Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 25
Spoorloos glijden de eeuwen en de duizendtallen van jaren aan het Oosten voorbij. Zooals de Heilige Schrift het doen en laten van de bevolking van Palestina, en zooals de Duizend-en-één nacht de verhoudingen en omstandigheden in Klein-Azië en Noord-Amerika schilderen, zoo ziet het er daar in veel opzichten nog heden uit. Misschien zijn de openbare gebouwen en de paleizen der grooten van aanzien veranderd, maar de leemen huizen, waar het volk in woont, zijn dezelfde gebleven als in den grijzen voortijd. Ook de kleeding van de lagere volksklasse in de steden en die van het landvolk is weinig gewijzigd, en het beeld, dat de straten opleveren, waar thans de reiziger belangstelling voor toont, verschilt, in het groot beschouwd, niet van dat uit verafgelegen eeuwen. Dezelfde godsdienstige stelregels en vooroordeelen, dezelfde rechtspraak en staatsinrichting vinden wij nog thans terug, en het klimaat met zijn gelijkmatige hitte heeft zeker niet weinig tot het te voorschijn roepen van het verschijnsel meegewerkt.
Als het nieuwe doordringt, omdat de eischen van het verkeer en den vooruitgang het vorderen, gaat het schoorvoetend, en de bouw van spoorwegen en tramwegen en stoombooten, de invoering van gas- en electrisch licht hebben zoo min als die van moderne rijtuigen en automobielen of de aanleg van telefonen en waterleidingen het aanzien der oostersche steden wezenlijk veranderd. Slechts enkele straten hebben in den regel een europeesch karakter aangenomen. Daarnaast heerscht als te voren het oude, bonte volksleven. In Konstantinopel, in de klein-aziatische steden, in Egypte, overal merkt de toerist dat op.
Het is onbegrijpelijk, hoe rijk aan afwisseling het straatleven in een oostersche stad is, waar in de nauwe straatjes zich alles bont opeenhoopt. De ventende kooplieden laten ieder hun eigen kreet en roep hooren, en elk biedt zijn waren te koop aan op eigenaardig gevormde bladen of in manden van een apart, eigen soort; in de verte al hoort men de limonade- en ijsverkoopers met hun metalen bekers klepperen, om de aandacht te trekken; lekkernijen en voedingsmiddelen zijn in verschillende tijden van het jaar verschillend; maar een vast bestanddeel van het beeld der straten vormen ze zonder mankeeren.
Waar veel vreemdelingen komen, speelt ook de handel in prentbriefkaarten, vliegenwaaiers, wandelstokken een hoofdrol. Niet minder in het oog vallen de talrijke bedelaars. Behalve de in vuile lompen gehulde en soms aan afzichtelijke ziekten lijdende volwassenen zijn er de vele kinderen, die om bakschisch roepen en overal om de vreemden heen zwermen. De werkende inboorlingen dragen bijna alle een lang kleed, den vaak kleurigen kaftan, wijde, beneden gesloten broeken en den schilderachtigen tulband. De ambtenaren en de in moderne denkbeelden opgevoede jongelui zijn europeesch gekleed, maar dragen op het hoofd de roode fez, de tarboesj, zooals men in Egypte zegt. Die heeft langzamerhand de hoogte van den europeeschen hoed bereikt en wordt bij de vele hoedenmakers zorgvuldig telkens weer in den vorm geperst en opgestreken.
De vrouwen, die men op straat ontmoet, zijn in ruime, alles bedekkende gewaden gehuld en hebben meestal een kap over het hoofd. Het benedengedeelte van het gezicht is buitendien door een sluier verborgen, die des te dunner is, naarmate de rang der dame hooger is. In Egypte hangt de sluier aan een band van riet, die boven den neus is aangebracht. Alleen jodinnen, christelijke vrouwen en vrouwen van het land gaan met onbedekt gezicht rond.
Boeren drijven door de steden hun beladen kameelen en ezels in lange rijen, soms hun kudden geiten, die onderweg aan de huizen worden gemolken, op hoeken van straten en op pleinen vertoonen slangenbezweerders en goochelaars hun kunsten, of vertellers en straatmuzikanten houden er de menigte bezig. In de hoofdstraten zitten, waar hun maar plaats wordt gegund, de geldwisselaars aan hun met muntstukken beladen tafeltjes, welk geld in glazen kastjes is geborgen. Hier en daar ziet men een tafeltje, waar een schrijver zit te pennen, wat men hem dicteert ten gerieve van wie niet met pen of potlood kan omgaan. Tusschen alles door rijden dan de electrische trams of mooie, fraai bespannen rijtuigen, of een troep modern gekleede soldaten trekt met militaire muziek voorbij.
In Konstantinopel en Klein-Azië houdt bij zonsondergang het leven van de straat op, en zoodra de muezzin vanaf den toren der moskeeën de geloovigen tot het avondgebed heeft opgeroepen, verdwijnt bij het vallen van den nacht alles in de huizen. Daar deze naar den straatkant veelal geen vensters hebben of dicht getraliede, en daar de straatverlichting meestal zeer gebrekkig is, doet alles zich als uitgestorven voor. Maar in Egypte is dat anders. Hier wordt in de avonduren het beeld, zoo mogelijk, nog levendiger. De talrijke café's, barbierswinkels, vruchtenwinkels en banketbakkerijen, ontsteken tallooze groote lantarens, en lokken de menigte, die er plaats neemt en koffie drinkt uit de kleine kopjes zonder oor, terwijl het aantal der gevraagde waterpijpen vaak den voorraad overtreft. In de vastenmaand Ramadan, als de Mohammedaan overdag geen voedsel tot zich neemt, duurt de straatdrukte vaak tot de morgenuren.
WAARDE, DIE TOT HAAR RECHT KOMT.
Het is al vele jaren geleden, dat men voor het eerst begon te spreken over het water van de vele vallen in Zwitserland als op groote schaal aan te wenden beweegkracht. Langer dan een kwarteeuw is al de uitdrukking van »witte steenkool« oud, waarmee dan het schuim der cascaden werd aangeduid, dat fabrieken en machines aan drijfkracht zou kunnen helpen. Hoewel het door water bewogen molenrad, dat het werk verrichtte in houtzagerijen en meelmolens reeds heel oud is, eerst de laatste tijden hebben we de waterkracht leeren exploiteeren in den dienst der electriciteit.
Deze groote macht laat op treffend doelmatige manier het snelstroomend water voor zich werken en in vele berglanden van Europa worden haar turbines reeds in beweging gebracht door stroomend water. Het allergrootste krachtstation van den jongsten tijd zal dit jaar nog gereed komen in zuidelijk Zweden bij den beroemden Trollhätta-waterval. Daar komen tachtig duizend paardekrachten door omzetting van de levende kracht der watermassa's in electrische energie, beschikbaar voor spoorweg-, gemeente-, industriëele en andere doeleinden. De werken aan den Trollhätta-waterval worden door den zweedschen staat uitgevoerd, welke behalve dezen nog een reeks andere watervallen in zijn bezit heeft gebracht en daartoe een afzonderlijke waterval-administratie opgericht heeft. Bij de plaats Trollhättair stort de Götaelf over een afstand van ongeveer 1000 meter geleidelijk naar beneden, op deze wijze een twaalftal verschillende watervallen vormende. De storting begint bij het eiland Gullön en de laatste vallen liggen bij het Olideloch. Tusschen het laatste en Gullön heeft men een kanaal aangelegd, dat de razende watermassa's bij Gullön opvangen en naar het bij het Olideloch te bouwen krachtstation leiden zal. Het 1400 meter lange kanaal, uit de rotsmassa's door dynamietontploffingen gevormd, zal 252 M3 water in de seconde voortleiden, waarbij men een snelheid van de watermassa's van 2 meter in de seconde berekent. Aan het eindpunt ligt een verzamelbekken, van waar het water in acht loodrechte, bijna 32 M. diep in de rotsen uitgehouwen turbinenkamers stort. Deze laatste monden uit in het aan den voet van den berg liggende krachtstation, waarin acht turbines van elk 10.000 paardekrachten opgesteld worden. Van het krachtstation wordt de electrische kracht naar een groot aantal steden en dorpen geleid.
Met behulp van een voorloopig krachtstation wordt thans reeds electriciteit naar verschillende steden gevoerd. Met den dag der inwerkingstelling van het reuzenkrachtstation zal bij de Trollhätta-watervallen een volledige verandering van het natuurtafereel plaats hebben.
Terwijl thans nog 562 M3 water in de seconde over de glooiingen stort, zal de toekomstige watermassa nog slechts 50 M3 bedragen en in plaats van de wild voortbruisende watermassa's, die de bewondering van de toeristen opwekken, zullen dan de bezoekers de droge, gladgeslepen rotsblokken van het stroombed mogen beschouwen, als zij niet liever elders het altijd nog rijk vertegenwoordigde natuurschoon willen gaan genieten. Ook in noordelijk Zweden zal de staat een groot krachtstation oprichten, om verschillende steden van electrische kracht te voorzien.
Wanneer men bedenkt, dat Zweden jaarlijks voor 60 millioen kronen aan engelsche steenkolen betrekt, die het noodig heeft voor de industrie en het spoorwegbedrijf, is het verklaarbaar dat men overgegaan is tot het partij trekken van de watervallen. Alleen de watervallen, die in zuidelijk Zweden tot ongeveer ter hoogte van Gefle liggen, bevatten een onuitputtelijken, steeds zich hernieuwenden en aanvullenden voorraad levende waterkracht. Dit zijn de »sluimerende millioenen« van Zweden, niet minder belangrijk dan de ertsen en wouden van het land. Nog vormen zij in hun ongebreidelde watermassa's grootsche natuurwonderen, die ook toeristen van heinde en ver aantrekken, doch met den tijd zal zich de techniek in steeds grootere mate van de watervallen meester maken, om zelfs voor de meest afgelegen deelen van het land de veroveringen van de moderne ingenieurskunst toegankelijk te maken.
PLAATSELIJK VERZET OP CERAM.
Hoe eigenaardig plaatselijk in ons Indië het verzet tegen het nederlandsch bestuur kan zijn, blijkt duidelijk op Ceram, waar het landschap of liever het kampongcomplex Ahiolo telkens last geeft. Aanleiding is natuurlijk de tegenzin tegen het opbrengen van belasting of het presteeren van heerendiensten. Maar de oorzaak moet ongetwijfeld gelegen zijn in den instinctieven tegenzin bij deze lieden des wouds tegen den voortdringenden invloed van het geregeld gezag.
Maar hoe is het dan dat Ahiolo een uitzondering vormt tusschen de andere deelen van Ceram?
Ceram is een eiland van een zeer geaccidenteerde vorming; wellicht heeft deze omstandigheid, evenals op andere eilanden van gelijksoortigen bouw, bijgedragen tot het ontstaan van tal van complexen van dorpen, met scherp afgebakend gebied, die geheel onafhankelijk van elkaar zijn.
Op Ceram kan er opstand zijn in Ahiolo, zooals men b.v. in Europa opstand zou kunnen hebben in Frankrijk, zonder dat de andere staten er in gemoeid zouden behoeven te zijn.
Zoo scherp wordt door de lieden van Ahiolo het beginsel van het eigen territoir in acht genomen, dat het verzet zich, hoe fel het ook wezen moge, steeds tot binnen de grenzen beperkt. Troepen-afdeelingen kunnen zich zonder gevaar voor een overval tot vlak bij de grens bewegen. Is deze echter eenmaal overschreden, dan heeft men op zijn hoede te zijn. Ter kenschetsing der zeer eigenaardige toestanden, zij aangehaald, dat lieden van Ahiolo er zich b.v. wel toe leenen willen de goederen van colonnes, die zich van de kust naar dat gebied begeven, te helpen dragen. Zij doen het trouw totdat zij aan de grens gekomen zijn. Maar met geen geld of geen geweld zouden zij er toe te krijgen zijn die goederen verder te helpen brengen. Zij zetten de pakken neer en verdwijnen desnoods in het bosch, om, wanneer de colonne verder mocht trekken, aan de andere zijde der grens op haar te gaan schieten.
Uit de maandelijksche verslagen zoowel als uit de regeeringstelegrammen, die ons nu en dan bereiken, valt op te maken hoeveel moeite dat kleine Ahiolo, waarvan de weerbare bevolking slechts uit enkele honderden mannen bestaat, aan het gezag geeft. Met hand en tand weert het zich tegen den vreemden invloed. Veel vooruitgang is er niet te bespeuren. "Of de schuld daarvan ligt aan onvoldoende of slecht geleide militaire actie? Dit zouden wij niet weten te beoordeelen," zegt de Java-Bode en gaat dan voort:
"Wel achten wij het van groot belang, dat krachtige maatregelen zouden genomen worden om zoo spoedig mogelijk aan dezen treurigen toestand een einde te maken. Daargelaten het betrekkelijk groot verlies aan menschenlevens--althans onzerzijds, de lieden van Ahiolo weten zich goed te dekken en zijn moeilijk te raken!--kan ons gesukkel niet strekken om ons prestige in die streken te verhoogen.
Gelukkig, dat elders in het Oosten van den Archipel gezondere toestanden bestaan, en dat, al moge er nu en dan nog wel eens een op zichzelf staande daad van weerspannigheid tot gewapend optreden op kleine schaal nopen--wat meestal slachtoffers eischt--het er daar steeds rustiger en normaler begint uit te zien."
OVER DEN ROEWENZORI.
De hooge top in Midden-Afrika, waarheen de hertog der Abruzzen in 1906 een expeditie heeft ondernomen en die ook wel Roenssoro wordt genoemd, is pas in 1888 door Stanley ontdekt. In verschillende talen is het reisverhaal van den hertog reeds verschenen, zooals het uit aanteekeningen van den hertog en van zijn tochtgenooten is opgesteld door zijn italiaanschen vriend en vroegeren reisgenoot, F. de Filippi.
Men krijgt eerst een overzicht over de geschiedenis der ontdekking van den Roewenzori, die bezocht is geworden door zeer veel reizigers en wetenschappelijk gevormde Alpinisten, helaas, met het gevolg, dat de meeningen over de geleding van het gebergte en de identiteit der afzonderlijke toppen er al verwarder door werden. Ook over de hoogten van de toppen liepen de opgaven sterk uiteen.
Aan die verwarring heeft de reis van den hertog der Abruzzen, Amadeus van Savoye, een eind gemaakt. Hij en zijn medearbeiders hebben door hun wetenschappelijken tocht een verdienstelijk werk gedaan.
Uit het eigenlijke bericht der expeditie ziet men, dat ze Port Fortal den eersten Juni verlieten en dat midden Juli al het op het programma staande werk verricht was, dank zij den ijverig volgehouden arbeid. In het aanhangsel worden de astronomische, topografische, meteorologische en magnetische waarnemingen en de natuurwetenschappelijke verzamelingen besproken.
Wij geven in ons hoofdblad binnenkort het reisverhaal in extenso, waarbij onze lezers den opgewekten, prettigen verhaaltrant zullen kunnen waardeeren.
MOSSELTEELT.
De mossel wordt ook in ons land met smaak verorberd, maar niet in zoo grooten getale als in Frankrijk, waar men in sommige streken aan mosselteelt doet, zooals bij ons aan oesterteelt. De voortplanting van de mossel is voor een deel nog onopgehelderd; maar de vruchtbaarheid is zeer groot, dat is van algemeene bekendheid. Een groot deel van het broedsel gaat natuurlijk verloren, wordt door den zeewind mee voortgesleurd of komt in het oeverslijk terecht en sterft er. Maar er blijft nog altijd een aanzienlijke rest over, die zich vasthecht aan het rotsgesteente. De ontwikkeling der mossel heeft dan betrekkelijk vlug plaats; na afloop van twee tot drie maanden heeft de jonge mossel een middellijn van eenige millimeters bereikt.
Dan komen de telers en maken de jonge mosseltjes los, die altijd bij verscheiden duizenden als een tros aan elkander hangen, om ze over te storten in zakken van fijn netwerk, die ongeveer twee liter kunnen bevatten. Die zakken zijn gemaakt van stukken van oude, zeer fijne netten, die meestal vroeger voor de sardinenvangst hebben gediend. De met jongen gevulde netten worden vervolgens op eigenaardige wijze behandeld. Diep in het water gedreven palen, die ongeveer anderhalven meter boven het water uitsteken, worden door stevig samengevlochten takken van kastanjeboomen met elkaar verbonden. De terreinen voor de teelt moeten steeds zóó zijn gelegen, dat ze gedurende de helft van den tijd der eb volkomen droog liggen.
Op dien tijd van den laagsten waterstand worden de zakken met mossels, altijd op afstanden van een halven meter, midden tusschen de in elkaar gevlochten takken bevestigd. De rustelooze golven der zee omspoelen het fijne netwerk en de jonge mossels groeien en doen dan de murw en slap geworden omhulling van de zakjes bersten. Maar dat is geen bezwaar, want de mossels hebben dan hun eigen veerkrachtigen draad, den byssus, verkregen, met welks hulp ze zich in het takwerk stevig hebben vastgezet.
Na achttien maanden ongeveer hebben de mossels hun volkomen ontwikkeling bereikt en zijn geschikt voor den verkoop. De telers maken in den tijd van den laagsten waterstand de takken van de palen los. Die zijn dan geheel door mossels overdekt, en men kan de schelpen plukken als de vruchten van een boom.
Behalve op die manier wordt ook nog wel een andere methode toegepast. Daarbij worden boomtakken, meestal tamarindetakken, maar ook andere, loodrecht in den weeken grond gestoken, zoodat ze een boschje vormen, waarvan de golvende punten boven de zee heen en weer wuiven. De jonge mossels worden op dezelfde wijze, als te voren beschreven, in fijne netten gedaan en in de takken vastgemaakt, en het dichte takkenwirwar kan zeer veel netten bergen. De oogst heeft eveneens ongeveer na achttien maanden plaats. De op die manier geoogste mossels noemt de Franschman tamarinières.
De opbrengst is ook dan zeer groot, maar het is een verbazend moeilijk werk, de schaaldieren uit het dichte gewemel van takken uit te plukken. En dan heeft men bij deze methode nog het bezwaar, dat zich veel slijk heeft vastgezet in de massa, terwijl bij de andere manier het water ongehinderd onder de drijvende wanden van takken kan doorstroomen. Men teelt de mossels graag aan de mondingen van rivieren, omdat het sterk bewogen water uitstekend voor de voeding der dieren zorgt en hun groei bevordert. Daarbij moeten de mossels een voorliefde hebben voor de plaatsen, waar zout en zoet water samenkomen.
EEN NIEUW MODERN DORP.
Sint-Petersburg, Karlsruhe en nog meer andere steden zijn verrezen op wensch of bevel van een bepaald persoon, in beide gevallen een regeerend vorst, maar nu krijgen we in een uithoekje van ons eigen land een dergelijk voorbeeld van een nieuw te stichten modern dorp.
Er is namelijk in het jaar 1847 in Zeeuwsch-Vlaanderen een gedeelte ingepolderd van het Verdronken Land van Saeftingen, waarna er een zeer vruchtbare polder ontstond, gedeeltelijk gelegen in de nederlandsche gemeente Clinge en 544 H.A. groot. Voor een kleiner deel ligt de polder in de belgische gemeente Kieldrecht.
In die Prosperpolder hebben zich verscheiden boeren gevestigd en ze hebben er prachtige hofsteden doen verrijzen. Door de vestiging van landbouwers zijn er natuurlijk nijveren heengelokt, smeden, bakkers, schoen- en kleermakers, timmerlieden, winkeliers en herbergiers. De erfgenamen van den Prins van Aremberg nu hebben in deze streek belangrijke eigendommen liggen, en thans zijn zij voornemens, daar een nieuwerwetsch dorp te stichten.
Er wordt een straat aangelegd van circa 12 Meter breedte. In het midden komt een steenweg voor de voertuigen, daarnaast klinkerpaden van 2 Meter breedte voor de voetgangers, verder een pad voor wielrijders en twee rijen boomen. In de volgende maand begint men met het bouwen der woningen, die alle volgens den laatsten trant zullen worden ingericht en alle gemakken zullen bevatten.
Er zijn reeds meer dan 100 aanvragen ingekomen, om huizen te mogen bouwen in het nieuwe dorp.
In het midden van de straat komt een prachtige kerk met pastorie, die reeds aanbesteed is.
PLASMOLEN'S SCHOON.
Lang is het reeds geleden, maar nog kan ik doen leven, al de beelden en gewaarwordingen, die me bestormden en overweldigden, toen ik voor het eerst door het bosch van den Jansberg ging, komende van Groesbeek in de maand Augustus, om een colléga, wonende aan den Plasmolen, te bezoeken, en wanneer ik thans een opgetogen vriend toonen kan al 't mooi van wat ik langzaam aan heb liefgekregen, voel ik al de blijheid weer van toen. Zijn verwondering en vreugd over al dat nergens nog geziene, maakt alles weer voor je nieuw, doet je goed en streelt, als vleitaal de jonge moeder over haar kind.
't Mooie Hôtel "De Plasmolen", dat in zijn blankheid oprijst aan het water, staat daar als blijk van erkenning van 't schoon der natuur, doet soms denken aan een tempel waar 's zomers komen om te rusten, vermoeiden van het leven, ter aanbidding van de godheid, die een oord zegent met zooveel schoon. Want zeker zeg ik niet te veel, als ik beweer dat 't schoon van de streek oorzaak is van den meer dan buitengewonen groei van 't Hôtel natuurlijk niet gerekend buiten de krachtige leiding der heeren van der Grinten en Cremer, de pachters van 't Hôtel, die mede hun aandeel hebben aan de ontwikkeling van 't kleine primitieve Hôtel de Plasmolen tot het modern ingerichte Hôtel van nu, dat iedere toets doorstaat.
Nergens vond ik een natuur die nog zoo onbedorven is gebleven van de steeds voorwaarts dringende cultuur, die helaas, zooveel van 't echte zuivere schoon bederft; geen vereeniging ter bevordering van 't vreemdelingenverkeer drukte op deze streek haar stempel; nog kwam geen bouw van villa's dissonanten brengen in de harmonie van 't geheel; nog ongeschonden of verminkt, leeft daar een leven als niet van onze eeuw, droomt nog een poëzie, vreemd aan onze dagen, ontroerend soms en angstig, voor hen die uit den gang van 't jachtende leven komen. In 't bosch fluisteren nog stemmen uit lang vervlogen dagen; de weelderige groei van boomen en planten draagt nog een oerkarakter, zooals men nergens anders vindt.
Trotsche eiken met hun grilligen groei, soms zwaar getooid en bekropen door klimop en kamperfoelie, verrijzen naast beuken en berken, terwijl varens en paardenstaart, die een hoogte van twee meter hier bereiken, braamstruik en woudroos, een wildernis formeeren, die soms denken doet aan verhalen van Aimard, en verwonderd zou men bijna niet zijn, een Indiaan te zien, jagend op het een of ander wild. 't Sterk heuvelachtig terrein biedt soms panorama's van uren uitgestrektheid, waarin 't bewegen van de menschen, ons eerst de kleinheid daarvan voelen doet, voert dan weer in valleien van een plechtig somber schoon. Veelal zijn de heuvelen begroeid met dichte rijzende stammen van dennen, waaronder een klaar zilverachtig licht. Het schijnen soms sprookjes-paleizen in roerende rust, tempels van eenvoud, tempels van God met gewijde harmonieën, als ruischend de wind speelt met de toppen der boomen. Dan weer is 't een meer, geheimzinnig zich verliezend in 't dichte geboomte, als wilde 't zich verbergen voor onbeschaamden blik, gevoed door kabbelende beekjes, zoo helder als kristal, zacht zingend voorwaarts huppelend als spelende knapen. Hier spreekt eerst de stem van de stilte; het schijnt alles overtogen met een waas van mystiek. Geen geluiden van 't groote leven dringen tot hier door; 't al ademt een geest die tot mijmeren ons noopt, opvoert tot een hooger schoon, door zoo plechtige stilte en roerende rust, voorwaar dus een oord voor hem, die te rusten begeert van 't nerveus bewegen eener groote stad, kalmte zoekt voor zijn geest.
En hoezeer is deze streek veelzijdig en afwisselend! De historische Mookerhei, die zich uitstrekt achter het hotel, roept de herinnering aan Mauve in ons op en is schilderachtig en rijk. Hier stijgt zingend de leeuwerik omhoog, vliegt krijschend de kievit boven het hoofd van den wandelaar, genieten de schonkige koeien een ongekende ruimte. Hier teekent zich de zandweg tegen 't donkere groen van een dennengroep; hier is de rust van een ander karakter, zingt de fee van het natuurschoon een anderen zang. Ginds staan de huizen van 't landvolk te droomen als neergesmeten langs de wegen, die zwaar zijn doorploegd van 't spoor van de karren, en stil rijst boven de daken, schitterend in 't blauw van de lucht, lieflijk de kerk van het dorp; 't is of de hand van een kunstenaar, bedreven en los, hier alles plaats gaf.
Onder aan den boschrand, waarvan de lijnen muziek zijn, zich verliezend in blauwende verten, zich oplossend in het Reichswald, strekken zich de vennen uit.
Groote plassen, waarin de trotsche woudreus, als bewust van zijn pracht, zijn eigen schoonheid te bewonderen staat, geheel zijn rijkdom van takken en blad bevende teekent, tegen een schitterende lucht, kunnen, als de regen neerdrupt uit zwaar zwarte wolken, stemmen tot den plechtigsten ernst.