Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 22

Chapter 223,801 wordsPublic domain

Hij vergeet bij het naar bed gaan, de gordijnen te sluiten: een week gevangenis wegens aanslag op de zedelijkheid.

Wat een veelgeplaagd wezen is de Duitsche burger!

DE BOTTELPOORT TE NIJMEGEN WEER AAN DE ORDE.

Burgemeester en Wethouders van Nijmegen houden maar vol en hebben den aanval op de Bottelpoort, die ze willen sloopen, hernieuwd, nadat ze acht-en-een-half jaar geleden een dergelijk voorstel bij den gemeenteraad hadden ingediend, dat echter met 15 stemmen van de 19 in de vergadering van 3 November 1900 verworpen werd.

Die ruïne van de voormalige Bottelpoort op het Waalplein staat daar als een brok geschiedenis en waar er in ons land uiterst weinig poortgebouwen uit vroegeren tijd bewaard zijn gebleven, zou het zonde en jammer zijn, zulk een bouwkundig overblijfsel met den grond gelijk te maken. Daarbij heeft de poort een eigenaardige beteekenis uit constructief en architectonisch oogpunt, is geen beletsel voor het verkeer, en het behoud zou geen aanleiding geven tot het brengen van eenig belangrijk geldelijk offer.

Alleen is er in 1900, toen de voorstanders van het behoud getriomfeerd hebben, wat wij hopen, dat ze nu weer zullen doen, voorgesteld, dat de stad de poort beter tot haar recht zou doen komen, door er omheen een aardig plekje in het leven te roepen, dat met groen en bloemen het nieuwe leven rondom de ruïne zou vertoonen. Dan zou de Bottelpoort hebben kunnen strekken tot verfraaiing van het stadsgedeelte, waar ze zich bevindt; maar dat heeft men verzuimd. Als de naaste omgeving van de ruïne volgens een zachte glooiing was afgegraven, en men daar plantsoen had aangebracht, zou de aloude poort een schilderachtig effect hebben kunnen maken.

Gelukkig is het daarvoor nog niet te laat, en het gemeentebestuur of liever, de raad van Nijmegen zal thans waarschijnlijk, als zij het voorstel tot slooping verwerpt, tevens een som uittrekken voor den aanleg van het "Bottelplantsoen."

Het behoud van het historisch monument heeft toentertijd velen in beweging gebracht als advocaten, die er krachtig voor pleitten. Daar was vooreerst de minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. Sam. van Houten, die tot het gemeentebestuur een schrijven richtte; daar was de Vereeniging "Gelre," die zich de beoefening ten doel stelt van geldersche geschiedenis, oudheidkunde en rechtswezen, die herhaaldelijk adressen inzond; daar was de heer Huf van Buren, die in de Nieuwe Rotterdamsche Courant en daar was Jhr. Victor de Stuers, die in Eigen Haard argumenten voor het behoud aanvoerde; daar was Dr. Cuypers, de architect der Rijksmuseumgebouwen, die zijn gewicht ervoor in de schaal legde; daar waren andere autoriteiten in zake bouwkunst, die hetzelfde deden, en aan hen allen is het gelukt, de stemming in den raad in gunstigen zin te doen afloopen.

Het had anders gespannen, want in de vergadering van 6 October 1900 was het voorstel van Dr. F. Banning, om het sloopingsbesluit voorloopig niet uit te voeren, met tien tegen acht stemmen verworpen. In de tusschenliggende vier weken, die toen tot 3 November verliepen, zijn alle zeilen bijgezet op het scheepje van niet-slooping, en het is de behouden haven ingeloopen.

Zal dat nu ook weer gelukken? Men doet opnieuw met frisschen moed zijn best. Onze rijksadviseur in zaken van kunst, Jhr. Victor de Stuers, hoeft reeds weer zijn stem doen hooren in een nota, aan den gemeenteraad van Nijmegen gericht, en ook Dr. P. J. H. Cuypers heeft den raad verzocht, niet te besluiten tot de slooping der voormalige Bottelpoort.

De Bottelpoort werd in 1538-1540 gebouwd, toen de ingezetenen van Nijmegen zich hadden verzet tegen Karel van Egmond en de oorlog over diens successie tusschen keizer Karel V en Willem van Cleef ging ontbranden. De gemeente-archivaris van Schevichaven heeft uit de rekeningen der stad de bijzonderheden van den bouw opgespoord en aan het licht gebracht. De poort, welke toegang gaf tot de haven, was uit een strategisch oogpunt gewichtig. Dit blijkt hieruit, dat men haar in Maart 1574 voorzag van een bolwerk, toen de incursies van Willem van Oranje in de Bommelerwaard en van Lodewijk van Nassau bij Maastricht ongerustheid gewekt hadden; andermaal werd zulk een tijdelijk bolwerk opgeworpen, toen in 1587 engelsche en staatsche troepen het tegenoverliggend fort Knodsenburg bezet hadden. Uit datzelfde fort werd de poort met zwaar geschut geteisterd door Prins Maurits en graaf Willem Lodewijk, die in 1591 de stad belegerden. Hetzelfde geschiedde tijdens het beleg van Nijmegen door de Franschen onder Turenne in 1672 en Pichegru in 1794. Dit gebouw is derhalve een geschiedkundig monument, want het is de stille getuige geweest van geweldige gebeurtenissen, voor de stad en voor geheel het land gewichtig. Het leert ons ook, hoe in de middeleeuwen de verdediging was ingericht; het gebouw is een vierkante toren, zoodanig in den walmuur geplaatst, dat de schutters den wal bestreken; een nog aanwezig schietgat laat zien, dat men zich van vuurroeren bediende; langs een steenen wenteltrap bereikte men de bovenverdieping om uit de tinnen op den vijand te schieten of hem met steenen en kokend water of olie te bombardeeren en te begieten. Ook opmerkingswaardig is het, dat men destijds bij een gebouw, met zuiver prozaïsche bedoelingen opgetrokken, kunstzin aan den dag wist te leggen; niet alleen is alles doelmatig, eenvoudig en verstandig geconstrueerd, maar waar het pas geeft, heeft de bouwmeester smaakvol gewerkt, zooals blijkt uit de fraaie profileering van den poortboog, uit de vormen van het basement, uit het kunstig bogenfries, uit de figuren met verglaasde tegels in het metselwerk aangebracht.

Uit geschiedkundig en oudheidkundig oogpunt dus moet de poort worden beschouwd, en dan zal ieder toegeven, dat ze waard is, behouden te blijven, want in dat "zwartgrauwe steengevaarte" klinkt een stem, die tot jong en oud spreekt van oude tijden, toen de poort aan een der uiteinden van de stad stond en 's avonds werd gesloten, om de burgers tegen overvallen of plundering, die van de rivierzijde altijd konden dreigen, te beschermen. Zij heeft deelgenomen aan den strijd voor vrijheid en recht, door de voorouders gevoerd, en zij kan aan dit geslacht leeren, hoe het vroegere heeft geleefd en gewerkt, opgesloten tusschen hooge muren en wallen, en hoeveel het waard is, dat het toeval dit brokje verleden, dit restje geschiedenis heeft gespaard.

Het toeval, ja, want bij het sloopen van de vestingwerken had de Bottelpoort haar behoud te danken aan de omstandigheid, dat ze in 1800 aan een particulier werd verkocht en later in een fabrieksgebouw is opgenomen. De stad kocht in nog lateren tijd het terrein, amoveerde de oude fabriek, verlaagde den opgehoogden grond en liet de ruïne te voorschijn komen.

En nu zou ze die voor goed willen opruimen?

Hoe jammer zou dat wezen, ook voor onze vrienden, die immers ook die van het gemeentebestuur zijn, de talrijke toeristen en zomergasten, die Nijmegen liefhebben en er graag hun anker uitwerpen.

Den 14den Juni heeft de Raad het voorstel tot wegruiming zonder beraadslaging of tegenkanting aangenomen. Zal het ditmaal definitief zijn?

De eischen der praktijk hebben zich doen gelden, want de directeur der electriciteitswerken heeft het terrein noodig voor den bouw van remises en wat er bij behoort ten behoeve van de aan te leggen electrische tram.

HET NEUSJE VAN DEN GOOISCHEN ZALM.

Hilversum is een merkwaardig voorbeeld van een fabrieksplaats, die tevens het centrum is van natuurschoon. Maar het heeft lang geduurd, eer de laatstgenoemde qualiteit door de wereld op den rechten prijs werd gesteld; daarvoor moest de negentiende eeuw de geesten wakker roepen tot de waardeering van de schoonheid der ongerepte natuur en daarvoor moest in de laatste helft dier eeuw meehelpen het vervoermiddel, dat zooveel steden en dorpen tot levenwekker heeft gediend, de spoorweg. Voor het Gooi was dat de Oosterspoorweg, geopend in 1874.

Het oude Hilversum was in de 15de eeuw fabrieksplaats; toen reeds werden de volders, de laken- en fluweelwevers met privileges begunstigd en hoe ook soms ten gevolge van de troebelen der oorlogstijden de industrie tijdelijk kwijnde, tot op onzen tijd is ze in stand gebleven en thans is ze nog zeer belangrijk. Karpetten, tapijten, molton, baai enz. worden er nog veel gemaakt, zooals trouwens ook Laren en Blaricum hun fabrieken hebben.

Maar wat tegenwoordig de voornaamste factor voor den bloei van het Gooi en Baarn is, het natuurschoon, dat wordt pas in de laatste eeuw recht gewaardeerd, nu men oog heeft gekregen voor het bekoorlijke van het landschap, dat uit heuvels en heiden, uit bosschen en venen bestaat en nog niet door den mensch voor nuttig gebruik in beslag is genomen. Nu zijn niet enkel de groote-stadsbewoners er komen opdagen op hun vrije dagen, op de Zondagen en de uitgaansmomenten, maar nu hebben ze hun huisgoden naar de gooische dorpen overgebracht, en ze onderhouden de gemeenschap met hun werk en met het volle, rijke leven der groote centra door dagelijks heen en weer te reizen.

Wat is veel in de laatste jaren in en om Hilversum veranderd! Tot een reusachtig villapark is het geworden en waar voor enkele jaren nog bosch was, is de golvende bodem nu bedekt met een net van breede, gladde wegen, waartusschen de villa's, in de meest verschillende stijlen gebouwd, als verstrooid liggen te midden van bloemen en heesterpartijen of van vijvers en tennisvelden en oude, hooge boomen. Met de komst der gegoede familiën zijn de scholen verbeterd, is er een hoogere burgerschool verrezen, met vijfjarigen cursus, heeft men er zelfs een manege opgericht en zijn de winkels en magazijnen zóó geworden, dat ze aan de hoogste eischen kunnen beantwoorden.

Daarbij blijft men er zich, hoewel buiten wonend, als men dat wenscht, stadsmensch voelen, want met Amsterdam en Utrecht is de relatie al heel innig gebleven; niet minder dan 23 maal per dag kan men van Hilversum naar Amsterdam en even vaak in omgekeerde richting gaan; 19 maal is er gelegenheid, op één dag naar Utrecht en terug te gaan; 23 maal kan men voor Amersfoort instappen; dan is er in de plaats, die nu al 30.000 inwoners telt, gas, waterleiding en electrisch licht, en in den winter wordt er aan amusementen aangeboden, wat met zulk een zielental te verwachten is.

Overal breidt de plaats zich uit, de stad, mag men nu gerust zeggen, want een gemeente van die grootte heeft op dien naam vrijwat meer aanspraak dan menige stad, die den naam nog draagt als herinnering aan het verleden met zijn onderscheid tusschen steden, vlekken, dorpen en gehuchten. Enorme oppervlakten worden telkens bijgekocht, om als steeds maar meer parken de tuinenstad te sieren. Van die parken is het Susannapark een der oudste, dan zijn er het Diergaardepark, het Nimrodpark, het Ministerpark en buiten de parken staan al even trotsche landhuizen in prachtige lanen, te midden van hun tuinen.

Een kiekje van het oude Hilversum kan men nemen in de Kampstraat bij voorbeeld, die naar het oude Schapenkamp leidt, dat eertijds een hofje was en waar bij ieder huisje boven in het raam een schaapje met een bel is te zien. De schapewol speelde in het nijvere Hilversum natuurlijk een groote rol, en Gerrit Veen, die het Schapenkamp stichtte, moet de eerste tapijtfabrikant zijn geweest, die zijn fabrikaat naar het buitenland verzond.

Dien tijd hebben zeker de zware boomen aan de Groest wel beleefd, die boomen, die nu nog neerzien op het drukke marktgewoel op Woensdag, als het heele Gooi zich rendez-vous schijnt te hebben gegeven op de markt aan de Groest en een student van nationale kleederdrachten er zijn hart kan ophalen. Dat is buiten de eigenlijke villastad, en er zijn meer van die oude plekjes, slopjes en inhammetjes, die echt nog het aanzien van een boerendorp in eere houden.

De lanen, waaronder de 's-Gravelandsche Weg de kroon der schoonheid spant, voeren ten slotte naar de bosschen en de heiden, naar de mooie natuuromgeving van Hilversum, waarvoor menigeen een villapark zou willen missen. Verrukkelijk zijn de wegen over de heide, zijn de boschwandelingen en zijn ook de zoo gemakkelijk te bereiken hooge punten, van waar men de heerlijkste uitzichten kan genieten.

Wilt ge een paar namen van bekende buitens? Daar is Gooilust, en Wisseloord, en Quatre-Bras, dan Spanderswoud en Jachtlust, Corvin en die op den Trompenberg met het wonderschoone panorama. Voorwaar, wie in Hilversum zijn zomertenten opslaat, behoeft niet te vreezen, dat hij vooreerst gebrek aan gelegenheid voor fiets- en wandeltochten zal krijgen.

TER HERINNERING AAN ANTONY VAN LEEUWENHOEK.

Onze groote natuuronderzoeker uit de 17de eeuw Antony van Leeuwenhoek heeft in Delft op de plek, waar zijn woonhuis heeft gestaan, een bescheiden gedenkteeken gekregen. Het initiatief daartoe nam de Verfraaiingsvereeniging Delfia, die het ontwerp aanvaardde, door den beeldhouwer J. C. Schultsz gemaakt.

Het bronzen monument vertoont de reliëfbuste van Antony van Leeuwenhoek, met de aanduiding er onder, dat hij ter plaatse woonde en werkte, alles in een sierlijke cartouche. Op den hoek van het Oude Delft en de Boterbrug, waar thans de tuin is van het Meisjeshuis, stond eenmaal Van Leeuwenhoek's woning, die woning, waar heen uit alle deelen van Europa de geleerden en belangstellenden in de natuurwetenschap stroomden, om het voorrecht te genieten, Antony van Leeuwenhoek te spreken over zijn ontdekkingen en eens te mogen kijken door de microscopen, die hijzelf had vervaardigd en waarmee hij een wereld van onbekende wezens had te voorschijn getooverd voor het menschelijk oog.

Aan het prachtig gesmeed ijzeren hek, dat den tuin omgeeft, is het brons aangebracht, dat in de tweede week van Juni zonder veel praal en staatsie is onthuld en dat door Delfia's bestuur in de regentenkamer van het Meisjeshuis aan regenten werd overgedragen. Die hulde aan den grooten man was zeker welverdiend, want groote diensten heeft hij aan de wetenschap bewezen, hij de nederige kamerbewaker, die jaren lang voor zes gulden in de week de raadszaal schoon hield en de kachel van den burgemeester stookte! Door zijn ontdekkingen heeft hij op de studie van de natuur een grooten invloed uitgeoefend. Dat had niemand vermoed, toen de knaap in Amsterdam in de leer werd gedaan bij een Amsterdamschen lakenhandelaar, maar niemand wist toen ook, dat daar aan de Buitenkant der groote stad een apotheker woonde, die Swammerdam heette en die in zijn apotheek, De Star, voor de ramen een eenvoudigen grooten waterbak zou neerzetten met watergedierte uit een hollandschen sloot. Wat mocht de jonge Antony daar graag staan kijken en wat werd zijn weetgierige geest daar bestormd door een massa vragen!

Op de meeste van die vragen gaf hij later zelf antwoord door het gebruik, dat hij maakte van het door Zacharias Jansen in 1590 uitgevonden microscoop. Hij ontdekte daarmee het leven in een waterdroppel, vond er de afgietsel- of infusiediertjes, deed onderzoekingen omtrent de bloedlichaampjes, en had ofschoon hij geen latijn noch eenige andere vreemde taal had geleerd, grooten invloed op de microscopische anatomie. Later stelde zijn vermogen hem in staat, zich aan de liefhebberij der natuurwetenschap te wijden.

Onder de bezoekers, die hem in zijn nederig gebleven woning bezochten, was ook Peter de Groote, die per trekschuit naar Delft kwam uit Amsterdam en aandachtig luisterde en keek naar het wetenswaardige, dat Leeuwenhoek hem had te vertellen en te vertoonen.

AUTOMOBIELTHEE.

Sedert de italiaansche automobilist prins Scipio Borghese twee jaar geleden op de reis van Peking naar Parijs door Centraal-Azië is gereden, zijn de chineesche en russische kooplieden, aangemoedigd door dit succes van de auto, op de gedachte gekomen, het transport der fijnste en duurste chineesche theesoorten door de woestijn Gobi te doen plaats hebben met automobielen. De exquise theeën, welker gewicht de fijnproevers uit Europa, en daaronder vooral de Russen, bijna met goud betalen, verliezen, naar men weet, door het vervoer over zee vrijwat aan geur en smaak, zelfs als men ze verzendt in luchtdicht gesloten bussen. Sedert jaren wordt daarom de duurste chineesche thee door Centraal-Azië vervoerd door karavanen, en dientengevolge heeft ze den naam karavaanthee gekregen. Thans is de tuftuf in de plaats van den kameel gekomen, en de reis door de woestijn Gobi wordt daardoor met niet minder dan veertien dagen verkort. De theehandelaars uit Kiachta zijn tegenwoordig bezig een geregelden autodienst in te richten, om onafhankelijk te worden van de kameelkaravanen. Weldra zal dus de karavaanthee zich zien verdrongen door de automobielthee.

DE KLEEDING DER MAORI.

Geruimen tijd geleden werd mij een groot aantal fotographische portretten in visite-formaat van Maori van Nieuw-Zeeland getoond; tien van de mooiste--in den zin van belangrijkste en tevens voor reproductie het best geschikt--heb ik eruit gezocht en welwillend stond de eigenares mij toe deze in De Aarde te doen afdrukken.

Het zijn mannen en vrouwen van verschillenden leeftijd, in uiteenloopende kleeding. De heer H. W. Fischer, conservator aan 's Rijks Ethnographisch Museum te Leiden, maakte mij opmerkzaam op een deugdelijke beschrijving der oorspronkelijke Maori-kleeding in E. Fregear, Maori-race (1904). Zij luidt aldus:

»Over den gordel wordt een voorschoot (Rapaki) of heupmat gedragen. Deze bestaat gewoonlijk uit eene verzameling vlasreepen aan een gordel van hetzelfde materiaal opgehangen. De groene reepen werden afgeschrapt maar op afstanden van een duim onaangeroerd gelaten; zij werden ook aan de randen afgeschrapt, zoodat zij er na droging als riet uitzagen; die losse reepen hingen af tot op de knie en ruischten harmonisch als de drager zich bewoog. Deze soort matten verborg de ledematen voldoende en gaf volledige vrijheid van beweging. Een heupmat was van gelijke lengte, maar opgemaakt vlas, dat niet ruischte.

Het voornaamste kleedingstuk voor beide seksen onder de Maori was een mantel, om de schouders gehangen; somtijds waren deze zeer groot, tot tien voet lang bij eene breedte van zeven; deze mantels waren verdeeld in twee soorten: de fijne, geweven die eigenlijke »kleeding« (kakahu) genoemd werden en de grove inferieure (mai), die niet als »kleeding« werden beschouwd. De fijnere soorten hadden elk een eigen naam.

De Korowai was een fijne mantel, door vrouwen en meisjes gedragen en uit geklopt vlas bestaande; de witte grond was dik bedekt met rijen gedraaide zwarte nestels van vlas; die nestels waren op verschillende wijzen gegroepeerd, waardoor het kleed verschillende namen kreeg.

De Korirangi was een groote mat met zwart en gele draden bedekt, de laatste vervaardigd van gekruld en geschrapt vlas, zoodanig bewerkt dat de tallooze harde buisjes vroolijk ratelden.

De Kaitaka was een fraaie witte mantel zonder nestels maar met breede, in zwart, wit en bruin geweven randen, aan onder-, soms ook aan bovenrand en een smalleren aan de kanten. Alleen hoofden van eenigen rang waren gewoon deze soort te dragen.

Vedermantels (Kakahu-kura of huruhuru) werden van vlas op dezelfde wijze geweven, maar tijdens het weven werden vederen in de inslagdraden bevestigd. Een van de meest fraaie werd gemaakt met de roode vederen die onder de vleugels van sommige papagaaien gevonden worden, andere met halsveeren van den woudduif, vaak met een smallen rand in rood en wit. Op hoogen prijs stelden de Maori ook een mantel waarin de op haar gelijke vederen van de Kiwi (Apteryx) waren gewerkt; deze soort vederen waren de eenige waarvan de punten naar boven werden gericht, zoodat de mantel op bont geleek.

De duurste mantels van alle waren die met bekleeding van hondenvellen, in 't bijzonder die waarbij de staarten van witte honden zoo aaneengesloten waren aangebracht, dat de geweven grond geheel onzichtbaar was. Hierin waren dan nog verschillende variaties met eigen namen. Voor oorlogsgebruik maakte men mantels geheel van hondenvellen zonder een onderlaag van vlasweefsel. Zeer zeldzaam zijn mantels van zeehondenvel.

De mindere soorten mantels, eigenlijk »cape's« werden bij warm of slecht weer om de schouders gebonden, waren slechts drie bij vier voet groot en bestonden uit losgeweven ruw vlas, waarin afhangende reepen waren tusschengestoken op de wijze van de haren van een borstel, terwijl de losse einden over elkaar hingen. Van deze soort bestonden ook weder talrijke variaties; een er van werd ook in oorlogstijd gedragen, nadat de vezels door verzadiging met water opgezwollen waren, waardoor zij min of meer tegen een lansstoot of pijlschot beschermden; men droeg dan meerdere mantels boven elkaar. Tegen speerworpen beveiligde men zich ook wel door een zes duim breeden gevlochten band van vlas, die door zijne groote lengte--tot 10 vadem--meermalen om het lichaam gewonden kon worden.

In vroegere tijden schijnt men ook in Nieuw Zeeland papierboomen (Broussonnetia) te hebben gekend, doch alleen in de overlevering wordt gewag gemaakt van het gebruik van geklopte boomschors voor kleeding.

Voor het aan elkaar naaien der kleedingstukken diende een penneschacht of een geslepen stuk been van een gevallen vijand als naald, en de mantels werden met een naald van beren of van walvischtand of van been of groenen steen op den rechter schouder bevestigd."

In de groote verzameling voorwerpen, die de heer G. Verschuur een paar jaren geleden aan het Rotterdamsche Museum voor land- en volkenkunde vermaakte, bevinden zich twee Maori-mantels, waarvan de afbeeldingen (op een tiende der ware grootte) aan deze regels zijn toegevoegd. Verschuur bracht de mantels mede van Nieuw Zeeland en schrijft over de Maori in zijn aardig boek Aux Antipodes (Parijs, 1891) op bladz. 214v.

Het zal den lezer niet ontgaan zijn, dat Fregear in het hierboven gedrukte citaat den verleden tijd gebruikt. De meeste Maori, zegt de schrijver der "Brieven uit Nieuw Zeeland" in de Nieuwe Courant, met uitzondering van de bewoners van King's Country, hebben de Europeesche kleeding overgenomen. Toen wij in Wellington landden en den volgenden dag op verkenning uitgingen, zag ik verscheidene Maori, oude en jonge, maar allen in Europeesche kleederdracht.

In den vijfden brief, opgenomen in de courant van 23 Mei, geeft de schrijver de indrukken die hij te midden van Maori opdeed als volgt terug:

"De hedendaagsche Maori is--voor het oog tenminste--min of meer en soms geheel en al beschaafd. Varkensvleesch, waarvan het gebruik werd ingevoerd door de eerste blanken, heeft de plaats van menschenvleesch ingenomen. Openlijk hoort men nooit meer van hun vreeselijke feestmalen, maar op het Noordelijke Eiland, een gedeelte van het oude mooie land, King's Country (Koningsland) genaamd, mogen blanken zich niet vestigen en niemand kan precies zeggen wat daar gebeurt.

De Maori zijn meestal forsch gebouwd en niet heel lang. Hun huid is donker-olijfkleurig. Zij hebben, mijns inziens, niets van het antipathieke der negers, en hoewel sommigen, vooral de oudere vrouwen, bepaald leelijk zijn, heb ik onder hen aantrekkelijke gezichten opgemerkt, met intelligente klassieke, haast Grieksche lijnen, prachtige donkere oogen en meestal fijne edele gelaatstrekken. Hun huizen zijn goed en naar een vast model gebouwd. Zij zijn laag en lang, met buitengewoon breede daken. Het huis, of liever het "frame work" (latwerk) is van torara (inlandsch hout), van binnen en van buiten behangen met droog riet. Aan den zonkant is een soort veranda, waarin de eenige deur en het raam, beide laag en smal, uitkomen. De vloer is gewoonlijk uit den grond gehold; schoorsteenen zijn onbekend. De rieten behangsels zijn met gekleurde teekeningen aan den binnenkant versierd en aan den buitenkant met vederen overdekt. Het houtsnijwerk van deur en veranda is hoogst merkwaardig en geeft blijk van een waar kunstenaarsoog en -hand. Toen ik in Wellington het Maori-museum bezocht en niet alleen het houtsnijwerk der hutten, maar ook de kunstige kano's zag, was ik een en al bewondering en verbazing, want nergens heb ik zulk kunstwerk aanschouwd.«