Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 32

Chapter 323,732 wordsPublic domain

Aan den boheemschen kant lokt de Prebischtor alle bezoekers van het gebergte, en geen wonder, want op die plek krijgt men den stoutsten en imposantsten rotsbouw van Duitschland en Oostenrijk te zien. Men ziet de reuzenrotsen van boven een brug vormen, waaronderdoor een statige poort wordt gevormd; daarnaast dalen aan weerszijden diepe kloven naar beneden, terwijl boven de donkere bosschen der omgeving de rotswanden kaal omhoog rijzen. Langs den Gabrielensteig begeven zich de toeristen vervolgens naar den Edmundsklamm, het mooiste bergdal van Boheemsch Zwitserland. Het dal, dat eerst breed is, vernauwt zich meer en meer, en de weg is moeten worden aangelegd met behulp van tunnels en berggalerijen. Er volgt aan het eind een passage, die men enkel per boot kan afleggen over het riviertje de Kamnitz, dat er kunstmatig in een smal en diep meertje is veranderd. De vaart over het donkere bergwater is een der groote bekoorlijkheden van den tocht door de kloof.

HET REIZEN VAN EEN AZIATISCHE ZIEKTE.

Tot in het jaar 1817 was in Europa nog geen geval van cholera voorgekomen. Ook toen nog waren het enkele sporadische gevallen, die uit Voor-Indië en Egypte waren overgebracht. In 1823 was deze epidemie geëindigd. Spoedig echter, reeds in 1826, werd zij door een tweede gevolgd, die elf jaar geduurd heeft en zich over de geheele wereld heeft verspreid. Uitgangspunt was ook ditmaal weer Engelsch-Indië. Pelgrims brachten later van uit Mekka de ziekte naar Turkije en Rusland over (1830). Eén jaar later werd ook Duitschland en het volgend jaar werd Nederland bezocht (1832). In hetzelfde jaar reeds kwamen gevallen voor in N. Amerika. Tot 1837 bleef de ziekte in Europa woeden; overal vielen de slachtoffers in grooten getale. De derde wereldepidemie begon in 1846, bereikte Rusland in 1847 en verspreidde zich in 1848 over geheel Europa, waar zij, vooral in 1848, ook in ons land zeer sterk woedde. Deze epidemie heeft, nu eens veel minder wordend, dan plotseling weer opflikkerend, tot 1860 gewoed. Toen kwam er een kleine pauze, die slechts enkele jaren duurde. Want in 1864 was er een nieuwe epidemie uitgebroken, gaande van Indië naar China en Japan. Dank zij de moderne vervoermiddelen en het meer intensieve verkeer, dat zich ontwikkeld had, kon de cholera sneller reizen en zij had slechts één jaar noodig om vanuit Indië naar Egypte en Algiers te komen, vanwaar zij de Middellandsche Zee overstak en binnen enkele weken geheel Zuid-Europa aantastte. Van hieruit werd ook Rusland, waartoe de cholera zich klaarblijkelijk bijzonder voelt aangetrokken, bezocht. Ons land werd evenmin gespaard en in 1866 begaf de cholera zich via Rotterdam naar Engeland. In 1870 scheen de epidemie tot bedaren te komen. Maar men had buiten Rusland gerekend, dat zoo langzamerhand als cholera-broednest met Engelsch-Indië gaat wedijveren. Vanuit het Czarenrijk begon de gevreesde ziekte een tocht door Europa en bleef daar nog drie jaar woeden.

Tot 1884 werd Europa met rust gelaten. In dat jaar kwamen gevallen voor in Zuid-Europa. Aanvankelijk scheen het alsof deze epidemie, die ook weer van Indië afkomstig was en zich in Azië sterk uitbreidde (Japan, China, Ned.-Indië enz.) tot Zuid-Europa beperkt zou blijven. In 1889 kwamen dan ook geen gevallen meer in Europa voor; in 1890 weer verscheidene in Spanje, in 1891 echter bleef Europa vrij. Maar ook ditmaal, zou de verrassing uit Rusland komen. De cholera, die snel langs de groote verkeerswegen Zuid-Europa had bereikt, maar daar niet verder kon, had nog een ouden beproefden weg om het beschaafde werelddeel te bereiken. Via Perzië naar Rusland gekomen, deed dit land opnieuw als verspreider dienst. Zwaar heeft Rusland onder deze epidemie geleden. Men schat het aantal cholera-dooden in dat land gedurende 1892-1894 op 800,000. Bekend is, hoe van uit Rusland vooral Hamburg door deze epidemie is aangetast; ook in ons land kwamen enkele gevallen voor.

Thans kan de geschiedschrijver beginnen met den zesden cholera-tocht. In Europa gekomen in 1907, sterk gewoed in Rusland, vooral in Petersburg in 1908 en 1909. In Augustus en September van uit Rotterdam ook in Nederland verspreid, maar gelukkig slechts met zeer enkele gevallen.

SEISMOLOGISCH INTERNATIONAAL CONGRES.

In Zermatt vergaderde in het begin van September het internationale congres van de leden der Internationale Vereeniging voor aardbeefkunde. Professor August Forel, die de heeren namens de zwitsersche regeering welkom heette, vertelde, hoe de vereeniging was tot stand gekomen.

Het was in 1901, dat professor Gerland, van de universiteit in Straatsburg, de eerste uitnoodigingen richtte aan verschillende mannen, die op het gebied der aardbeefkunde een wetenschappelijken naam hebben. Doel van deze uitnoodiging was, te komen tot een internationale samenwerking der geleerden, de eenige weg om tot een stelselmatige en volledige studie van deze natuurverschijnselen te geraken.

De plannen van den Straatsburger nestor vonden algemeenen bijval. Twee jaren later kwam men met definitieve voorstellen terug. En weer twee jaren daarna werd in Berlijn de internationale vereeniging voor seismologie opgericht. Nagenoeg alle staten, China, Turkije, Perzië en Brazilië uitgezonderd, zijn in dit genootschap officiëel vertegenwoordigd.

Doel der vereeniging is te centraliseeren de waarnemingen in de observatoria, en de resultaten verkregen door de studiecommissies, die in verschillende landen speciaal voor dit doel zijn opgericht. Deze centraliseerende arbeid geschiedt grootendeels in het technisch bureau te Straatsburg, en onder toezicht van professor Gerland. Het zijn vooral de verschillende statistieken, die daar worden vergeleken en geanalyseerd; ook publiceert het bureau de algemeene en bijzondere studies, die over dit vak van wetenschap verschijnen, en organiseert het een systematische bestudeering der verschillende hulpmiddelen.

Elke vier jaar komen de seismologen van alle landen bijeen om de genoteerde verschijnselen, de opgestelde hypothesen, de ontworpen theorieën en de gemaakte ervaringen te bespreken. De eerste dezer vierjaarlijksche samenkomsten vond plaats in 1907 te 's-Gravenhage.

Elke twee jaren vergadert de permanente commissie, bestaande uit de officiëele gedelegeerden der verschillende staten. Haar taak is meer van administratieven en organiseerenden dan van wetenschappelijken aard. Zij heeft alle loopende kwesties af te doen, en te zorgen, dat het wijd-vertakte studie-werk goed gedijt, alle hindernissen zoo mogelijk uit den weg geruimd worden, en een breede samenwerking verkregen wordt.

Het is deze permanente commissie, die in Zermatt vergaderde. De zwitsersche regeering droeg de organisatie der conferentie op aan de zwitsersche vereeniging voor natuurwetenschappen, welker voorzitter de in Nederland en Nederlandsch-Indië bekende dr. Fritz Sarasin is.

STRUISVOGELTEELT IN NOORD-DUITSCHLAND.

Tot voor korten tijd bestonden er struisvogelfarms alleen in Californië, op de engelsche eilanden van West-Indië, in Engelsch en Duitsch Zuidwest-Afrika, Algerië en Kaïro. De eerste poging, om zulk een instelling te vestigen onder den noordelijken hemel, werd voor eenigen tijd gedaan te Stellingen bij Hamburg door Carl Hagenbeck. Er was in Europa trouwens reeds een struisenhoeve en wel bij Nice. Men had te Stellingen al jaren lang acclimatisatieproeven met struisvogels genomen.

Onder de struisen, die in de inrichting worden geteeld, zijn vier aardrijkskundige variëteiten, Somalistruisvogels, oostafrikaansche, Kaapstruisen en vogels van de Abubaama, een zijtak van den Blauwen Nijl. De broedtijd van de vogels duurt zes weken. Als de jonge dieren zes maanden oud zijn, leveren ze reeds de eerste opbrengst aan veêren; dan worden hun in het vervolg met tusschenpoozen van telkens negen maanden de bruikbare vederen zoodanig afgesneden, dat ongeveer vijf centimeter van de spoelen overblijven. Die worden eerst na drie maanden volledig uitgetrokken.

Om de veeren te krijgen, trekt men den struisvogel een soort van kap over den kop; daarna wordt het dier door een kastje van planken omsloten, waar de vleugels en de staart doorheen kunnen steken en op die manier van zijn prachtkleed beroofd. Vooral de staarten en de vleugelveêren leveren het kostbare handelsartikel, dat dan naar Londen, de hoofdmarkt voor struisvogelveeren, wordt verzonden.

ZIONISTISCHE PLANNEN OP HEF CYRENAÏSCH SCHIEREILAND.

Nadat de pogingen van de zionistische Jewish Territorial Organisation, aan welker hoofd Zangwill staat, om in Oeganda, Argentinië, Mesopotamië of Palestina land te krijgen voor de vestiging van een joodschen staat, schipbreuk hadden geleden, zond het genootschap in 1907 een commissie naar het Cyrenaïsch schiereiland in Noord-Afrika, om de mogelijkheid te bestudeeren van een joodsche kolonie. Gouverneur van Tripolitanië was toen de liberale, hervormingsgezinde, intusschen als turksch minister van oorlog gestorven maarschalk Redjab Pacha, die wel geneigd was, een joodsche kolonisatie te steunen. Hij beloofde indertijd aan Zangwill voor de naar Tripolitanië komende Israëlieten volledige godsdienstige vrijheid en ontheffing van belasting onder de voorwaarde, dat ze voor hen allen te zamen een cijns betaalden. Ook voor een zekere autonomie voelde hij veel, en hij droomde zelfs van een in het leven te roepen haven en van een joodsche handelsmarine.

De regeering was niet zoo hoopvol, maar ook zij was het plan niet ongenegen. Daarvan kon zich ook professor Gregory overtuigen, de geoloog van Glasgow, die onlangs ter wille van de studie van den grond door de Jewish Territorial Organisation naar het Cyrenaïsch schiereiland was gezonden. Maar Gregory vond er de vruchtbaarheid en den aard van den bodem lang niet zoo gunstig, als verondersteld werd. Het schiereiland bestaat voor een groot deel uit plateau's van kalkgesteente, dat het water doorlaat en is daardoor beter geschikt voor veeteelt dan voor landbouw. Gregory meent intusschen, dat men het met kleine joodsche koloniën kan probeeren.

Zangwill heeft nu zijn hoop weer op Mesopotamië gericht, en hij wil in joodsche kringen geld trachten bijeen te krijgen voor de herstelling van de oude besproeiingskanalen, die in vroeger tijden die streken zoo vruchtbaar maakten.

TOEGANKELIJKHEID VAN DE RUÏNEN VAN ANGKOR.

Angkor met de beroemde ruïnen niet ver van de monding der Mekong in het Zuiden van Achter-Indië zal een nog meer gezochte plaats voor toeristen worden, nu de Messageries fluviales van Indo-China hun dienst zóó hebben ingericht, als blijkt uit een brochure, in het Engelsch en Fransch verschenen, en waarin die groote stoombootmaatschappij belooft, de toeristen op Donderdag in Singapore aan boord te nemen en ze den volgenden Donderdag weer in die haven aan wal te zetten, nadat ze anderhalven dag bij de ruïnen van Angkor hebben kunnen vertoeven. Neemt men acht dagen meer, dan kan men een heele week in het prachtige woud van Angkor blijven, waar de oude bouwwerken zoo talrijk zijn en waar de sportvrienden opgewacht worden door heerlijke verrassingen op het stuk van jacht en vischvangst.

De maanden November en December zijn het gunstigst voor dit uitstapje, maar men kan het ook nog best in Januari en Februari doen.

OP DEN UITKIJK.

RIT OVER DE DUITSCHE WADDEN.

Onze Wadden en Waddeneilanden in de Noordzee zetten zich naar het Oosten voort ten noorden van Duitschland en vertoonen daar precies dezelfde eigenaardigheden als bij ons. Zoo ligt er tusschen de monden van de Elbe en die der Wezer een echt Waddengebied, dat dus binnen het etmaal tweemaal van aanzien verandert. Bij vloed is het zee en vormt een enkele oppervlakte met de Noordzee, terwijl het ten tijde van de eb, als het ware, uit zee opstijgt en een vlakte vormt, waar menschen en vee kunnen loopen en waar zelfs zwaar beladen wagens kunnen rijden. Slechts enkele niet diepe plassen of tillen breken de vlakte af, zoodat men zoo goed als droogvoets, aan beide zijden door de woelige zee omringd, van de eene kust naar de andere kan komen.

Dit is het belangwekkende terrein, waar voor meer dan twee duizend jaren bloeiende velden moeten hebben gelegen, waar de kustbewoners hun kudden weidden, als nu nog meer landwaarts in, terwijl Helgoland zoo dicht bij het vasteland lag, dat de herders aan beide zijden van de straat zich elkander door teekens verstaanbaar konden maken. Maar hevige stormvloeden hebben er land weggeslagen en de bekende Kimbrische vloed moet in deze streken hebben plaats gehad en moet de kustbevolking landwaarts in hebben gedrongen, waar ze weldra hun invallen waagden in verschillende deelen van het Romeinsche Rijk.

Thans zijn de Wadden verlaten; een enkele visschersboot waagt er zich, en driemaal in de week hobbelt de Waddenpost bij ebbe van het hamburgsche stranddorp Duhnen naar het eiland Neuwerk, dat het bescheiden overblijfsel is van een eenmaal bloeiend dorp, de eenige oase in de woestenij van zout water, zand en slik. Een zonderling voertuig, die Waddenpost! Daarvóór rijdt op een dik boerenpaard de Waddenloods, gewoonlijk een kranige figuur, wien de zuidwester goed staat bij het gebruinde gelaat en de lichtblauwe Friezenoogen. Dan volgt de boerenwagen, die met geen veêren heeft kennis gemaakt en de inzittenden flink dooreen schudt.

Bij afloopend water verlaat de post het strand; de raderen boren zich diep in het hier nog weeke veen, dat nog niet door het zand is bedekt; maar al gauw wordt de bodem vaster en het hotsen begint; de vooruit rijdende loods volgt nauwkeurig den door struikjes aangegeven weg door de Wadden en trouw rijdt de voerman in zijn spoor, want hij weet, dat de minste afwijking groot gevaar meebrengt. Het drijfzand ligt vaak vlak haast het stevige zand, en als een wagen daarin verzeild raakt, zit hij vast en alle pogingen om eruit te komen, doen het voertuig maar dieper zinken. Voorzichtigheid is dus de boodschap, en de leiders zorgen dan ook goed; ook de paarden kennen de gevaarlijke plekken, daar ze al vaak de Wadden in alle richtingen hebben afgereden. Men kan zich daarom gerust aan de bekoring van den rit overgeven en genieten van het prachtige rustige gezicht, dat de wijde, schitterende vlakte oplevert. Achteruitziend bemerkt men het oude stranddorp met zijn strooien daken en den lagen met strandhaver begroeiden dijk; vóór sluit de vuurtoren van Neuwerk het panorama af.

De paarden stappen nu en dan bij een til door het zoute water, dat het schuim den passagiers om de ooren spuit en de voeten worden nat door het in den wagen stroomende water. Op den vasten grond ontmoet men dan krabbenvisschers, mannen en vrouwen, beide geslachten in wijde broeken, die tegen den vloed opwerken en de smakelijke Noordzeekrabben inzamelen. Telkens werpen ze een net vol van hun glibberige, glanzige springende en huppelende waar in de mand, die ze aan den arm dragen.

Eindelijk is Neuwerk bereikt! Het volledig ingedijkte, 330 H.A. groote eiland heeft een overouden vuurtoren, waar de reizigers vroeger gastvrij konden worden opgenomen; maar tegenwoordig ontvangt de wachter de vreemden op de hoofdplaats. De oudste gedeelten van den zwaren toren dateeren al uit de 13de eeuw; de latere gedeelten zijn uit de 14de eeuw; de muren zijn zoo dik, dat in de vensternissen drie personen naast elkaar kunnen zitten. Een wenteltrap voert naar het lichthuis omhoog, waar men een heerlijk uitzicht geniet over land en zee. Men kan er al de zandbanken zien liggen, die het binnenvaren van de Elbe zoo gevaarlijk maken en bij helder weder kan men Helgoland onderscheiden.

Een geliefde wandeling over de Wadden is naar de baak, die de Noord- of Verdonkeringsbaak heet, een zeventien meter hoog getimmerte, dat midden in het water staat, maar ten tijde van de eb in tien minuten droogvoets kan worden bereikt. Oude menschen vertellen u, dat vroeger die plek aan den wal vastzat en dat het land in nauwelijks twee menschenleeftijden is afgebrokkeld, een landverlies, dat in de laatste jaren wordt tegengehouden of althans verlangzaamd door doelmatige kustversterkingen, door den Hamburgschen staat met groote kosten aangebracht.

Een tweede baak is de groote Scharhörn, die men eerst na anderhalf uur rijdens bereikt. Het is een huisje, waartoe een uit zwart geteerde eiken balken getimmerde trap toegang geeft, ver boven vloedpeil gelegen en dus voor schipbreukelingen een veilige schuilplaats. Een bundel stroo, wat scheepsbeschuit en eenige flesschen wijn vinden ze daar steeds voorhanden. Dat huisje op het zand, rustend op geweldige rotsblokken, is het overblijfsel van het eens zich ver in zee uitstrekkend schiereiland, een brokje, dat de geweldige reus heeft laten staan, toen het hem behaagde, dorpen en landerijen en weiden te herscheppen in grijze, vlakke zandwoestijnen, waar geen leven meer uit is te wekken.

AANWINSTEN IN ZAKE DE ETHNOGRAFIE VAN FLORES EN OMGEVING.

De officier van gezondheid G. A. J. van der Sande heeft van zijn opnemingsreis aan boord van de »Soembawa« een en ander meegebracht voor het rotterdamsch Museum voor land- en volkenkunde. Daaromtrent lezen wij in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, dat er ongeveer honderd voorwerpen zijn, voor 't meerendeel afkomstig van de eilandgroep ten zuiden van Celebes, in de Flores- en Savoe-zeeën. Van het eiland Flores zelf is de grootste helft, en deze aanwinst is bijzonder welkom, omdat het zoo lang geduurd heeft vóór het Museum iets van dit interessante eiland machtig werd. Max Weber, Wichmann, Ten Kate, Van den Broek, Vermast, Christoffel, Fokkens en nog anderen misschien, hebben er gereisd en verzameld, maar alleen laatstgenoemde, van Rotterdam geboortig, bedacht het Museum met drie slendangs, eenig fraai vlechtwerk en een klewang van Flores.

Voorts bevat de verzameling een aantal voorwerpen van het kleine eilandje Paloeweh, dat men ongeveer halfweg de noordkust van Flores vindt; ook van Solor en van Adonare, beide ten oosten van Flores; mede, aan den anderen kant, van Soemba en Soembawa; enkele voorwerpen van Timor en van Borneo; en weder een tiental van de Toradja van midden-Celebes.

Enkele stukken verdienen een afzonderlijke vermelding. Zoo de vlieger om mede te visschen, afkomstig van Woerè op Adonare; de vischlijn gaat uit 's visschers hand door een oog boven in den mast van zijn schuitje, naar den vlieger, die een heel eind achter het vaartuig hoog in de lucht staat en daalt vandaar naar de oppervlakte van het water; aan dit eind is het aas bevestigd, dat huppelend over het watervlak de visschen lokken moet. De vlieger draagt een langen staart, is van palmblad gemaakt en heeft den vorm van een omgekeerd gothisch boograam. Het prauwtje is door twee personen bemand, de een houdt de lijn, de ander roeit en manoeuvreert.

Verder de vuurzaag en de vuurboor, die den strijd met de lucifers niet opgegeven hebben; de eerste is afkomstig van de westelijke helling van den berg Himandiri op oost-Flores en bestaat uit twee stukken droge bamboe, die men dwars over elkander zaagt, totdat de fijne bamboekrullen, die men in de nabijheid legt, ontbranden; in 20 seconden, schrijft de heer Van der Sande, die zich al deze dingen laat vóórdoen, was het bamboeschrapsel ontstoken. De vuurboor is van Soemba en bestaat uit twee stukjes, waarvan het eene ligt, en het andere loodrecht daarop staat en tusschen de handen gedraaid wordt. Na een paar minuten is het houtpoeder, dat bij de wrijvingsvlakken ligt ontvlamd, en in dien tijd is de man, die draait, door een ander afgelost en heeft hij dezen weer afgelost.

Vervolgens rood en zwart aardewerk als uit het landschap Rioeng, van Donda en van Mausambi op de noordkust van Flores, eetschaaltjes en ook waterkannetjes van afwijkend model; een kompleet weefgetouw met gedeeltelijk voltooid smal doek van roode, witte en zwarte draden, afkomstig van Lewalobo in Oost-Flores.

Dan oude geweren, vuursteen- en percussie-geweren, zooals zij tot 1908 bij de bergbevolking op de zuidkust van Oost-Flores in gebruik waren; evenals een oud ruiterpistool zijn deze geweren van europeesch maaksel, gevaarlijker voor den schutter dan voor het doel, verfraaid met ingelegde koperen chineesche duiten en blauwe kralen; weefsels, bijzondere oorsieraden, kralen (moeti tanah) van verschillende kostbaarheid en een fraaie sirih-tasch van geïkat doek met koperen montuur.

Te Makassar kwam de heer Van der Sande in het bezit van de broek eens mannelijken Toradja's van Celebes, een door de vrouwen van dit volk geweven kleedingstuk. De man vertoefde onder geleide van den civiel-gezaghebber te Makassar, om aan den gouverneur te worden voorgesteld; vermoedelijk is eerst na die voorstelling de broek van eigenaar veranderd. Eveneens van de Toradja's zijn eenige voorwerpen, die de heer Van der Sande ten geschenke kreeg van den civiel gezaghebber van Larantoeka, den 1sten luitenant O. I. L. J. van Bossche, o.a. geklopte boomschors en kleedingstukken, van deze stof vervaardigd, en een klopper, waarmede zij soepel geslagen wordt.

EEN MONOLIET GERED ALS NATUURHISTORISCH MONUMENT.

Het centrale comité van het Helvetisch Genootschap voor natuurwetenschap heeft op zijn adressen aan de gemeentelijke autoriteiten van Monthey, een stadje in het Zuiden van het kanton Wallis, succes gehad, en voor den prijs van dertig duizend francs is de vereeniging in het bezit gekomen van een groot rotsblok, een monoliet, welks volume op 1800 kubieke meters wordt geschat, den Pierre de Marmettes.

Het is een zwerfblok dat deel uitmaakte van een morene, gevormd door een gletscher van den Mont Blanc, die dwars neergleed naar den Rhônegletscher in den tijd toen deze nog geheel Wallis overdekte. Door den ijsstroom tot in de buurt van Monthey vervoerd niet ver van de Rhône, bleef die morene liggen op een hoogte van ongeveer honderd meter boven het dal. Ze vormde daar oorspronkelijk een reuzenrij van granietblokken van meer dan drie kilometer lengte.

Tegenwoordig zijn verscheiden honderden van deze getuigen van het ijstijdperk gevallen onder de slagen van steenhouwers, want het graniet van den Mont Blanc, waaruit ze bestaan, wordt al meer gezocht voor bouwwerken. Opdat onze nakomelingen kennis zouden kunnen nemen van de grootsche natuurverschijnselen uit een ver verleden, zou het jammer zijn zoo er nog meer verloren gingen van die steenkolossen. Er zijn reeds een groot aantal blokken van meer dan duizend kubieke meters vernield geworden. Onlangs werd ook de Pierre de Marmettes bedreigd, doordat de eigenaar van een steengroeve hem kocht ter exploitatie. Het bericht van dien koop lokte in geheel Zwitserland protesten uit en riep een beweging in het leven tot behoud van den grooten monoliet. Vandaar het optreden van de mannen der wetenschap en de aankoop door het genootschap.

DE NAMIB.

Deze voor velen zeker onbekende naam komt toe aan een strook gronds in Duitsch Zuidwest-Afrika, waar de vondst van diamanten leven en beweging heeft gebracht. Het is een ongeveer honderd kilometer breede, bijna waterlooze gordel tusschen de Oranjerivier en de Kunene, onmiddellijk achter de kust. Die onvruchtbare steppe schijnt de menschen te willen afschrikken van het binnenland. Maar tegenwoordig lokken de glinsterende steentjes in het losse zand velen naar de wildernis, waar vroeger alleen de schuwe Bosjesman zich soms ophield.

De Namib heeft haar afschrikkende eigenaardigheden. Hier en daar kan men in het geheel geen overzicht van de streek krijgen, want de eene rots schuift zich vóór de andere, en de kloven en hellingen zijn bedekt met zandduinen, waartusschen zich de gebruikelijke ossenwagen met ongelooflijke moeite een weg baant. Een niet eens bijzonder zwaar geladen wagen moet in het achterland van de Lüderitzbaai soms met 42 ossen worden bespannen, om hem op sommige plaatsen vooruit te krijgen.

De Namib is een toevluchtsoord voor een zeer groote hoeveelheid wild in groote kudden. De dichtste massa antilopen kruist dikwijls opeens den weg van den reiziger; jakhalzen vertoonen zich niet zelden, en op de rotsen wonen menigten bavianen, die als magere dorpshonden blaffen.

SHACKLETONTENTOONSTELLING.