tot een einde werden gebracht, en de maatschappij weer als vóór 1822 geheel vrij en zelfstandig kwam te staan. De regeering nam de bedelaarskoloniën Veenhuizen en Ommerschans als rijks straf- en bedelaarsgestichten in eigen beheer over, terwijl de maatschappij de vrije stichtingen Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord en Boschoord onder zich behield. Tegelijkertijd onderging de maatschappij een algeheele reorganisatie. De oude commissarissen traden af, en werden door andere vervangen; een directeur, verplicht te Frederiksoord te wonen, kwam aan het hoofd. Inwendig werkte deze hervorming in de maatschappij goed. Doch ook buiten haar kring won zij erdoor aan sympathie. Het beroep, een vijftal jaren later op den weldadigheidszin der burgers gedaan, wees uit hoezeer de maatschappij in aanzien gestegen was. De vorstelijke giften van Prinses Marianne mogen hierbij nog wel eens in herinnering worden gebracht.

Na de »echtscheiding« tusschen maatschappij en staat tot stand gebracht, heeft de maatschappij vijf directeuren gehad. Als eerste directeur trad op de heer C. J. M. Jongkindt Coninck (1859-1876); daarna de heeren F. B. Löhnis (1876-1892), H. A. Hanken (1892-1894), Job van den Have (1894-1905) en sedert 1905 de heer G. van Leusen. Dank zij hun beheer is de maatschappij sinds 1859 weer zeer in bloei toegenomen.

NIEUWE HUT OP DEN DENT BLANCHE.

Professor van Leersum heeft in het midden van de vorige maand onze Nederlandsche Alpenvereeniging vertegenwoordigd bij een plechtigheid in het Zuiden van Wallis, waar een nieuwe hut werd ingewijd, die den bestijgers van den prachtigen, maar moeilijken Dent Blanche in den nacht kan herbergen. De 4300 M. hooge top vergt veel van de Alpinisten en de Schweizer Alpenclub heeft zich door den bouw der fraaie en geriefelijke hut nieuwe lauweren verworven. De nederlandsche afgevaardigde schrijft aan de N. R. C. over de feestelijkheid van Zondag 12 September: »Reeds Zaterdagavond hadden de deelnemers gelegenheid gehad om met elkaar kennis te maken in de groote zaal van hotel Mont-Cervin. Aanwezig waren een 20tal leden van de sectie Monte-Rosa; 2 leden van het hoofdbestuur van de Schweizer Alpenclub, en de heer Finch als afgevaardigde van de Academ. Alpenclub Zürich. De Engelsche Alpine Club werd door niemand minder dan Whymper vertegenwoordigd. Toen de beroemde eerste bestijger van den Matterhorn de zaal binnentrad heerschte er plotseling een doodsche stilte, want hier in Zermatt, waar zich alles om den Matterhorn beweegt, waar men bijna over niet anders spreekt, dan over dezen geweldigen berg, over haar bestijging en over het ontzettende ongeluk, dat daarbij heeft plaats gevonden, is Whymper de groote man. Whymper wordt overal nagekeken met bewonderenden blik, Whymper wordt overal gefotografeerd, Whymper's boeken worden gekocht en gelezen... en hijzelf een 70-jarige energiek uitziende man blijft onder dit alles onverstoorbaar.

Zondagmorgen om 7 uur werd de tocht naar de Elberfelder Hütte door een dertigtal personen aanvaard. De wandeling van 3½ uur langs Staffelalp en den grooten Z'Mutt-gletscher, aan den voet van den geweldigen Matterhorn gelegen, was een waar genot. Hoe hooger wij klommen, des te grootscher werd de omgeving. Monte Rosa, Lyskamm, Rimpfischhorn en Breithorn vertoonden meer en meer hun met ijs en sneeuw bedekte wanden, maar toch was het steeds weer de Matterhorn, die het oog tot zich trok. En aan zijn voet wandelde met langzamen veerkrachtigen pas de 70-jarige Whymper omhoog, zoo nu en dan opkijkend naar den reus, dien hij thans 44 jaren geleden voor het eerst besteeg na acht vruchtelooze pogingen. Vlak bij de hut hield hij mij staande en wees naar boven, naar een kleinen zwarten rotsband, vlak onder den top gelegen: »Daar«, zeide hij, »daar gleed Hadow's voet uit en vlogen mijn tochtgenooten omlaag naar den gletscher, die daar vlak voor ons ligt. Een val van 4000 voet!« Toen zette hij zwijgend den tocht voort en bereikte om half elf de nieuwe hut.

Dr. Seiler, de bekende hôtel-eigenaar, had een zijner koks naar dit hooggelegen punt gezonden, waar deze een waarlijk uitstekend diner had samengesteld. De hut is geheel van hout opgetrokken en bezit geen enkele uitstekende punt, waar de felle stormwind weerstand zou kunnen vinden. Zelfs de hoeken zijn alle rond gemaakt.

Dr. Seiler nam tegen het einde van den maaltijd het woord en begroette allereerst de officiëele gasten, om daarna in welgekozen bewoordingen dank te zeggen aan de heeren Reimann en Gebhard, die de aanzienlijke som geld geschonken hadden, welke voor den bouw van deze hut noodig was. Daarna werd het woord gevoerd door den heer De Weck, lid van het Comité-Central v. d. S. A. C., die in het bijzonder den heer Whymper herdacht, terwijl hij zéér waardeerende woorden sprak tegenover de N. A. V., die zich had laten vertegenwoordigen. Hij eindigde met een dronk op de S. A. C. en de sectie Monte Rosa.

Dr. Seiler, de president van de »Section Monte Rosa«, was zoo welwillend mij in de gelegenheid te stellen namens de N. A. V., oprechten dank te betuigen voor de waarlijk meer dan hoffelijke ontvangst, die mij ten deel was gevallen.

Ten slotte sprak prof. Gérard, hoofdbestuurslid v. d. S. A. C., een schitterende rede uit. Ook hij sprak over Whymper, vertelde hoe het de Engelschen waren geweest, die dat land als het ware veroverd hadden, en hoe thans uit alle landen de vreemdelingen toestroomen, om verpoozing en herstel van gezondheid te zoeken in de heerlijke berglucht. De S. A. C., zoo sprak hij, stelde het op hoogen prijs, dat ook het lage land aan de zee hier vertegenwoordigd was; een zeldzaam en daarom des te meer te waardeeren feit.

Daarna besprak hij de geschiedenis van Nederland; hoe het ontstaan was, hoe de inwoners het als het ware aan de zee hadden onttrokken, de oorlogen van Holland ter zee en te land, Holland als koloniale mogendheid en ten slotte, hoe ook bij dat volk de liefde voor de bergen, de liefde voor het Alpinisme is ontstaan, het Alpinisme, dat méér is dan een sport. En zoo gebeurde het, dat Zondag te midden van het hooggebergte luide bijval werd betoond met de woorden, door dezen eminenten geleerde gesproken, dat een hoera weerklonk op het Alpinisme, op de Engelsche pioniers van het hooggebergte, op... de lage landen aan de zee.

De Nederlandsche Alpen-vereeniging was tot heden nog nimmer bij een dergelijk feest vertegenwoordigd geweest en men heeft dan ook op ondubbelzinnige wijze blijk gegeven, dat men dit feit heeft gewaardeerd, te meer nog daar het zelden voorkomt, dat buitenlandsche Alpen-vereenigingen een afgevaardigde zenden.

's Avonds schonk de heer Whymper mij een afbeelding van den Matterhorn, waarop hij schreef: Edward Whymper, 14 July 1865-Sept. 1909, en beloofde mij zijn portret ten behoeve van de »Mededeelingen N. A. V.««

OP DEN UITKIJK.

PEARY'S GEZELLINNEN.

Er zullen weinig poolreizigers zijn, die zich zoozeer in de arctische wereld thuis gevoelen als kapitein Robert E. Peary. Zijn zesde poolreis heeft hem vier jaren lang in de wereld van sneeuw en ijs en stormen en ontberingen vastgehouden; hij had op een groot deel van dien tocht vrouw en dochter bij zich. Mary Peary is in het hooge Noorden op een vroegere reis van haren vader geboren in Noord-Groenland, misschien het eenige menschelijke wezen, dat op zoo hooge breedte ter wereld kwam. Op zijn zesde Poolreis had Peary 87.6° N.B. bereikt. Zijn rustelooze energie bewerkte, dat de Peary Arctic Club in New-York hem opnieuw de middelen verstrekte voor een expeditie en het schip »Roosevelt« te zijner beschikking stelde, waarmee hij 6 Juli 1908 New-York verliet. Bij Etah voegden zich bij de bemanning van 15 koppen, die zijn schip had, 25 Eskimo's en 250 honden voor de tochten, te ondernemen, als het schip zou moeten worden verlaten.

Den 18den Augustus 1908 verliet Peary Etah, waar hij bepaald had, dat indien in den zomer van 1909 niets van hem was vernomen, een reddingsexpeditie met levensmiddelen hem zou worden nagezonden. Dat is gebeurd. De »Jeannie«, een Noordpoolvaarder uit Newfoundland, is hem gaan zoeken en trof den held van de ontdekte Noordpool in Etah. Den 7den Sept. telegrafeerde Peary uit St. Johns op Newfoundland, dat hij op 6 April de Noordpool had bereikt. Die triomf is in twijfel getrokken, zooals onze lezers weten. Mevrouw Peary woont in Maine op het buitengoed, waarheen nu Peary zich ook heeft begeven. Zij is 21 jaar getrouwd en heeft slechts weinige zomers met haar man te zamen doorleefd.

ZIJDETEELT EN RIJSTBOUW OP MADAGASCAR.

Er worden op Madagascar intelligente pogingen in het werk gesteld, om het groote eiland aan uitvoerartikelen te helpen, die er welvaart kunnen brengen aan kolonisten en inlanders. Tot nu toe heeft de buitenlandsche handel zich hoofdzakelijk beziggehouden met de natuurlijke producten goud, caoutchouc en raphia. Maar al is het gelukkig, dat de kolonisten dergelijke voortbrengselen vinden ter exploitatie, de meeste hebben geen bestendig karakter, en de toekomst van een land kan niet zijn gegrondvest en verzekerd dan door producten, die telkens weer door arbeid zijn te vermeerderen, dat is in de eerste plaats door den landbouw. Aan landbouwproducten, die kunnen worden uitgevoerd, denkt dus de Koloniale Dienst in de voornaamste plaats, als hij Madagascars belang op het oog heeft.

Er is goede moed voor Madagascar bij het ministerie in Frankrijk. Men weet, hoe ontmoedigend de indruk is, dien de kale, roode grond in veel districten maakt, waar slechts mager en hard gras groeit en waar voor het kweeken van voedingsmiddelen geen plaats schijnt te zijn. Maar een ambtenaar van het boschwezen, de heer Perrier de la Bathie zegt, dat zijn tienjarig onderzoek hem tot het besluit heeft gebracht, dat het midden van het eiland oorspronkelijk met bosschen bedekt is geweest en dat de boschbranden, die zooveel nadeel hebben gedaan in West-Afrika, ook hier de schuldigen zijn, zoodat de grond niet uit zijn aard steriel is, zooals velen meenen, maar bij doelmatige behandeling productief kan worden gemaakt.

Het woud van Analamahitso, dat thans nog twintig duizend hectaren groot is, moet een rest zijn uit het woudrijk verleden, en door zijn bestaan alleen toont het aan, dat er uitstekend boomen kunnen groeien op gronden, in alles gelijkend op die van Imerina. Er zijn ook elders nog bosschen, die men kon bewaren en waar het branden kon worden verboden, zoodat belangrijke hoeveelheden caoutchoucleverende lianen gespaard konden worden. Als men wilde, zegt de heer de la Bathie, zouden allerlei goede houtsoorten voor herbossching kunnen worden gebezigd en de mensch zou kunnen herstellen, wat hij door onvoorzichtigheid heeft bedorven.

De gouverneur generaal heeft aan de verschillende administrateurs orders in dezen geest gegeven. Ze moeten naar middelen zoeken, om de cultuur van rijst op natte rijstvelden aan te moedigen en die van bergrijst tegen te gaan, want voor die laatste worden de bosschen gerooid. Ook de boschbranden moeten krachtig worden bestreden en de dienst van het boschwezen is daarvoor in verschillende districten versterkt.

Als dan het midden van het eiland zich zou willen toeleggen op zijdeteelt, op rijstcultuur en veeteelt, zou het blijken, dat hiermee winstgevende takken van bedrijf ter hand waren genomen. Het Bulletin Economique van Madagascar over de eerste helft van 1909 wijst op die bronnen van welvaart. Het doet, wat de veeteelt betreft, een beroep op de ondernemingsgeest van het volk, opdat dit evenals La Plata en Australië hebben gedaan, zich wende tot den grooten vleeschconsument van de aarde, Europa. Daar kan men altijd op afzet van de goede producten rekenen, als handel en vervoer energiek ter hand worden genomen, wat best aan particulieren kan worden overgelaten.

Met de zijdeteelt is het iets anders; de regeering reikt de helpende hand, waar moerbeiboomen voor dat doel worden aangeplant en heeft een station voor de zijdecultuur opgericht, waar uitgezocht zaad te krijgen is. Dat station van Nanisana zal binnen een paar jaren een millioen pakjes zaad jaarlijks kunnen leveren van de beste moerbeiboomen. Het district Ambohidratrimo wordt in het Bulletin genoemd als dat, waar de moerbeiteelt het meest ontwikkeld is. De teelt der zijdewormen gaat daar steeds vooruit.

Wat den rijstbouw aangaat, die oude inlandsche cultuur moet worden opgeheven en verbeterd. En men is daar met succes aan bezig. Het eiland, dat vroeger rijst invoerde, begint er thans reeds uit te voeren. In 1908 is er voor 817.000 francs uitgevoerd, een begin nog maar, doch de opbrengst, zelfs op zoo arme gronden als van Imerina, doet het beste hopen voor de toekomst. De inboorlingen zijn geneigd, hun rijstbouw uit te breiden, wat ze overal doen, waar afzet mogelijk is. De regeering tracht voor de malgassische rijst een plaats te veroveren op de markten van den Indischen Oceaan. Maar daarvoor moet er geregelde aanvoer zijn en van rijst van goede qualiteit. Daarom steunt het bestuur den aanleg van besproeiingswerken, die den oogst minder afhankelijk moeten maken van atmosferische toestanden en daarom ook heeft de Koloniale Dienst uit de tweehonderd variëteiten van rijst, die op Madagascar groeien, de vier beste laten uitzoeken en beijvert zich, om die algemeen te doen aankweeken.

Een ander middel, om den rijstbouw tegemoet te komen, is de verbetering van de verkeersmiddelen; rijst is een zwaar handelsartikel, en in de opbrengst speelt de prijs van het vervoer een groote rol. De opening van de spoorlijn heeft te dien opzichte haar invloed voelbaar gemaakt. Al in het eerste jaar waren de met rijst bebouwde velden rondom Tananarive met duizend hectaren uitgebreid, maar, helaas, bereikt de spoorweg nog niet de haven Tamatave, en door het overladen worden de kosten met niet minder dan 15 francs per ton verhoogd. Men hoopt op Madagascar, dat het ministerie van koloniën spoedig de voorstellen van den gouverneur generaal ter voltooiing van den spoorweg tot uitvoering zal doen komen.

DE NIEUWE CANADASPOORWEG EN DE STAD PRINCE RUPERT.

In Canada is men bezig aan het bouwen van de spoorlijn, die in Winnipeg een zijtak vormt van het oost-canadeesche spoorwegnet. Het is de Grand Trunk Pacific Railway, die later de snelste verbinding tusschen het Oosten van Noord-Amerika en Oost-Azië zal zijn. De lengte van de lijn van Winnipeg tot de Stille Zuidzee zal 2800 kilometer bedragen; voorloopig is de lijn al gereed en in functie van Winnipeg tot Wainwright in Alberta, dat is over een lengte van 1070 kilometer. Den Oceaan hoopt men te bereiken in 1911, en wel bij de Chathamsont, twintig kilometer ten noorden van Skeena. Hier heeft nu de regeering van Britsch Columbië reeds alles voorbereid voor de stichting van een havenstad, die den naam van Prince Rupert zal dragen. Het stedelijk gebied omvat 1080 hectaren, maar vooreerst zullen slechts 90 hectaren voor bebouwing worden opengesteld. Het plan voor den aanleg der straten is reeds aangenomen, en met de schoonheid is rekening gehouden, want boulevards zullen op de hellingen der bergen, die de stad omsluiten, worden aangelegd, van waar men het uitzicht heeft op het eilandenrijke, ingesneden kustland. De haven is door bergen en eilanden goed beschut, zeer diep en vrij van riffen; de toegang is op de smalste plaats ongeveer 700 meter breed en bij ebbe elf meter diep.

Met den aanleg van de groote kaden is men reeds een heel eind gevorderd, en men belooft aan de nieuwe stad een groote toekomst. Zij zal met succes een concurrente van San Francisco worden en stellig in niets behoeven onder te doen voor Seattle, Victoria, Vancouver en andere pacifische havens. Voor haar ontwikkeling komen verder in aanmerking de zalmvangst in de Skeenarivier, de walvischvangst, houtindustrie en bergbouw, die een groote uitbreiding kunnen erlangen.

DE JAPANNERS OP HAWAÏ.

Het geboortecijfer van de Amerikanen op Hawaï is klein; daarentegen dat der Japanners zeer groot, een feit, dat aan de regeering te Washington zorgen baart. Aan de 4593 geboorten van het jaar Juni 1907 tot Juni 1908 hadden de inlandsche Kanaken deel voor 674, de Amerikanen voor een aantal van 126 nieuwe medeburgers, en de Japanners leverden 2445, terwijl dan nog de Chineezen met 388 geboorten vertegenwoordigd waren.

Nog in 1905 bedroeg het aantal Japanners 61000, maar door de snelle stijging in de laatste jaren wordt het nu reeds op honderd duizend geschat. Nu zijn wel de op de Hawaï-eilanden geboren Japanners volgens de wet amerikaansche burgers, maar dat is meer een voordeel voor hen dan voor de republiek Amerika.

Aan Japan schrijft men, naar bekend is, plannen toe voor de verovering van de amerikaansche bezittingen in den Stillen Oceaan, van de Philippijnen en Hawaï, en men meent, dat bij een oorlog tusschen de Vereenigde Staten en Japan die beide eilandengroepen voor een zegevierend Japan de prijs zouden zijn. Als de zaken zóó staan, vormen de vele Japanners op Hawaï een gevaar voor de Unie. De gele rassen assimileeren zich weinig, en de Japanners van thans met hun sterk nationaliteitsgevoel doen dat wel het allerminst. Ook de op Hawaï geboren Japanners, ofschoon uiterlijk tot Amerikanen gestempeld, zullen dat gevoel toonen te kennen, dat op een kritiek oogenblik waarschijnlijk hun handelingen zal besturen.

PALMENSTAD.

Sir Harry Johnston, de reislustige Engelschman, ontdekker van den okapi in Midden-Afrika, een tijdlang gouverneur van Britsch Oost-Afrika, groot jager en natuurvriend, heeft dezer dagen een rede gehouden in een vergadering van de Royal Geographical Society, waarin hij het had over de schilderachtigste stad, die hij ter wereld kende. Dat was Havana, de hoofdstad van Cuba.

Reeds het binnenvaren in de nauwe haven met de forten aan weerszijden werkt imponeerend en het heele voorkomen der stad is grootsch en mooi. Het karakter wordt vooral uitgedrukt door de vele palmen van allerlei soort, waaronder de koningspalm, Oreodoxa Regia, vooraan staat. Elke stad op het mooie eiland Cuba bezit een palmenlaan, en heele wouden van slanke waaierpalmen verfraaien het landschap van Cuba.

De berghellingen dragen prachtige tropische wouden, waar waardevol hout groeit, o.a. de cubasche mahoniehoutboom. Ook de cactussen in hooge, rijke vormen kenmerken hier en daar het land. De Engelschman noemt Cuba wonderlijk schoon, als het leven er maar niet zoo afgrijselijk duur was!

Haïti, waar de reiziger zich later heen begaf en dat eveneens veel natuurschoon heeft van een liefelijk karakter, was onvergelijkelijk veel goedkooper dan Cuba. Sir Johnston wees erop, dat dit eiland, waar de beide republieken Haïti en San Domingo op liggen, nog altijd geen eigen naam heeft, voor beide republieken geldend. Hij doet het voorstel, daar Hispaniola voor te kiezen, een naam, dien reeds Columbus aan het eiland had gegeven.

VOLWASSENEN EN KINDEREN.

Het is inderdaad verrassend te bedenken, welk een trapsgewijze ontwikkeling kinderen jaren lang moeten doorloopen, om eindelijk die domheden te kunnen begaan, die alleen een volwassene kan uithalen.

VEERTIEN DAGEN TE BERLIJN.

Bij de uitgevers W. L. en J. Brusse verschijnen in den laatsten tijd kleine reisgidsjes van vijftig centen, die den toerist aardig op weg kunnen helpen en in hun prettig, klein formaat en den opgewekten stijl, waarin ze zijn geschreven, tot koopen en lezen uitlokken.

No. 1 van de serie is van de hand van den heer G. van Lissa, die de fictie heeft te hulp geroepen van een oom en tante, die met zoon en dochter een paar weken te Berlijn willen doorbrengen en van zijn bekendheid met de hoofdstad van het Duitsche rijk gebruik maken, om hun neef als goeden en aangenamen gids uit te noodigen, hen te vergezellen. De manier van vertellen is door die voorstelling ongedwongen en los en blijft dat ook, al glimlacht men soms even, zooals toen al op een der eerste avonden tante en nichtje wel dadelijk naar de Friedrichsen Leipzigerstrasse wilden gaan naar het drukke avondgewoel, maar oom en neef thuis wilden blijven in het hotel.

»Ik zou dan nog wat kunnen vertellen van de geschiedenis van Berlijn, eigenaardigheden der Berlijners, kortom zoo'n beetje college geven in de noodige voorbereidingswetenschap. Aldus werd besloten en na het avondeten tegen negen uur begon ik mijn kennis te luchten. Berlijn, met de voorsteden bijna drie millioen zielen tellende, zonder de voorsteden rond twee millioen, ligt in het dal van de Spree, noordelijk en zuidelijk begrensd door kleine heuvels. De Spree, die zich in het midden van de stad in twee armen splitst, stroomt van het zuidoosten naar het noordwesten. Door de uitstekende bevaarbaarheid.... enz., enz."

Dit nu lijkt niet de rechte manier voor een gidsje, dat nog iets anders wil zijn dan een Baedeker, maar deze manier komt ook maar sporadisch in het boekje voor, dat alleraardigst vertelt van Unter den Linden en van het Waarenhaus van Wertheim, ook van wat de Berlijners spottend en typisch noemen "Fress-Wertheim", de grootste eetinrichting van Berlijn en waarschijnlijk van de wereld, "Rheingold", met zijn negen of tien zalen, waar voor 4000 menschen plaats moet wezen.

Van de musea vallen alleen die voor kunst onder de aandacht van den geleider; de verzamelingen op historisch, ethnologisch, oudheidkundig en natuurwetenschappelijk gebied zullen denkelijk oom en tante niet interesseeren, maar neef en nicht, die toch mogelijk een burgerschoolopleiding hebben gehad of genoeg kinderen van hun tijd zijn, om het napraten over kunst verouderd te noemen en er liefhebberijen op na te houden, die hun kijkjes gunnen in hoekjes van geschiedenis of natuurwetenschap, hadden het misschien wel wat anders gewenscht.

Gezellig vertelt de auteur over het uitgaande leven der Berlijners, hoe het altijd zoo laat wordt ook voor den eerzamen burger, die er met vrouw en dochters op uit trekt, maar hoe de goede trein-, tram- en omnibusverbindingen voor een gemakkelijke thuisreis zorgen tot in het holle van den nacht.