Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 23
Ook over het tatoeëeren spreekt deze briefschrijver. Op de afbeeldingen is alleen aan het middelste vrouwen-portret de getatoeëerde kin te zien. »Tatoeëeren is een zeer tijdroovend en langzaam werk. Eerst worden de lijnen met houtskool geteekend, dan centimeter voor centimeter uitgesneden of geprikt, en, nadat het bloed gestelpt is, de narahu (blauwe verf) er in gegoten. Tatoeëeren is nog steeds in zwang [1]. Opperhoofden en hun kinderen zijn allen te herkennen aan hun moko. Een prinses die ik ontmoette was aan kin en lip getatoeëerd. In de dagen toen lezen en schrijven in Maoriland geheel onbekend waren, werden de door de Engelschen opgestelde belangrijke stukken door de opperhoofden onderteekend met een ruwe kopie van hunne speciale moko.«
Ten slotte nog de volgende regels uit bovengenoemden brief:
»In de nabijheid der steden zijn de Maori beschaafd en hun kinderen bezoeken de scholen, hoewel zij zich geheel van de Engelschen afscheiden en een volbloed Maori nooit voor een blanke werken zal. De Maori--hier kom ik aan een moeilijk punt--hebben hun land voor het grootste gedeelte aan de Engelschen afgestaan. Oogenschijnlijk bestaat er volkomen vrede tusschen inboorlingen en vreemdelingen, maar een zendeling, die al jarenlang onder de Maori werkzaam was, vertelde mij dat, wanneer de gebeden uit het »Commonbook of Prayer" der Engelsche Kerk opgezegd worden, de Maori met de grootste aandacht en ernst de woorden aanhooren en nazeggen--maar als de onervaren zendeling het gebed voor het behoud van den koning van Engeland uitspreekt, verlaten alle aanwezigen de kerk, of verhinderen hem voort te gaan. Zij erkennen maar één koning: hun eigen Maori-koning.
Sommige Maori nemen een groot aandeel in de politiek van het land, en een der grootste redenaars in het parlement van Nieuw-Zeeland is een Maori. Dokters, advocaten, schoolmeesters en vooral zendelingen hebben de Maori opgeleverd. Hun intellectueele gaven zijn volstrekt niet gering. De zendelingen zijn haast overal doorgedrongen en geheele dorpen zijn tot het christendom bekeerd. Toch is nog een groot gedeelte van de Maori-bevolking heidensch en barbaarsch. Ik heb King's Country op het Noordelijk Eiland reeds genoemd, en niet alleen dáár, maar in menig eenzaam fjord of ingesloten vallei, vindt men nog ware Maori-Pa's (dorpen) waar vuile, half-wilde menschen in matten gehuld, op den grond zitten, de pijp steeds in den mond, en..... ja, wie zal hun gedachten kennen?«
Het is te hopen, dat men deze Maori-Pa's voorloopig late zooals ze zijn. Zoolang de beschaving aan deze barbaren niets beters kan brengen dan zij gewoonlijk aan zulke menschen geeft, moet zij zich maar achterbaks houden.
Joh. F. Snelleman.
Oostvoorne, 8-VI-'09.
[1] Ook bij ons. Te Rotterdam is zelfs een "Electrische Tatoueerinrichting" (St. Laurensstraat 89). Achter het venster hangt een groot papier, waarop een aantal moko's zijn afgebeeld: zeemeermin, vogels, hondenkop, balletdanseres, zeeman aan een grafzerk waarop R. I. P., spreuken, als True love, e. d., doorboord hart, schepen, ineengelegde handen, en velerlei andere voorstellingen.
Sn.
FEEST AAN DE DEDEMSVAART.
Op 9 Juli zal men het honderdjarig bestaan van de Dedemsvaart herdenken, of ten minste den hondersten verjaardag van het oogenblik, dat de eerste spade in den grond werd gestoken. Dat was toen een groote triomf voor Mr. Willem Jan, baron van Dedem, naar wien het kanaal zijn naam draagt, en die eigenlijk zijn gansche leven en zijn fortuin aan de verwezenlijking heeft gewijd van het grootsche plan, door zijn schoonvader, Gerrit Willem van Marle, ontworpen en op touw gezet.
Van Marle had groote bezittingen in de Avereester venen, waar de woeste, ongerepte veengronden zich uren ver ook buiten zijn eigendom uitstrekten en waar de uiterst armoedige streek tot welvaart en ontwikkeling zou kunnen komen, als men de schatten van den bodem maar zou kunnen ontginnen. Maar daartoe was het volstrekt noodig, dat er een afvoerkanaal kwam, waarlangs men de turf kon verschepen, een kanaal, dat in verbinding stond met een bevaarbaar water. Van Marle nu hield zich in de tweede helft der 18de eeuw ernstig met dat vraagstuk bezig. Hem zweefde als ideaal voor een vaarwater, dat ten oosten van Hasselt de uitgestrekte venen in zou gaan en tot aan de Vecht zou worden voortgezet.
In 1791 had hij een plan gereed, maar het vond geen genade bij de autoriteiten in de provinciale hoofdstad, die voor den transitohandel van hun stad nadeel vreesden van het geprojecteerde kanaal en die, inziende wat er goeds was in het idee, om aldus een groot deel van Overijsel uit zijn isolement op te heffen, met een ander ontwerp kwamen, dat van Zwolle uit met een groote bocht naar Hardenberg liep. Kampen en Deventer steunden zusterlijk dit veel kostbaarder plan. In 1799 stierf Van Marle, zonder dat men iets verder was gekomen.
Zijn oudste dochter trouwde in 1802 met Mr. Willem Jan, baron van Dedem, die toen hij met de plannen van zijn overleden schoonvader kennis had gemaakt en zich erin had gewerkt, vol ambitie er propaganda voor ging maken en met de door Van Marle verzamelde bouwstoffen de verwezenlijking zich ten taak stelde. Daarvoor ontzag hij geen moeite; hij bezocht de reeds bestaande veenkoloniën in Groningen, Friesland en Drente, liet zich te Annerveen voorlichten door den kundigen Grevelink, studeerde de landmeet- en waterpaskunde, onderhandelde met de eigenaren over afstand van grond en had eindelijk een ontwerp klaar van een breed scheepvaartkanaal, dat van Hasselt uit in vrijwel vlak oostelijke richting naar Ane aan de Vecht zou loopen.
De tegenstand van de Overijselsche steden werd nu ondervangen door een beslissing, die aan koning Lodewijk Napoleon was ontlokt ter gelegenheid van een bezoek, dat de koning in het voorjaar van 1809 aan de noordelijke provincies bracht. Het Zwolsche plan kwam den koning te omslachtig voor, de rechte lijn naar Ane aan de Vecht trok hem aan, en Van Dedem, handelende voor de erven Van Marle, verkreeg bij Koninklijk besluit van 22 Maart 1809 concessie tot kanalisatie. Den 9den Juli daaraanvolgende werd de eerste spade in den grond gestoken.
Het begin was er toen wel, maar daarmee was men nog niet over de moeilijkheden heen. Integendeel. Eerst ging alles goed, want reeds in 1811 was het eerste gedeelte van Hasselt tot Oosterhuizerveld onder Avereest voltooid, waar men met de eigenlijke vervening kon aanvangen. Men legde ook zijkanalen en wijken of wieken aan en zelfs was de hoofdvaart in 1825 al tot de marke Lutten doorgetrokken; maar intusschen waren de financiëele moeilijkheden voortdurend grooter geworden en na verscheiden leeningen, die de onderneming op de been hielden, was men genoodzaakt de vaart aan het Rijk over te doen voor een som van bijna viermaal honderdduizend gulden. Dat was in 1826.
Twee jaar later kocht Van Dedem, weer met vreemd kapitaal gesteund, de vaart met al haar objecten terug, om door den aanleg van nieuwe werken en de voortzetting van het hoofdkanaal in oostelijke richting opnieuw de geldelijke moeilijkheden op zich te zien aanstormen en eindelijk in 1845 de geheele Dedemsvaart met zijkanalen en aanhoorigheden voor bijna 4½ ton over te dragen aan de provincie Overijsel. Die is nog eigenares; zij heeft de vaart tot aan de Vecht doorgetrokken, voltooide de doortrekking van het zijkanaal naar Ommen, van de Lutterhoofdwijk naar Coevorden en van het Lichtmiskanaal, dat de Dedemsvaart met den benedenloop van de Vecht verbindt. In 1867 was alles klaar.
In 1859 heeft men op het marktplein te Avereest een eenvoudig monument voor Van Dedem onthuld. Het dorp Dedemsvaart met zijn ongeveer vijf duizend inwoners aan de vaart van denzelfden naam en aan de spoorlijn Meppel-Zwolle is ook zelf reeds een monument voor ontwerper en uitvoerder van het ontginningsplan, voor Van Marle en Van Dedem!
ENGELAND VERSUS DUITSCHLAND.
De Graphic zei op 19 Juni: »Het duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken is niet altijd vijandig tegen ons; er gaan wel eens welwillende uitlatingen door de pers over Groot-Brittannië en zijn bedoelingen. Dat is de waarheid; maar het gebeurt om licht begrijpelijke redenen. Vooreerst omdat er een conflict bestaat tusschen de heerschende zienswijzen en dan omdat het vaste plan bestaat, de britsche publieke opinie in slaap te sussen.
Wat het eerste punt aangaat, is het opmerkelijk, dat terwijl de permanente staf van het duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken bijna tot den laatsten man Engeland vijandig gezind is, er onder de administratieve hiërarchie nu en dan vriendelijker gevoelens worden gekoesterd. Wij kennen daarvan voorbeelden, en die voorbeelden zijn er niet al te best bij gevaren à propos van hun eigen vooruitzichten.
Aan den anderen kant draagt Buitenlandsche Zaken er angstvallig zorg voor, dat er nu eens naar een berlijnsche, dan naar een keulsche, dan weer naar een leipziger courant artikelen gaan met pro-britsche gevoelens, die, naar men mag hopen, zullen werken als een nationaal kalmeeringsmiddel en door de tegenstelling nog meer kracht zullen verleenen aan de ernstige beschuldigingen, die het ministerie zelf heeft uitgelokt. Diegenen dan, die de welwillende paragraaf lezen, geïsoleerd, als ze daar staat, moeten bedenken, dat toch den geheelen tijd door de stille veldtocht aan den gang blijft over andere lijnen.
Denkelijk weet het engelsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken dat wel, en dat kan verklaren, waarom ministers zulk een ernstigen toon aanslaan in hun redevoeringen. Het geeft ook de verklaring van het feit, dat er vermeerdering moet komen op ons programma van scheepsbouw. Laat niemand vergeten, dat de duitsche pers, die niet enkel in Duitschland werkt, de gevoelens van Middel-Europa te onzen opzichte heeft gericht tegen ons, en het zal niet lang duren, of we zullen onze krachten kunnen meten, als het engelsch-russisch-fransch verbond een meer definitieven vorm aanneemt, gevolg van meer daadwerkelijke sympathie en meer gemeenschappelijkheid van belangen.»
Dit was in de week van 's Keizers bezoek aan den Czar in de finsche scheren! Dat was ook een leelijk prikkelende ervaring voor de engelsche conservatieven en imperialisten!
OP DEN UITKIJK.
IJSBERGEN.
Er is niets gezonders en bekoorlijkers dan een oceaanreis van New-York naar Europa in den zomer, vooral als men een boot treft, die niet al te veel haast maakt, zoodat de longen van stadsmenschen de volkomen stofvrije, geurige zeelucht lang kunnen genieten, en de al evenzeer mishandelde zenuwen van de stedelingen kalmer, al kalmer kunnen worden. De lucht, de eenzaamheid en de stilte op zee, de vroolijke gezichten der medereizigers werken als krachtige geneesmiddelen. Het is merkwaardig, hoe snel men indommelt, als men languit in zijn dekstoel ligt, in gesprek met den buurman of de buurvrouw, of in gezelschap van een boek uit de scheepsbibliotheek of enkel kijkend naar de bewegelijkheid der zee, die bij mooi weer zoo glad en stil is als een dorpsvijver. Daarbij het gedempte, uit de diepte omhoog klinkende, doffe, gelijkmatige stampen der geweldige machines, rom di bom; rom di bom; rom di bom. Eer men het merkt, is men ingeslapen.
Veel menschen, de geblaseerden, vinden dat schrikkelijk vervelend; vooral de nerveuse Yankee komt in opstand tegen dit idyllische leven aan boord, dat hem dwingt, zijn geliefden galop door het leven een oogenblik te staken en daarvoor in de plaats rustig op het promenadedek heen en weer te loopen of zelfs wel stil te zitten. Hij kan met den besten wil niet tot draven komen; hoogstens kan hij shuttle-board op het dek spelen, een soort van kegelen met vlakke houten schijven, die de speler met lange stangen schuift in een met krijt op het dek geteekend vierkant, dat in kleine, van getallen voorziene velden is ingedeeld. Elken morgen teekent met jobsgeduld de scheepsjongen dat vierkant op het dek. Of de reiziger kan touwen ringen op een houten spies werpen, of kaart spelen in den rooksalon, of dam en domino, of brieven schrijven of pianospelen in de eetzaal. Meer kan hij echter met den besten wil niet doen.
De mensch met nog niet geheel zieke zenuwen krijgt door die eentonigheid juist den indruk van de bekoorlijkheid der vaart. Alleen het marconitoestel boven op het bootendek, gewoonlijk in de buurt van het officiershuisje, levert een klein beetje zenuwprikkeling voor een wereldstedeling. Daarom krabbelt hij ook al gauw tegen de steile scheepstrappen op, om zich door een beambte in de geheimen van het Marconisysteem te laten inwijden. Veel beteekent het nieuws meestal niet; het is dan bij voorbeeld, zooals een schrijver in de Gartenlaube dezer dagen schreef; »Wij staan in verbinding met de Lusitania van de Cunardlijn!" of: »De Keizer Wilhelm is binnen bereik op de vaart naar New-York. Aan boord alles wel. Van avond om zeven uur komt het schip voorbij, waarschijnlijk zeer dichtbij aan bakboord!" of: »De Baltic van de White Starlijn raadt voorzichtigheid aan, want een groote ijsberg drijft naar het Zuiden, van New-Foundland komend!"
Sapperloot, dat is nog eens iets; God zij dank, daarover kan men nog eens in opgewondenheid geraken! Vooral als de reiziger nog nooit zulk een monsterding heeft gezien. Maar of de ijsberg wel echt zal komen? Den volgenden morgen loopt de reiziger zenuwachtig aan bakboord rond en wacht op den ijsberg. Met den kijker zoekt hij geduldig aan den horizon. Maar hij ziet niets. Den tweeden officier houdt hij vast en zou van hem willen weten, of hij den ijsberg nog niet heeft gezien.
»Zeker, daarginds is hij immers!" Maar de stedeling met de zwakke stadsoogen kan hem niet vinden. Eindelijk heeft hij hem met de hulp van den officier gesnapt, juist toen het concert van de muziekvrienden op het dek begint. Anders is dat een genoegen voor hem, maar thans heeft hij enkel oog en zin voor den ijsberg. Snel komt het gevaarte naderbij. Vooreerst is de ijsberg niets bijzonders, eenvoudig iets wits, op een wolk gelijkend. Maar dan wordt het duidelijker, en na een geruimen tijd is hij dichtbij, een echte, drijvende berg van ijs. Hij verheft zich in stralende kleuren, helder wit of heldergroen in de zon, zachtblauw in de schaduw, op het groenachtig blauwe water, afstekend tegen den blauwen hemel, en hij fonkelt en glinstert in het licht, alsof hij met diamanten bezet was. Als een machtige koning van de zee ziet hij eruit, gehuld in met edelsteenen bezetten grootschen hermelijnen mantel. En vol majesteit als een koning beweegt hij zich.
Alle passagiers genieten van het heerlijke schouwspel onder uitroepen van bewondering. Mooi en vreedzaam tegelijk doet hij zich voor, en de gedachte heeft bijna iets melancholieks, dat zijn rijk zoo vergankelijk is. Spoedig zal hij op zijn tocht naar het Zuiden in den warmen Golfstroom aanlanden, en daar zal hij smelten en zich in water oplossen. Men kan zich daar eigenlijk niet over bedroeven, want zoo heel ongevaarlijk is hij niet. In donker of in den nevel kan hij gruwelijke onheilen aanrichten, als hij niet tijdig wordt bemerkt en met een stoomboot in botsing komt. Verscheiden van de groote transatlantische stoomers zijn aan zulke botsingen ternauwernood ontkomen. Het monster zou het grootste schip als een noot kraken. Wie weet, hoeveel rampen ter zee, die nooit opgelost werden, aan ijsbergen moeten worden toegeschreven!
En het gevaar is niet alleen bij botsingen te zoeken. De kapiteins weten zeer nauwkeurig, dat maar ongeveer een negende van een ijsberg boven water uitsteekt. Het andere deel strekt zich ver onder water uit, vaak vrij vlak als een ijsveld. Dan kan het de stoomboot overkomen, dat ze op dit onzichtbare veld vast komt te zitten, of zich een gat in den romp boort. Zelfs bij helder weer en op klaarlichten dag maakt een voorzichtige kapitein een grooten boog om den ijsberg heen, al ziet die er ook nog zoo onschuldig uit. Hij weet buitendien, dat er in den berg, vooral onder water, voortdurend veranderingen plaats hebben, en dat de gevaarten ook de neiging hebben, plotseling om te wippen en om zoo te zeggen, op hun hoofd te gaan staan, als het onderstel te licht is geworden.
Waar komen de ijsbergen vandaan? Natuurlijk uit de streken van het eeuwige ijs, van Groenland en de Noordpool. Het zijn immers niet anders dan geweldige brokken, die van een arctischen gletscher zijn afgebroken. Het moet een prachtig en indrukwekkend schouwspel zijn, als zulk een reuzenkind van ijs zich losscheurt van de gletschermoeder. Gewoonlijk drijven de ijsbergen in een zeer bepaalde richting met vasten koers; eerst gaan ze met den Labradorstroom langs de kust en langs New-Foundland, om dan verder zuidwaarts te gaan. Dikwijls stranden ze als schepen in de buurt van St.-John op New-Foundland; dat kost dan aan duizenden visschen het leven, die verpletterd worden door de massa onder water en later naar de oppervlakte drijven. Vaak ook blokkeeren de ijsbergen de haven van St.-John of komen er binnen.
Omvang en vorm van de ijsbergen zijn zeer verschillend; er zijn er, die aan kerken, andere die aan oorlogsschepen herinneren of aan heusche gebergten. Die, welke een reiziger in den Atlantischen Oceaan kans heeft, tegen te komen, zijn meestal tafelvormig met vrij rechte wanden, ongeveer als reuzenblokken marmer. Van gestrande ijsbergen heeft men wel eens den inhoud berekend, en komt dan tot cijfers van millioenen tonnen.
TROPISCH NEDERLAND.
Tropisch Nederland. Indrukken eener reis door Nederlandsch-Indië door Charles Boissevain. Haarlem, H. D. Tjeenk Willink & Zoon, 1909.
Zeg niet, dat ge al zooveel reisbeschrijvingen over ons Indië hebt gelezen en dat ge wel kunt gissen, wat ge hier onder de oogen zult krijgen, want dit boek over het toch nooit genoeg gekende onderwerp staat werkelijk op zichzelf als stellig het opgewektste prettigste boek, dat over onze kolonie in ons land is geschreven. Het is een boek, om in eigendom te hebben voor ieder, die in Indië belangstelt en voor allen, die dat zouden moeten doen, een boek, om dikwijls op te slaan, als pessimisten u weer met hun Schwarzseherei hebben gehinderd.
Want hier is een optimist aan het woord, maar een, die voor zijn geloof aan de toekomst redenen weet aan te geven en die u weet mee te sleepen tot dat vertrouwen, dat de noodzakelijke voorwaarde is voor wat er in Indië nog moet worden ondernomen, als wij aan onze hooge roeping daar zullen beantwoorden. De in Indië geboren dagbladartikelen heeft de schrijver wat verzorgd en aangekleed, en zelf zegt hij, slechts indrukken te geven, geen vruchten van studie en onderzoek.
Maar hoe verfrisschend is de geest, die u uit het boek tegenkomt; wie zonder vooroordeel zich daaraan overgeeft, dien moet het blij te moede worden en hij moet zich voelen komen onder een invloed, die niet anders dan prikkelend kan werken op zijn levensmoed en zijn werklust. Al dadelijk de inleiding is treffend; hoe gelukkig zou het wezen, zoo er velen waren, wien zij als uit het hart is geschreven.
Laat mij enkele aanhalingen geven.
»Een gevoel, dat de jeugd kenschetst, verheugde mij telkens op Java en Sumatra. Daar was het mij weer mogelijk te ontwaken met het besef, dat de dag wellicht iets zeer nieuws en schitterends brengen zou. Zulk een gevoel licht den last der jaren van de schouders en verjongt ons. Elke reis is een avontuur en men moet soms op avontuur de wereld in, zoolang de krachten reiken.
En niet om te hervormen, om te gispen en te veroordeelen keek ik, die geen der indische talen spreken kon, gedurende die enkele weken om in de zonnige wereld van zomerland. Het eenige wat ik mij voorstelde te doen was te vertellen, hoe ons Indië een Nederlander trof, die na veel in de wereld gezien te hebben, op zijn 66ste jaar het voor het eerst bezocht. Daarom trachtte ik Indië zachtjes op mij te laten inwerken.
Na elke reis beseft men weer levendiger, dat niets de plaats kan innemen van het rechtstreeks en persoonlijk zien van datgene, waarin men belang stelt.
Telkens hoort men menschen van jaren spreken van »rust«. van »onwankelbare instellingen«, maar voor mij is de groote betoovering van het leven juist dat het van wieg tot graf een voortdurende crisis is. Wij hebben geen vaste woonplaats op aarde... wij zijn op reis, op ontdekking van onszelven uit. Wij zijn avonturiers en zoeken en speuren«.
En dan dat wondermooie eerste hoofdstuk, dat heet: »Een Verjongingskuur«.
»Ik ben op weg naar Java! Toen ik jonger was, kon ik niet zoo lang weg. En nu is het juist tijd, om het te doen, terwijl ik nog betrekkelijk jong ben. Want wie langs de zonnige zijde van zeventig door het leven gaat, is nog niet oud.
Wat ben ik gewaarschuwd tegen lange reis en fel klimaat, toen men hoorde, dat ik naar Indië wilde gaan. Iemand van bijna 66 kon niet voor 't eerst van zijn leven naar Indië trekken... dit was roekeloos en onverantwoordelijk.
Maar ouderdom is geen zaak van chronologie. Het innerlijk daarop komt het alleen aan, en zoo voor man als vrouw geldt: ze zijn zoo jong, als ze zich gevoelen. In Engeland biologeert men zichzelf niet, door zich ontijdig--onwijs op een geboortebewijs afgaande--oud te noemen. Men suggereert oud worden noch aan zichzelf, noch aan zijn vrienden. Men blijft levenslustig... men blijft werken... in de open lucht wandelen... zijn kamers ventileeren... 's winters in open rijtuig rijden... en geen land dan ook, waar zooveel frissche en krachtige menschen van omstreeks de tachtig leven als in 't Britsche Rijk.
Zeker, er komt een tijd in 't leven, wanneer men lichamelijk eenige verzwakking ondervindt. Maar dan is het juist ook de tijd om te reageeren en niet toe te geven aan het waanwijze suggereeren van ouderdom bij voorbeeld door een steile trap. Want als men die suggestie gehoorzaamt, dan gevoelt men zachte indolentie stillekens en onhoorbaar ons naderen... men glijdt in gemakkelijke stoelen en loopt weinig. Men rijdt niet meer te paard of op een tweewieler, men geeft toe aan de vadsigheid, welke ieder mensch is aangeboren.
Neen, dat is zich oud maken met voorbedachten rade! Men moet in beweging blijven, levenslust moet ons drijven naar buiten, naar zee, naar de bergen, naar den tuin... men moet bezig zijn, arbeiden, arbeiden, arbeiden, lezen, denken... men moet het een vernedering vinden ontijdig onder de oude mannen en vrouwen plaats te nemen in 't zonnetje of bij de kachel.
Oud worden is het eenige middel, dat tot nu toe ontdekt is, om lang te leven, en daarom is het de moeite waard, soms na te gaan, hoe men zich traineeren kan, om gelukkig te zijn, al wordt men oud, om levenslustig, moedig en jong te blijven.«
Gij allen, lezers, ik raad u met Boissevain mee te gaan op zijn reis, om van zijn gezonde levensblijheid te leeren. Hij doet Batavia en Soerabaja, Tosari, den Bromo en het Tengger-gebergte aan; bezoekt suikerlanden en koffietuinen, ziet Midden-Java en den Borobodoer, komt in de Preanger en verblijft in Buitenzorg en den Plantentuin; doet de westkust van Sumatra aan en Padang, zoowel als de Padangsche landen na den overdreven voorgestelden opstand. En hij schrijft, schrijft altijd maar door, tot onder het stampen en rollen van het schip, als alles glijdt en het potlood dansen uitvoert op het dek; hij schrijft en ik kan er alles voor voelen, als hij dat sport noemt, echte sport, zoo te moeten denken, zijn gedachten te formuleeren en neer te schrijven, terwijl men zoo gekarnd, geschud en gebonsd wordt en men je soms een voet of wat omlaag laat plompen, terwijl het schip wegzinkt van onder je stoel.
Het is de zegepraal over moeielijkheden, die dat gevoel geeft, de triomf over bezwaren, die voor ieder, wiens kracht in en door het leven niet werd gebroken, zoo groote bekoring heeft.
GELUK EN ONGELUK.
Het eenige ongeluk van veel menschen is, dat ze niet weten hoe gelukkig ze zijn.
MOOIS VAN STOCKHOLM.