Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 3
Het algemeen programma voor de reizen, in 1909 te ondernemen door het Reisbureau van de Hamburg-Amerikalijn, waarin, naar men weet, Carl Stangen's Reisbureau zich heeft opgelost, is weer verschenen. Behalve de gewone reizen, die met geringe veranderingen elk jaar terugkeeren, als die naar het Oosten, Italië, Bosnië en Dalmatië, Algiers en Tunis, Spanje, Portugal en de Pyreneeën, naar Frankrijk, Engeland, Schotland, IJsland, naar Scandinavië, Zwitserland, Tirol en het Salzkammergut, naar Noord-Amerika, Oost-Afrika en rondom de wereld, bevat het ook een paar nieuwigheden, namelijk een reis naar Voor-Indië en Ceylon van Januari tot Maart en een winterreis naar Noorwegen voor een bezoek aan de noorsche sportfeesten in Christiania en Lillehammer van 15 Februari tot 11 Maart. Ook staan er vier gezelschapsreizen naar Rusland op, waarvan de laatste in den winter plaats heeft. De bedoelde sportfeesten trekken jaar op jaar meer vreemdelingen, en hoe dikwijls het reisbureau ook voorgaat, hier volgt het een reeds bestaande strooming. In de noorsche hoofdstad hebben de feesten plaats van 23 Februari tot 2 Maart en in het veel noordelijker gelegen Lillehammer van 4 tot 8 Maart. Er worden dan hardrijderijen op schaatsen gehouden, verder skirennen, ook wedstrijden op ski, waarbij de loopers zich door paarden laten trekken, en springen op ski over groote afstanden.
OP DEN UITKIJK.
UIT BOSNIË EN ZIJN HOOFDSTAD.
Bij vroeger vergeleken, is Bosnië in de laatste tientallen jaren verbazend vooruitgegaan. Gebrek aan wegen en aan spoorwegen sloten het land als van de overige wereld af. Over de bergen leidden rijpaden, waar ook de voetganger van gebruik kon maken, maar die voor de opkomst van handel en verkeer niets beteekenden. Vandaar dat met den wegenaanleg en later met de spoorwegen de vooruitgang treffend aan den dag treedt, en dat de hoofdstad, Serajewo, haast onherkenbaar is voor diengene, die haar bij voorbeeld in een kwarteeuw niet heeft bezocht.
De turksche huizen, die de overgroote meerderheid vormden en waartusschen de minarets der talrijke moskeeën hun hoofden opstaken, zijn langzamerhand door europeesche huizen vervangen. Het in moorschen stijl opgetrokken raadhuis is een nieuwe schepping evenals de mooie servische kerk met den hoogen toren onder een koepelvormig dak en de roomsch-katholieke dom met zijn twee spitse torens.
Tusschen Mostar, Herzegowina's hoofdstad, en Serajewo vertrekt dagelijks slechts één trein in beide richtingen, dus is het verkeer niet groot. Maar de route is eenig mooi. Zoodra men de minarets en torens van Mostar uit het oog heeft verloren, vernauwt zich het dal der Narenta, en overal doen de watervallen en de heerlijke berggezichten aan Zwitserland denken. De straatweg en de spoorweg gaan naast elkaar voort, zoodat de treinreizigers hun oogen te gast kunnen laten gaan bij het zien van de schilderachtige kleederdrachten van de bewoners van dat land met zijn bonte bevolking.
Noordelijker, naar Serajewo toe, wordt het land vruchtbaarder, vertoont bouwlanden en groene weiden, en rondom de hoofdstad op haar vlakte, geheel door prachtig begroeide bergen omgeven, is de natuur heerlijk mooi. Daarbij is het klimaat door de betrekkelijk hooge ligging aller aangenaamst. Vruchten en groenten zijn er overvloedig, en in de turksche bazar trekken de fruitwinkels niet het minst de aandacht, al verzuimt niemand een bewonderenden blik te slaan op het fijne koper- en filigraanwerk en op de stoffen, met gouden zilverdraad doorweven. Midden in den doolhof van straten en stegen, door den bazar gevormd, verrijst de Husrev-Begmoskee, een kleurig gebouw met een oude linde ervoor, waaronder een groote fontein voor de ritueele wasschingen.
Het kleine ondiepe riviertje, dat door Serajewo stroomt, de Miljacka, heeft aan zijn oevers de echte ouderwetsche huizen, zoo eigenaardig gebouwd met het ver vooruitspringende dak, dat uit lange, smalle, houten dakpannen gemaakt schijnt. De eerste verdieping is aan de straatzijde voorzien van veel meest getraliede vensters, die een eind vooruitsteken. Kleurig zien die huizen eruit, soms geel of helderblauw geverfd. Naast de gesluierde turksche vrouwen trekken ook de servische de aandacht van den vreemdeling. Zoolang ze ongetrouwd zijn, dragen ze wijde pofbroeken, die om de enkels sluiten. Het haar dragen ze in twee vlechten op den rug en een kleine fez bedekt het achterhoofd. De getrouwde vrouwen dragen ook de kleine fez, maar hebben de donkere vlechten eromheen gelegd, terwijl ze de pofbroek hebben verwisseld voor een gewonen rok.
Langs diezelfde Miljacka met de ouderwetsche huizen loopt intusschen aan den anderen oever op de naar den oostenrijkschen gouverneur Appel genoemde Appelkade een electrische tram. Zoo treft in Bosnië steeds die wonderlijke vermenging van het oude en het nieuwe, van het oostersche en het westersche.
Wat de vreemdelingen nooit vergeten, is het koopen van een turksch hoofddeksel, een fez, in een of ander van de vele turksche winkeltjes. Het fatsoeneeren gebeurt ter plaatse. Men ziet het persen vóór zijn oogen gebeuren, want op een massieven ijzeren vorm, die het model heeft van een fez, wordt het hoofddeksel geplaatst, en dan wordt er een verwarmde ijzeren fez over heen geschoven. De turksche winkelier drukt erop uit al zijn macht en de fez komt keurig gevormd te voorschijn. Na die behandeling wordt er vliegensvlug een kwast aan bevestigd, en het hoofddeksel is kant en klaar.
VAN DE ROTTERDAMSCHE LLOYD EN HAAR NIEUWSTE STOOMSCHIP.
De »Tabanan«, het nieuwste stoomschip van de Rotterdamsche Lloyd, viert den 19den Maart 1909 haar eersten verjaardag, want op dien datum van 1908 had Z. K. H. Hendrik, Prins der Nederlanden, het genoegen, dat mailschip te water te laten op de werven van de Koninklijke Maatschappij »De Schelde«.
Op den 12den September aanvaardde het van Rotterdam uit zijn eerste reis naar Batavia, ving op 12 November de terugreis in de haven van Tandjong Priok aan en is nu gereed, om den 2den Januari 1909 opnieuw de reis naar het Oosten te ondernemen. Van het schip in aanbouw, van den aanblik vóór het te water laten, van dat beslissende oogenblik zelf en van de doopplechtigheid kan men mooie foto's vinden in het werkje, dat de Maatschappij heeft uitgegeven ter zake van haar 25-jarig bestaan, dat ze in Juni van dit jaar mocht vieren.
Het mailschip overtreft alweer zijn voorgangers in doelmatigheid en geriefelijkheid en tevens in grootte. Het is lang 414 voet, breed 49 voet en diep of hol, zooals de opgaaf luidt, 30 voet. De machines kunnen 4300 P.K. ontwikkelen en geven het schip een snelheid van 14 mijlen in het uur. Er zijn vier ketels met 18 vuren. De eerste klasse bevindt zich midscheeps en bestaat uit zeer ruime, één- en twee persoonshutten met te zamen 80 bedden, terwijl op het promenadedek, ter lengte van 60 meter, zich nog zes hutten bevinden.
De eetsalon is op het brugdek, de rook- en muzieksalon zijn op het promenadedek. De muzieksalon, in rotondevorm gebouwd met balustrade, maakt het mogelijk, dat men van daar den geheelen eetsalon overziet. Door dezelfde lantaarn ontvangen beide zalen licht en lucht.
De tweede klasse in de campagne biedt ruimte voor 50 couchettes, verdeeld over ruime één-, twee- en driepersoonshutten, en heeft buitendien nog eenige tweepersoonshutten op het promenadedek, waar zich ook de rooksalon bevindt.
De vloot van de Rotterdamsche Lloyd bestaat thans uit negen mailbooten en negen vrachtbooten, alle mailbooten werden gebouwd door de maatschappij »De Schelde«, te Vlissingen, en de nieuwste vrachtbooten door de firma Bonn en Mees, te Rotterdam, nadat eerst de vrachtbooten in Engeland en Duitschland vervaardigd werden. De grootste uitbreiding en vernieuwing der vloot dateert pas van 1900, toen men met de »Sindoro« schepen begon te bouwen van veel grooter afmetingen, waarin de geheele eerste klasse midscheeps werd geplaatst, terwijl de tweede door verplaatsing van het voor- naar het achterschip in geriefelijkheid erop vooruitging. Zes nieuwe mailbooten zijn er sinds 1900 bij gekomen.
Er is in de afgeloopen kwarteeuw al vrijwat veranderd en verbeterd in ons verkeer met de koloniën. Vooral door de loyale samenwerking van onze beide groote maatschappijen, de Rotterdamsche Lloyd en de Maatschappij Nederland, gevestigd te Amsterdam, hebben we nu dat practische en geschikte wekelijksche vertrek van een mailboot naar de Oost. De overeenkomst tusschen de beide instellingen kwam tot stand in 1885, en daarop volgde in 1892 het mailcontract met de regeering, waardoor de wekelijksche dienst vastgelegd werd.
Bij de oprichting der maatschappij, die pas haar zilveren feest vierde, was ze al in het bezit van zeven schepen voor de Javavaart, waaronder verscheiden engelsche booten. De firma Willem Ruys en Zonen, aan wie de directie werd opgedragen, dirigeerde al van 1877 af de Stoomvaartmaatschappij Rotterdam, die in de nieuwe vennootschap werd omgezet, en te voren was de naam Ruys verbonden geweest met onze vaart op Indië, ook reeds met de zeilvaart, want reeds in 1844 had de heer Wm. Ruys I. D. Zn. zeventien schepen onder zijn beheer. Het eerste stoomschip der firma, de Ariadne, deed haar eerste indische reis in dienst der regeering, aan wie het verhuurd was, om deel te nemen aan de Atjeh-expeditie in 1873.
In die dagen was de Waterweg nog lang niet, wat hij nu is, maar hij kan nog altijd worden verbeterd, en van elke verbetering profiteert de maatschappij, die omdat ze het geregelde verkeer met ons Indië voor de helft vertegenwoordigt, een levensbelang van Nederland dient, zoodat het niet anders dan loffelijk kan heeten, haar den weg te effenen.
DIAMANTEN BIJ LÜDERITZBUCHT.
Over de stemming in de kolonie Duitsch Zuidwest-Afrika naar aanleiding van de in de buurt van Lüderitzbucht gevonden diamanten schrijft een kolonist, die er al lange jaren verblijf houdt, de heer F. Geszert aan de duitsche Kolonialzeitung: »In Lüderitzbucht heerscht thans een echte diamantkoorts, nu ook voor de ongeloovigsten het voorkomen van deze edelgesteenten ten duidelijkste is bewezen. Er zijn al zooveel verwachtingen, gebouwd op mijnen, die exploiteerbaar heetten, teleurgesteld, en er is al zooveel bedrog gepleegd, waar onkundigen zijn ingeloopen, dat het aanvankelijk scepticisme volkomen begrijpelijk is, te meer daar de diamanten hier op andere wijze voorkomen dan elders in Zuid-Afrika.
Terwijl bij Kimberley en bij Pretoria de diamanten in den blauwen grond, dus het vulkanische gesteente, worden aangetroffen, en terwijl aan de Vaalrivier het alluvium diamanthoudend is, vindt men hier de waardevolle steenen in het verweeringspuin, dat zich over groote vlakten uitbreidt in de dalen tusschen de granietbergen, waar het van afkomstig is.
Wij leven hier in een bijzonder droog klimaat. Het regenwater doet hier de bergen niet afslijten, naar dat doet de bijna steeds waaiende wind, die, zand en kiezel loswoelend, in den loop van tallooze eeuwen uit het rotsgesteente allerlei vormen heeft geblazen, daar het zachtere en in lagen aanwezige gesteente werd weggevoerd. In de dalen hoopt zich het verweeringspuin aan de lijzijde der bergen op, zoodat daar de meeste diamanten worden gevonden.
De prospectors hebben zich door de natuur laten leeren en blazen allereerst door een soort van blaasbalg, niet ongelijk aan een machine, om het graan te reinigen, het zand uit het kiezel. Dat laatste komt dan in een handzeef en door een eigenaardig schudden komen de diamanten onder op het midden van de zeef te liggen. Die wordt dan omgestulpt, en de even zware granaten wijzen door hun donkere kleur aan, waar men ook de diamanten heeft te zoeken. Ik heb vaak gezien, dat bij elke vulling van de handzeef één of meer diamanten met het pincet te voorschijn werden gebracht. Daar vele kilometers in het rond de bodem edele steenen bevat, kan men zich een voorstelling van den aanwezigen rijkdom maken.
Een zeer gelukkige omstandigheid is, dat deze als waterloos bekende woestijnstrook rijk is aan grondwater. In de dalen stoot men reeds op een diepte van drie of vier meters op water, dat voor het wasschen van het zand uitstekend geschikt is, al is het brak en ziltig. Maar het is niet onmogelijk, dat men weldra zoet water boort, want hier te lande is het regel, dat er brak water boven het zoete wordt aangetroffen. Door watergebrek wordt de ontginning dus niet belemmerd. In Kimberley zelf moet immers het water ook 15 engelsche mijlen ver en 500 voet hoog worden opgepompt.
Er stroomen reeds menschen uit aller heeren landen hier naar Lüderitzbucht, en men is ijverig in de weer, om de beste ontginningsmethode te zoeken, zoo mogelijk eene, die elders reeds doeltreffend is gebleken. Om diefstal te voorkomen, zal waarschijnlijk ieder koop van een diamant van een inboorling als heling worden beschouwd. De acties van een paar reeds opgerichte syndicaten zijn in de laatste dagen verbazend omhooggegaan."
KAPERS OP DE KUST VAN LIBERIA.
De onafhankelijke negerrepubliek Liberia schijnt meer en meer iets begeerlijks te worden voor de europeesche kolonizeerende mogendheden. In de Deutsche Kolonialzeitung van 7 November wordt er met een zeker leedwezen de aandacht op gevestigd, dat Frankrijk en Engeland zich wel wat veel met het landje beginnen te bemoeien, terwijl toch Duitschland er feitelijk het meest moest te zeggen hebben, omdat het nog het meeste belangen daarginds heeft.
Dan wordt verteld, dat van de schepen, die de hoofdstad Monrovia aandoen, in de laatste jaren de duitsche in aantal en tonneninhoud twee derden vormen. In het jaar 1907 waren het 249 van de 385 tegen 111 engelsche, 13 fransche en 12 spaansche. Van de in het landje bestaande 19 europeesche firma's zijn 16 duitsch, twee engelsch en een hollandsch, en wat aan palmolie, copra, caoutchouc, koffie, hout en ivoor wordt uitgevoerd, kan men meestal terugvinden in de boeken van de hamburgsche firma's, die er haar kantoren hebben en waarvan de oudste is de firma C. Woermann, die er sedert 1852 is gevestigd.
Duitschland heeft niet als Engeland en Frankrijk getracht, de negerrepubliek door zoogenaamde grensverbeteringen lastig te vallen, zooals in 1885 en 1887 Engeland heeft gedaan en in 1892 en 1894 Frankrijk, terwijl dat laatste land er ook weer dit jaar een grenscommissie, (waarin twee Nederlanders, de luitenants Moret en l'Honoré Naber) aan het werk heeft.
Thans vreest men in Duitschland, dat de beide westeuropeesche mogendheden het voorzien hebben op Liberia's onafhankelijkheid. De Engelschen toch hebben op grond van nieuwere en oudere financiëele aanspraken de tolregeling in Liberia in handen genomen. Zij hebben buitendien een engelschen politietroep ingericht, die wat aantal en bewapening betreft, het zoogenaamde liberiaansche legertje verre overtreft en waarvoor zelfs aan het strand van Monrovia barakken worden opgeslagen op kosten der regeering van Liberia. Die politie is voor het eerst opgetreden als een door de kolonie Sierra Leone en Liberia in het leven geroepen en onderhouden grenspolitie; maar haar bevoegdheid werd uitgebreid ook tot de hoofdstad Monrovia.
Frankrijk heet het dan verder heeft heelemaal geen handel in Liberia; een fransch bankfiliaal, dat ze er voor eenige jaren stichtten, moest spoedig bij gebrek aan omzet sluiten. En toch weet Frankrijk voordeelen te bedingen van de liberiaansche regeering en eischt de aanstelling van fransche ambtenaren. Dat gaat niet aan, beweert men van duitschen kant, en de consul, dien Duitschland sinds vijf jaren in Monrovia heeft, mocht er het ministerie van buitenlandsche zaken wel eens op wijzen, te meer daar Duitschland of liever de duitsch-zuidamerikaansche kabelmaatschappij van de liberiaansche regeering het recht heeft verkregen, met een kabel te landen in de hoofdstad. Duitschland krijgt daardoor voor de eerste maal op afrikaanschen grond een kabelaanlegplaats en moet in het belang van een telegrafische gemeenschap met Togo, Kameroen en Zuidwest-Afrika de zekerheid hebben, dat geen met dat land rivaliseerende mogendheid in staat is die verbinding af te snijden of te verstoren op een plaats, waar Duitschland in economisch opzicht den voorrang toekomt. Het heeft in het laatste jaar van Liberia voor 1.6 millioen mark aan goederen betrokken en voor bijna evenveel daarheen uitgevoerd. Dus mag Duitschland niet toelaten, dat andere staten in zulk een vrij land, dat onder geen andere heerschappij staat, optreden, als waren ze heeren en meesters.
EEN MOOIE REIS DOOR INDIË.
Het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap heeft aan den secretaris van de Redactie-commissie voor het Tijdschrift, den heer G. P. Rouffaer, de vereerende opdracht gegeven, een tweejarige reis te ondernemen, waarvan het totaal der reiskosten op 11000 gulden wordt geschat, maar die dan ook twee jaren zal duren. Het Genootschap is bereid, 5000 gulden van de reissom voor haar rekening te nemen, als de regeering voor het overige zorgt. En aan dien wensch van het Genootschap schijnt te zullen worden voldaan, want bij de derde nota van wijzigingen op de begrooting van Nederl. Indië voor 1909 heeft de minister van koloniën 3000 gulden uitgetrokken ten behoeve eener ethnologische reis van den heer Rouffaer. De overige 3000 zullen op de volgende begrooting verschijnen.
Het zal dus een ethnologische reis zijn en zij zal vooral de buitenbezittingen betreffen. Zij zal aanvangen met Sumatra, dat verschillende keeren van de eene naar de andere kust doorkruist zal worden; dan overgaan op Celebes, de Molukken, enkele punten van Nieuw-Guinea, den Timorarchipel, de kleine Soenda-eilanden, om met het bezoeken van enkele gedeelten op Borneo de reis door onze Nederlandsche bezittingen te sluiten. Dan staan echter nog op het programma Britsch-Borneo, de Philippijnen, en de Straits Settlements; evenals te voren in den Timorarchipel Portugeesch Timor niet vergeten zal worden.
Het lijkt een grootsch plan, dat wel even de vrees wekt, of hier niet het qui trop embrasse, mal étreint, zal blijken waar te zijn. Maar de ontwerpers zullen dien kant der zaak ook wel hebben overwogen, en men mag aannemen, dat ze na grondig overdenken heil zien in dit grootsche plan.
Behalve secretaris van de redactie van het Tijdschrift Aardr. Gen. is de heer Rouffaer ook adjunct-secretaris van het Koninklijk Instituut voor taal-, land- en volkenkunde van Ned. Indië en bibliothecaris der Indische Bibliotheek.
OP DEN UITKIJK.
OOST AZIATISCHE KUNST.
Dezer dagen werd uit Berlijn aan de Nieuwe Rotterdamsche Courant geschreven over de beteekenis van de kleinere musea voor volkenkunde en over de bezwaren, verbonden aan de groote verzamelingen, die uit den aard der zaak zich steeds uitbreiden, en waar gebrek aan ruimte bijna altijd storend en belemmerend werkt. Het geschiedde naar aanleiding van het Berlijnsche Museum voor Volkenkunde, dat onder den last van de uitgebreidheid zijner collecties sterk gebukt gaat, en waarvoor op dit oogenblik nog zes wetenschappelijke reizigers in verre landen bezig zijn aan het bijeenbrengen van wat tehuis behoort in dat centrum van de wetenschap der ethnologie.
Een van de reizigers voor het Museum, de heer Adolf Fischer, verhaalt in de Gartenlaube over zijn vondsten in Oost-Azië, vondsten van antieke kunst. Het grootste en innigste, dat de kunst in Oost-Azië heeft voortgebracht, wortelt in den godsdienst, en dus waren het vooral de kostbaarheden, die met den godsdienst verband hielden, waar hij zijn aandacht aan had te wijden. Zijn expedities werkten in China, Japan en Korea, waar de tochten soms onder allerlei gevaren moesten worden volbracht, want in de drie jaren van de reizen (1905 tot 1908) was de oorlogsfakkel nu en dan er ontstoken bij krijg of oproer.
De kunstschatten moesten dikwijls op afgelegen paden worden opgezocht, vooral in China, dat bij den verwoestenden Taipingopstand schatten van de grootste waarde heeft zien verloren gaan. Veel provincies werden verwoest, en de overblijfselen der oude cultuur vielen daarbij als offers. Als Fischer door verlaten steden en kale landstreken trok, moest hij denken aan den toestand van Duitschland, zooals ons die na den dertigjarigen oorlog wordt geschilderd. Het kostbaarste, dat in de toekomst aan kunstschatten uit China is te verwachten, ligt in den grond verborgen, waar de stormen, die het land hebben geteisterd, het niet konden bereiken. Maar voorloopig is daar moeilijk aankomen aan, want wie het waagt, de rustplaatsen der dooden te verstoren, haalt zich tegenwoordig nog een doodvonnis op den hals.
In Korea is het haast net zoo gesteld; ijverzuchtig waken de Japanners, de nieuwe heeren van het land, ertegen, dat kunstschatten uit de vroegste perioden van Korea niet aan vreemdelingen in handen vallen, maar naar Japan verhuizen. Trouwens er is niet veel meer, want in vroeger eeuwen heeft het land veel geleden onder oorlogsgeweld en het verarmde Korea deed reeds daarom alleen geen rijken oogst verwachten.
In Japan staan de zaken anders; daar vindt men musea, keizerlijke verzamelingen, oneindig rijke kloosters, een historischen adel, die de schatten van voorvaderlijke tijden trouw behoedt, en een in de laatste jaren tot macht en aanzien gekomen plutocratie, die door haar geld, juist als in Europa, de kunst steunt en tot zich trekt. Ofschoon dus Japan het land is, waar verreweg de meeste kunstwerken uit vroegere tijden zijn opgestapeld, is het uiterst moeilijk, er iets werkelijk goeds te krijgen. Het gevaar, bedrogen te worden, is voor wie niet grondig ingewijd is en degelijke kennis van zaken heeft, buitengewoon groot. Japan is het land van vervalschers. Op alle kunstterreinen worden de geraffineerdste nabootsingen met verbazingwekkende handigheid uitgevoerd, en de Europeaan, die zonder degelijke voorbereiding komt, laat zich waardelooze dingen in de handen stoppen.
Het wordt intusschen den vreemdeling in den laatsten tijd gemakkelijker, ingelicht te worden, als hij de middelen daartoe niet verwaarloost. Zooals alles in Japan in de laatste vijftien jaren enorm is vooruitgegaan, zoo is het Museumwezen ook zeer veel verbeterd. Men heeft nu niet meer alleen het Ujenomuseum in Tokio, maar ook in Kioto en Nara zijn verzamelingen, waar de heerlijkste stukken van oud japansche cultuur te zien zijn, en door een herhaald bezoek aan die musea kan de Europeaan zeer veel leeren, vooral omdat de kunstvoorwerpen steeds voorzien zijn van uitvoerige bijschriften in het Engelsch.
Bezoeken ook aan de klassieke schatten, in de kloosters bewaard, aan tentoonstellingen van kunstvrienden, aanbevelingen aan bezitters van belangrijke verzamelingen kunnen van nut zijn, en ten overvloede geven geïllustreerde prachtwerken met engelschen tekst den belangstellende al, wat hij noodig heeft te weten, om echt en onecht te onderscheiden.
Uit de vroegste tijden van het Boeddhisme heeft de heer Fischer voor zijn Museum een en ander kunnen veroveren van groote waarde, beelden en schilderijen en fresco's. Zoo is er een beeld van Jizo, den beschermer der bedrukten uit de dertiende eeuw na Chr., dat in kleur en in het kenschetsend goudreliëf van den rand van het kleed herinnert aan Italiaansche meesters uit denzelfden tijd.
Uit de zevende eeuw na Chr. heeft de verzamelaar een beeld van den god Enno Gyoya meegebracht, wien de vermoeide pelgrims hun strooien sandalen offeren, en uit dienzelfden tijd is de demon Myodoki afkomstig. Van groote historische waarde is de meer dan vier voet hooge bronzen Kwannonfiguur, de door Borel zoo dichterlijk verheerlijkte godin der barmhartigheid.
Een meesterwerk van oud japansche beeldhouwkunst is de door den beroemden beeldhouwer Joche gemaakte en uit den bloeitijd van 1017 tot 1036 afkomstige Jizo, den beschermer der bedrukten, wiens beeld men op alle japansche kerkhoven en in de boeddhistische tempels vindt. De val der plooien van het gewaad is klassiek mooi, en het voetstuk in den vorm eener lotosbloem is zeer harmonieus van lijn.