Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 30
"Ons eigen Land", dat mooie werk van den A. N. W. B., vertelt van Doorwerth, dat het een der weinige middeleeuwsche burchten in ons land is, die nog het oorspronkelijke karakter bewaarden. Met zijn driedubbele grachten, ophaalbruggen, wachttoren, poorten, muren met schietgaten, voorplein, binnenplein, gevangenis, wapenzaal, kapel, slotbewaarderswoning, stallen en andere bijgebouwen, zijn torentransen en trapgevels, is het als 't ware een stuk vaderlandsche geschiedenis. Over de eerste ophaalbrug komt men op een smal voorplein; hier verrijst tegenover de tweede ophaalbrug een wachttoren, van uit welker raampjes men den toegangsweg overziet. Over de brug is een zwaar poortgewelf, waarboven de geslachtwapens van de familie Van Voorst rechts, van de familie Schellard van Obbendorf links, zijn aangebracht. Door deze poort komt men op het ruime binnenplein, waarop oude acacia's, waarvan, naar het heet, een is geplant in 1579, ter herinnering aan de Unie van Utrecht. 't Zijn de oudste boomen van dat soort, welke men in ons land vindt. Een derde ophaalbrug voert naar het eigenlijke slot, dat sinds lang niet meer bewoond is.
De heerlijkheid Doorwerth is een der oudste van Gelderland en moet ongeveer uit de tiende eeuw dagteekenen. Omstreeks 1500 ging zij door huwelijk over aan de familie Wisch en van deze aan die van Homoet. In 1558 kwam zij aan het bovengenoemde huis Schellard. Een eeuw later ging zij over aan den graaf van Aldenburgh, wiens kleindochter haar den graaf Bentinck mee ten huwelijk bracht. Tot 1840 bleef Doorwerth in het bezit der Bentinck's waarna baron Van Brakell van Wadenooien de heerlijkheid door aankoop verwierf. Na den dood van de douairière Van Brakell Doorwerth, ongeveer 1878, viel het kasteel met zijn omgeving ten deel aan jhr. mr. J. G. Ridder van Rappard. Sinds eenige jaren behoort het aan den heer Scheffer, tevens eigenaar van het aangrenzende landgoed Duno.
WAT JONGE VERKENNERS OF BOY-SCOUTS MOETEN WETEN.
Het corps jongens, door generaal Baden Powell van het engelsche leger opgericht, om als ze hun diploma hebben als verkenners in oorlogstijd dienst te doen, moet aan heel wat eischen voldoen.
Vóór zoo'n jongen tot verkenner 1e klas wordt bevorderd moet hij heel wat in zijn mars voeren. Hij moet vier soorten knoopen kunnen leggen; met de Morse-telegraaf of de semafoor zestien letters in de minuut seinen; na een minuut in een winkelraam te hebben gekeken vertellen wat er ongeveer uitgestald is; zonder zich te haasten een mijl (1609 M.) in twaalf minuten afleggen; een vuurtje aanleggen en aansteken met niet meer dan twee lucifers; een jachtschotel koken; de zestien streken van het kompas opnoemen; een kleine 50 M. zwemmen; zich begeven naar een punt op 7 mijl afstands en daarvan een verslag opmaken; vertellen hoe in twee gevallen van een ongeluk iemand gered moet worden; een behoorlijke schetskaart teekenen; een bijl weten te gebruiken; afstand, grootte en getallen schatten, met niet meer dan 25 pct. vergissing; en een beginner aanbrengen dien hij heeft geoefend.
NOG EENS NAAR KLONDIKE.
Twaalf jaren zijn voorbijgegaan, sedert het nieuws door de wereld ging, dat er goud in onmetelijke hoeveelheden gevonden was te midden van de sneeuw en het ijs van het Yukon-territorium in het afgelegen Aljaska. Avontuurlijke geesten haastten zich uit allerlei hoeken van den aardbol naar het doodsche, ongastvrije land, waarvan de naam tot dien tijd voor de meerderheid der menschen een onbekende klank was geweest.
Er was daar in vroegere jaren ook wel eens goud aangetroffen, maar de phenomenale rijkdom van de Bonanzakreek werd eerst onthuld in 1896 en niet voor den zomer van 1897, toen een stoombootvol gelukkige delvers, die een fortuin in stofgoud en grootere klompen bij zich hadden, naar Seattle kwamen, werd de wereld zich bewust van het feit, dat er weer een nieuw groot goudveld was ontdekt, wedijverend met die van Californië en Australië.
Klondike, Yukon, Bonanza, Eldorado, die magische namen waren op aller lippen in de laatste jaren der 19de eeuw, en hoe buitensporig de rapporten ook mochten wezen, die over de woeste en moeilijke paden kwamen aanzetten vanaf de bevroren wildernissen van Klondike naar de beschaafde wereld, de werkelijkheid overtrof ver de wildste schattingen van de eerste prospectors, en al gauw was het bekend, dat het nieuwe goudveld het rijkste was in de geschiedenis van de goudvondsten.
En dit was geen nieuwe Randmijn, waar zonder dure machinerieën en massa's kapitaal de grond niet bereid was, een onsje goud af te staan. Neen, dit was een goudveld voor den armen man, die niet anders noodig had dan een houweel, een schop en een goudpan, om op den weg naar rijkdom te komen. De eenige moeilijkheid was gelegen in de reis, waarbij men had te kiezen tusschen de lange dure reis langs den mond van de Yukon stroomop, of waarbij men te Juneau of Dyea moest landen, over den gevaarlijken Chilkootpas of over den bezwaarlijken White Pass moest trekken en dan te reizen had over de reeks meren in de Boven-Yukon stroomaf naar het nieuw gestichte Dawson, al spoedig een bloeiende stad van verscheiden duizenden inwoners. Thans is Dyea aan de fjordenkust verlaten, en een spoorweg van Skagway naar White Horse helpt den reiziger over het moeilijkste deel der reis heen.
Schatten en schatten wachtten diegenen, die zich tot Klondike doorwerkten. In het eerste seizoen haalden de weinige pioniers driehonderd duizend ponden sterling alleen uit de Eldoradokreek, en claims werden verkocht voor honderd duizend pond. Een enkele goudpan met aarde, niet meer dan twee schoppen vol, gaf soms honderd pond en pannen van dertig en veertig pond werden in menigte gewasschen. De menschen konden aan loonen drie en vier pond sterling per dag verdienen, en toch waren de arbeidskrachten moeilijk te krijgen, en een poging, om de loonen neer te drukken tot twee pond per dag werd gevolgd door een werkstaking. In het laatste jaar der eeuw was de bevolking van het Yukongebied tot dertig duizend inwoners aangegroeid en de jaarlijksche opbrengst aan goud tot vier millioen pond sterling, ofschoon de inzameling van het kostbare metaal onder bijzonder moeilijke omstandigheden plaats had. Daar de grond hard bevroren was voor verreweg het grootste deel van het jaar, moest hij eerst worden ontdooid met groote vuren, eer men de aarde kon opscheppen, en dat was het eenige werk, dat er te doen viel in den langen en strengen winter. Het eigenlijke winnen van het goud door het wasschen van den grond was alleen mogelijk in den korten zomer, als men over water beschikte.
Sedert 1900 is de opbrengst langzamerhand afgenomen, toen de ruwe werkmethode van den enkelen delver geen effect meer opleverde in de rijkste terreinen van de Bonanza- en Eldoradokreken. In 1907 was de opbrengst gedaald tot zes honderd duizend pond sterling, en het volgend jaar werd ze nog kleiner, maar dit beteekende niet, dat het goudveld uitgeput was. Het kwam enkel, doordat het werken aan de oppervlakte in zoogenaamde placers plaats moest maken voor het werk op grooter schaal met hydraulische machines en boorwerktuigen, die in handen waren van maatschappijen.
De groote uitgestrektheden lands, door hen verkregen, bleven improductief voor den korten tijd van de installatie der moderne werktuigen. Op het oogenblik is het werk er weer in vollen gang en iedere decimeter gronds in de goudhoudende streken gaat nu door de stampende machines en wordt daarna uitgewasschen op machinale manier, om het goud eruit te halen. De machines trekken van het eene eind van het dal naar het andere, en nu de wetenschap de romantische manier van het goudwinnen door den enkeling op zij heeft geschoven, treedt het Yukongebied, dat deel uitmaakt van Canada, een nieuwe periode van bloei in, die niet behoeft onder te doen voor den glorietijd van het nog betrekkelijk zoo jonge verleden.
OP DEN UITKIJK.
DE AMERIKAAN COOK AAN DE NOORDPOOL!
Wat een glorie voor 1909! Niet genoeg, dat de triomf der vliegmachines dat jaar met roem overlaadt; daar komt luitenant Shackleton tot zeer dicht bij de Zuidpool en daar brengt de eerste dag van September het opzienbarend bericht, dat Dr. Frederick Albert Cook werkelijk en waarlijk de Noordpool heeft bereikt!
Dat moet al op 21 April van het vorige jaar zijn gebeurd. Wat heeft die terugreis dus lang geduurd en hoe graag zal de ontdekker die hebben willen bespoedigen! Maar er moest nog een overwintering worden doorgemaakt, eer de wereld van de groote zege kon hooren en dat het in 1909 September moest worden, voor de mare bekend werd, mag ook wel jammer worden genoemd. Hoeveel tijdingen komen in korter tijd uit het hooge Noorden tot ons!
Maar hoe dan ook, het is zeker een heugelijk iets, dat de lang nagestreefde Noordpool eindelijk is bereikt; ontdekt kan men eigenlijk niet zeggen, want men wist immers precies waar men haar zoeken moest. Maar hoevelen hebben reeds in den loop der eeuwen lijf en goed gewaagd, om het einddoel van de reizen naar het Noorden te halen, om den voet te mogen zetten op het snijpunt van de meridianen. Dat is nu niet alleen aan Cook, maar ook aan Peary gelukt. Maandag nog schreven wij: »Geen wonder, dat men in Amerika uitbundig verheugd is over dat succes van een landgenoot. Peary's geduldig streven zinkt nu op eens in het niet bij dezen gelukten tocht van den amerikaanschen dokter, wiens levenswerk zoo schoone bekroning vindt.«
En juist op dien 6den September telegrafeerde Peary uit Indian Harbour op Labrador, dat hij de Pool had bereikt op 6 April 1909. Dus ook zijn jarenlang betoonde energie met succes gekroond!
Dr. Frederick Albert Cook werd in 1865 geboren in Sullivan County in den staat New York. Hij studeerde in Brooklyn en promoveerde aan de universiteit in New York. Reeds in den winter van 1891 op 1892 nam hij als geneesheer deel aan een der Noordpoolexpedities van Peary, en zes jaren later was hij medelid van de belgische Zuidpoolexpeditie van De Gerlache met de Belgica. In de jaren 1903 tot 1906 deed hij bergtochten in het bergland van den Mount Mac Kinley, en breidde zoo de kennis der aarde voor het menschdom uit, welke verdienste erkend werd door onderscheidingen van vorsten en geleerde genootschappen. Ook schreef hij onder andere reiswerken »Through the first antarctic night« en »The Top of a continent.«
Hij was op deze Poolreis reeds in 1907 uitgegaan, en men had zich ernstig ongerust gemaakt over het uitblijven van berichten. In ons nommer van 6 Maart j.l. schreven wij over hem en deelden mee, hoe hij zich bij Etah aan de Smithsont had laten afzetten door een walvischvaarder met het doel, langs de kust van Ellesmereland naar het Noorden te gaan, daar te overwinteren en dan in Februari 1908 een sledetocht in de richting der Noordpool te doen.
Dat is dus volkomen gelukt, en naar de berichten over zijn moeilijken en gevaarvollen tocht, die in de parijsche editie van de New York Herald hebben gestaan, en die hij reeds in een rede, te Kopenhagen gehouden, heeft beschreven, te oordeelen, is de mooie zegepraal na harden strijd bevochten. Hij zelf heeft die berichten aan bedoeld blad gezonden van de Hans Egede, het groenlandsche bestuursvaartuig, dat hem naar Europa heeft overgebracht.
Nu zal de wereld alles te weten komen van die gewichtige dagen na den 3den Maart 1908 en de verdere lotgevallen. Want tot aan dien datum wist men over zijn expeditie, wat een tochtgenoot, die hem tot dien dag had vergezeld, meedeelde. Dat was de heer R. Francke, die in September van het vorige jaar met de Eric van de Smithsont naar Europa is teruggekeerd, nadat die amerikaansche stoomboot Peary naar die sont had gebracht.
Die tochtgenoot van Cook vertelde, dat Cook den winter van 1907/1908 had doorgebracht dertig kilometer ten noorden van Etah in Annortok aan den oostelijken oever van den Smithsont en daarna den 26sten Februari met Francke en eenige Eskimo's naar Ellesmereland was gegaan. Nadat den 3den Maart de Flaglerbaai, een der fjorden, die tusschen 79 en 80 graden N. B. van het Oosten in Ellesmereland binnendringen, bereikt was, keerde Francke om en ontving later in Etah een bericht van Cook, meldende, dat hij den 17den Maart bij kaap Hubbard was aangekomen en nu noordwaarts op weg ging.
Met hoeveel succes die noordwaartsche tocht, waarop alleen Eskimo's den ontdekkingsreiziger vergezelden, volbracht is, daarvan weerklinkt thans de heele wereld. De Noordpool bereikt! Eere aan Dr. Cook, die na het voetspoor van zijn voorgangers zoo ver mogelijk te hebben gevolgd, ook de laatste en moeilijkste stappen deed, die aan zijn volharding en zijn weerstandsvermogen zware eischen stelden en waarop nog niemand hem was voorgegaan.
Amerika juicht om zijn beide landgenooten, en vooral Peary's succes windt de Amerikanen op, die zoo lang en zoo trouw hem telkens weer tot nieuwe reizen in staat hebben gesteld. Maar hij heeft dan toch een jaar later dan Cook den voet op het gewichtige punt gezet.
RECORDS VAN POOLREIZIGERS.
Cook zou dan nu het Poolrecord hebben gebracht op 90 graden N.B. Te verbeteren valt dat niet meer. Peary moet ook reeds houder ervan zijn. Die had den 21sten April 1906 een breedte bereikt van 87 graden 6 minuten, nu op 21 April 1908 verbeterd door Cook en op 2 April 1909 door Peary zelven.
Cagni, de metgezel van den hertog der Abruzzen, bereikte, uitgaande van Rudolph Eiland (Frans Jozefs Archipel) den 14en April 1900 een breedte van 86° 33´.
Vóór Cagni was Nansen de houder van het Noordpool-record met een breedte van 86° 4´, 8 April 1895.
Al dezen zijn dus op hun beurt houder van het Noordpool-record geweest.
Nog vroeger beginnende, en in chronologische orde zijn houders van dat record geweest:
Willem Barents 77° 20´ (1594), Rijp en Heemskerk 79° 49´ (1596), Hudson 80° 23´ (1607), J. C. Phipps, 80° 48´ (1773), William Scoresby 81° 30´ (1806), Parry 82° 45´ (1827), Nares 82° 48´ (1875), Nares 83° 20´ (1876), Greely 83° 24´ (1882). Dan komen Nansen, Cagni, Peary en nu Cook en Peary.
Ook van de verbetering van het Zuidpool-record kan een lijstje worden gegeven, n.l. het onderstaande:
Cook 71° 10´ Z.B. (1774), Weddell 74° 15´ (1823), Ross 78° 9´ (1842), Borchgrevink 78° 50´ (1900), Scott 82° 17´ (1902), Shackleton 88° 23´ (1909).
SPITSBERGEN.
Engelsche bladen hebben gemeld, dat de bezwaren, geopperd door Rusland en Zweden, een verhindering zijn voor het tot stand komen van een conferentie der mogendheden, om vooral op verzoek van Noorwegen, beslissingen te nemen in zake Spitsbergen, dat aan geen enkele mogendheid nog toebehoort en waarvoor een internationale regeling dringend wordt vereischt. Het schijnt echter, dat Zweden er bijzondere rechten meent te hebben, omdat zijn onderdanen op de eilandengroep talrijke exploratietochten hebben gedaan; maar daarentegen zou aan Noorwegen de opperhoogheid over den Spitsbergenarchipel wellicht eerder toekomen, omdat wat er aan industriëele ondernemingen, aan jacht, vischvangst en bergbouw wordt gedaan, grootendeels in handen is van Noren.
Bovendien werkt dezen zomer een groote wetenschappelijke expeditie op Spitsbergen, uitgaande van het jonge koninkrijk Noorwegen. Gunnar Isachsen, die indertijd deelnam aan de expeditie van Sverdrup naar Groenland met de Fram en die eveneens, deelnemer was aan de onderzoekingen van den vorst van Monaco in het Noordwesten van Spitsbergen in den winter van 1906 en 1907, is daarvan de leider. Men zal de zeekaarten van de eilandengroep trachten te verbeteren en aan topografisch en geologisch onderzoek van het binnenland beginnen.
De pleiziervaarten naar Spitsbergen van de Hamburg-Amerikalijn brengen er tegenwoordig veel bezoekers; maar zij blijven meestal kort.
Voor twaalf jaren werd een klein hôtel gebouwd met een dozijn vertrekjes, elk met twee boven elkaâr gelegen bedden. Het bezoek was echter te gering en het houten huis heeft van wind en weêr zooveel geleden, dat er eigenlijk slechts wat balken en planken van over zijn. Het logies aan boord, dat zooveel geriefelijker is, wordt algemeen verkozen.
Het binnenvaren in de IJsfjord is prachtig en het gezicht op de pyramidevormige sneeuwbergen vormt een grootsch panorama. Aan den wal wandelt men over gras en mos en de toeristen voegen meestal een nieuwe gedenkplaat bij de vele, die aan bezoeken van toeristenschepen herinneren met dag en datum der bezoeken en den naam van het schip.
FEEST IN DE STILLE ZUIDZEE.
Op het eiland Tahiti in den Grooten Oceaan houdt men van feestvieren, van het houden dier groote en langdurige feesten, die dagen en nachten aaneen duren in het wonderschoone kader van dit oceanische paradijs. Dit jaar zijn in de hoofdstad Papeete de feesten ter eere van den 14den Juli wel een week lang voortgezet. Er was daar een levendige en schilderachtige menigte bijeengekomen van inboorlingen uit de verste hoekjes van het eiland en zelfs van de naburige eilanden. Allen hadden zich uitgedost in hun beste gewaden en dat daarbij werkelijk veel pracht werd ten toon gespreid, bewezen dames van de Marquesaseilanden, die de zwierigheid van haar inlandsche costumes, getooid met fraaie vogelveêren en sieraden van edel metaal, hadden verhoogd door Parijsche toevoegselen in kant en lint en kleurige parasols.
De feestdag van het uitroepen der eerste republiek in Frankrijk had dit jaar een bijzondere beteekenis door de inwijding van een buste van een grooten Franschman, den zeevaarder Bougainville, die honderd-veertig jaren geleden op zijn reis om de wereld met het fregat »La Boudeuse» het eiland aandeed. Het Aardrijkskundig Genootschap te Parijs vatte het eerst het plan op, om op Tahiti een gedenkteeken op te richten ter herinnering aan den beroemden zeevaarder. Een lid van het Genootschap, de heer Salles, inspecteur der koloniën, had op een reis door de Fransche nederzettingen in de Stille Zuidzee met verrassing gezien, dat het engelsche Aardrijkskundig Genootschap een monument voor Cook had doen verrijzen, en zich te binnen brengend, dat vóór Cook Bougainville het eiland had aangedaan, bracht hij een comité tot stand, om op Tahiti den grooten zeevaarder te huldigen. De regeering verstrekte haren steun en aan den beeldhouwer Péchiné werd de vervaardiging van een borstbeeld opgedragen.
Zes dagen heeft men feest gevierd te Papeete, toen de buste werd onthuld, waarbij de Fransche regeering door twee oorlogsschepen was vertegenwoordigd. Ook de engelsche admiraliteit had uit beleefdheid twee kruisers gezonden naar de mooie haven van Papeete, waar zich buitendien verscheiden schepen bevonden van de handelsmarine der Vereenigde Staten.
Bij de plechtigheid der onthulling, waar naast den maire van Tahiti ook de afstammelingen van den laatsten koning Pomaré een eereplaats hadden ingenomen, hield de gouverneur van het eiland, de heer Joseph François, een rede, waarin hij op welsprekende wijze het leven van Bougainville schetste. Vervolgens begonnen de feestelijkheden, die veel locale kleur hadden en door bekoorlijke originaliteit uitmuntten. Er waren wedstrijden met kano's, door inlandsche kunst prachtig versierd; tahitiaansche dansen werden uitgevoerd; er was concours in het zingen van inlandsche liederen, wedrennen, bloemenfeesten, venetiaansche nachten met geïllumineerde inlandsche prauwen, die onder het stralende electrische licht van de oorlogsschepen allerlei bewegingen uitvoerden, en over al die vermaken zweefde de natuurlijke gratie van dit Zuidzee-volk, dat door de zachtheid van zijn zeden uitmunt.
In een groot gebouw en op een ruim plein werd een landbouwtentoonstelling gehouden, waar de grootste verscheidenheid van inlandsche producten uit de kolonie te zien was. Zoowel de bewoners van Papeete en het verdere eiland als de Nieuw-Zeelanders en de uit Amerika gekomen vreemdelingen toonden zich hoogelijk ingenomen met het feest.
WEER EEN TAALQUAESTIE OP EEN GRENSGEBIED.
Eenige weken geleden werd door de Italiaansche regeering in het uiterste Noordwesten van het rijk een circulaire verspreid, waarin de autoriteiten van de Val d'Aoste er opmerkzaam op werden gemaakt, dat ze voortaan de civiele acten, in het dal van Aosta opgemaakt, niet meer in het Fransch, maar in het Italiaansch hadden te stellen. Nu is Fransch daar de landstaal, al behoort de streek aan Italië. Ook werd door de regeering het verzoek gedaan, de administratieve registers aan een herziening te onderwerpen en overal de italiaansche uitdrukkingen en formules in de plaats te stellen van de fransche.
Uit Genève wordt nu geschreven, dat die beslissing van de regeering een zekere ontstemming heeft gewekt bij de vreedzame bevolking, die sinds onheugelijke tijden gewend is Fransch te schrijven en te spreken. Dat dal van Aosta is het noordwestelijke hoekje van Piémont, dat tot de provincie Turijn behoort en tusschen Wallis en Lombardije is gelegen, begrensd door het bergland van den Grand Paradis en de fransche departementen van Savoye.
De bevolking is nog geen honderdduizend zielen talrijk, en het lager onderwijs van de kinderen, dat verplicht is, wordt geregeld in het Fransch gegeven. Maar natuurlijk wordt de italiaansche taal door een groot aantal menschen gesproken en begrepen, vooral daar ze die noodig hebben voor hun zaken. Het feit zelf, dat de bevolking over het geheel in het minst niet vijandig staat tegenover het Italiaansch, verhoogt de verbazing van de inwoners en de verontwaardiging der plaatselijke pers, die in de daad der regeering een aanval ziet op de vrijheid van de dalbewoners, om hun moedertaal te spreken.
Van hoogerhand heeft men echter eenvoudig eenheid van taal wenschelijk geacht voor documenten, die soms veel zorg vereischen bij de vertaling en oorzaak kunnen worden van vergissingen en conflicten.
KRITIEK.
Op merkwaardige manier maakt een criticus soms een schrijver onmogelijk, namelijk door hem te prijzen en te citeeren.
VLIEGTOESTELLEN NIET LANGER DUUR.
De verbazend hooge prijzen van de eerste vliegtoestellen werkten uit den aard der zaak afschrikkend en waren een belemmering voor de verdere ontwikkeling dezer nieuwe menschelijke vinding. Maar dat zal niet zoo behoeven te blijven. Want de uiterst lichte motor, dien men bij vliegproeven meende noodig te hebben, blijkt ten slotte geen vereischte te zijn. Henri Meijer zegt het nog eens duidelijk in de Kampioen, dat nu door eenige treffende voorbeelden uit de praktijk gebleken is, dat men, om te kunnen vliegen met een toestel, zwaarder dan de lucht, geen uiterst lichten motor van gewaagde constructie noodig heeft, maar volstaan kan met een gewonen, deugdelijken automobielmotor, de vliegsport onder het bereik is gekomen van den eersten den besten constructeur, die de handigheid bezit, om een zweeftoestel in elkander te zetten en er een motor in te plaatsen.
En nu zal dan ook de tijd van de afschrikwekkend hooge prijzen der tegenwoordige vliegtoestellen wel heel spoedig achter ons liggen. Want nu er eenmaal gegevens bestaan met hoeveel paardekracht, met hoeveel meter draagvlak, met hoeveel omwentelingen van een schroef van bekend model en bepaalde afmetingen men positief met een totaalgewicht van zooveel kilogram in een bepaalde snelheid tegen een luchthelling omhoog kan zweven en precies zoolang als de benzinevoorraad en de weersgesteldheid het gedoogen, kan rondvliegen; nu eenmaal al deze gegevens bijna gemeengoed geworden zijn, is het voor een 'n beetje handig technicus absoluut niet moeilijk meer, zelf een vliegtoestel te vervaardigen, dat beslist moet kùnnen vliegen.
De vervaardiging van zoo'n eigengemaakt vliegtoestel zal slechts een bescheiden gedeelte vergen van den enormen prijs dien men bij aankoop van een vliegmachine te betalen heeft. Want buitengewoon »dure« dingen behooren niet meer tot den vasten inventaris van een vliegtoestel, nu men juist op tijd den onzinnig duren, specialen vliegmotor heeft uitgeschakeld.
De kostbaarste stukken zijn nog slechts de motor en de schroef. De rest is zeildoek of ballonstof, en een geraamte van hout en staaldraad, rijwielbuis of aluminiumribben.