Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 28

Chapter 283,762 wordsPublic domain

De toeschouwers vliegen de machine na, die met de snelheid van een electrische tram ze reeds allen vooruit stijgt vijf, acht meter en laveert langs een groepje boomen midden in de velden. Het geluid van den motor wordt al wat zachter, wild flitst het geel van de schoepen in de grijze schemerkringen; de bestuurder zit gebogen over zijn handle, het werktuig, breed en statig de drijfvlakken gespreid, worstelt zich op tegen den grijzen hemel en blijft voort ijlen naar het groen aan de kim. Hoera! Hoera! Maar daar neemt de ingenieur een keer. De aeroplane zwaait langzaam om en giert in de rondte met een hoek van twintig, dertig graden schuin staande op de lucht. Als zij eens kantelde!... Opeens is die verdwenen achter het bosch in het Oosten. Zou hij over de Hollandsche lijn gaan? Nog hoort men het snorren van de vliegmachine. Dan wordt het opeens stil. Het gevaarte moet ergens gevallen zijn. Als de bestuurder maar heelhuids beneden is gekomen? Dat was gelukkig het geval. De triomfator van de lucht heeft na dien al weer prachtige proeven afgelegd. Hij behoort in de schitterende rij van Blériot en Farman en Latham en Delagrange en de Wrights en al die andere menschvogels, wier wieken den dampkring hebben doorkliefd.«

OP DEN UITKIJK.

IN HET ERTSGEBERGTE.

Het vroeger vergeten Ertsgebergte heeft tegenwoordig onder de toeristen een groote massa vrienden, die allen worden getroffen door het in het oog springende verschil tusschen den saksischen en den boheemschen kant. De kam van het gebergte, die 135 kilometer lang is, vormt een gelijkmatige scheiding tusschen de geleidelijke helling naar het Noorden en den steilen zuidkant. Juist die eigenaardigheid van de hellingen geeft aan het Ertsgebergte een eigen bekoring.

Het is een genot, met den wandelstok in de hand een der noordelijke dalen omhoog te gaan naar de in blauwe verte wenkende hooge bergtoppen. In het Oosten noodt het om zijn rotspartij belangwekkende Müglitzdal, dan verder het dal der Weiszeritz met het romantische gedeelte van den Rabenauergrund; vervolgens het Flöhadal, dat rijk is aan afwisseling en het Zschopaudal, waar we alles vinden, dat men maar begeeren kan, heerlijke wegen, die nu eens door weiden, dan door bosch voeren; op de hoogten oude kasteelen en in de laagten vlijtige dorpen. Meer naar het Zuidoosten kronkelt het Schwarzwasserdal, waar de wilde Pockau door een woest rotsgebied stroomt, maar in hoofdzaak zijn de wegen aan den noordkant zeer gemakkelijk en langzaam stijgend, zoodat men bijna spelend en zonder inspanning naar de hoogste hoogten van het gebergte stijgen kan.

Geheel anders is dat natuurlijk op de zuidhelling. Hier zijn de dalen kort en diep ingesneden en de paden doen aan Alpenpaden denken. Overal in het Ertsgebergte bestaan goede gelegenheden voor logies, wat wel daarmee samenhangt, dat het Ertsgebergte het dichtst bevolkte bergland van Duitschland is. Tot op de hoogte van de kammen heeft de bloeitijd van den bergbouw, die nu al lang achter ons ligt, bewoners gelokt. Zoo heeft de saksische zijde van het Ertsgebergte in Oberwiesental, op 918 meter gelegen, de hoogste stad van het duitsche rijk, terwijl niet ver daar vandaan aan den voet van den Keilberg Gottesgab ligt, de hoogst gelegen stad van Boheme ter hoogte van 1017 meter. Afzonderlijke vestigingen halen nog grooter hoogten; zoo in Saksen het Neue Haus op 1084 meter en in Oostenrijk de Sonnenwirbelhuizen op 1154 meter.

De winter in het Ertsgebergte is volstrekt niet zoo streng, als men hem vroeger heeft afgeschilderd. Hij lijkt op dien van de Beiersche Hoogvlakte en de oostelijke provinciën van Pruisen. Wie ooit een echten winter in het Ertsgebergte met zijn vroolijke sledevaarten en de flinke bergtochten heeft meegemaakt, die vindt het volkomen begrijpelijk, dat de toeristen niet alleen in den zomer de boschrijke hoogten bestijgen, maar nu ook meer en meer in den winter de schoonheid van de streek zoeken.

Zoo dicht bevolkt, als het Ertsgebergte thans is, zoo arm aan bevolking was het in den tijd van Karel den Groote. Eerst in het laatst van de 12de eeuw begint langzamerhand de roep van den zilverrijkdom zich te verspreiden en de kolonisten stroomen toe. Tot op het eind van de 15de eeuw houdt die zilverkoorts aan, die de Duitschers vooral uit Frankenland eerst trekt naar Freiberg en dan hoogerop naar Ehrenfriedersdorf, Schneeberg, Annaberg en Buchholz. Toen de zilverbergbouw zijn beteekenis verloor, trokken veel menschen uit het Ertsgebergte naar den Harz, om den daar oplevenden bergbouw te beoefenen, en in de buurt van Andreasberg, Clausthal en Altenau komen nog op dit oogenblik interessante taaleilandjes voor, waar het dialect van het Ertsgebergte wordt gesproken.

Langer dan zilver bleef men er ijzer, tin en kobalt winnen, en in de 16de en 17de eeuw bloeiden in het Ertsgebergte veel ijzersmelterijen, maar tegenwoordig is het met den bergbouw gedaan, of zoo goed als gedaan; alleen in de omstreken van Freiberg, Schneeberg, Altenberg en Johanngeorgenstadt wordt nog ijzererts gewonnen. Ook een ander bedrijf, de kolenbranderij, is zoo goed als verdwenen. Vroeger was de behoefte aan houtskool in de ijzersmelterijen zeer groot. Door den nood gedrongen, hebben de bewoners zich op andere bedrijven toegelegd en het kantwerken heeft er veel ingang gevonden, zooveel ingang, dat het niet alleen de handen van talrijke vrouwen, maar zelfs de schijnbaar onhandige vingers van werkelooze bergwerkers en smeden bezighield en hun een tijdelijke verdienste bezorgde. Thans gaat de kunst, door den vluchtigen dans der vingers bloemen te slingeren door een fijn weefsel, meer en meer achteruit. De uitbreiding van de industrie legt op alle krachten beslag, en daarom zijn het meest oude menschen, die men in hun kamertjes voor het venster ziet zitten aan het kantkussen of die in den zomer buiten zitten te kantborduren. Het middelpunt van die industrie is de kantwerkschool te Schneeberg. Om de kunst niet te laten uitsterven, ondersteunt de staat tegenwoordig een dertigtal kantwerkscholen, waar over de 1400 kinderen onderricht ontvangen. Wat met het werk wordt verdiend, is intusschen maar een bitter klein beetje.

Een zeer bescheiden bedrijf, maar dat toch veel geld inbracht, was dat van marskramer. Als trekvogels vlogen de bewoners van allerlei bergdorpen naar heinde en ver, om de in den winter vervaardigde waren aan den man te brengen, soms tot in Zweden en Turkije. Maar ook daaraan heeft de opbloeiende industrie een eind gemaakt; er was bij de ontwikkeling van het fabriekswezen plaats voor allen en nog voor velen, die nu van den vreemde naar het Ertsgebergte togen.

Dat men in de dorpen van oudsher veel zin voor schoonheid had, toont de bouwtrant van veel huizen met kunstig uitgevoerd vakwerk, zooals aan den molen van onze afbeelding te zien is. Ook voor muziek en gezang voelen de bewoners veel, en in den laatsten tijd vertoonen ze ongewone talenten, om toeristen te herbergen en hun het leven aangenaam te maken. Wat in die richting meewerkt, is het dichte net van spoorwegen en voortreffelijke wegen, dat het gebergte doorsnijdt, zoodat weinig berglanden zoo goed toegankelijk zijn tot op de hoogste bergen.

HOUTBEWERKING.

Toen ik er indertijd van hoorde vond ik het denkbeeld aardig en nu het tot iets tastbaars geworden is, lijkt 't mij een bijzonder gelukkige vondst.

Daar is de firma Wijnmalen & Hausmann, die een prijscourant of catalogus uitgeeft van machines voor houtbewerking, en bedacht heeft aan dat boek te doen voorafgaan een voorrede over de werktuigen waarmede de mensch, van den vroegst bekenden tijd af, het hout bewerkt heeft. Nu de catalogus met zijn voorrede verschenen is, zegt menigeen: die twee zijn één, ze behooren bij elkaar, zooals het verleden en het heden ineen vloeien. Zeker--vaak treft men bij industrieelen den zin aan voor wetenschappelijk onderzoek; maar zelden ontmoet men prijscouranten met een wetenschappelijke voorrede. Voor zoover mij bekend is moet de geschiedenis der houtbewerking nog geschreven worden. Wat de Rotterdamsche firma hier geeft zijn eenige grepen in den voorraad; het is het begin waarop voortgewerkt kan worden. Zij heeft veel hulp gevonden o.a. in het Ethnografisch Museum te Leiden en in het Landesmuseum te Zürich, en zij toont zich op de hoogte van de dingen die de Sarasin's gevonden hebben op Ceylon. Toen de heer J. H. Jurriaanse, het hoofd der firma, in het Rotterdamsche museum wenschte te zoeken naar voorwerpen die hij voor zijn beschrijving noodig had, waren de zalen uit hoofde van de verbouwing, gesloten. Dit speet hem en niet minder mij, want ik had hem aan veel kunnen helpen. Aan een heen- en terugdraaiende houtdraaibank o.a. waarmede de negers van Mopea aan de Zambesi werken, en aan al de beitels die zij daarbij gebruiken.

Het opstel beschrijft steenen messen, bijlen, beitels, hamers en zagen uit den oertijd; gereedschap van schelp gemaakt; koperen en bronzen werktuigen en eindelijk de ijzeren. Vele afbeeldingen zijn in den tekst geplaatst. Er blijkt uit hoe weinig de vorm van het meeste gereedschap in den loop der eeuwen gewijzigd is. De mensch hakt altijd nog met hetzelfde bijltje waarmede de oer-mensch hakte. De wijze waarop de Kajan van Borneo zijn blaasroer uitboort is dezelfde als de manier die de pompmaker volgt bij het uitboren van zijn houten scheepspomp.

Dit maakt het onderwerp--de schrijver wijst erop--zoo aantrekkelijk; we staan er veraf en toch, in velerlei opzicht, zoo dichtbij. Al zoekende zal hij nog veel meer merkwaardige overeenkomsten vinden.

Joh. F. Snelleman.

R'dam, 17-VIII-'09.

NIEUWE ALPENWEG IN FRANKRIJK.

In Frankrijk is men van plan een Alpenweg dwars door de vier departementen van de Zuidoostgrens, Haute Savoie, Savoie, Hautes Alpes en Basses Alpes, aan te leggen. Deze uit een nationaal oogpunt zeer belangrijke weg, welke het meer van Genève met Nice zal verbinden, kan met betrekkelijk geringe kosten aangelegd worden, daar het grootste gedeelte ervan reeds bestaat en slechts op vele plaatsen breeder gemaakt en verbeterd moet worden. De nieuwe weg gaat over een hoogte van 2770 meter. De tot nu toe hoogste weg van Frankrijk gaat over den 2650 meter hoogen Col du Parpaillon, en de hoogste alpenweg van Europa over het Stilfser Joch (Stelvio-pas) klimt tot 2759 meter. De nieuwste alpenweg over den Col d'Iseran zal dus de hoogste alpenweg van Europa worden. De weg leidt door vele prachtige alpendalen. Hij begint op een hoogte van 360 meter boven den waterspiegel om over het hoogste punt van 2770 meter geheel tot aan de zee af te dalen. Hij zal ongetwijfeld een der schoonste automobielwegen van Europa worden. De uitvoering van den weg is verzekerd. De »Touring Club de France« zal een groot gedeelte in de op 4 millioen francs geschatte kosten bijdragen.

RUSTIGE HOTELS.

Er bestaat een duitsche vereeniging tot wering van lawaai, en in het orgaan van dien Deutschen Lärmschutzbund wordt meegedeeld, dat het verbond bordjes en andere kenteekens zal laten aanbrengen aan hotels en logementen, die het doel van het verbond willen bevorderen, door zorg te dragen, dat het personeel en de gasten zich zoo stil mogelijk houden.

Van welken aard zulk een hotel moet zijn, om in de »blauwe lijst« van de »rusthotels« opgenomen te worden, verneemt men uit zes eischen, die de zenuwarts dr. S. Auerbach, voorzitter van de afdeeling Frankfort, heeft gesteld:

1o. Er moet gelegenheid zijn, om de kamers volkomen donker te maken, het best door middel van donkergroene of bruine luiken, die echter zoo moeten ingericht zijn, dat er ook 's morgens door eenige kieren licht in de kamer kan komen. De gebruikelijke lichte gordijnen zijn volmaakt nutteloos, zij dienen enkel tot versiering.

2o. In elk hotel, dat op den naam van eersterangs-hotel aanspraak wil maken, moet een gemeenschappelijke, zij het ook niet zeer groote ruimte zijn, waarin alle gesprekken ten strengste verboden zijn. Zij moet zoo ver mogelijk verwijderd zijn van lokaliteiten, waar muziek wordt gemaakt. De muziek- of concertzaal moet van het overige hotel »geluid-dicht« afgesloten zijn.

3o. Men moet middelen beramen, om het dichtslaan van deuren met zoo min mogelijk gedruisch te laten geschieden.

4o. Gasten, die bijzonder luid optreden, met name door verstoring van de nachtrust, en die op beleefd verzoek hun wijze van doen niet veranderen, moet veel vaker het verdere verblijf opgezegd worden, dan totnutoe gebeurt. De goede hotels moeten een zwarte lijst van deze rustverstoorders bijhouden en haar geregeld laten circuleeren. Ik geloof, dat menige zondaar opgevoed kan worden, wanneer hij ziet dat verschillende hotels hem niet opnemen.

5o. Gedurende het eerste uur na het middagmaal moet in het belang van menschen, die willen of moeten slapen, stilte heerschen. Het kleedjes kloppen, wegruimen van sneeuw enz. moet in dien tijd achterwege blijven. Ook moet zooveel mogelijk gezorgd worden, dat er dan geen honden blaffen.

6o. Het kloppen in de vroegte moet zoo gebeuren, dat de buren er geen last van hebben. Het best misschien door verplaatsbare, van de loge van den portier uit te bedienen, electrische schellen met gedempten toon. Het geklop en gepor aan de deuren van degenen, die gewekt moeten worden, is volkomen ongeoorloofd.

DANSEN.

De dans mag men noemen het verlangen van den mensch, om door rhythmische bewegingen van het lichaam onder begeleiding van muziek een goede partij te doen.

NEVELZEEËN.

In het hooggebergte ontstaat in den herfst soms een geweldige nevelzee, die ver in het rond alle laagten vult, van hoogten gezien, den aanblik geeft van een machtigen oceaan en iemand allerlei verrassingen kan bezorgen. Des avonds laat of vroeg in den morgen worden de meren, dalen en heuvellandschappen door een dicht, donker neveldek overtrokken, waardoor geen zonnestraal kan heen dringen, alsof de weldoende zon zich geheel van de aarde had afgewend. Alles is grijs op grijs, en een leger koude luchtgeesten dringt zoo snel op de arme menschenkinderen toe, dat ze tot in hun binnenste rillen.

"Het is boven helder!" zoo klinkt van boven het blijde bericht, en wie maar kan, snelt naar de veelbelovende toppen. Een bergspoorweg, bij voorbeeld die van den Rigi, den Pilatus of den Stanserhorn brengt ons vlug naar de hoogten, en spoedig dringen we diep door in de grijze nevelmassa's, die het uitzicht tot een zeer kleinen kring beperken. Het lijkt een oogenblik, of we niet van de plaats komen in een verlaten en geluidlooze natuur, en al sterker wordt ons verlangen naar de begeerde hoogten.

Daar wordt het op eenmaal om ons lichter; wondervol hemelsblauw verschijnt door den grijzen sluier van mist; door de zon beschenen boomtoppen en rotsen duiken op, en plotseling zijn we in een stroom van gouden licht, dat ons zoozeer met welbehagen vervult, dat we zijn als blinden, wien het licht der oogen teruggegeven is. Woud en weide doen zich voor als in de voorjaarszon; wij ademen licht als in de lente, en azuurblauw welft zich de hemelkoepel over de bergen.

En dan het hooge genot op de vrije hoogte! Wij staan op den Rigi. Onafzienbaar wijd breidt zich de nevelzee als een geweldige oceaan uit van den Feldberg en den Jura tot de Alpen. Hier en daar steekt een bergtop er uit op, nu eens als een groen eiland, dan als een steile, kale klip, en aan onze voeten schijnen door den storm gegeeselde golven in schuim uiteen te spatten. Om de Alpen gaan ook de golven hoog, maar zij tronen erboven in grootsche majesteit. Geen wolkje rust er op den muur van gletschers en rotsen; wonderbaar scherp komen de spitsen en toppen en kammen in al hun omtrekken voor den dag, en duidelijk is iedere bergplooi, iedere rotsspleet met het bloote oog te onderscheiden.

Intusschen scheurt hier of daar het neveldek, dan aanschouwt het oog in verrukking als in een tooverrijk den bodem der zee, of geleidelijk lost de nevel zich op onder den invloed der warme zonnestralen, en een onvergetelijke aanblik van het heele panorama kan worden verkregen.

OUDERDOM VAN BADPLAATSEN.

Het klinkt haast ongeloofelijk en het is toch een feit, dat de eerste duitsche zeebadplaatsen nog niet veel ouder dan honderd jaar zijn. De grootsche badinrichtingen der Romeinen, die elders op het openbare leven der Germanen zulk een grooten invloed oefenden, hadden in het duitsche Noorden geen navolging gevonden, terwijl de zonen van Albion al lang de geneeskrachtige en gezonde werking van de zeebaden hadden ingezien. Eerst tegen het eind der 18de eeuw richtte men ten gevolge van een artikel van Lichtenberg zijn aandacht op de Oost- en Noordzee, en niemand minder dan Wilhelm Hufeland, de beroemde lijfarts van koningin Louise en schrijver van het wereldberoemde boek »Makrobiotik of de kunst, het leven te verlengen«, trok zich de uit economisch en hygiënisch oogpunt zoo belangrijke zaak aan.

In het jaar 1794 werd toen door den groothertog Friedrich Franz van Mecklenburg de eerste duitsche Oostzeebadplaats Heiligendamm bij Doberan gesticht, waarop in 1800 Travemünde volgde. Drie jaren te voren was de eerste Noordzeebadplaats op Norderney voor het algemeen verkeer geopend. Maar zeer oud zijn de badplaatsen in het binnenland, en we weten, dat reeds Karel de Groote met zijn gevolg in Aken de baden gebruikte. Kissingen, Pyrmont en Pfäffers waren beroemde baden, waar oudtijds een internationale wereld samenkwam, en Theophrastus Paracelsus, die in 1541 in Salzburg stierf, maakt al gewag van elf minerale baden, waaronder Karlsbad, Teplitz en Gastein.

Nog vroeger wordt in oude oorkonden het oude Wildbad Tobelbad in Stiermarken genoemd, dat eerst door de heeren van Graz werd bestuurd, en in de 16de eeuw door een giftbrief van keizer Ferdinand aan het landschap Stiermarken overging. Reizen naar badplaatsen behoorden in vorige eeuwen ook reeds tot den goeden toon, en men vindt vermeld, dat een bruid uit welgestelde familie bij de huwelijksvoorwaarden zich uitdrukkelijk een jaarlijksche badreis bedong.

EEN VOLKSTELLING IN CHINA.

Men zal nu in China tot een volkstelling overgaan. Om te begrijpen, wat dat wil zeggen, moet men allereerst bedenken, dat China de volkrijkste staat der aarde is en verder, dat er tot nu toe niet anders dan schattingen van het aantal der bevolking bekend zijn met schommelingen in de cijfers van honderd en tweehonderd millioen. In het algemeen heet het nog altijd, dat China 400 tot 450 millioen menschen bergt, maar dat aantal wordt door menig kundig geograaf voor overdreven gehouden, zoodat men in verscheiden werken opgaven vindt van 300 tot 350 millioen.

Het is duidelijk, dat alle vermoedens omtrent het gele gevaar in sterke mate samenhangen met een vaste berekening van het aantal Chineezen. Nu zijn er ook in vroeger eeuwen wel soms vanwege de chineesche regeering volkstellingen gehouden, doch daaruit leerde men enkel het aantal gezinnen kennen, terwijl de resultaten daardoor onbetrouwbaar waren, dat de gouvernementen der verschillende provinciën de opgaven vervalschten, al naar gelang de telling ten behoeve van een militaire opkomst of voor een nieuwe belasting plaats had.

Thans zal werkelijk de reuzenonderneming van een echte volkstelling in het geheele chineesche rijk worden uitgevoerd en wel in den dubbelen vorm van een gezins- en een hoofdelijke telling. De eerste zal in het jaar 1910, de tweede in 1912 voltooid wezen. Bij de reusachtige uitgestrektheid van het Chineesche Rijk kan men den omvang van een dergelijken arbeid moeilijk overschatten. De uitstekende organisatie van het regeeringsstelsel zal aan het werk ten goede komen, maar daarbij moet men niet over het hoofd zien, dat de bevolking in sommige deelen van het land nog in groote onafhankelijkheid leeft en tegenstand tegen de telling kan uitoefenen of haar geheel onmogelijk maken voor haar deel. Maar ook als men dergelijke onzekerheden in aanmerking neemt, zou de beteekenis van een nauwkeurige volkstelling in China van groote waarde zijn.

WINST EN ROOF.

Er is dikwijls scherpzinnigheid voor noodig, om winst van roof te onderscheiden.

OP DEN UITKIJK.

DE BOË-TOP, EEN "GEMAKKELIJKE" DOLOMIETTOP.

De Dolomieten in Zuid-Tirol hebben ten gevolge van de sterke verweering van hun gesteente allerlei uitersten aan te wijzen; de grilligste vormen, rotstorens met loodrechte wanden, met ijs gevulde kloven, het eldorado voor de bestormers der gevaarlijkste toppen, en tusschen de afzonderlijke groepen gemakkelijk begaanbare, met gras begroeide overgangen met gelegenheden om te rusten, zooals de niet oversterke en voorzichtige toerist ze wenscht. Maar in deze zoo rijke bergwereld kunnen ook die bergstijgers behagen vinden, die niet graag in de nauwe holten schoorsteenvegerskunsten vertoonen of tegen steilten opkrabbelen, waar de mensch met de gemzen moet wedijveren; maar die zich aan den anderen kant stevig en flink genoeg voelen, om in de verheven eenzaamheid van het hooggebergte door te dringen en ook te strijden voor het winnen van een mooi uitzicht.

Aan dezulken kan een bestijging warm worden aanbevolen, die ze zonder gids en zonder speciale uitrusting naar de hoogste tinnen van een grootsche Dolomietgroep brengt. In het Oosten van het veelbezochte Grödnerdal verheft zich een geweldige rotsburcht van meer dan zestig kilometer in omtrek, de Sella, die op mooie avonden prachtig door het zonlicht wordt bestraald en na regendagen met versche sneeuw besuikerd is. Hoe dichter men erbij komt, des te ontoegankelijker lijkt dit hooge plateau met de steile hellingen en de reusachtige rotszuilen. En toch is juist de hoogste top van die natuurlijke vesting, de Boë-top, 3152 meter, de gemakkelijkste top in de geheele groep, sedert ongeveer vijftien jaren geleden de sectie Bamberg van de Duitsche en Oostenrijksche Alpenvereeniging er haar arbeidsveld heeft opgeslagen en voor de ontsluiting is bezig geweest.

Van de hoofdpaden, die op het met sneeuw bedekte plateau voeren, is het gemakkelijkste ook het meest voldoening gevend, namelijk dat door het Mittagsdal, Val de Mesdi. Van Colfosco uit kan men den weg best zonder gids vinden, want daartegenover opent zich de ingang naar de spleet, die de grens is tusschen de oostelijke en de westelijke helft van den Sella. Over de door dauw vochtige mooie weiden en een licht woud van lariksen gaat men langs de Sorabeek en volgt dan den trappenaanleg, die matig stijgend, meest over sneeuw van lawinenresten, die den heelen zomer nu en dan over den weg en het beekje vallen, voert door een der indrukwekkendste kloven, dreigender dan de Langkofelkar, de Grasleitenkessel in de Rosengartengroep.

Geen spoor van dier- en plantenleven brengt afwisseling in de rotswildernis. Een blik achterwaarts vertoont als een laatste groet uit een verlaten wereld, de door de zon beschenen weiden van Colfosco, maar spoedig verdwijnen ze en alleen de roode rotswanden blijven.

Na een uur ongeveer splitst zich de weg, en een blauwe markeering wijst door een rotsspleet op het Pisciadu-plateau, waar de sectie Bamberg een nieuwe hut als tusschenstation tusschen het dal en het bovenste terras heeft gebouwd. Dan plotseling staat men op het Sella-plateau met de wapperende vlag in de beiersche kleuren. Een grootsch natuurtooneel hebben we dan voor oogen; uren ver weidt de blik over schitterende sneeuwvelden ver naar het Zuiden en Westen, en alleen de reuzentoppen aan weerszijden van het Mittagsdal zijn hooger dan ons standpunt. En links staat de Boë, waarvan men te voren nog niets heeft gezien. Die hoogste verheffing van het gebergte is als een reuzendriehoek van louter duidelijk begrensde horizontale lagen, herinnerend aan de oud-egyptische architectuur.