Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 29

Chapter 293,776 wordsPublic domain

Sinds 1902 is de toerist er vrij van, zelf voor koken en ander huishoudelijk werk te zorgen, want het drukke bezoek heeft de aanstelling van een verzorger mogelijk gemaakt. Het hoogste onderscheid tusschen de hut en den top bedraagt nog geen 300 meter. De top is hoefijzervormig als de heele Sella, waarin als in de geheele Dolomietengroep de geologen groote koraalriffen willen zien uit een vroegere periode van het bestaan der wereld. De hoogste verheffing ligt niet aan de schilderachtige westzijde, de Cresta Strenta, maar aan den zuidoostkant, en is gemakkelijk te bereiken. Zelfs als de stijging nog door sneeuw is bedekt, doen zich geen moeilijkheden voor. Nergens behoeft men de handen bij het klimmen te hulp te roepen, en weldra is het beschermende dak zichtbaar, dat het hoogste punt aanduidt.

Van hieruit doet zich een panorama voor, dat haast de geheele bergwereld van Tirol omvat. De meest nabijzijnde groepen zijn de Marmolata, de Fassolanergroep, de Enneberger, Grödener en Ampezzaner Dolomieten. En zonder vreemde hulp heeft men een hoogte van 3000 meter bereikt, wat ook geen geringe voldoening is!

CAOUTCHOUCCRISIS IN FRANSCH WEST-AFRIKA.

Als in zooveel streken van Afrika is ook voor Fransch West-Afrika de caoutchouc een der voornaamste producten. Er wordt nog niet langer dan twintig jaar daar caoutchouc gewonnen, en reeds is een derde van de uitvoercijfers op rekening te stellen van dat product. Maar sedert 1907 is er vermindering in den uitvoer te bespeuren. Zou het mogelijk wezen, dat er reeds een eind moest komen aan de winning van caoutchouc? Die vraag heeft ook de regeering zich gesteld en nevens andere onderzoekingen heeft ze aan de expeditie Chevalier, die dit voorjaar de woudstreken van West-Afrika onderzocht en nog ter plaatse is, opgedragen te onderzoeken, aan welke oorzaken de crisis moet worden toegeschreven. De jonge geleerde heeft nu een eerste rapport omtrent de quaestie ingediend en de "Temps" geeft er in een brief uit Dakar een résumé van.

Zeer algemeen verspreid is de meening, dat de negers caoutchoucplanten op ruwe wijze exploiteeren en dat de opbrengst daardoor vermindert, en men neemt dan aan, dat de wilde caoutchouc onfeilbaar moet verdwijnen, om later te worden vervangen door de gekweekte planten. Het is mogelijk, zegt de briefschrijver, dat dit juist is voor de landen, waar de caoutchoucplanten boomen zijn, omdat het lang duurt, eer een boom zich heeft hersteld van te ruw aftappen, maar het geldt niet voor Soedan, waar de caoutchouc geleverd wordt door planten, die slingerplanten zijn, of struiken. De negers hebben twee manieren om er de stof uit op te zamelen; in het woud kappen ze de lianen en in het struikgewas maken ze insnijdingen in de stammen. Geen dezer handelwijzen vernietigt de planten. Uit de wortels van de afgehouwen lianen komen spoedig weer loten, die zelf al gauw exploiteerbaar zijn en de ingesneden struiken laten ook steeds weer gauw nieuwe takken opschieten. Nergens in de ontginningsgebieden, die hij bezocht, heeft de heer Chevalier opgemerkt, dat de caoutchoucplanten neiging zouden hebben te verdwijnen ten gevolge van de bewerking door de negers. Het is een dwaling, dat te denken.

Toch hoe geruststellend het moge klinken, blijft het feit bestaan, dat er tegenwoordig een toenemende vermindering valt te constateeren van de lianen, die caoutchouc leveren, maar door een oorzaak, die geheel vreemd is aan de wijze van inzameling, namelijk door de toeneming der boschbranden.

Het zijn eigenlijk de branden, die de inboorlingen aansteken na hun oogst, om het onkruid te vernietigen. Die manier van doen is niet zoo erg te veroordeelen. In Europa ploegt men veel onkruiden onder en gebruikt die en ook andere planten als groene mest; in Afrika, waar men niet zoo goed is ingespannen met landbouwgereedschappen, kan men zulk een mest alleen gebruiken in den vorm van asch. Bovendien vernietigen die groote branden veel kruipend gedierte en veel insecten, die in de afrikaansche zon maar al te goed gedijen. Maar als men het te veel doet, ontstaan er nadeelen.

Voordat de Franschen het land hadden bezet, hoopte de bevolking zich op over kleine uitgestrektheden, om zich gemakkelijker te kunnen verdedigen. Thans is de veiligheid algemeen, en bij gevolg verspreidt de bevolking zich overal en brengt ook overal heen de gewoonte van de branden. Geen boom of struik biedt weerstand aan die elk jaar herhaalde vuren, zoodat als men het laat begaan, men gerust kan voorspellen, dat er in West-Soedan geen boom en geen liaan zal overblijven.

Bij die hoofdoorzaak kwam voor 1907 zich de daling der prijzen voegen, die toevallig was, maar zoo hevig, dat plotseling het kilo meer dan een derde in waarde achteruitging. De negers, die niets weten van de wet van vraag en aanbod, hebben gedacht aan een list van de europeesche handelaars; ze zijn boos geworden en weigerden te leveren; ze staakten. Ook moet men wel bedenken, dat naarmate welvaart en ontwikkeling onder de negers worden verspreid, de ijver voor het inzamelen er wel wat afgaat. Uit je dorp gaan en in het woud de ontberingen van de inzamelaars deelen, te zoeken naar de caoutchoucplanten bij slechte voeding laat zich doen, als er een goede winst tegenover staat, maar als de winst vermindert, gaan ze naar andere bestaansmiddelen zoeken.

De regeering is vrijwel machteloos tegen de schommelingen in de prijzen. De heer Chevalier meent echter, dat er wel iets te doen ware tegen de boschbranden en dat men de caoutchoucleverende planten zou kunnen beschermen. Er moeten woudcomplexen volgens hem worden gereserveerd, zoodat het land verdeeld werd in twee soorten van gebieden; complexen van bouwland, die kaal zijn en waar de branden geoorloofd zouden wezen, en met bosch bezette terreinen, waar branden volstrekt verboden zouden zijn. Die gereserveerde terreinen zouden onder de bescherming moeten worden gesteld van de rivierdorpen tegen enkele voordeelen, zooals bij voorbeeld het recht, er caoutchouc in te zamelen en andere boschproducten. Later als de kolonie het kon lijden, zou men een afzonderlijken dienst van het boschwezen kunnen instellen.

Wat in dit plan vooral aantrekt, is, dat het zonder veel kosten zou zijn uit te voeren. En de zaak is noodig, vooral omdat de heer Chevalier meedeelt, dat alle pogingen, om in West-Afrika caoutchouc aan te planten, tot nu toe schipbreuk hebben geleden. Men zal zich nog lang met de wilde planten moeten behelpen. Er is een tijd van opgewektheid geweest, waarin men bijna bij ieder dorpshoofd erop aandrong, caoutchouc te laten planten bij de woningen, en op veel plaatsen is daar gevolg aan gegeven. Maar daarvan is op het oogenblik letterlijk niets meer over.

Het is een illusie gebleken, dat de lianen, als ze eenmaal geworteld waren, zich verder wel zelf zouden redden. Ze zijn overal door het onkruid verstikt. Alleen enkele aanplantingen van Europeanen, die goed werden onderhouden en verzorgd, hebben het uitgehouden, en de resultaten, daar verkregen, zijn niet ontmoedigend. Men kan in den tuin van Cancayenne bij Konakry lianen zien, die twaalf jaren oud zijn, maar die leveren toch nog maar een zeer kleine hoeveelheid caoutchouc.

De heer Chevalier komt ten slotte er toe, op te merken, dat de Landolphia's, die de meeste wilde caoutchouc in Soedan leveren, niet voor de cultuur zijn aan te bevelen. De Hevea's, die moet men hebben, maar of men ze daar zal kunnen inburgeren en werkelijk acclimatiseeren, blijft voor den schrijver twijfelachtig, zoodat hij in ieder geval bescherming pleit voor de natuurlijke, wilde caoutchoucleverende planten door een beperking der boschbranden.

VAN HAÏTI.

De haïtiaansche regeeringsingenieur Gentil Tippenhauer geeft in Petermann's Mittheilungen een bijdrage tot de kennis van Haïti. Hij heeft er herhaaldelijk gereisd, het laatst in 1908. De streek ten noordoosten van Port au Prince tot in het tot nu toe zoo goed als onbekende middelgedeelte van het eiland aan de grens van San Domingo was het doel van zijn reizen. Uit de topographisch-geologische kaart, die de ingenieur geeft, blijkt, hoe gebrekkig de tegenwoordige kaarten van Haïti zijn.

Voor eenige jaren bereisde een negerattaché uit Washington de republiek, om voor de amerikaansche regeering een kaart op te nemen. Maar daar hij, om bij de bevolking geen ergernis te wekken, zonder theodoliet, barometer, meetband en kompas reisde, kwam er niets bruikbaars voor den dag. Tegenwoordig werkt een amerikaansche opmetingsstoomboot aan een opneming van de kusten.

In September 1898 ontdekte Tippenhauer op de savanne Madame Michel, ongeveer 25 kilometer van de hoofdstad, een ouden vulkaan, die het eerste onmiskenbare bewijs leverde, dat op de Groote Antillen nog tot in den jongsten tijd vulkanische werkzaamheid viel te constateeren. De laatste reis van 1908 deed de onderzoeker in gezelschap van veel Noord-Amerikanen, die de savannen van het binnenland van Haïti wilden bekijken uit het oogpunt van hun geschiktheid voor veeteelt. Naar hun oordeel is het eiland uitnemend voor dat bedrijf geschikt, vooral voor de teelt van schapen, muilezels, paarden en rundvee. Het land is nog weinig bevolkt, en enkel een paar alluviale dalen verbouwen suikerriet en zijn dicht bevolkt, terwijl de negers daar vlijtig werken.

Er is in het land wel een intellectueele en maatschappelijke vooruitgang te merken, maar het gaat zoo langzaam, dat men niet in den pas kan blijven met de naburige landen, die snel vooruitgaan, zoodat het experiment met de negerrepubliek een mislukking dreigt te worden, tenzij er een groot burger mocht opstaan, die als een Porfirio Diaz in Mexico het land zou kunnen opheffen en tot welvaart brengen.

NIEUWE AANLEGPLAATS VOOR TRANSATLANTISCHE BOOTEN.

Voor de lading van reizigers en post zal in het begin van September de Cunardlijn haar booten uit New York Fishguard laten aandoen op de zuidwestelijke kust van Wales. De booten zijn dan op weg naar Liverpool. Voor de engelsche spoorwegmaatschappij, de Great Western, is het weer een overwinning, nu ze haar nieuwen weg over Fishguard naar Ierland had aangelegd.

Deze plaats in Wales is zelfs nog dichter bij New York en dus begeerder in den snelheidswedstrijd dan Holyhead, waar de White Starlijn passagiers en post ontscheept op de uit- zoowel als op de thuisreis. De Cunard gebruikt Fishguard enkel op de reis van New York naar de Oude Wereld; op de heenreis van Europa blijven de booten Queenstown aandoen bij Cork in Ierland. De afstand tusschen Fishguard en New York is veertig engelsche mijlen korter dan tusschen New York en Holyhead en 110 engelsche mijlen korter dan tusschen New York en Liverpool.

Doch behalve in den afstand ter zee biedt Fishguard nog eenige andere voordeelen. De nieuwe kunsthaven daar met enorme kosten en vele jaren vergenden arbeid aangelegd en in 1906 voltooid, beslaat een oppervlakte van een 175 H.A. De schepen liggen er beschut door een machtigen zeedam, ter lengte van ruim 800 M., terwijl schepen met den grootsten diepgang en de grootste lengte veilig er kunnen aanleggen.

Dan heeft Fishguard een uitstekende spoorwegverbinding met Londen. De afstand (262 E. mijlen) tusschen die haven en Paddington, wordt door de mailtreinen binnen de 5 uren afgelegd. Zoowel voor de reizigers uit het Zuiden van Engeland als die van het vasteland komen geeft de weg over Fishguard, bij dien over Liverpool vergeleken, ettelijke uren besparing.

MOOI PLEKJE AAN DEN VELUWEZOOM.

De elementen hebben het bezoek van den keizer van Duitschland aan ons land niet begunstigd. In de weinige uren van zijn verblijf op nederlandschen bodem zijn bliksem en donder, hagelslag en hevige regens aan het woord geweest, en onder dreigend zwarte en geelgrijze luchten werden de wegen van het mooie landgoed en zijn omgeving onbegaanbaar, terwijl het hemelvuur links en rechts neersloeg, niet zonder doel te treffen, boerderijen in de asch leggend en zich zelfs vergrijpend aan dingen van zoo erkend symbolische beteekenis als vlaggen, die als welkomstgroet moesten dienen.

En het wil wat zeggen, wanneer daar aan den Veluwezoom tusschen Brummen en Arnhem de buien losbarsten en het hemelwater in massa wordt uitgegoten! Dan wordt het een onhollandsche manier van regenen, waaraan men in berglanden gewend moge zijn, maar die bij ons tot de zeldzaamheden behoort. Want van de hoogten ten westen van den straatweg gudst dan het water neer, sleurt het zand van de talrijke boschwegen mee naar beneden, rukt het onderhout uit en voert zegevierend takken en bladeren van boven naar de diepte, waar het zijn vernielingswerk nog vaak voortzet.

Er zijn daar in de buurt onweersbuien bekend, die een historische beteekenis hebben gekregen om de groote schade, die ze aanrichtten. Zoo heeft Dieren nu bijna een eeuw geleden, in 1818 kunnen ervaren, hoe verwoestend het water op den golvenden bodem werkte, toen na een zwaar onweer de watervloed de landerijen met zand overdekte, zware steenen wegsleurde, met gevelde eiken woest omging, als waren ze stukken kinderspeelgoed en huizen en schuren deed instorten. In de gemeente Rheden tusschen Dieren en De Steeg waren de wegen wekenlang onbruikbaar.

En nog vroeger hebben de elementen er vaak woest huisgehouden met het menschenwerk. Wat nu het Hof te Dieren heet, het kasteel in eigendom toebehoorend aan en bewoond door Dr. R. F. baron van Heeckeren van Wassenaer, dat men van Dieren komend en de heerlijke Ellecomsche laan in wandelend, aan zijn linkerhand heeft, was midden in de zeventiende eeuw een jachtslot van onzen stadhouder prins Willem II. De jeugdige prins had namelijk in 1647 voor de som van 147.000 gulden de goederen gekocht van de kommanderij van Dieren met aangrenzende goederen van bijzondere personen.

Hij liet er het volgend jaar een wildbaan aanleggen, een groot boschcomplex, dat hij liet insluiten door een palissadeering, hooger dan manslengte van meer dan vier uren in omtrek. De weg van Arnhem naar Zutfen liep door de wildbaan heen en was aan beide zijden door een poort afgesloten, terwijl binnen de mijlenlange schutting de gebouwen lagen van het Hof, het jachthuis, de kaatsbaan en al de bosschen, waar het wild binnen en de stroopers buiten moesten worden gehouden. Edoch de door het landvolk als soort van chineesche muur beschouwde hooge schutting kon het niet uithouden tegen de ondermijnende werking van het water, dat na iedere stortbui van de omliggende heuvels afstroomde, de kostbare omheining vernielde en de wildbaan open liet liggen. Twaalf jaren bleef de omheining in wezen, hield ten minste, zoo goed en zoo kwaad, als het ging, stand, maar moest toen voor afbraak worden verkocht.

Het Huis te Dieren met de mooie boschomgeving bleef voor vier geslachten van onze stadhouders uit het Huis van Oranje een geliefd geldersch lustoord. Willem II had de bezitting gekocht van de Orde der Duitsche Ridders, die haar in 1219 ontvangen hadden van graaf Adolf van den Berg, wiens vader, graaf Engelbert van 's-Heerenberg het goed in 1168 van keizer Frederik Barbarossa had gekregen. De orde bleef er gevestigd tot 1647, het jaar, waarin de koop met Willem II werd gesloten, ressorteerde eerst onder de Balije van Coblentz, later onder die van Utrecht en deed, door vrome schenkingen uitgebreid, zoodat allengs de heele omtrek haar behoorde, veel voor de verbetering der wegen.

Willem II besteedde vrijwat kosten aan zijn nieuwe bezitting; hij liet o.a. wilde zwijnen naar zijn nieuwe wildbaan overbrengen met het gevolg, dat de evers er wel eens zoo talrijk waren, dat de geldersche boeren er schade van hadden, doordat het wroetende en smullende goed de knollenvelden als voor hen aangerechte tafel beschouwde en de boekweitakkers bij hun nachtelijke bezoeken vertrapte en omwoelde.

In Augustus 1850 was de stadhouder weer naar zijn bezitting te Dieren ter jacht gegaan, om tevens in zijn hoedanigheid van stadhouder van Gelderland de statenvergadering te Zutfen bij te wonen, en in het begin van October was hij er reeds weer en hield zich een drietal weken met het geliefde jachtvermaak bezig, toen hij den 27sten October de koorts kreeg als voorbode van de kinderpokken. Het eenvoudige jachthuis was geen geschikt verblijf voor een ernstig zieke, en in zijn vorstelijk jacht werd de stadhouder over IJsel, Rijn, Lek en Maas naar Rotterdam vervoerd en van daar naar Den Haag. Ofschoon nog geen 25 jaar, overleed de prins, die reeds herstellende was, den 6den November na een onverwachte instorting, zonder dat zijn jonge vrouw, die de geboorte van haar eerste kind verwachtte, bij hem was toegelaten, om alle gevaar voor besmetting te ontgaan.

De na den dood des vaders geboren prins, onze latere stadhouder-koning Willem III, was een Nimrod's vriend van belang. De jacht was een hartstocht bij hem en zoowel Dieren als Het Loo met de gansche Veluwe stelden hem in staat, eraan te voldoen. Hij liet het huis te Dieren vergrooten en verfraaien. Het had veel geleden door het vandalenwerk, dat de soldaten van Lodewijk XIV er in 1672 hadden bedreven, maar na de verbouwing en opknapping kon het een talrijken jachtstoet bergen, en de inwendige inrichting was zelfs zoo goed, dat het huis waard was, er kunstschatten heen over te brengen, waaraan Willem en zijn gemalin Maria van Engeland zoo groote waarde hechtten.

Ook de omgeving werd verfraaid; de prins liet in het omringend park bloemtuinen aanleggen en naar de mode dier dagen, die bezig is te herleven, ook loofgangen of berceaux, fonteinen, grotten en natuurlijk koepels en vijvers. Ook nieuwe wegen werden aangelegd; de Koningsweg dagteekent uit dien tijd, die mooie landweg, die nog tegenwoordig aan de wandelaars genot verschaft, als ze zich over de hoogten van de Dierensche en Onzalige bosschen bewegen. Toen Willem in 1688 koning van Engeland was geworden, vergat hij de lievelingsplekjes niet uit den vroegeren tijd; het huis te Dieren zag hem herhaaldelijk binnen zijn muren. En koningin Maria hield ook van de landelijke afzondering in de heerlijke boschrijke streek; in het huisarchief van het geslacht van Heeckeren van Wassenaer, waarvan een afstammeling thans het hof te Dieren bewoont, zijn nog brieven en gedenkschriften van haar bewaard gebleven, waaruit die voorliefde duidelijk blijkt.

Met Willem II en Willem III had het huis te Dieren zijn besten tijd gehad, al vertoefde Willem IV er menigmaal en al deed hij het zijne tot verfraaiing van den omtrek. Naar zijn zoon is de bekende Prins-Willemsberg genoemd, die begroeide hoogte, op welker top acht lanen komen, en de wat dichter bij Dieren gelegen Carolinenberg, doel van een wandeling voor ieder, die er in de buurt logeert, heet zoo naar de dochter van den stadhouder, Caroline, die met een lutherschen prins van Nassau Weilburg trouwde, wel een weinig tot ergernis van familieleden en landgenooten van echt gereformeerde religie. Vroeger heette de veelbezochte berg de Steenenberg en nu wordt hij vaak aangeduid als de Veertien Wegen. Op de bank rondom een linde laat het dichte gebladerte niet veel uitzicht meer toe, maar gelukkig kan men zich overtuigen, hoe goed de oorspronkelijke keuze van dit punt is geweest, als men een der wegen volgt niet verder dan een vijftigtal schreden, waar hij begint te dalen. Daar is het vergezicht wondermooi; de hoogten en laagten met de bosschen bedekt, maken er den indruk van een statig bergland.

Bij den dood van Willem IV kwam de heerlijkheid aan zijn minderjarigen zoon, en de latere Willem V was de laatste prins van Oranje, die zich op het huis te Dieren vertoonde. Hij was geen liefhebber van de jacht, kwam er zelden en toen zijn zon in de republiek was onder gegaan werd in den winter van 1794 op 1795 het huis door de Franschen bezet; magazijn, kazerne, gelagkamer, dat waren de rollen, aan de vertrekken toebedeeld en ten slotte maakte een brand korte metten met de woning en wat er nog aan schilderijen en kunstschatten was overgebleven.

Toen na de omwenteling de bezittingen van het Oranjehuis tot nationaal eigendom waren verklaard en als zoodanig verkocht werden, kwam een groot gedeelte aan gravin M. C. van Wassenaer Twickel, die zich in 1824, zoo goed als op de plek, waar het jachthuis der Oranjes had gestaan, maar iets verder naar den dierenschen kant, een buitenverblijf liet bouwen, het tegenwoordige Hof te Dieren. Na haar huwelijk met baron van Heeckeren van Twickel en hun verhuizing naar Twickel bij Delden kwam het goed aan den tegenwoordigen bezitter.

Het oude is er sedert het midden der vorige eeuw voorbijgegaan, en wat de moderne kweekkunst aan heerlijk plantenmateriaal te voorschijn weet te tooveren, dat kan men in de tuinen en het park er vinden. Een deel van het terrein achter het huis is in den oudfranschen stijl aangelegd, herinnering aan het belangwekkend verleden, maar tevens nieuwerwetsch, nu de mode weer aan strenge lijnen in den aanleg de voorkeur schijnt te gaan geven.

VEREENIGING "DOORWERTH".

Een hartelijk welkom mag wel worden toegeroepen aan de nieuwe Vereeniging, die zich ten doel stelt, het slot Doorwerth bij Oosterbeek, of liever wat er van over is, te koopen van den eigenaar, de heer Scheffer van de »Duno«, en het door doelmatige restauratie te behouden als interessant monument uit het verleden. Den 8sten Juli is de vereeniging te Arnhem geconstitueerd onder presidium van den burgemeester van Arnhem, Jhr. Mr. A. Röell. In de bijeenkomst, waartoe een commissie de belangstellenden had opgeroepen, voerde de heer F. A. Hoefer uit Hattem, lid van de »Monumentencommissie«, het woord en wees op de noodzakelijkheid van ingrijpen, nu wat er van het kasteel over is, snel een ruïne dreigt te worden. Hij schetste de historie van het kasteel in korte trekken, die de belangrijkheid aantoonden.

Het slot is inderdaad te belangrijk uit historisch, architectonisch en aesthetisch oogpunt, dan dat het zou mogen verloren gaan. De tegenwoordige eigenaar is bereid, het slot binnen de grachten voor tien duizend gulden af te staan, een niet groote som, die door contributiën en giften bijeen zal moeten worden gebracht. De restauratie zal naar alle waarschijnlijkheid met rijkssteun tot stand kunnen komen. Het blijkt de Commissie tot behoud der monumenten, dat om het gebouw te restaureeren en het te brengen in den staat van het einde der zeventiende eeuw, een som van zestig duizend gulden noodig zou wezen, terwijl men, zich tevreden stellend met een herstelling tot den toestand van een halve eeuw geleden, met veertig duizend gulden zou kunnen volstaan.

Wat zal men doen met Doorwerth, als het in beteren staat is gebracht? De bestemming zou kunnen zijn de vestiging van een Geldersch museum om de herinnering aan de roemrijke Geldersche geschiedenis te verlevendigen. Misschien ware ook de gelegenheid gunstig voor een openlucht-museum, zooals Kopenhagen bezit.

In het voorloopig bestuur der Vereeniging werden gekozen de heeren, die de oproeping voor de bijeenkomst hadden geteekend. Als de statuten zijn goedgekeurd en rechtspersoonlijkheid is aangevraagd, zal men dan met den heer Scheffer over den koop kunnen onderhandelen.

Aan de discussies namen deel baron Mackay, Mr. E. G. C. Scheidius en Jhr. Mr. D. B. R. baron van Lynden van Sandenburg. De oproep ging uit van de heeren graaf Bentinck, Dr. P. J. H. Cuypers, F. A. Hoefer, J. Kalff, Mr. S. Muller Fzn., Jhr. Mr. A. Röell, Jhr. Nedermeyer ridder van Rosenthal, baron Schimmelpenninck, Mr. J. J. S. baron Sloet, Jhr. Mr. G. Wttewaall van Stoetwegen, Jhr. Mr. Victor de Stuers en Dr. J. S. van Veen.