Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 27

Chapter 273,761 wordsPublic domain

Daarop las de griffier der Provinciale Staten, mr. C. B. Menalda, de acte van 1782 der erkenning van Adams voor, waarna de heer Griffis een toespraak hield gevolgd door het aanbieden der gedenkplaat. Na die aanbieding volgde een toespraak van den heer Th. M. Th. van Welderen baron Rengers en werden drie brieven gelezen, waarna de burgemeester van Leeuwarden, de heer A. E. Zimmerman nog kort het woord voerde.

De bedoelde brieven waren een van den gewezen amerikaanschen gezant in Duitschland en voorzitter der amerikaansche delegatie ter eerste Vredesconferentie, Andrew D. White, met een gelukwensch aan het Friesch Genootschap voor wat dit deed voor het onderzoek der middeleeuwsche en nieuwe geschiedenis. De tweede was van Charles E. Hughes, naar men weet, gouverneur van den staat New-York, en gericht aan den heer Griffis, uitdrukkende de blijdschap van den schrijver, dat de heer Griffis belast is met de aanbieding der plaat, en hartelijke groeten aan wie ze ontvangen. Het derde schrijven was van den heer Randolph Horton, burgemeester van Ithaca, gericht tot den burgemeester van Leeuwarden, met een uiteenzetting der beweegredenen van de aanbieding der gedenkplaat en groeten van vele amerikaansche burgers, daarbij de beste wenschen uitsprekende voor de eer en de welvaart van de stad, waar de eerste officiëele stem opging voor de erkenning der onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten.

De bronzen gedenkplaat, gevat in massief houten raam bevat het volgende opschrift:

Memorial of gratitude. At Leeuwarden in the states of Friesland February 1782

the first vote was taken which led to the recognition of the independence of the United States of America by the Republic of the United Netherlands.

Erected by the De Witt Historical Society of Tompkins county at Ithaca N. Y. A. D. 1909.

Het opschrift der gedenkplaat is omgeven door de wapens van Nederland, de Vereenigde Staten, Friesland, den staat New-York, Leeuwarden en Ithaca.

Daarmee was de plechtigheid afgeloopen. Alle toespraken werden in het Engelsch gehouden. De heer Griffis was vergezeld van een zoon en een dochter.

Hij komt na zijn kort verblijf hier te lande weer terug in September voor de plaatsing in een gebouw te Leiden, van een gedenkplaat ter herinnering aan prof. Jean Luzac, voor wat deze als redacteur van de Leidsche Courant heeft gedaan in het belang van de erkenning van de Vereenigde Staten door de Republiek.

HOHENFINOW EN DE VON BETHMANN-HOLLWEGS.

In de mark Brandenburg niet ver van Potsdam ligt het landgoed van den nieuwen rijkskanselier, Theobald von Bethmann-Hollweg. Daar is het kasteel Hohenfinow, dat voor den hoogen ambtenaar is wat Varzin en Friedrichsruhe waren voor den eersten en wat Klein Flottbeck was voor den vierden kanselier, de plaats, waar ze hun staatszorgen kunnen vergeten. Evenals Bismarck en Bülow heeft ook Von Bethmann-Hollweg een echtgenoote naast zich, die de plichten van gastvrijheid en aangename huiselijkheid weet te vereenigen. Mevrouw de rijkskanselier, geboren Von Pfuel, zal daarin niet bij Bismarck's Johanna, noch bij de vriendelijke mevrouw van Bülow achterstaan. Het mooie huis Hohenfinow met de ruime, statige vertrekken, de stallen en de renbaan is aan de Bethmanns gekomen, toen zijn vader, Felix van Bethmann-Hollweg in het huwelijk trad met Isabella von Rougemont, de eigenares van het landgoed.

De oudere zoon van den grootvader van den kanselier, Theodor, was heer van Runowo en trouwde gravin Freda von Arnim-Boitzenburg. Maar oom en vader hebben niet de hooge plaats ingenomen, die den grootvader te beurt viel, die minister was, de koninklijk pruisische cultusminister, Moritz August von Bethmann-Hollweg. Hij is de eerste, die aan den naam Bethmann dien van Hollweg toevoegt. Hij heette eigenlijk August Hollweg, en zijn vader was een zwager van den keizerlijken staatsraad Simon Moritz von Bethmann, die hem na den dood van zijn vader opvoedde, in Göttingen liet studeeren en voor den begaafden jongen man het pad naar de hooge staatsambten effende.

Die keizerlijke staatsraad Simon Moritz was in zijn tijd een man van groote beteekenis. Hij stond in vriendschappelijke betrekking tot Alexander von Humboldt en Madame de Staël; het is bekend, dat vorst Metternich hem schreef als »Mon cher Bethmann« en de beroemde Ariadne van Dannecker werd zijn eigendom. Die ietwat ongelijksoortige bewijzen van aanzien stonden in verband met den invloed van het bekende bankiershuis der gebroeders Bethmann, dat in de achttiende eeuw een wereldberoemdheid genoot.

In 1416 wordt er al een Bethmann in Goslar genoemd, en in de zestiende eeuw komen er raadsheeren en kooplieden in de familie voor. Over het geheel is de familiegeschiedenis een interessant voorbeeld van een geslacht, waarin adel en burgerij, grondbezit, handel en kapitaalbezit als het ware hebben samengewerkt tot het vormen van hoogstaande en hoogontwikkelde menschen, die telkens weer hun eigen tijd eer aandoen.

DE BEIDE TALEN IN DEN ELZAS.

De afgevaardigden Kübler en Back hebben onlangs in den Duitschen Rijksdag een paar moties ingediend, betrekking hebbend op het onderwijs in het Fransch op de lagere scholen in den Elzas. Die moties hebben den staatssecretaris Zorn von Bulach aanleiding gegeven tot de volgende verklaring van de zijde der regeering: Ten eerste: De regeering wil in geenen deel het onderwijs in de fransche taal tegengaan.

Ten tweede: De fransche taal moet beoefend worden in de lagere scholen van de grensplaatsen, waar de bewoners onmiddellijk in aanraking komen met hun fransche buren. De regeering heeft dit beginsel tot nu toe hooggehouden, door aan het onderwijs in het Fransch op de lagere scholen van die plaatsen den rang te gunnen, die door de plaatselijke behoeften vereischt werd. Daarom wordt het Fransch onderwezen op 470 lagere scholen van het tweetalige gebied.

Ten derde: De regeering zou het verkeerd achten, het geheele land als grensland te beschouwen in zake het onderwijs van het Fransch op de lagere scholen; daarom kan ze de behoefte niet inzien aan dat onderwijs buiten de grensstreek. Dat onderwijs zou niet anders dan kwaad kunnen doen aan het algemeene onderwijs, door aan de leerlingen een te zware taak op te leggen. Een kleine minderheid van de bevolking heeft later het Fransch noodig in het practische leven, maar de plicht, de belangen van die minderheid te behartigen, moet niet aan de lagere school worden opgelegd, maar aan andere scholen. Daarom weigert de regeering de hand te leenen tot de invoering van het Fransch op de lagere scholen.

Ten vierde: De regeering erkent de noodzakelijkheid, aan meer gevorderde leerlingen de gelegenheid te verschaffen, Fransch te leeren op de openbare scholen, maar het moet worden gegeven op de middelbare scholen en op de cursussen voor volwassenen, waaraan de regeering haar steun blijft verleenen.

OP DEN UITKIJK.

PFORTA OF SCHULPFORTA.

De nieuwe rijkskanselier, Theobald von Bethmann-Hollweg, werd reeds als leerling te Pforta op het gymnasium beschouwd als iemand van wien men veel mocht verwachten. Hij was onder de jongens zeer gezien en niet alleen om zijn succes in de school, maar ook om zijn karakter, hetgeen veel zegt in een inrichting als die te Pforta, waar de leerlingen intern waren en dus altijd samen bleven. Algemeen was hij intusschen ook bekend als een ijverig lezer, en de jongens hadden daar veel tijd voor, want iedere week hadden ze een heelen dag vrij van school, afwisselend Maandag, Dinsdag, Donderdag en Vrijdag, vooral met de bedoeling, dat ze veel voor zichzelf zouden lezen, de klassieken natuurlijk, want op de drie oude bekende »vorstenscholen«, Pforta dichtbij Merseburg aan de Saale, Meissen in Saksen, en Grimma, ook in Saksen ten zuidoosten van Leipzig, waren de ouden schering en inslag.

Zijn philosophische aanleg en zijn talent van spreken kwamen in den schooltijd reeds nu en dan duidelijk aan den dag, en in den herfst van 1875 verliet hij Pforta als primus omnium. Op een dispuutcollege, dat in het Duitsch in de Unterprima, de op één na hoogste klasse, werd gehouden, had hij een wondergroot succes met een onderwerp van wijde strekking, als jongelui bij dergelijke gelegenheden steeds kiezen, namelijk over de vraag, of de historieschrijver objectief of subjectief te werk moet gaan.

De drie genoemde »vorstenscholen« werden in het midden van de zestiende eeuw door den toenmaligen hertog van Saksen, den lateren keurvorst Moritz van Saksen, gesticht op de plaats van opgeheven kloosters en werden in het bezit gesteld van geestelijke goederen. Meissen en Schulpforta of Pforta werden in 1543, Grimma in 1550 gesticht. Alle drie hebben zich in den loop der eeuwen gehandhaafd als instellingen, waar het onderwijs zeer goed is en bijzonder grondig in de klassieke talen. Door den staat, door enkele steden, door adellijke geslachten en door sommige instellingen zijn er beurzen beschikbaar gesteld voor interne leerlingen, terwijl de buiten de hoofdgebouwen wonende leeraren extranei in den kost hebben.

De vorstenscholen hebben maar de zes hoogste klassen van de tegenwoordige duitsche gymnasia, waar, zooals men weet, de jongens al op hun negende jaar komen; ze bestaan uit de klassen Untertertia tot Oberprima. Wat de inrichting betreft, zijn de drie scholen met den tijd meegegaan: gebouwen en hulpmiddelen beantwoorden aan alle eischen, die de moderne tijd stelt. Pforta heeft voor het eerst de enge, ouderwetsche ruimten voor statige gebouwen verwisseld, namelijk al in 1843, terwijl in Meissen in 1879 en in Grimma in 1891 de prachtige schoolgebouwen werden voltooid. In 1883 kreeg Pforta nog een nieuwen vleugel met ruime aula.

Aan de bibliotheek van Pforta wordt groote zorg besteed. Zij dateert al van 1573, toen ze door keurvorst August van Saksen werd gesticht en bevat nu 26000 deelen, waaronder 259 incunabelen. In de eerste tijden van het bestaan der school was het aantal leerlingen beperkt tot honderd, keurvorst August breidde dat aantal tot 150 uit en liet in 1568 de school vergrooten. Klassieke philologie is steeds het hoofdvak gebleven. Belangrijke verbeteringen werden ingevoerd onder rektor Geisler tusschen de jaren 1779 en 1787, en een geheele modernizeering volgde, toen de school in 1815 aan Pruisen kwam. Beroemde leerlingen van Pforta zijn Fichte, Klopstock en Leopold von Ranke, waarbij men nu Von Bethmann-Hollweg noemen mag.

Van de vorstenschool te Meissen is Gellert gekomen, die er van 1729 tot 1734 studeerde en Lessing, wiens gymnasiale jaren er tusschen 1741 en 1746 vielen.

DE NIEUWE TAUERNSPOORWEG.

Door de voltooiing van den grooten tunnel bij het dorpje Böckstein kon op den 5den Juli geopend worden het zuidelijk deel van de spoorlijn, die Salzburg in korte verbinding met Triëst moet brengen, namelijk de sectie Gastein-Spittal aan het Millstädtermeer. De pers kreeg natuurlijk een voorproefje van al de schoonheid, die de nieuwe lijn, die slechts 51 kilometer lang is, te genieten geeft aan de toeristen, en ook een eerste kijkje op de ware kunstwerken aan ingenieursarbeid, die er te zien waren.

Triëst hoopt door dezen nieuwen spoorweg zijn handelsinvloed over het achterland uit te breiden en krachtiger te worden tegenover de concurreerende havens Hamburg en Genua. Vooral tegenover Hamburg, dat niet alleen de haven is voor Zuid-Duitschland, maar, wat erger is, ook voor Bohemen, Moravië, Silezië en zelfs voor Weenen. Daaraan zooveel mogelijk een einde te maken is het doel van den Tauernspoorweg en daarvoor is in Triëst een nieuwe haven gebouwd, die 't volgende jaar klaar zal zijn. Door de nieuwe lijn wordt de afstand tusschen München en Triëst met 180 tariefkilometers verkort. Ulm, Regensburg, Neurenberg komen thans dichter bij Triëst dan bij Hamburg. Het is vooral Beieren, dat van die nieuwe verbinding hoopt te profiteeren; vandaar dat een beiersch minister officiëel deel nam aan de plechtige inwijding.

Of al de verwachtingen zich zullen verwezenlijken, zal de tijd moeten leeren. Veel hangt daarbij af van de tarieven; Triëst hoopt door die lijn het vervoer terug te krijgen, dat het had in de tijden, toen er nog geen spoorwegen waren en toen de handel zich nog over de verschillende Alpenpassen bewoog; maar zeker is het, dat de pas geopende sectie, die den geheelen Tauernspoorweg nu voltooit, voor de toeristen in de Oost-Alpen een verrukkelijk spoorreisje meebrengt.

Zoowel dit slotstuk als de andere gedeelten der lijn, de Pyhrnspoor, de Karawankenlijn, de Wocheinerspoorweg en het eerste deel van den Tauernspoorweg van Schwarzach-St. Veit naar de badplaats Gastein, voeren door streken, die overrijk zijn aan natuurschoon. Daar ze buitendien uit technisch oogpunt bezienswaardigheden zijn van den eersten rang, waarbij voor het pas geopende deel vooral de tunnel tusschen Böckstein en Mallnitz in aanmerking komt, kan het niet uitblijven, of ze zullen een groote aantrekkingskracht uitoefenen op de Alpenreizigers.

Bij het station Böckstein is men aan het begin van den grooten tunnel gekomen, die 8550 meter lang is, dus de langste tunnel is uit Oostenrijk buiten den Vorarlbergtunnel, die 10147 meter is. Na de lange reis in donker komt men in het wondermooie Seebachdal en met welbehagen rust het oog op het heerlijke land, waarop de met sneeuw en gletschers bedekte toppen, de Ankogel, de Felsseekopf en de Gamskartop neerzien.

Mallnitz, het volgende station, is een bekoorlijk dorp, een echt Alpendorp, dat binnenkort een waar toeristencentrum zal worden. Allerlei afwisseling biedt het vervolg der reis. Bij het einde van de Mallnitzkloof heeft men op een steile rots het schilderachtige slot Groppenstein; in het Mölldal ligt het station Obervellach 360 meter boven het vriendelijke plaatsje van dien naam, en van hier tot Penk heeft men een opeenvolging van wonderwerken van techniek. Tunnels en viaducten wisselen elkaar af en galerijen dragen den hoogen verkeersweg door het prachtige bergland, waarvan menige wand doorboord is ten behoeve van het zegevierend verkeer. De ruïnen Oberfalkenstein en Unterfalkstein, de laatste naar het oude model gerestaureerd, brengen verrassingen voor de reizigers. Het laatste stuk van de nieuwe lijn loopt evenwijdig met den spoorweg door het Pusterdal en bij het eindstation Spittal aan het bekoorlijke Millstädtermeer sluit de nieuwe Tauernspoorweg aan bij het groote spoorwegnet.

HET ENGELSCHE LANDSCHAP.

Een Duitscher, die verrukt is over het engelsche landschap, de heer Karl von Dahlen, schrijft in Ueber Land und Meer, dat zijn landgenooten Engeland vaak miskennen en dat de traditioneele nevel, die altijd naar de meening van veel Duitschers over Engeland hangt, volkomen optrekt, wanneer men bij voorbeeld op een zonnigen voorjaarsmorgen bij Dover, Hastings of Beachy Head landt en de krijtkusten als een fata morgana uit de zee heeft zien opduiken. Als dan het oog voor de eerste maal glijdt over het sappige groen van het gelukkige eilandenrijk, zal de Duitscher voor menig vooroordeel om vergeving smeeken, al is het maar in de stilte van eigen gemoed.

Nergens treft men zulk frisch groen, zulke prachtige boomreuzen, alleenstaand in zelfbewuste, trotsche individualiteit of tot bevallige groepen vereenigd. Zwak golvend heuvelterrein begrenst den horizon; vroolijke beekjes ruischen door idyllische dalen; onder olmen verborgen, liggen kasteelen en oude abdijen, en over alles strijkt de frissche, opwekkende adem van de nabijgelegen zee. Wel vindt men slechts in enkele deelen van het land groote, samenhangende woudcomplexen; maar aan mooie boomen is geen gebrek, en wat er aan het aantal ontbreekt, wordt door den majestueuzen groei en de pracht van hun verschijning vergoed.

Als een tuin doet zich aan den vreemdeling het gansche land voor, en slechts hier en daar ontdekt hij akkers en korenvelden. De natuur schijnt onafgebroken Zondagsrust te houden, en gul breidt ze al haar schatten uit; bij elken tred komen uit struiken en heesters en van tusschen bloemen prachtige kasteelen te voorschijn of aardige landhuizen, door klimop en rozen dicht omsponnen. De vredige feestdagstemming van het landschap wordt erdoor verhoogd. In de reuzensteden woedt de strijd om het bestaan; in de natuur dringt slechts zelden het rumoer van het alledaagsche door.

In alle landen der aarde jaagt de Brit naar de schatten dezer aarde; vreemde rassen heeft hij aan zich onderworpen of schatplichtig gemaakt, en wat in Afrika, Indië, Australië gewonnen werd, dat komt het vaderland ten goede. Wel is Engeland het land der groote steden, maar de Engelschman woont het liefst buiten, en als zijn middelen het hem maar even veroorloven, stelt hij zich in innige gemeenschap met de natuur. Om te werken gaat hij naar de stad; verkwikking en uitspanning vindt hij buiten aan den oever der rivieren met den hengelstok in de hand, of in de boot, met krachtigen roeislag zich voorwaarts bewegend, met het geweer speurend naar het wild, of bij spel en sport.

Overal is prachtig gezorgd voor lichaamsoefeningen en spel; zachte grastapijten noodigen uit tot golf en tennis, en over hekken en slooten gaat de opgewonden jachtpartij. De straatweg is levendig door fietsers, heeren en dames; in de rivier ligt de huisboot voor anker, en als nieuwste verkeersmiddel sukkelt misschien wel de kermiswagen van rijke menschen langzaam over den weg. Eén groot park, één groot speelterrein is geheel Zuid-Engeland, en als men bedenkt, dat de gunst van den Golfstroom er een klimaat heeft in het leven geroepen, hetwelk men bijna subtropisch kan noemen, dat de vochtigheid der lucht het gras het heele jaar door groen houdt, dan zal men de innige liefde van den Engelschman voor de natuur van zijn vaderland begrijpen.

Er is mogelijk meer verscheidenheid in de landschapsbeelden van andere landen; bergen en dalen scheppen meer afwisseling; maar geen land noodigt zoo vriendelijk tot langer verwijlen, tot rustig levensgenot als Engeland. Vandaar dat over het gansche land verspreid de villa's en landhuizen liggen, gebouwd in een stijl, die aan andere landen tot voorbeeld heeft gediend; een langer verblijf in zulk een landhuis, waar comfort en gezelligheid het leven veraangenamen, kan ons leeren, dat de Engelschman in kracht en zelfbewustheid half de wereld beheerschend, in zijn vaderland op de prettigste wijze weet uit te rusten van zijn inspanning.

EEN HAAGSCHE VLIEGTOCHT VAN LEFÈBVRE.

Augustus is gunstig en vriendelijk geweest voor de vliegtochten van Lefèbvre in ons land. De beide laatste Julidagen hadden het verbruid, hem geen of bijna geen gelegenheid gegeven, op te stijgen op de velden van Groot-Persijn bij Wassenaar; maar daar komt Augustus en vergunt hem reeds op den eersten harer dagen een mooie vlucht te doen, die later op den 4den en den 5den nog schitterend werd overtroefd door een mooier en wijder en statiger vlucht.

In het Weekblad »De Amsterdammer« van 8 Augustus geeft J. K. Rensburg een schetsje van zijn ervaringen op dien Zondag, den eersten van Augustus, en wij ontleenen er bij de afbeelding van Lefèbvre's toestel, het tweede vliegtoestel, dat in Nederland is opgestegen, secundus na den primus van Graaf de Lambert te Leur, het volgende aan.

De stoomtram, van Den Haag komend, stopt even voorbij een brug over den Leidschen Weg en dan een houten trap af, »een pad langs,« zegt de schrijver, »volg ik onder een witten boog door, de groepen nieuwsgierigen, die ietwat ongemakkelijk langs de greppels van den weg moeten manoeuvreeren om telkens fietsen, auto's en rijtuigen te ontwijken. Tegenover een steenen, rooden koepel staat aan een boom een reclamebord, waarop: Aeroplane Wright. De rest lees ik niet eens. Om een hoek tusschen de stammen is een loket. Weer verder langs een smallen weg, langs een paar boerderijen. Over een staldeur keek een paard. Het beest leek door de vliegmachine opeens werkeloos geworden en het was of het wou vragen: Hebben jullie me nou voor goed hier opgeborgen? Nog een hoek om en daar liggen ver uit de velden met een buffet en een tribune en in de loods onder die laatste zie ik voor het eerst twee witte drijfvlakken met witgeschilderde staken, die ze tot een biplane verbinden en daarachter twee paar schoepen, zoowat 1½ cM. breed, de uiteinden wit, bij de assen oranjekleurig.... de vliegmachine. Men kijkt naar den eigenaar, den ingenieur Lefèbvre, die op het terrein heen en weer loopt onder een hoed met neergeslagen rand, in een grijs pak, en gele chauffeurs-laarzen. In het Zuiden achter de lijn naar Scheveningen spitsen de torens van den Haag op, in het Oosten wordt de kim begrensd door den Hollandschen spoorweg en door bosschen, in het Westen ligt de Leidsche weg, waaraan een wit landhuis hoog opgaat, in het Noorden een boerderij en bosch en wei. Voor die hoeve zit een heele familie met onverstoorbaar geduld uit te kijken gelijk de paar honderd toeschouwers, die het ruime terrein op verre na niet vulden; waarschijnlijk was de entrée f 2,50 en f 1 veel te hoog. Als het f 0,50 en f 0,25 was geweest, zou het er wel anders hebben uitgezien. Een jongen verkocht er ansichten van de vliegmachine en een alleraardigst gelegenheids-blaadje met portretten van luchtschippers en modellen van luchtschepen enz. Het heette: De Aeroplane. Als modern mensch zou ik mij geschaamd hebben dit niet te lezen.

Maar toen begon het wachten van drie uur tot 's avonds half acht. Een fijne motregen deed geniepig zijn tegenwoordigheid voelen en de lucht helderde soms wel wat op, maar telkens kwamen er nieuwe vlagen. Nu was voor kort de Lambert, toen hij op de heide te Leur opsteeg bij regen, bevreesd voor kortsluiting, wat het gevaar veroorzaakt in de lucht met het toestel en al in brand te... vliegen! Het zag er dus al treurig uit, maar wat er gebeurt, gebeurt: ik blijf, dacht ik. Gelukkig kon ik het nog al uithouden, want ik voelde weinig van honger of vermoeidheid. Maar men werd nu gekweld door een treiterenden angst bij de gedachte doornat naar huis te moeten gaan, niet in een warme verheven atmosferische, maar in een zeer kille, aan-den-grond-kleverige, hydrosferische stemming, dank zij een mogelijke teleurstelling en een terugtocht met soppen door de modder in het half donker.

Waarachtig... neen, heusch... daar kwam beweging in de loods... ja... de valschermen schoven vooruit, vooruit... de witte vlakken van het verticale roer sloegen om... de vliegmachine schoof naar buiten. Nu kon iedereen haar goed zien. Statig als een draak in een chineesche optocht omstuwd door de menigte, wordt het monster naar den rail gedragen, waarover het als een reusachtige schaats zal worden voortgedreven om gang te maken. Lefèbvre heeft zich in een blauwe werkkiel gestoken en stapt in. Een paar helpers zwaaien een paar keer de schoepen om. Ze willen zien of ze glad draaien om de trekriemen, die naar den motor loopen. Opeens begint de machine te snorren. De schoepen bewegen 1700 maal per minuut. Men ziet niets meer dan een geel geflits en een grijs geschemer in twee cirkels... Ineens houdt het op. Stil staan de schoepen zooals ze het al uren hadden gedaan. Bah! Zou hij nu opgaan? Tien minuten pauze.... Weer gesnor, weer geschemer van grijze kringen en weer... halt! Duivels! De spanning neemt elke minuut toe. Daar begint hij weer en toch nog onverwacht duwen twee man de machine over den rail vooruit, vooruit. Daar gaat-ie... Nu, eindelijk, eindelijk... nu gaat het gebeuren!..... Of?... Maar ze loopen door, de schoepen zwaaien, de motor snort. Hoera! Hoera!... De witte vlakken drijven vrij, vrij, spottend met den eeuwenouden, onzichtbaren keten, die ons geboeid hield aan de Aarde, drie meter hoog vooruit, vooruit over de wei naar het noorden. Een paard, koeien vluchten weg.