Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 31
Een vliegmachine van 25 à 30 P.K. kan dus uit den aard der zaak veel goedkooper zijn dan een automobiel van vijftien paardekracht, met een heel gewone open carrosserie.
Maar daarmee zijn natuurlijk niet die andere bezwaren overwonnen, die aan den tijd ter oplossing nog zijn voorgelegd. Zelfs afgezien van weer en wind, is de vliegmensch nu nog ongeloofelijk afhankelijk van zijn helpers, die uit geschoold en geoefend personeel moeten bestaan. Het draaien van de schroeven vóór de opstijging ten einde den motor op gang te brengen en den zuiger over de compressie heen te helpen, is niet ieders werk, die niet verlangt onthoofd of gekorven te worden. Bovendien is de aëronaut in de vlucht al even afhankelijk. Hij kan onmogelijk, als er stagnatie is, zelf en alleen zijn motor weer op gang brengen.
Eer de massa met vertrouwen haar geld aan de vliegkunst waagt, zullen nieuwe vindingen die euvelen moeten hebben verholpen.
EEN ENGELSCHE VAN DE KAAP NAAR KAÏRO.
Alleen, dat wil zeggen onvergezeld door blanken, is miss Charlotte Mansfield dit jaar in snelle dagreizen door Afrika van Zuid naar Noord gereisd. Ze vertrok 9 Januari 1909 uit Londen en kwam er 14 Augustus terug. In de Daily Chronicle heeft een verslaggever verteld van het interview, dat hij met haar had. Charlotte Mansfield had voor haar veiligheid een geweer en een revolver bij zich om zich te verdedigen in geval van nood en om te jagen voor haar maal. Maar de inboorlingen--zij is geweest in oorden, waar geen blanke voor haar een voet had gezet--deden haar nergens kwaad.
Juffrouw Mansfield is vol bewondering voor de inboorlingen, nl. voorzoover zij niet door teveel beschaving besmet waren. "Wat me het meest aanstond", zei ze, "was dat, schoon ik geheel alleen was bij al die mannen--groote, sterke, gezonde, gelukkige wilden, die lezen noch schrijven konden en niets van misdaad afwisten--zij mij met verwonderlijke ridderlijkheid behandelden. Ik vind het heel jammer, dat men hun godsdienst en zeden wil veranderen; men moest ze met rust laten, en niet raken aan hun oude gebruiken."
Met het Christelijk zendingswerk had juffr. Mansfield dan ook weinig op. "Het is mooi en wel", zei ze, "die inboorlingen te leeren, dat zij zindelijk en vlijtig moeten wezen, maar velen hunner worden, zoo gauw ze het Christendom hebben aangenomen, huichelaars. Zij vereenzelvigen het Christendom met dophoeden en europeesche kleeren. Het is voor hen geheel een kwestie van kleeding. Ik behoor tot geen bepaalde kerk, maar ik moet zeggen, dat de Katholieken de inboorlingen op hun plaats houden en dat zij daarom geëerbiedigd worden. Het kwaad is, dat zooveel zendelingen de jongens bederven. Het is bespottelijk den inboorling te behandelen als een "zwarten broeder". Zij verliezen alle achting voor u. De goede manier om ze te behandelen is billijk en rechtvaardig, maar tevens streng voor ze te wezen."
Juffr. Mansfield is verrukt over Rhodesië. Daar zou ze willen boeren. Wat ze er nu van den oogst heeft gezien leidt er haar toe, te zeggen, dat Canada nog eens in Rhodesië een zwaren mededinger zal krijgen. Het is een prachtig land voor landverhuizing, volgens haar. Zij weet van iemand, die in Canada niet slagen kon, en het in Rhodesië heeft beproefd. Zeven jaar geleden begon hij er met £ 50 en huurde 100 stuks vee van de regeering. Nu heeft hij 750 runderen en alles wat een boer kan wenschen.
De reis van juffr. Mansfield duurde 218 dagen, waarin zij 27,000 K. M. aflegde. Gedeeltelijk reisde zij per boot en spoor, gedeeltelijk ging zij te voet en voor een ander deel droegen haar inboorlingen in een soort hangmat. Waar zij in het binnenland kwam, wist men al van »de witte donna« die alleen door de woeste wereld trok. Den 9en Januari vertrok zij uit Londen, den 8en Februari uit Kaapstad, den 26en Juli kwam zij te Kaïro aan en Zaterdag 14 Aug. was zij weer te Londen.
Juffr. Mansfield gaat een boek over haar reis schrijven en er lezingen over houden. Zij zal ook werken voor landverhuizing naar Rhodesië.
KONING EDUARDS HISTORISCHE BOOT.
Bij het streven van veel europeesche vorsten, om de snelste, met de beste nieuwe vindingen der techniek uitgeruste jachten te bezitten, is het een eigenaardig verschijnsel, dat koning Eduard van Engeland nog vaak een boot gebruikt, die op een tijdvak van meer dan tweehonderd jaren kan terugzien. Die koningsbark werd in het jaar 1685 voor Willem III gebouwd en is tot heden in wezen gebleven. Het is een boot van eikenhout uit de britsche wouden en ze is rijk versierd met wapens en emblemen van de engelsche koningen. Willem III, die met voorliefde in Hampton Court verblijf hield, maakte er een druk gebruik van, om over de Theems naar Londen en Windsor te varen. Koning Eduard stelde reeds als prins van Wales veel belang in het ouderwetsche vaartuig, dat hij zorgvuldig in stand liet houden. En tegenwoordig wordt de boot weer gebezigd voor de vaarten van den koning op de Theems. Ook bij de kroningsplechtigheden van den koning heeft de bark een rol gespeeld, door den vorst naar Eton te brengen, dat in de eerste regeeringsdagen werd bezocht. De boot wordt door acht mannen geroeid, terwijl de kapitein voor het roer moet zorgen.
OP DEN UITKIJK.
MASKERS VAN DE MAHAKAM.
De kaart van Borneo vóór zich leggende, vindt men op de westkust Pontianak en, ongeveer terzelfder breedte, op de oostkust Samarinda. Van het gebergte ongeveer in het midden des eilands stroomt naar Pontianak de Kapoeas, naar Samarinda de Mahakam; zij is de grootste rivier die aan de oostkust in zee valt. De maskers bij dit artikel afgebeeld zijn afkomstig van Long Iram, een plaats aan de Mahakam, die langs een rechte lijn ongeveer 100 kilometers van Samarinda verwijderd ligt, maar feitelijk misschien wel 200, door de sterke kronkelingen van de rivier.
De maskers kwamen in het bezit van het Rotterdamsche Museum voor land- en volkenkunde door de goede zorg des heeren H. Gramberg, militair- en civiel gezaghebber van de Boven-Mahakam, en vormen een deel eener uitgebreide en belangrijke verzameling die deze ambtenaar voor het Museum bijeenbracht.
De Boven-Mahakam, het gebied waar de heer Gramberg gezag uitoefent, is, volgens prof. Nieuwenhuis, bedekt met bosch, en van een bergtop gezien, zijn 't alleen de steile wanden der kalkbergen die het oog treffen als lichte plekken op het donkergroene kleed. Waar de bevolking hare droge rijstvelden aanlegt ligt de grond bloot gedurende den tijd dat hij voor den rijstbouw dient; maar al gauw neemt struikgewas en later jong bosch dit terrein weer in. Gras is er, naar de bewoners zeggen, eerst de laatste 20 jaar aan de Boven-Mahakam verschenen; en het hooge gras dat alang-alang en ilalang heet kent men er niet.
De bevolking aan de Mahakam boven de watervallen is niet talrijk; oorspronkelijk bestaat zij uit Bahau-stammen, die in de laatste twee eeuwen uit het hoog gelegen bergland Apo Kajan hierheen getrokken zijn. In het brongebied van de Mahatam, tot aan den val die Kiham Matandow heet, ligt nog ongerept oerwoud, en daarin zwerven kleine groepen van de Boekats, die telkens van woonplaats veranderen. Vóór den krijgstocht van de Dajaks uit Serawak in 1885 was het stroomgebied der Mahakam, van bovengenoemden val Kiham Matandow tot aan de Soemwé bewoond door verscheidene nederzettingen van Pnihing-stammen; deze nederzettingen werden toen verwoest en de bewoners trokken langs de hoofd-rivier naar beneden. De stam der Sepoetans woont in het gebied van de Kaso, ten deele hoog de rivier op, voor een ander deel aan de Penaneh. Volgt men de rivier verder benedenwaarts, dan komt men in het gebied der Kajans, die zich de Mahakam toerekenen van de Soemwé tot aan de Dini. Ten oosten aan deze laatstgenoemde rivier begint het gebied van de Long-Glats en aan de Merasè wonen de Ma-Soelings.
Wie, na deze vluchtige voorstelling, zich geroepen voelt tot nadere kennismaking, zal vinden wat hij verlangt in het werk van dr. A. W. Nieuwenhuis In Centraal Borneo, of in zijn boek Quer durch Borneo, beide boeiende reisverhalen, met een overvloed van platen. Aan de berichten van dezen schrijver zijn de volgende mededeelingen over het maskerspel ontleend waarbij maskers als de hier afgebeelde gebruikt worden.
De zaaitijd van de rijst is bij de Kajans van de Boven-Mahakam verdeeld in drie perioden van negen dagen, en het maskerspel dat een deel is van het religieuse zaaifeest, valt op den eersten dag van de tweede en derde periode. De eeredienst van de Kajans, die uitsluitend landbouwers zijn, staat in nauw verband met den rijstbouw en de groote godsdienstige feesten van het jaar vallen op het begin der verschillende werkzaamheden. Deze worden onderscheiden in nebas (houtkappen), noetoeng (branden), noegal (zaaien), nawo (wieden), ngeleno (oogsten), newoeko (einde van den oogst) en nangei (het vieren van een nieuw jaar en begin van een nieuwen rijstbouw). De feesten bij noegal en nangei zijn de voornaamste.
Wat heeft nu het optreden van gemaskerden te maken met het zaaien van rijst? In de overtuiging dat de geesten machtiger zijn dan de menschen, gelooven de Kajans, dat zij, als geesten vermomd en doende als geesten, ook meer vermogen dan menschen vermogen. Evenals de geesten de zielen der menschen kunnen terugbrengen, gelooven zij, dat zij ook de zwervende ziel van de rijst tot zich kunnen lokken. Daartoe dient een lange, houten haak die de hoofdman der gemaskerden in de hand houdt, en waarmede hij de beweging maakt van iets naar zich toe te halen.
Geesten behooren er schrikwekkend uit te zien en daarom hullen zich de Kajans die sterk behaarde geesten voorstellen in uitgerafelde pisangbladeren, die zij met de hoofdnerf om het geheele lichaam winden, dat zoodoende een vormlooze groene massa wordt. Op de afbeelding is een groep gemaskerde Kajans van de Boven-Mahakam voorgesteld. Het masker is van licht hout gesneden, heeft evenals de wolf in Roodkapje groote oogen, groote ooren en groote tanden. Boven in de ooren zijn van hout nagemaakte pantertanden gestoken [1] en de banden aan den onderkant der ooren verbeelden de uitgerekte oorlellen, waarin oorsieraden hangen. De symmetrische lijnen op het masker zijn met vaste hand getrokken en doen de oogen scherp uitkomen; de kleuren zijn wit, zwart en steenrood. Het masker wordt gedekt door een strijdmuts van gevlochten rotan, versierd met de witte, met zwarte dwarsbanden belegde, staartvederen van een neushoornvogel.
Deze geesten nu zijn 't die de rijstziel moeten lokken en aan de Kajans een goeden oogst bezorgen. Zij mogen niet spreken want een geest spreekt niet en wie dit verbod vergeet loopt kans dood neer te vallen. Op een open plek tusschen de huizen vormen de zonderlinge wezens een kring en op de maat van den gongslag maken zij allerlei passen, bewegen de armen en schudden en draaien het hoofd. Dit duurt een half uur en dan plaatsen de geesten zich achter elkander, doende alsof zij de broewa parei, de rijstziel, uit verre oorden tot zich halen; want soms verdwaalt deze tot aan de Kapoeas en de Barito.
Het andere masker, dat men hier afgebeeld vindt, is een varkensmasker, ook van de Boven-Mahakam. Dr. Nieuwenhuis maakt gewag van een maskerspel gedurende het zaaifeest aan de Mendalam, een rivier, die dicht bij het scheidingsgebergte in de westwaarts stroomende Kapoeas valt, welk spel een zwijnenjacht voorstelde. Ontleden doet hij deze ceremonie niet. De man met het varkensmasker stelde het zwijn voor en hij maakte de bewegingen en geluiden van dit dier goed na. Eenige jonge Kajans verbeeldden de honden die het varken aanblaften en te lijf wilden. De toeschouwers waren er heelemaal in, en de gewoonlijk zeer kalme Kajans raakten uit hun plooi; vooral als het dier een zijsprong maakte naar den kant waar de meisjes zaten was 't een leven van geweld. Maar van angst of schrik was zelfs bij de eenjarige toekijkers geen sprake; men hoorde overal luid en hartelijk lachen. Of het varkensmasker van de Mahakam voor een dergelijk spel, als hier van de Mendalam beschreven is, gebezigd wordt, mag waarschijnlijk maar niet zeker heeten.
Hoe dit varkensmasker met figuren beschilderd is blijkt voldoende uit de afbeelding; de kleuren zijn dezelfde als van het andere masker. Beide worden door koorden van gespleten rotan voor het aangezicht vastgemaakt, en beide hebben ter hoogte van den mond des dragers een dwarshoutje, dat blijkbaar met de tanden door hem omklemd wordt om het masker op zijn plaats te houden. Alleen van het varkensmasker is de onderkaak bewegelijk; loodrecht op het zooeven genoemde dwarshout is een stokje vastgemaakt dat naar het vooreind van de onderkaak loopt, een eenvoudig mekaniek, dat den drager van het masker in staat stelt met zijn tanden de onderkaak tegen de bovenkaak te doen klepperen.
Rotterdam, 31/VIII '09. Joh. F. Snelleman.
[1] Tanden in het bovendeel van de oorschelp dragen stammen van de z.g. Zee-Dajaks van Serawak.
MENSCHEN EN NATUUR.
Er zijn menschen, die ons met het leelijkste nest verzoenen, en anderen, die de heerlijkste streek voor ons kunnen bederven.
ADMIRAAL MELVILLE'S OORDEEL VAN BETEEKENIS.
De triomf van de beide poolhelden, wier portretten wij in ons vorig nommer gaven, is niet onaangevochten gebleven. In de wetenschappelijke wereld doet zich een sterke strooming van twijfel gelden, zoowel wat het slagen van Cook als dat van Peary betreft.
Bij beiden stemt vooral de snelheid, waarmee ze de laatste breedtegraden in de nabijheid van de Noordpool zouden moeten hebben bereikt, als hun mededeelingen volkomen geloofwaardig waren tot een zeker voorbehoud. Het is eenvoudig tooverij, dat Peary zoo gauw van kaap Columbia aan de noordpunt van Grantland zou gereisd hebben, als hij opgeeft en Cook is omtrent die hoogste breedten zoo onnauwkeurig en onvolledig, ook in de toespraak, die hij in Kopenhagen heeft gehouden voor een tot oordeelen bevoegd publiek, dat teleurstelling en onvoldaanheid zich in de plaats van de geestdrift hebben gesteld.
Wie van het eerste oogenblik af aan den twijfel in zijn gemoed niet den toegang heeft geweigerd, wie dadelijk moedig voor die overtuiging van de tegenspraak in de gegeven berichten is uitgekomen, dat was de oude admiraal Melville, de Engelschman, die zelf mooie sporen heeft verdiend in het Noordpoolonderzoek, althans in poolreizen, met groote gevaren verbonden.
Hij hoort tot die groep van poolreizigers, die voor het bekend worden van de eilanden in den Siberischen Oceaan ten noorden van Azië veel heeft bijgedragen. Meer in het bijzonder de Nieuw-Siberische eilanden ten noordoosten van de Lena-delta. Sedert in 1770 een russisch koopman Liakhof een der eilanden ontdekte, toen hij een rendierkudde met sleden over het ijs volgde, had de russische regeering in het begin der 19de eeuw vooral terwille van de vondsten van mammoethsbeenderen het onderzoek zooveel mogelijk aangemoedigd.
Bij die tochten maakte zich o.a. luitenant F. von Wrangell bekend, en het naar hem genoemde Wrangell-land bleef tot in de jaren tusschen 1880 en 1890 de menschen intrigeeren door de onzekerheid, waarin men verkeerde, om te weten of het een eiland was of een vasteland. Aan de expeditie nu, die dat probleem heeft opgelost, nam Melville als hoofdmachinist van de Jeannette deel.
De eer van ontdekt te hebben, dat Wrangell-land geen continent was, komt toe aan commandant G. W. de Long van de marine der Vereenigde Staten, die in 1879 op een ontdekkingsreis uitging door de Beringstraat met de Jeannette. De Long dacht, dat Wrangell-land een continent was en drong stoutmoedig door in het pakijs bij het Heraldeiland op 71 graden 35 minuten N.B. en 175 W.L. in de meening Wrangell-land te zullen bereiken en daar te kunnen overwinteren. Tot De Long's teleurstelling kwam het schip maar niet buiten het pakijs en dreef gestadig aan naar het Westen, tot het tegenover en ten noorden van Wrangell-land was gekomen, waardoor bewezen was, dat dit wel verre van een continent te zijn, slechts een betrekkelijk klein eiland was. Het schip had veel van het ijs te lijden, en alleen de bekwaamheid en de moed van den hoofdmachinist G. W. Melville behoedde schip en bemanning dien eersten winter voor ondergang. Na een tweede overwintering werd de Jeannette op 12 Juni 1881 door het ijs ingedrukt, waardoor de bemanning onbeschut achterbleef op de ijsschotsen midden in de IJszee.
Op een ellendige reis van de ergste ontberingen en ziekte, die maakte, dat men haast niet voort kon, toonde Melville zijn geestkracht en vindingrijkheid. Telkens dreef een noordelijke strooming hen terug van de kust van Azië, die ze trachtten te bereiken. Bij een poging, om de Lena-delta te bereiken, verongelukte de boot van luitenant Chipp in een storm met een bemanning van acht personen op 12 September, en bij die gelegenheid werden ook commandant De Long en Melville gescheiden. De laatste bereikte met negen man op 26 September een russisch dorp langs een der oostelijke monden van de Lena.
De Long met Dr. Ambler en twaalf man moesten op 17 September aan land gaan en de boot achterlaten, daar de zee te ondiep was. Met hun wapens en hun voedsel en de rapporten en berichten en benoodigdheden beladen, volgden zij de kale, verlaten oevers der Lena zuidwaarts, haast niet vorderend door sneeuw, nieuw ijs en ziekte. Telkens moest men wachten, tot het ijs vastheid had gegeven aan de oppervlakte van ondoorwaadbare zijtakken en wild en voedsel ontbraken reeds op 9 October, toen een man gestorven was en de anderen hulpeloos waren. Trouw blijvend bij de zieken en de stervenden, zonden De Long en Ambler twee zeelieden uit, om hooger op de Lena hulp te halen.
De Long en al de zijnen op drie na kwamen er van gebrek om vóór den 1sten November, terwijl de beide matrozen Bulun op 29 October bereikten, nadat ze bijna niet verder konden. Zoodra hij kon, nam Melville maatregelen om te hulp te komen, en op 14 November 1881 vond hij reeds de scheepsboeken, toen een hevige storm hem belette verder te gaan. In het eerste begin van de lente ging de onvermoeide Melville er weer op uit, en 23 Maart 1882 vond hij de lijken der ongelukkige schepelingen.
Behalve door belangrijke natuurwetenschappelijke waarnemingen in een onbekende streek was deze expeditie gewichtig om de aardrijkskundige ontdekkingen. Er werd een gebied van wel vijftig duizend vierkanten mijlen in de IJszee bevaren.
Melville's verdiensten zijn erkend door zijn promotie in de marine en doordat naar hem zijn genoemd een baai aan de westkust van Groenland, een schiereiland van het amerikaansche vasteland, dat door de Heclastraat van Baffinseiland is gescheiden en een meer aan de noordoostkust van Labrador. Geen wonder, dat ook nu nog het woord van admiraal Melville gehoor vindt.
REVAL EERSTE OORLOGSHAVEN.
De russische regeering heeft besloten, van Reval de eerste oorlogshaven van het rijk te maken ter vervanging van Kroonstad, dat door zijn ligging in de diepte van de Finsche Golf te dicht bij de hoofdstad is en daarom in geval van oorlog veel kwade kansen biedt. Reval zou feitelijk den ingang van de Finsche Golf bewaken; het zou het eindpunt zijn van een reeks van versterkingen, beginnende bij Wilna en zich voortzettende over Dwinsk, Grodno, Brest-Litowsk, Konel en Rovno, waaraan tegenwoordig gewerkt wordt, om ze in den besten staat te brengen.
OP DEN UITKIJK.
BERGTOCHTEN IN SAKSISCH ZWITSERLAND.
Er is geen tweede van de Duitsche Middelgebergten, dat zoo geschikt is, om aankomende Alpinisten te maken tot flinke bergbestijgers als Saksisch Zwitserland, de parel van het koninkrijk Saksen, een Alpenwereld in het klein. Te zamen gedrongen op een betrekkelijk kleine ruimte, zijn in dit gebergte met zijn geweldige rotswanden en reuzenpyramiden, zijn romantische kloven, verbrokkelde muren en zijn rotslabyrinthen de gelegenheden voor uitstapjes, die zoowel geschikt zijn voor den weeldetoerist, gebruik makend van allerlei vervoermiddelen, als voor den geharden bergklauteraar.
Jaarlijks vloeit een reusachtige toeristenstroom door het Elbezandsteengebergte. Wie ooit vroeg op een Zondagmorgen in den zomer op het Dresdener spoorwegstation vertoefde en er de duizenden treklustigen en natuurvrienden aantrof, die naar hun geliefd »Zwitserland« willen, die krijgt een flauw vermoeden van het aantal bezoekers. Niet gering is onder hen het getal Berlijners, profiteerend van het feit, dat de hoofdstad maar drie sneltreinuren van Dresden verwijderd is.
Wat een bergtoeristen ziet men er! De gemoedelijke Sakser in linnen schoenen en met de omvangrijke, breede handtasch; de nog altijd niet uitgestorven salontiroler met kniekousen, eleganten rugzak en een glaasje in het oog; dan de leden der Alpenvereeniging en van de Oostenrijksche Toeristenclub in een onvervalscht, praktisch bergkostuum, alles te zamen een stationstooneel, als München in het groot aanbiedt. Slechts een klein deel van die bergtoeristen doen nog iets meer dan de gewone bergtoeren, om door te dringen in het intieme schoon van het Elbelandschap.
Voor klauterpartijen in de Dolomieten kan men zich uitstekend voorbereiden in Saksisch Zwitserland. Men begint dan met het meest bezochte punt van het Elbezandsteengebergte, de Bastei, met haar hemelbestormende rotswanden en vooruitspringende rotsterrassen. Voor klimmers geldt de leus, dat ze de Bastei in rechte lijn moeten nemen en de Schrammsteine moeten bezoeken. Ze gaan dan bij het station Rathen over de snelstroomende en door vlotten en bootjes verlevendigde Elbe naar Ober-Rathen en na een wandeling over den Amselgrund bestijgen ze den Gänsefelsen. De stoutmoedigsten gaan daar naar boven door een zoogenaamden schoorsteen, den Gühnekamin, waarin men met handen en knieën werkend, zich strekkend en draaiend met slakkensnelheid vooruitkomt. Vijf kwartier van zulk klauteren leidt naar het rotsplateau.
Een tweede werkje is over de Basteirotsen rechtstreeks naar de Basteibrug te klimmen, die daar boven de indrukwekkende diepte van klip tot klip overspant. Er is een veel gemakkelijker weg omhoog, maar de bergtoerist verkiest den zwaarsten. Eerst door een sparrenbosch, dan door een wirwar van kloven en spleten gaat het met moeilijke bochten om rotspyramiden heen naar een klein plateau en dan naar den top van een rotszuil in de onmiddellijke nabijheid van de Basteibrug, een flink stuk werk. Van de brug wordt den klimmers dan meestal een touw toegeworpen en met een stoutmoedigen sprong zijn ze op de brug.
Er is verbazend veel verscheidenheid in de toeren en de kijkjes in Saksisch Zwitserland. Hoeveel verschillen het panorama van den Lilienstein en dat van den Winterberg, beide om strijd geroemd! De Lilienstein is een rotsmassief, dat koen en steil uit het nauwe Elbedal omhoog rijst en welks groot plateau men langs een groot aantal trappen beklimt. Daar tegenover is de vesting Königstein, die nu haar strategische waarde heeft verloren door de moderne oorlogstechniek en kalme diensten bewijst als bewaarplaats voor staatsarchieven en andere schatten.
De wildernis der Schrammsteine is het meest geliefde sportterrein der leden van de Alpenvereeniging, die er een zeer veel op de Dolomieten gelijkend arbeidsveld vinden. De Falkenstein geeft de gelegenheid zijn rotspyramide door twee lange, schuine schoorsteenen te beweldigen; een moeilijk werkje, maar dat voldoening geeft, als men het achter den rug heeft en met een paar wonden aan handen en kleêren boven is gekomen. In het gebied der Schrammsteine is het berghuis van den Winterberg bekend als een welkome rustplaats, en de Winterberg zelf is een bazalttop te midden van de zandsteenformatie, tevens de hoogste top van de bergen aan den rechteroever van de Elbe.